Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    09 DECEMBER 2005
  • publicatiedatum
    B.S.02/02/2006
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs.

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op :

1° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor basisonderwijs;

2° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor secundair onderwijs;

3° de erkende centra voor deeltijdse vorming in het kader van de deeltijdse leerplicht;

4° de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor volwassenenonderwijs;

5° de gefinancierde of gesubsidieerde instellingen voor deeltijds kunstonderwijs;

6° de gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

[7° voor wat de leertijd betreft : de gesubsidieerde centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.]

Het geheel van die onderwijsinstellingen en centra wordt hierna "scholen en centra" genoemd.

Decr. 17-6-2016

Art. 3.

§ 1. De Vlaamse Regering kan tijdelijke projecten opzetten of scholen en centra de mogelijkheid verlenen tijdelijke projecten te organiseren. Die tijdelijke projecten bieden het hoofd aan dringende problemen of testen experimenten uit.

De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden scholen en centra kunnen toetreden tot tijdelijke projecten die zij opzet en/of onder welke voorwaarden scholen en centra zelf tijdelijke projecten kunnen organiseren.

De Vlaamse Regering zal er zich telkens van vergewissen of de scholen en centra die tot tijdelijke projecten willen toetreden of zelf tijdelijke projecten willen organiseren, deze tijdelijke projecten hebben overlegd en/of onderhandeld in de bevoegde participatieorganen. Indien een project sterk ingrijpt op arbeidsorganisatie en arbeidsvoorwaarden, dan zal de aanwezigheid van een protocol van akkoord of een protocol van niet-akkoord met betrekking tot de onderhandelingen in de bevoegde participatieorganen, voor de Vlaamse Regering een zeer belangrijk element vormen.

§ 2. Zowel in het geval dat de Vlaamse Regering zelf tijdelijke projecten opzet als in het geval dat ze de scholen en centra de mogelijkheid geeft om zelf tijdelijke projecten te organiseren, legt de Vlaamse Regering de inhoud en de doelstellingen van de tijdelijke projecten vast, bepaalt de tijdsduur ervan, alsook de voorwaarden waaronder de tijdelijke projecten eenmaal kunnen worden verlengd. Deze verlenging kan niet langer duren dan de oorspronkelijke tijdsduur van het tijdelijke project.

§ 3. De Vlaamse Regering informeert het Vlaams Parlement over de tijdelijke projecten waarover ze een beslissing zal nemen.

[§ 4. De Vlaamse Regering kan een tijdelijk project vroegtijdig beëindigen indien de doelstelling(en) ervan minder relevant of niet meer relevant zijn geworden. Beëindiging kan enkel bij het einde van een schooljaar en mits de studievoortgang van de betrokken leerlingen niet in het gedrang wordt gebracht. De scholen en centra die aan het tijdelijke project deelnemen, worden op een uiterste datum te bepalen door de Vlaamse Regering van deze beëindiging op de hoogte gebracht.]

Decr. 17-6-2016

Art. 4.

§ 1. Tijdelijke projecten kunnen afwijken of kunnen afwijkingen toestaan van wettelijke en decretale bepalingen onder de hierna gestelde voorwaarden.

§ 2. De afwijkingen zijn alleen mogelijk :

1° als de doelstellingen van het tijdelijke project gericht zijn op de voorbereiding van een eventuele wijziging van de onderwijswetgeving met het oog op :

a) onderwijsvernieuwing, en/of

b) het ontwikkelen van specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen, en/of

c) een betere organisatie van het onderwijs; en

2° als de afwijkingen noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de tijdelijke projecten te realiseren.

De Vlaamse Regering wijst per tijdelijk project de wettelijke en decretale bepalingen aan waarvan afgeweken wordt. Ze motiveert de noodzaak om van die bepalingen af te wijken en uit de omschrijving van het tijdelijke project laat ze blijken dat de bepalingen waarvan wordt afgeweken in verband staan met de doelstellingen van het tijdelijke project.

[De Vlaamse Regering kan indien nodig voorzien in pedagogische, wetenschappelijke of andere adequate ondersteuning en begeleiding.]

Decr. 18-12-2009

§ 3. De afwijkingen kunnen evenwel geen betrekking hebben op :

1° de bepalingen inzake het inschrijvingsrecht in het basis- en secundair onderwijs;

2° de eindtermen en ontwikkelingsdoelen;

3° de bepalingen inzake het minimumlessenrooster of de minimumlessentabel in het secundair en volwassenenonderwijs en in de deeltijdse vormingen in het kader van de deeltijdse leerplicht;

4° de bepalingen inzake liet minimumaantal wekelijkse lestijden voor leerlingen in het basis-, secundair en volwassenenonderwijs;

5° de bepalingen die betrekking hebben op de participatie;

6° de bepalingen die betrekking hebben op de erkenning van scholen en centra, met uitzondering van de bepalingen inzake onderwijsstructuur en leerplan;

7° de bepalingen die betrekking hebben op het inschrijvingsgeld in het volwassenenonderwijs;

8° de bepalingen inzake zorgvuldig bestuur.

§ 4. Als het tijdelijke project aanleiding geeft tot het uitvaardigen van afwijkende regelgeving, waarborgt deze regeling in elk geval :

1° het recht van de leerling op begeleiding door een centrum voor leerlingenbegeleiding;

2° de mogelijkheid tot overstap van een leerling in het begin van het schooljaar of tijdens het schooljaar naar een onderwijsinstelling of opleiding buiten het tijdelijke project;

3° de eindbekrachtiging van de studies, met de daaraan verbonden civiele effecten;

4° de vigerende verhouding tussen het aantal lessen op jaarbasis enerzijds, en de vakantie- en verlofregeling anderzijds;

5° dat in de vormen van onderwijs waar tegen omstreden beslissingen beroep kan worden ingesteld, dat ook in tijdelijke projecten het geval is;

6° dat de basisfinanciering of -subsidiëring van de scholen en centra in kwestie nooit lager is dan die welke onder identieke omstandigheden buiten het tijdelijke project wordt toegekend;

7° de geldelijke loopbaan van de personeelsleden die in tijdelijke projecten fungeren.

§ 5. Besluiten die afwijken of die afwijkingen toestaan van wettelijke en decretale bepalingen, worden binnen de maand na hun goedkeuring ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd. De bekrachtiging bij decreet gebeurt binnen de zes maanden na goedkeuring van het besluit en vóór de inwerkingtreding van dit besluit. [Een besluit van de Vlaamse Regering tot uitbreiding van een bestaand tijdelijk project wordt niet ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd als het, wat afwijkingen van wettelijke en decretale bepalingen betreft die voor dat project zijn toegestaan, bij eerder door het Vlaams Parlement bekrachtigd besluit van de Vlaamse Regering, enkel het toepassingsgebied van die afwijkingen verruimt en geen nieuwe inhoudelijke afwijkingen toevoegt.]

Besluiten die betrekking hebben op het schooljaar 2005-2006 worden voor dat schooljaar als bekrachtigd beschouwd.

Decr. 16-6-2017

Art. 5.

§ 1. Afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten kan aan scholen en centra die deelnemen aan de tijdelijke projecten extra ondersteuning worden toegekend.

De extra ondersteuning wordt toegekend binnen een schooljaar en moet aangewend worden zoals door de Vlaamse Regering bepaald is.

§ 2. Voorzover de extra ondersteuning, vermeld in § 1, extra betrekkingen behelst, wordt het personeelslid dat in dergelijke betrekking wordt aangesteld, steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, blijven verder van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur of de inrichtende macht van de school of het centrum waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;

2° het schoolbestuur of de inrichtende macht van de school of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval;

3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur of de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vastbenoemen, affecteren of muteren in de betrekking.

De Vlaamse Regering kan van de bepalingen onder 1° en 2° hierboven afwijken.

[§ 3. De bepalingen van dit artikel worden buiten werking gesteld vanaf het schooljaar 2010-2011, behoudens voor :

1° de tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs die zijn opgenomen in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;

2° de tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs die al tijdens het schooljaar 2009-2010 lopende zijn.]

Decr. 18-12-2009

Art. 6.

[§ 1.] [Op tijdelijke projecten die in werking treden uiterlijk 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.]

Tijdens hun looptijd worden de tijdelijke projecten geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de opzet van die evaluatie op basis van de specificiteit van het tijdelijke project. Als een project verband houdt met het leerproces, voert de onderwijsinspectie de evaluatie uit. Voor elk ander tijdelijk project wijst de Vlaamse Regering de instantie aan die met de evaluatie wordt belast.

De Vlaamse Onderwijsraad, de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten, de pedagogische begeleidingsdiensten en de representatieve vakorganisaties worden betrokken bij de diverse stadia van het evaluatieproces en bij de besluitvorming op basis van de evaluatieresultaten. De Vlaamse Regering bepaalt, in functie van het tijdelijke project, welke van desbetreffende geledingen betrokken worden evenals de wijze waarop dit gebeurt.

De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiering.

[§ 2. Op tijdelijke projecten die in werking treden na 31 maart 2007 zijn de hiernavolgende evaluatiebepalingen van toepassing.

In de loop van het laatste werkingsjaar van het tijdelijke project of, in het geval het tijdelijke project langer dan drie jaren duurt, in het derde werkingsjaar, evalueert een expertenpanel het tijdelijke project, in het bijzonder op het vlak van haalbaarheid en wenselijkheid van een organieke implementatie.

Het expertenpanel, dat wordt aangeduid door de Vlaamse Regering, is samengesteld uit afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, afgevaardigden van de onderwijsinspectie en externen. Als externe experten worden alleszins afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten en afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties opgenomen. De Vlaamse Regering kan nadere evaluatieregels vastleggen.

De resultaten van de evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering beslist, op basis van het advies, over de voortgang of beëindiging van de tijdelijke projecten en eventueel, in het geval van beëindiging gevolgd door een organieke implementatie, over invoering van aanvullende structurele financiering of subsidiëring.]

Decr. 22-6-2007

Art. 7.

In artikel 46, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, worden liet tweede en derde lid opgeheven.

Art. 8.

Artikelen 168 tot en met 171 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden opgeheven.

Art. 9.

Artikel 8 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs wordt opgeheven.

Art. 10.

Artikelen 82 tot en met 84 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden opgeheven.

Art. 11.

Artikel 84bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt opgeheven.

Art. 12.

In artikel 5, § 2, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs wordt de eerste zin geschrapt.

Art. 13.

In artikel 24, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 14.

Artikelen 25 en 26 van hetzelfde decreet worden opgeheven.

Art. 15.

Artikel 48bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2001, wordt opgeheven.

Art. 16.

Artikelen 78 tot en met 82 van het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor worden opgeheven.

Art. 17.

Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "beeldende kunst", en artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "muziek", "woordkunst" en "dans", worden opgeheven.

Art. 18.

Bekrachtigd worden met ingang van de dag van hun respectieve inwerkingtreding :

1° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002;

2° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 betreffende de toekenning van extra lestijden voor scholen van het basisonderwijs in de rand- en taalgrensgemeenten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2001;

3° het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 september 2003 en 27 augustus 2004;

4° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2003 houdende een tijdelijk pilootproject "optimalisatie van de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs" in het secundair onderwijs;

5° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende het tijdelijk project zorgondersteuning in de centra voor leerlingenbegeleiding;

6° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 betreffende het tijdelijk project ter ondersteuning van het unieke studiegebied maritieme opleidingen voor de varende bemanning van de opleidingsschepen van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde instelling Koninklijk Technisch Atheneum van het Gemeenschapsonderwijs Zwijndrecht;

7° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs;

8° artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 betreffende de programmatie in het onderwijs voor sociale promotie voor het schooljaar 2004-2005 en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 december 2000 betreffende de structuur van het secundair onderwijs voor sociale promotie;

9° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 betreffende onderwijsprojecten "Accent op talent", gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005;

10° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2004 betreffende de toekenning van een subsidie aan tijdelijke projecten voor leerlingen met autismespectrumstoornissen;

11° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

12° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 betreffende een tijdelijk project tot ondersteuning van sommige leerlingen in de optie verzorging van de derde graad BSO van het gewoon voltijds secundair onderwijs.

Art. 19.

De experimenten die toegestaan werden door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, op basis van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "beeldende kunst", en op basis van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting "muziek", "woordkunst" en "dans", worden bekrachtigd.

Art. 20.

Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 15 maart 2005, met uitzondering van :

1° artikelen 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 die in werking treden op 1 september 2005;

2° artikel 11 dat in werking treedt op 1 september 2006;

3° artikelen 18 en 19 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1998.