Koninklijk besluit betreffende de bescherming van stagiairs

  • goedkeuringsdatum
    21 SEPTEMBER 2004
  • publicatiedatum
    B.S.04/10/2004
  • datum laatste wijziging
    25/07/2016

COORDINATIE

K.B. 30-9-2005 - B.S. 13-10-2005

K.B. 2-6-2006 - B.S. 17-7-2006

K.B. 26-8-2010 - B.S. 6-9-2010

K.B. 31-5-2016 - B.S. 25-7-2016

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1999 en 11 juni 2002;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van jongeren op het werk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 augustus 2002, 3 mei 2003 en 28 mei 2003;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, inzonderheid op artikel 53 en bijlage II;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 14 mei 2004;

Gelet op het advies nr. 37.513/1/V van de Raad van State gegeven op 20 juli 2004 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de werkgevers, de stagiairs en de onderwijsinstellingen.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° stagiair : elke leerling of student die in het kader van een leerprogramma georganiseerd door een onderwijsinstelling, daadwerkelijk arbeid verricht bij een werkgever, in gelijkaardige omstandigheden als de werknemers in dienst van die werkgever, en dit met het oog op het opdoen van beroepservaring;

2° werkgever : de werkgever die de stagiair tewerkstelt;

3° onderwijsinstelling : elke instelling die onderwijs verschaft, met uitzondering van de instellingen die de beroepsopleidingen organiseren bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, b) van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

4° passend gezondheidstoezicht : het gezondheidstoezicht zoals bedoeld in artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999;

5° specifiek gezondheidstoezicht : het gezondheidstoezicht zoals bedoeld in artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999;

6° type van gezondheidstoezicht : het passend gezondheidstoezicht of het specifiek gezondheidstoezicht;

7° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 : het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk;

8° het koninklijk besluit van 28 mei 2003 : het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.

Afdeling II. - Verplichtingen van de werkgever inzake risico-analyse en preventiemaatregelen

Art. 3.

De werkgever voert overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 een analyse uit van de risico's waaraan de stagiairs kunnen worden blootgesteld en stelt de preventiemaatregelen vast die moeten in acht genomen worden.

[Bij het vaststellen van deze preventiemaatregelen past hij de bepalingen van [[de artikelen 4, 8, 9 en 10, § 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk toe.]].]

K.B. 30-9-2005; [[ ]] K.B. 31-5-2016

Art. 4.

De werkgever stelt de onderwijsinstelling in kennis van de resultaten van de risicoanalyse bedoeld in artikel 3.

Die resultaten vermelden inzonderheid, al naargelang het geval :

1° ofwel dat elk type van gezondheidstoezicht overbodig is, in toepassing van artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003;

2° ofwel dat het passend gezondheidstoezicht van toepassing is;

3° ofwel dat het specifiek gezondheidstoezicht van toepassing is;

4° in voorkomend geval, de aard van de verplichte inentingen;

5° de noodzaak onmiddellijk preventiemaatregelen te treffen die verband houden met de moederschapsbescherming.

Art. 5.

Vooraleer een stagiair te werk te stellen op een werkpost of aan een activiteit waarvoor een type van gezondheidstoezicht noodzakelijk is, verstrekt de werkgever aan de stagiair en aan de onder wijsinstelling waar deze stagiair is ingeschreven, een document dat informatie bevat betreffende :

1° de beschrijving van de werkpost of de activiteit die een passend gezondheidstoezicht vereist;

2° alle toe te passen preventiemaatregelen;

3° de aard van het risico dat een specifiek gezondheidstoezicht vereist;

4° de verplichtingen die de stagiair moet naleven in verband met de risico's eigen aan de werkpost of de activiteit;

5° in voorkomend geval, de aangepaste opleiding met het oog op de toepassing van de preventiemaatregelen.

Dit document wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

Art. 6.

[§ 1.] Wanneer uit de risico-analyse blijkt dat de stagiair wordt tewerkgesteld aan een activiteit waarvoor een type van gezondheidstoezicht van toepassing is, zorgt de werkgever er voor dat dit type van gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd.

Bovendien onderwerpt hij de stagiair, in voorkomend geval, aan de inentingen of aan de dosimetrische controle, indien de stagiair, rekening houdend met het verbod bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999, wordt blootgesteld aan ioniserende stralingen.

Elk type van gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd door het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de werkgever.

[§ 2. In afwijking van § 1, derde lid, kan de werkgever voor de uitvoering van het gezondheidstoezicht van de stagiairs een beroep doen op de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer van de bevoegde dienst voor preventie en bescherming op het werk van de onderwijsinstelling.

Een exemplaar van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling afgeleverd door deze preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, wordt aan de onderwijsinstelling bezorgd.

De onderwijsinstelling overhandigt een kopie van dit formulier aan de werkgever en aan de stagiair.]

K.B.26-8-2010

Art. 7.

[§ 1.] De eerste werkgever bij wie de stagiair wordt tewerkgesteld voor zijn allereerste stage, zorgt er voor dat de stagiair waarop een type van gezondheidstoezicht van toepassing is, de voorafgaande gezondheidsbeoordeling ondergaat, voordat hij hem belast met de arbeid.

Bij elke opeenvolgende stage wordt de voorafgaande gezondheidsbeoordeling enkel herhaald, indien de stagiair wordt blootgesteld aan een nieuw risico waarvoor er nog geen gezondheidsbeoordeling is gebeurd.

[Indien een stage een duurtijd heeft van meer dan zes maanden en indien de stagiair tijdens deze stage wordt blootgesteld aan de risico's die voorkomen in de bijlage bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, kan de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer beslissen dat de voorafgaande gezondheidsbeoordeling wordt aangevuld met een periodieke gezondheidsbeoordeling.]

Het bewijs dat de stagiair werd onderworpen aan de voorafgaande gezondheidsbeoordeling [en, in voorkomend geval, aan een periodieke gezondheidsbeoordeling] wordt geleverd door het formulier voor de gezondheidsbeoordeling bedoeld in onderafdeling 1 van afdeling 6 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003, dat de stagiair ter beschikking moet houden van elke nieuwe werkgever bij wie hij nadien zal worden tewerkgesteld.

[§ 2. De voorafgaande gezondheidsbeoordeling, bedoeld in § 1, eerste lid, is niet verplicht wanneer een stagiair :

1° ofwel jonger is dan 18 jaar en uit de resultaten van de risicoanalyse is gebleken dat elk type van gezondheidstoezicht overbodig is;

2° ofwel een activiteit verricht die er hoofdzakelijk in bestaat met een beeldscherm te werken.

De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is enkel mogelijk wanneer de stagiair bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°, beschikt over een attest dat bewijst dat hij minder dan vijf jaar geleden werd onderworpen aan het medisch schooltoezicht, in het kader van de van kracht zijnde onderwijsreglementering.]

K.B.2-6-2006

[Art. 7bis.

In afwijking van artikel 6, derde lid, kan de werkgever voor de uitvoering van het gezondheidstoezicht van de stagiairs een beroep doen op de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer van de bevoegde dienst voor preventie en bescherming op het werk van de onderwijsinstelling. [[Een exemplaar van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling afgeleverd door deze preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, wordt aan de onderwijsinstelling bezorgd. De onderwijsinstelling overhandigt een kopie van dit formulier aan de werkgever en aan de stagiair.]]

Indien, in geval van toepassing van het eerste lid, de werkgever een beroep doet op de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de onderwijsinstelling, is hij, in afwijking van afdeling IIbis van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, aan deze dienst een jaarlijkse bijdrage verschuldigd die gelijk is aan één derde van het bedrag bedoeld in artikel 13quater, § 1, 2° van hetzelfde besluit, vermenigvuldigd met het aantal medische onderzoeken voorzien voor de betrokken stagiairs.]

K.B. 30-9-2005; [[ ]] K.B. 2-6-2006

Art. 8.

Vooraleer de stagiair te werk te stellen, neemt de werkgever, na advies van de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of de afdeling van deze dienst en na advies van het comité, de nodige maatregelen inzake onthaal en begeleiding van de stagiairs, zulks met het oog op de bevordering van hun aanpassing en integratie in de werkomgeving en om er voor te zorgen dat zij in staat zijn hun arbeid naar behoren uit te oefenen.

Afdeling III. - Specifieke tariefregeling

Art. 9.

[De werkgever die een beroep doet op de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de onderwijsinstelling is voor de uitvoering van het gezondheidstoezicht jaarlijks een bijdrage verschuldigd van 61,13 euro vermenigvuldigd met het aantal stagiairs.

Het aantal stagiairs dat in aanmerking moet genomen worden voor de berekening van de bijdrage in het eerste lid stemt overeen met het aantal stagiairs ingeschreven op de lijsten van werknemers die aan het gezondheidstoezicht onderworpen zijn, bedoeld in artikel 6, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.

De bijdrage bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13decies van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.]

K.B.26-8-2010

Art. 10.

Indien de werkgever minder dan twintig werknemers tewerkstelt is de bijdrage opgenomen in het bedrag vastgesteld in toepassing van artikel 13septies van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.

Art. 11.

Indien de werkgever meer dan twintig werknemers tewerkstelt is de bijdrage gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 13quater, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk vermenigvuldigd met het aantal stagiairs.

Het aantal stagiairs dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de bijdrage bedoeld in het eerste lid wordt berekend door het aantal uren waarop zij daadwerkelijk arbeid hebben verricht bij een werkgever in de loop van een kalenderjaar te delen door 1 750 uren.

Art. 12.

In afwijking van artikel 11, is de bijdrage gelijk aan één derde van het bedrag bedoeld in artikel 13quater, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, vermenigvuldigd met het aantal stagiairs indien de werkgever gedurende meer dan 580 uren ten minste één stagiair tewerkstelt.

Art. 13.

In afwijking van artikel 13undecies, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, worden de in artikelen 11 en 12 bedoelde bijdragen betaald uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarop de prestaties betrekking hebben.

Afdeling IV. - Voorwaarden waaronder de onderwijsinstelling belast kan worden met de verplichtingen van de werkgever

Art. 14.

Indien de kandidaat-stagiair in de onderwijsinstelling een activiteit uitvoert die gelijkaardig is aan de arbeid die hij zal uitvoeren bij de werkgever, is de onderwijsinstelling belast met de volgende opdrachten :

1° zij voert de risico-analyse bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 uit voor de activiteiten verricht in de onderwijsinstelling;

2° zij stelt in toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 de preventiemaatregelen vast die van toepassing zijn in de onderwijsinstelling;

3° zij stelt de werkgever in kennis van de resultaten van de risicoanalyse en van de toe te passen preventiemaatregelen.

Wanneer de kandidaat-stagiairs gelijkaardige activiteiten verrichten als de werknemers van de onderwijsinstelling en voor zover er voor deze werknemers een risico-analyse werd uitgevoerd overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, blijft de in het eerste lid, 1° bedoelde risico-analyse beperkt tot een aanvulling van deze risico-analyse met de gegevens die in toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 specifiek zijn voor de jongeren op het werk.

In dat geval worden de preventiemaatregelen die vastgesteld werden voor de werknemers van de onderwijsinstelling aangevuld met de preventiemaatregelen die specifiek zijn voor de jongeren op het werk, om te beantwoorden aan de verplichting bedoeld in het eerste lid, 2°.

Voor het uitoefenen van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen doet de onderwijsinstelling een beroep op de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de onderwijsinstelling.

Art. 15.

Indien uit de resultaten van de risicoanalyse bedoeld in artikel 14 blijkt dat de kandidaat-stagiair moet onderworpen worden aan een type van gezondheidstoezicht of aan inentingen, laat de onderwijsinstelling de voorafgaande gezondheidsbeoordeling of de inentingen uitvoeren door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer van het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht van de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarop zij een beroep doet.

In dat geval bezorgt de onderwijsinstelling aan de werkgever een afschrift van het formulier voor de gezondheidsbeoordeling.

Art. 16.

De bepalingen van deze afdeling treden in werking op de datum bepaald door de Koning.

Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen

Art. 17.

Artikel 2, 3° van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 mei 2003, wordt opgeheven.

Art. 18.

Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid : ...

Art. 19.

Artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 mei 2003 en 28 mei 2003, wordt vervangen als volgt : ...

Art. 20.

Afdeling Vbis, Bijzondere bepalingen van toepassing op stagiairs, van hetzelfde besluit, dat de artikelen 12bis tot 12quinquies omvat, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 mei 2003, wordt opgeheven.

Art. 21.

Artikel 53 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 wordt vervangen als volgt :

"Art. 53. Indien het gaat om een medisch onderzoek van een jongere op het werk zoals bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk, of van een stagiaire onderworpen aan een type van gezondheidstoezicht zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 21 september 2004 betreffende de bescherming van stagiairs, vermeldt de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling ofwel dat de jongere of de stagiair voldoende geschikt is, ofwel dat de jongere of de stagiair geschikt is voor een betrekking waarvan hij de tewerkstellingsvoorwaarden bepaalt."

Art. 22.

In bijlage II, Model van "Formulier voor de gezondheidsbeoordeling" bij hetzelfde besluit, wordt rubriek E vervangen als volgt :

"E. Indien het een onderzoek betreft van een jongere op het werk of van een stagiair :

De ondergetekende preventieadviseur-arbeidsgeneesheer verklaart dat de bovengenoemde persoon : (°)

O voldoende geschikt is

O geschikt is voor een tewerkstelling op een werkpost of aan een activiteit die beantwoordt aan de voorwaarden voor tewerkstelling bedoeld in F."

Afdeling VI. - Slotbepalingen

Art. 23

. De bepalingen van de artikelen 1 tot 16 van dit besluit vormen titel VIII, hoofdstuk III van de Codex over het welzijn op het werk met de volgende opschriften :

1° "TITEL VIII. - Bijzondere werknemerscategorieën en werksituaties;"

2° "HOOFDSTUK III. - Stagiairs".

Art. 24.

Onverminderd de specifieke bepalingen bedoeld in de artikelen 16 en 19, heeft dit besluit uitwerking met ingang van 1 september 2004.

Art. 25.

Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.