OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van een tijdelijk project betreffende vervangingen van korte afwezigheden, bedrijfsstages en mentorschap

  • goedkeuringsdatum
    27 JANUARI 2006
  • publicatiedatum
    B.S.19/04/2006
  • datum laatste wijziging
    01/09/2008

COORDINATIE

B.Vl.R. 27-10-2006 - B.S. 5-12-2006

B.Vl.R. 14-12-2007 - B.S. 21-1-2008

opgeheven door Art. 9 en 12 van ditzelfde besluit

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 76 en 77;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, inzonderheid op artikel 50 en 51;

Gelet op het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt, inzonderheid op hoofdstuk II, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2005;

Gelet op het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek, inzonderheid op artikel IX. 3 en IX. 6;

Gelet op het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, inzonderheid op de artikelen 2 tot 6;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 mei 2005;

Gelet op het protocol nr. 559 van 14 oktober 2005 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergadering van sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 324 van 14 oktober 2005 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het overkoepelend onderhandelingscomité vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 8 december 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - [Tijdelijk project vervangingen van korte afwezigheden

Afdeling I. - Basisonderwijs

Artikel 1.

§ 1. In het basisonderwijs wordt tijdens het schooljaar 2007-2008 het tijdelijke project verlengd waarbij projectscholen een eigen beleid kunnen voeren betreffende vervangingen van korte afwezigheden van personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, afhankelijk van eigen lokale behoeften en prioriteiten.

§ 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° projectscholen : scholen die in het basisonderwijs samenwerken binnen :

a) een scholengemeenschap;

b) een samenwerkingsplatform tussen (een) scholengemeenschap(pen) en (een) onderwijsinstelling(en) die niet beho(o)r(t)en tot een scholengemeenschap;

c) een samenwerkingsplatform tussen meerdere scholengemeenschappen;

2° korte afwezigheden : de afwezigheden van de personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, waarvoor op basis van andere regelgeving geen vervanger kan worden gefinancierd of gesubsidieerd.

§ 3. Het personeelslid dat vervangt, krijgt een salaris als de vervanging voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit besluit. Het salaris wordt vastgesteld op basis van de aanstelling van het personeelslid en op basis van de geldende reglementering.

Art. 2.

Tijdens het schooljaar 2007-2008 kunnen alle scholen van het basisonderwijs deelnemen aan het tijdelijke project vervanging van korte afwezigheden.

Art. 3.

§ 1. Aan de projectscholen worden extra middelen toegekend in de vorm van vervangingseenheden die worden berekend op basis van artikel 4.

Ze worden samen gelegd op het niveau van het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 1, § 2.

§ 2. De vervangingseenheden worden toegekend op voorwaarde dat een convenant werd gesloten tussen de inrichtende machten en één of meer vakorganisaties. Het convenant wordt op het niveau van het samenwerkingsverband van de projectscholen, vermeld in artikel 1, § 2, gesloten en omvat minimaal :

1° de aanleiding voor het sluiten van het convenant;

2° de doelstellingen;

3° de wijze waarop vervangingen in korte afwezigheden zullen gebeuren;

4° afspraken over de opvolging van de aanwending van de vervangingseenheden en over de evaluatie van het project;

5° de participanten;

6° de duur van het convenant;

7° de datum van inwerkingtreding.

§ 3. De inrichtende machten of schoolbesturen van de projectscholen wenden de vervangingseenheden aan binnen het beschikbare budget en conform de bepalingen van het convenant, vermeld in § 2.

Art. 4.

§ 1. Het totale aantal vervangingseenheden voor het basisonderwijs wordt berekend aan de hand van de volgende formules :

1° het aantal beschikbare voltijdse equivalenten wordt berekend door het beschikbare budget voor reglementaire korte vervangingen in het basisonderwijs te delen door 34.097 euro, waarbij :

a) het beschikbare budget voor het begrotingsjaar 2007 4.039.277 euro en voor het begrotingsjaar 2008 5.085.750 euro bedraagt;

b) het beschikbare budget vooraf wordt verminderd door een afhouding van 15 % voor de betaling van de « verlengingsopdracht tijdelijke »;

c) het beschikbare budget en het bedrag van 34.097 euro worden aangepast aan de evolutie van het gezondheidsindexcijfer, bedoeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 ter vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;

2° het totale aantal vervangingseenheden voor het basisonderwijs wordt verkregen door het aantal beschikbare voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 10.000 en 42,86, waarbij :

a) 10.000 de voltijdse weekopdracht uitdrukt voor het basisonderwijs;

b) 42,86 het aantal bezoldigde weken is, verkregen door het maximale aantal betalingsdagen op jaarbasis van een personeelslid aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, te delen door 7;

3° de coëfficiënt, bestemd om het aantal vervangingseenheden per school te bepalen voor een schooljaar, wordt vastgesteld door het totale aantal vervangingseenheden voor het basisonderwijs te delen door het totale aantal lestijden voor het basisonderwijs van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden voor het basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal :

a) lestijden volgens de schalen;

b) aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen;

c) extra lestijden onderwijsvoorrang in het buitengewoon basisonderwijs;

d) lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer;

4° het aantal vervangingseenheden per school wordt voor een schooljaar berekend door de vervangingscoëfficiënt te vermenigvuldigen met het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar wordt verstaan de som van het totale aantal :

a) lestijden volgens de schalen;

b) aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen voor de school;

c) extra lestijden onderwijsvoorrang in het buitengewoon basisonderwijs;

d) lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer.

§ 2. Een aanstelling op basis van vervangingseenheden kan enkel starten bij afwezigheid van een titularis. Het personeelslid moet steeds worden aangesteld in een voltijdse of halftijdse opdracht.

§ 3. Voor de aanwending van de vervangingseenheden wordt de volgende formule toegepast :

X x aantal aanstellingsdagen/7 = Y

waarbij

1° X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat met vervangingseenheden wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten;

2° aantal aanstellingsdagen = het aantal dagen waarop het personeelslid met vervangingseenheden wordt aangesteld, met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus-, of paasvakantie voor zover die periode in het aantal vervangingsdagen begrepen is;

3° Y = het aantal vervangingseenheden, afgerond naar de hogere eenheid, als het resultaat van de breuk na de komma 5 of meer bedraagt.

§ 4. Op het personeelslid dat met vervangingseenheden wordt aangesteld, zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van toepassing van :

1° het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;

2° het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

Afdeling II. - Secundair onderwijs

Art. 5.

§ 1. In het secundair onderwijs wordt tijdens het schooljaar 2007-2008 het tijdelijk project vervangingen van korte afwezigheden verlengd. Hierbij wordt vervanging van personeelsleden van het onderwijzend personeel mogelijk voor afwezigheden van minimum zes werkdagen en maximum negen werkdagen. Het personeelslid dat het afwezige personeelslid vervangt, krijgt een salaris.

§ 2. Op het personeelslid dat het afwezige personeelslid vervangt, zijn, naargelang van het geval, de bepalingen van toepassing van :

1° het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;

2° het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

Art. 6.

Het tijdelijke project is van toepassing op alle instellingen van het secundair onderwijs.

Art. 7.

§ 1. Het beschikbare budget bedraagt voor het begrotingsjaar 2007 1.688.751 euro en voor het begrotingsjaar 2008 3.291.000 euro.

§ 2. Maandelijks zal worden opgevolgd in welke mate het beschikbare budget is opgebruikt. Wanneer 90 % van het beschikbare budget is aangewend, zullen geen nieuwe vervangingen van personeelsleden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 kunnen gebeuren.

Afdeling III. - Evaluatie

Art. 8.

§ 1. Het project wordt gevolgd door een stuurgroep, aangesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs.

De stuurgroep is samengesteld uit een vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en uit telkens één vertegenwoordiger van het gemeenschapsonderwijs, van elke representatieve vereniging van inrichtende machten en van elke representatieve vakorganisatie.

§ 2. De stuurgroep heeft de volgende taken :

1° het project opvolgen en bijsturen voor wat betreft de toepassing van artikel 4, § 2 en van de bepalingen in afdeling II;

2° een evaluatie maken;

3° een eindrapport opstellen voor de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs.

Art. 9.

Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2007 en houdt op van kracht te zijn op 31 augustus 2008.]

B.Vl.R. 14-12-2007

HOOFDSTUK II. - Vervanging van leraren, technisch adviseurs en technisch adviseurs-coördinator in het secundair onderwijs die op bedrijfsstage zijn

Art. 7.

§ 1. Tijdens de schooljaren 2005-2006, 2006- 2007 en 2007-2008 wordt een tijdelijk project georganiseerd waarbij projectscholen van het gewoon secundair en buitengewoon secundair onderwijs leraren, technisch adviseurs en technisch adviseurs-coördinator kunnen vervangen die op bedrijfsstage gaan.

§ 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° projectscholen : scholen die samenwerken binnen :

a) een scholengemeenschap;

b) een samenwerkingsplatform tussen (een) scholengemeenschap(pen) en een) onderwijsinstelling(en) die niet beho(o)r(t)en tot een scholengemeenschap;

c) een samenwerkingsplatform tussen meerdere scholengemeenschappen;

2° bedrijfsstage : de periode waarin de leraar, technisch adviseur, technisch adviseur-coördinator in een ander arbeidsmilieu zijn verdere professionele ontwikkeling uitbouwt;

3° leraar : de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.

Art. 8.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wijst de projectscholen aan op voorstel van het gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van inrichtende machten.

Het aantal projectscholen wordt beperkt. Het totale pakket uren-leraar/lesurenpakket van de geselecteerde projectscholen mag maximaal 33 % bedragen van het totale pakket uren-leraar/lesurenpakket van de secundaire scholen.

Art. 9.

Aan de projectscholen worden extra middelen toegekend in de vorm van vervangingseenheden en werkingsmiddelen, bestemd voor de kosten die verbonden zijn aan de bedrijfsstage. Die worden berekend op basis van artikel 10. De middelen worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 7, § 2.

De inrichtende machten van de projectscholen beslissen zelf over de aanwending van de vervangingseenheden en de daaraan verbonden werkingsmiddelen, naar gelang van het nascholingsplan van de projectscholen.

Art. 10.

§ 1. Het totale aantal vervangingseenheden voor het gewoon secundair onderwijs wordt berekend aan de hand van de volgende formules :

1° het aantal beschikbare voltijdse equivalenten wordt berekend door het beschikbare budget voor vervangingen van bedrijfsstages in het gewoon secundair onderwijs te delen door 35.238 euro, waarbij :

a) het beschikbare budget :

1) voor het begrotingsjaar 2005 240.191 euro bedraagt;

2) voor het begrotingsjaar 2006 960.765 euro bedraagt;

3) voor het begrotingsjaar 2007 960.765 euro bedraagt;

4) voor het begrotingsjaar 2008 720.574 euro bedraagt;

b) het beschikbare budget vooraf wordt verminderd door een afhouding van 10 % voor de betaling van de 'verlengingsopdracht tijdelijke';

c) het beschikbare budget en het bedrag van 35.238 euro schommelen met het indexcijfer van de consumptieprijzen in overeenstemming met de regelen, voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld;

2° het totale aantal vervangingseenheden voor het gewoon secundair onderwijs wordt verkregen door het aantal beschikbare voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 10.000 en 42,86, waarbij :

a) 10.000 de voltijdse weekopdracht is voor het gewoon secundair onderwijs;

b) 42,86 het aantal bezoldigde weken is, verkregen door het maximale aantal betalingsdagen op jaarbasis van een personeelslid aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, te delen door 7;

3° de coëfficiënt, bedoeld om het aantal vervangingseenheden per instelling te bepalen voor een schooljaar, wordt vastgesteld door het totale aantal vervangingseenheden voor het gewoon secundair onderwijs te delen door het totale aantal uren-leraar van de projectscholen voor het gewoon secundair onderwijs, berekend op basis van de telling van de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, waarbij onder het totale aantal uren-leraar wordt verstaan de som van :

a) het totale aantal wekelijkse uren-leraar met inbegrip van de uren-leraar van de levensbeschouwelijke vakken en de eventuele uren-leraar ingevolge vrijwillige fusie;

b) de eventuele uren-leraar DBSO of deeltijds visserijonderwijs;

c) de eventuele organieke uren trajectbegeleiding DBSO;

d) het totale aantal uren gelijke onderwijskansen;

4° het aantal vervangingseenheden per instelling wordt voor een schooljaar berekend door de vervangingscoëfficiënt te vermenigvuldigen met het totale aantal uren-leraar van de instelling van het betrokken schooljaar, waarbij onder het totale aantal uren-leraar wordt verstaan de som van :

a) het totale aantal wekelijkse uren-leraar met inbegrip van de uren-leraar van de levensbeschouwelijke vakken en de eventuele uren-leraar ingevolge vrijwillige fusie;

b) de eventuele uren-leraar DBSO of deeltijds visserijonderwijs;

c) de eventuele organieke uren trajectbegeleiding DBSO;

d) het totale aantal uren gelijke onderwijskansen.

§ 2. Het totale aantal vervangingseenheden voor het buitengewoon secundair onderwijs wordt berekend aan de hand van de volgende formules :

1° het aantal beschikbare voltijdse equivalenten wordt berekend door het beschikbare budget voor vervangingen van bedrijfsstages in het buitengewoon secundair onderwijs te delen door 32.486 euro, waarbij :

a) het beschikbare budget :

1) voor het begrotingsjaar 2005 21.559 euro bedraagt;

2) voor het begrotingsjaar 2006 86.235 euro bedraagt;

3) voor het begrotingsjaar 2007 86.235 euro bedraagt;

4) voor het begrotingsjaar 2008 64.676 euro bedraagt;

b) het beschikbare budget vooraf wordt verminderd door een afhouding van 10 % voor de betaling van de verlengingsopdracht tijdelijke';

c) het beschikbare budget en het bedrag van 32.486 euro schommelen met het indexcijfer van de consumptieprijzen in overeenstemming met de regelen, voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld;

2° het totale aantal vervangingseenheden voor het buitengewoon secundair onderwijs wordt verkregen door het aantal beschikbare voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 10.000 en 42,86, waarbij :

a) 10.000 de voltijdse weekopdracht is voor het buitengewoon secundair onderwijs;

b) 42,86 het aantal bezoldigde weken is, verkregen door het maximale aantal betalingsdagen op jaarbasis van een personeelslid aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, te delen door 7;

3° de coëfficiënt, bedoeld om het aantal vervangingseenheden per instelling te bepalen voor een schooljaar, wordt vastgesteld door het totale aantal vervangingseenheden voor het buitengewoon secundair onderwijs te delen door het totale aantal lesuren van de projectscholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, berekend op basis van de telling van de regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, waarbij onder het totale aantal lesuren wordt verstaan de som van het totale aantal :

a) wekelijkse lesuren;

b) lesuren onderwijsvoorrangsbeleid;

4° het aantal vervangingseenheden per instelling wordt voor een schooljaar berekend door de vervangingscoëfficiënt te vermenigvuldigen met het totale aantal lesuren van de instelling van het betrokken schooljaar, waarbij onder het totale aantal lesuren wordt verstaan de som van het totale aantal :

a) wekelijkse lesuren;

b) lesuren onderwijsvoorrangsbeleid.

§ 3. Voor de aanwending van de vervangingseenheden wordt de volgende formule toegepast :

X x aantal vervangdagen / 7 = Y

waarbij

1° X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat ter vervanging van de afwezige titularis wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten;

2° aantal vervangdagen = het aantal dagen waarop de titularis wordt vervangen met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie voor zover die periode in het aantal vervangingsdagen begrepen is;

3° Y = het aantal vervangingseenheden, afgerond naar de hogere eenheid als het resultaat van de breuk na de komma 5 of meer bedraagt.

§ 4. De werkingsmiddelen, bestemd voor de kosten die verbonden zijn aan de bedrijfsstages, bedragen 3 % van het beschikbare budget.

§ 5 Op het personeelslid dat de titularis vervangt zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van toepassing van :

a) het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs;

b) het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

§ 6. Het personeelslid dat op bedrijfsstage gaat, bevindt zich in dienstactiviteit.

Art. 11.

§ 1. De evaluatie van deze proeftuin zal worden uitgevoerd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, in samenspraak met het gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de vakorganisaties.

§ 2. De evaluatie zal nagaan of :

- het systeem van vervangingen, vermeld in dit besluit, toelaat dat personeelsleden meer op bedrijfsstage gaan;

- de doelstelling van dit tijdelijke project, vermeld in artikel 7, § 3, wordt verwezenlijkt.

Art. 12.

Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 november 2005 en houdt op uitwerking te hebben op 31 augustus 2008.

HOOFDSTUK III. - [Mentorschap

Art. 13.

§ 1. In het basisonderwijs, secundair onderwijs, volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs wordt tijdens het schooljaar 2006-2007 een tijdelijk project georganiseerd waarbij scholen, centra en instellingen middelen ontvangen voor mentorschap.

§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

1° mentorschap :

a) de aanvangsbegeleiding in het schooljaar 2006-2007 van beginnende leraars in het basisonderwijs, secundair onderwijs, volwassenenonderwijs of deeltijds kunstonderwijs, en

b) de ondersteuning in voormeld schooljaar van studenten en cursisten die vanuit hun lerarenopleiding een stage lopen in een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs, een centrum voor volwassenenonderwijs of een instelling voor deeltijds kunstonderwijs;

2° samenwerkingsverband :

a) een scholengemeenschap in het basis- of secundair onderwijs;

b) een scholengroep;

c) een samenwerkingsplatform tussen twee of meer van de volgende instanties :

- scholengemeenschappen in het basis- of secundair onderwijs;

- scholengroepen;

- scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs, voorzover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het basisonderwijs;

- scholen voor gewoon en/of buitengewoon secundair onderwijs, voorzover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs;

- centra voor volwassenenonderwijs;

- instellingen voor deeltijds kunstonderwijs;

3° stagiair : een student of cursist die in het school- of academiejaar 2005-2006 een lerarenopleiding heeft gevolgd en ten minste één uur stage heeft gelopen in een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs, een centrum voor volwassenenonderwijs of een instelling voor deeltijds kunstonderwijs.

Art. 14.

Elke school, centrum of instelling die tot een samenwerkingsverband is toegetreden, zorgt voor de aanvangsbegeleiding van beginnende leraars; de aanvangsbegeleiding hoeft zich niet te beperken tot het eerste jaar van de beroepsuitoefening. Elke school, centrum of instelling die tot een samenwerkingsverband is toegetreden, zorgt ook voor de ondersteuning van de student of cursist tijdens de stage.

Deze taken worden toevertrouwd aan een of meer personeelsleden die belast zijn met het mentorschap.

Art. 15.

§ 1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten worden aan de scholen, centra en instellingen middelen voor mentorschap toegekend onder vorm van lestijden (gewoon en buitengewoon basisonderwijs), uren-leraar (gewoon secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs), lesuren (buitengewoon secundair onderwijs) en leraarsuren (volwassenenonderwijs).

Deze middelen worden, zoals bepaald in § 2 tot en met § 9, per betrokken onderwijsniveau afzonderlijk berekend voor de "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" respectievelijk voor de "ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage".

§ 2. Voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs wordt het aantal lestijden mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = A = 990.684,97 euro

- de gemiddelde brutoloonkost op jaarbasis = B = 33.305 euro

- de gemiddelde weekopdracht = C = 24

2° A gedeeld door B en vermenigvuldigd met C = het totaal aantal lestijden mentorschap "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" = D = 713,89

3° D gedeeld door het totaal aantal lestijden schooljaar 2005-2006 voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs = mentorcoëfficiënt "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" = E

4° E vermenigvuldigd met het totaal aantal lestijden schooljaar 2005-2006 van de betrokken school = het aantal lestijden mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » voor desbetreffende school.

Voor de toepassing van 3° en 4° wordt onder de woorden "totaal aantal lestijden" de som verstaan van de lestijden volgens de schalen, de aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen, de extra lestijden onderwijsvoorrang in het buitengewoon basisonderwijs, en de lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer.

§ 3. Voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs wordt het aantal lestijden mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = F = 935.537,45 euro

- de gemiddelde bruto loonkost op jaarbasis = G = 33.305 euro

- de gemiddelde weekopdracht = H = 24

2° F gedeeld door G en vermenigvuldigd met H = het totaal aantal lestijden mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » = I = 674,16

3° I gedeeld door het totaal aantal stagiairs in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs = mentorcoëfficiënt « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » = J

4° J vermenigvuldigd met het totaal aantal stagiairs in de betrokken school = het aantal lestijden mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » voor desbetreffende school.

§ 4. Voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs wordt het aantal uren-leraar respectievelijk lesuren mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = A = 1.492.695,57 euro

- de gemiddelde brutoloonkost op jaarbasis = B = 36.862 euro

- de gemiddelde weekopdracht = C = 22,53

2° A gedeeld door B en vermenigvuldigd met C = het totaal aantal uren-leraar respectievelijk lesuren mentorschap "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" = D = 912,33

3° D gedeeld door het totaal aantal uren-leraar respectievelijk lesuren schooljaar 2005-2006 voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs = mentorcoëfficiënt "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" = E

4° E vermenigvuldigd met het totaal aantal uren-leraar respectievelijk lesuren schooljaar 2005-2006 van de betrokken school = het aantal uren-leraar respectievelijk lesuren mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » voor desbetreffende school.

Voor de toepassing van 3° en 4° wordt onder de woorden « totaal aantal uren-leraar » de som verstaan van de wekelijkse uren-leraar met inbegrip van de uren-leraar godsdienst en niet-confessionele zedenleer en de eventuele uren-leraar ingevolge vrijwillige fusie, de uren-leraar voor gelijke onderwijskansen, de uren-leraar deeltijds beroepssecundair onderwijs met inbegrip van de organieke uren-leraar trajectbegeleiding, en de uren-leraar deeltijds zeevisserijonderwijs.

Voor de toepassing van 3° en 4° wordt onder de woorden "totaal aantal lesuren" de som verstaan van de wekelijkse lesuren en de lesuren onderwijsvoorrangsbeleid.

§ 5. Voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs wordt het aantal lestijden mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = F = 3.798.725,66 euro

- de gemiddelde bruto loonkost op jaarbasis = G = 36.862 euro

- de gemiddelde weekopdracht = H = 22,53

2° F gedeeld door G en vermenigvuldigd met H = het totaal aantal uren-leraar respectievelijk lesuren mentorschap "ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage" » = I = 2.321,77

3° I gedeeld door het totaal aantal stagiairs in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs = mentorcoëfficiënt "ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage" = J

4° J vermenigvuldigd met het totaal aantal stagiairs in de betrokken school = het aantal uren-leraar respectievelijk lesuren mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » voor desbetreffende school.

§ 6. Voor het volwassenenonderwijs wordt het aantal leraarsuren mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = A = 152.265,71 euro

- de gemiddelde bruto loonkost op jaarbasis = B = 38.900 euro

- de gemiddelde weekopdracht = C = 21

2° A gedeeld door B en vermenigvuldigd met C = het totaal aantal leraarsuren mentorschap "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" = D = 82,19

3° D gedeeld door het totaal aantal leraarsuren schooljaar 2005-2006 voor het volwassenenonderwijs = mentorcoëfficiënt "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" = E

4° E vermenigvuldigd met het totaal aantal leraarsuren schooljaar 2005-2006 van het betrokken centrum = het aantal leraarsuren mentorschap "aanvangsbegeleiding van beginnende leraars" voor desbetreffend centrum.

§ 7. Voor het volwassenenonderwijs wordt het aantal leraarsuren mentorschap "ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage" als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = F = 387.497,40 euro

- de gemiddelde bruto loonkost op jaarbasis = G = 38.900 euro

- de gemiddelde weekopdracht = H = 21

2° F gedeeld door G en vermenigvuldigd met H = het totaal aantal leraarsuren mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » = I = 209,18

3° I gedeeld door het totaal aantal stagiairs in het volwassenenonderwijs = mentorcoëfficiënt « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » = J

4° J vermenigvuldigd met het totaal aantal stagiairs in het betrokken centrum = het aantal leraarsuren mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » voor desbetreffend centrum.

§ 8. Voor het deeltijds kunstonderwijs wordt het aantal uren-leraar mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = A = 42.951,32 euro

- de gemiddelde bruto loonkost op jaarbasis = B = 36.500 euro

- de gemiddelde weekopdracht = C = 21,16

2° A gedeeld door B en vermenigvuldigd met C = het totaal aantal uren-leraar mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » = D = 24,89

3° D gedeeld door het totaal aantal uren-leraar schooljaar 2005-2006 voor het deeltijds kunstonderwijs = mentorcoëfficiënt « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » = E

4° E vermenigvuldigd met het totaal aantal uren-leraar schooljaar 2005-2006 van de betrokken instelling = het aantal uren-leraar mentorschap « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » voor desbetreffende instelling.

§ 9. Voor het deeltijds kunstonderwijs wordt het aantal uren-leraar mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » als volgt berekend :

1° parameters :

- het beschikbare begrotingskrediet = F = 109.305,80 euro

- de gemiddelde bruto loonkost op jaarbasis = G = 36.500 euro

- de gemiddelde weekopdracht = H = 21,16

2° F gedeeld door G en vermenigvuldigd met H = het totaal aantal uren-leraar mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » = I = 63,37

3° I gedeeld door het totaal aantal stagiairs in het deeltijds kunstonderwijs = mentorcoëfficiënt « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » = J

4° J vermenigvuldigd met het totaal aantal stagiairs in de betrokken instelling = het aantal uren-leraar mentorschap « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage » voor desbetreffende instelling.

Art. 16.

§ 1. De middelen voor mentorschap worden samen gelegd op het niveau van het samenwerkingsverband. Het resultaat na samenlegging wordt, afzonderlijk voor de middelen « aanvangsbegeleiding van beginnende leraars » en voor de middelen « ondersteuning van studenten of cursisten tijdens de stage », afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma 5 of meer is, zoniet vervallen de cijfers na de komma.

§ 2. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de verdeling van de totaliteit van de middelen voor mentorschap naar de scholen, centra of instellingen die tot het samenwerkingsverband behoren.

De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité.

Art. 17.

§ 1. De middelen kunnen enkel worden aangewend voor het oprichten van een of meer betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.

§ 2. Een personeelslid belast met mentorschap kan voor maximum de helft van zijn opdracht aangesteld zijn in de betrekking vermeld in § 1.

Deze aanstelling is een aanstelling als tijdelijk personeelslid. De betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur of de inrichtende macht kan in geen geval personeelsleden vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.

§ 3. Een personeelslid dat een betrekking uitoefent in het ambt van directeur in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs of een personeelslid dat een functie uitoefent van adjunct-directeur in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, kan in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs niet met mentorschap worden belast.

Een personeelslid dat een betrekking uitoefent in het ambt van directeur, adjunct-directeur of coördinator in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, kan in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs niet met mentorschap worden belast.

Een personeelslid dat een betrekking uitoefent in het ambt van directeur of adjunct-directeur in het volwassenenonderwijs, kan in het volwassenenonderwijs niet met mentorschap worden belast.

Een personeelslid dat een betrekking uitoefent in het ambt van directeur in het deeltijds kunstonderwijs, kan in het deeltijds kunstonderwijs niet met mentorschap worden belast.

Art. 18.

Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2006 en houdt op uitwerking te hebben op 31 augustus 2007.]

B.Vl.R. 27-10-2006

Art. 19.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.