Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool

  • goedkeuringsdatum
    31 MAART 2006
  • publicatiedatum
    B.S.19/04/2006
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 21-4-2017)

COORDINATIE

B.Vl.R. 9-9-2011 - B.S. 24-10-2011

B.Vl.R. 21-9-2012 - B.S. 22-10-2012

B.Vl.R. 6-9-2013 - B.S. 4-10-2013

B.Vl.R. 17-10-2014 - B.S. 12-1-2015

B.Vl.R. 21-4-2017 - B.S. 30-5-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs, inzonderheid op artikel 27, 2°;

Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 68 en 74, eerste lid, 3°;

Gelet op het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool, inzonderheid op artikel 6;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 76 van 20 juli 1982 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het Gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2004;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 genomen ter uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1993;

Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof, toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van het rijksonderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens sociale aangelegenheid en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 18 november 1991, 19 december 1991, 12 mei 1993 en 3 maart 2000;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 25 oktober 2005;

Gelet op protocol nr. 9 van 18 januari 2006 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het Vlaams onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs;

Gelet op het advies nr. 39.880/1 van de Raad van State, gegeven op 2 maart 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

[§ 1. Dit besluit is van toepassing op de tijdelijke en de benoemde personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, die behoren tot de categorieën van het onderwijzend of van het administratief en technisch personeel, bedoeld in deel 5, titel 2 en titel 5, hoofdstuk 2 van de Codex Hoger Onderwijs, gecodificeerd op 11 oktober 2013.

Dit besluit is ook van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel III.35, § 1, 1° tot en met 3° en in artikel III.36, § 4, van de Codex Hoger Onderwijs, die effectief in een hogeschool zijn tewerkgesteld.

§ 2. Hoofdstuk III en hoofdstuk IV is niet van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel III.35, § 1, 1° tot en met 3°, en in artikel III.36, § 4, van de Codex Hoger Onderwijs, die niet in een hogeschool zijn tewerkgesteld. Hiervoor gelden de regels die van toepassing zijn op hun effectieve werkrelatie.]

B.Vl.R. 21-4-2017

HOOFDSTUK II. - Moederschapsbescherming

Art. 2.

Het personeelslid, vermeld in artikel 1, krijgt het verlof dat met het oog op de moederschapsbescherming toegestaan is door artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, hierna bevallingsverlof genoemd.Het bevallingsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Art. 3.

De periode van afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid gedurende de periode van het prenataal verlof wordt omgezet in bevallingsverlof.

De omzetting naar bevallingsverlof gebeurt enkel voorzover er geen werkhervatting is geweest.Als de voormelde afwezigheid langer duurt dan de periode waarvoor het tijdelijke personeelslid werd aangesteld, geldt de bepaling van het eerste lid niet voor de periode na de datum waarop de tijdelijke aanstelling geëindigd is.

Art. 4.

Het bevallingsverlof van benoemde personeelsleden wordt bezoldigd.

Het bevallingsverlof van tijdelijke personeelsleden wordt niet bezoldigd.

Art. 5.

Na het verstrijken van en onmiddellijk aansluitend op het bevallingsverlof kan het personeelslid een borstvoedingsverlof krijgen.

Gedurende dat verlof dat de duur van drie maanden niet mag overschrijden en dat ononderbroken moet worden genomen, wordt het personeelslid niet vergoed. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Als de voormelde afwezigheid langer duurt dan de periode waarvoor het tijdelijke personeelslid werd aangesteld, geldt de bepaling van het eerste lid voor de periode tot de datum waarop de tijdelijke aanstelling geëindigd is.

Art. 6.

[§ 1. In geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder heeft de vader of de samenwonende partner recht op een verlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder.

§ 2. Bij overlijden van de moeder mag de duur van het in § 1 vermelde verlof het deel van het bevallingsverlof, vermeld in artikel 2, dat nog niet opgenomen werd door de moeder bij haar overlijden, niet overschrijden.

§ 3. Bij opname van de moeder in een ziekenhuis neemt het in § 1 vermelde verlof ten vroegste een aanvang vanaf de achtste dag na de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven kalenderdagen duurt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.

Het verlof, vermeld in het eerste lid, verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het deel van het bevallingsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.

§ 4. Het verlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Benoemde personeelsleden worden gedurende het verlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder bezoldigd. Het verlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder van tijdelijke personeelsleden wordt niet bezoldigd.]

B.Vl.R. 9-9-2011

Art. 7.

§ 1. Het personeelslid dat met toepassing van artikel 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 is vrijgesteld van arbeid, is ambtshalve met verlof voor de nodige periode. Het verlof eindigt zodra het personeelslid recht heeft op prenataal verlof.

Als het personeelslid borstvoeding geeft zoals vermeld in artikel 7, 2°, van het koninklijk besluit van 2 mei 1995 inzake moederschapsbescherming, mag het verlof een periode van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling niet overschrijden.

§ 2. Tijdens dit verlof heeft het benoemde personeelslid recht op bezoldiging.

Het tijdelijke personeelslid heeft tijdens dit verlof geen recht op bezoldiging.

§ 3. Dit verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.

HOOFDSTUK III. - Omstandigheidsverlof

Art. 8.

§ 1. De personeelsleden hebben naar aanleiding van de hierna opgesomde gebeurtenissen recht op omstandigheidsverlof voor een als volgt bepaalde duur :

1° huwelijk van het personeelslid : één werkdag;

2° bevalling van de echtgenote of de samenwonende partner : tien werkdagen [geboorteverlof]¹, te nemen binnen een periode van [vier maanden]² vanaf de bevalling, met dien verstande dat minimum zeven dagen aaneensluitend moeten worden genomen.

3° overlijden van de echtgenoot, samenwonende partner, van een bloed- of aanverwant in de 1e graad : vier werkdagen;

4° huwelijk van een kind van het personeelslid of een kind van de samenwonende partner : twee werkdagen;

5° overlijden van een bloed- of aanverwant, die onder hetzelfde dak als het personeelslid woont, ongeacht de graad van verwantschap : twee werkdagen;

6° overlijden van een bloed- of aanverwant in de 2e graad die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : één werkdag;

7° deelneming aan een jury, oproeping als getuige of persoonlijke verschijning voor een rechtbank : de nodige tijd;

8° uitoefening van het ambt van voorzitter of bijzitter in een hoofdstembureau, enig stembureau of bureau voor stemopneming bij de parlements-, de provincieraads- en de gemeenteraadsverkiezingen, met inbegrip van het Europees Parlement : de nodige tijd.

§ 2. Het omstandigheidsverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld.

Het omstandigheidsverlof wordt voor benoemde personeelsleden bezoldigd.

Het omstandigheidsverlof wordt voor tijdelijke personeelsleden bezoldigd, waarbij een afwijkende regeling geldt voor het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of de samenwonende partner.

Het tijdelijke personeelslid ontvangt voor het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, gedurende drie van de tien werkdagen zijn salaris. Tijdens de resterende zeven dagen wordt de betaling van het salaris geschorst en ontvangt het personeelslid een uitkering via het ziekenfonds, die door de hogeschool wordt aangevuld tot aan het nettosalaris.

§ 3. Wanneer een personeelslid in meerdere instellingen werkt gedurende de dagen waarop hij omstandigheidsverlof neemt, dan geldt dit verlof voor alle instellingen, met dien verstande dat het in zijn totaliteit beperkt is tot de in dit artikel vastgelegde aantal werkdagen.

Personeelsleden die zowel in de privé-sector als in het onderwijs werken, hebben slechts één maal recht op een periode van tien werkdagen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of samenwonende partner.

[ ]¹ B.Vl.R. 9-9-2011; [ ]² B.Vl.R. 17-10-2014

[HOOFDSTUK III/1. Uitzonderlijk verlof wegens overmacht

Art. 8/1.

Aan het personeelslid, vermeld in artikel 1, kan uitzonderlijk verlof toegestaan worden dat het gevolg is van de ziekte of van een ongeval van een van de volgende personen :

1° de echtgenoot of samenwonende partner;

2° een bloed- of aanverwant die onder hetzelfde dak woont;

3° een met het oog op zijn adoptie of de uitoefening van een pleegvoogdij opgenomen persoon die onder hetzelfde dak woont;

4° een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet onder hetzelfde dak woont.

De noodzaak van het verlof, vermeld in het eerste lid, wordt bewezen aan de hand van een doktersattest.

In de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, wordt het verlof gelijkgesteld met dienstactiviteit en wordt het bezoldigd. De duur van het verlof bedraagt ten hoogste vier dagen per kalenderjaar.

In de omstandigheid, vermeld in het eerste lid, 4°, kan het betrokken personeelslid ten hoogste vier dagen per kalenderjaar het verlof opnemen als onbezoldigd verlof dat gelijkgesteld wordt met dienstactiviteit, of als een verworven vakantiedag die afgetrokken wordt van het aantal vakantiedagen.]

B.Vl.R. 9-9-2011

[HOOFDSTUK III/2. Opvangverlof met het oog op adoptie en pleegvoogdij

Art. 8/2.

Een personeelslid, vermeld in artikel 1, heeft recht op een opvangverlof als het een kind jonger dan tien jaar in het gezin opneemt met het oog op adoptie of pleegvoogdij op grond van titel VIII of titel X, hoofdstuk IIbis van het Burgerlijk Wetboek.

Alleen het personeelslid dat adopteert of pleegvoogdij opneemt, heeft recht op het opvangverlof. Tijdelijke personeelsleden hebben recht op het opvangverlof voor als het verlof geheel of gedeeltelijk binnen de periode van de aanstelling valt.

Het opvangverlof wordt toegekend door het hogeschoolbestuur op verzoek van het personeelslid.

Art. 8/3.

Het opvangverlof bedraagt :

1° ten hoogste zes weken als het opgenomen kind bij het begin van het verlof nog niet de leeftijd van drie jaar bereikt heeft;

2° ten hoogste vier weken als het opgenomen kind bij het begin van het verlof de leeftijd van drie jaar bereikt heeft.

De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld als het opgenomen kind mindervalide is en aan de wettelijke voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten.

Wanneer het personeelslid een geboorteverlof, vermeld in artikel 8, § 1, 2°, opneemt of opgenomen heeft, wordt dit verlof in mindering gebracht van het opvangverlof.

Art. 8/4.

Het opvangverlof [[moet een aanvang nemen binnen [[[vier]]] maanden volgend]]¹ op de datum waarop het kind effectief in het gezin wordt opgenomen. Het bewijs van de opname wordt geleverd door een door het gemeentebestuur uitgereikt getuigschrift van domiciliëring. [[In geval van een intrafamiliale adoptie, zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012 betreffende de voorbereiding en de nazorg bij interlandelijke adoptie, wordt bovendien het bewijs geleverd dat het verzoekschrift tot adoptie is ingediend.]]²

In afwijking van het eerste lid kan het opvangverlof ook beginnen op de dag van de afreis van het personeelslid naar het buitenland, op voorwaarde dat de adoptie bij de terugkeer in België tot stand is gekomen.

Als blijkt dat er bij de terugkeer geen adoptie heeft plaatsgevonden, wordt het opvangverlof omgezet in een [[afwezigheid voor verminderde prestaties]]³. [[Die afwezigheid]]³ neemt een einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof was aangevraagd.

[[Als de procedure voor de intrafamiliale adoptie niet in een adoptie resulteert, dan wordt het opvangverlof omgezet in een [[afwezigheid voor verminderde prestaties]]³. [[De afwezigheid]]³ neemt een einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof was aangevraagd.]]²

Art. 8/5.

Als meer dan een kind op dezelfde datum in het gezin wordt opgenomen, wordt het opvangverlof beperkt tot één periode zoals bepaald in artikel 8/3, 1° of 2°.

Art. 8/6.

Het opvangverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het betrokken personeelslid wordt gedurende die periode bezoldigd.]

B.Vl.R. 9-9-2011; [[ ]]¹ B.Vl.R. 21-9-2012; [[ ]]² B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]]³ B.Vl.R. 21-4-2017; [[[ ]]] B.Vl.R. 6-9-2013

[HOOFDSTUK III/3. Pleegzorgverlof

Art. 8/7.

Een personeelslid, vermeld in artikel 1, dat officieel als pleegouder is aangesteld door een rechtbank, een door de gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, de diensten van de "l'Aide à la Jeunesse" of het Comité Bijzondere Jeugdbijstand, heeft recht op pleegzorgverlof. Het personeelslid levert aan de hand van een formele aanstellingsbeslissing het bewijs dat het pleegouder is.

Het pleegzorgverlof kan worden toegekend voor een van de volgende gebeurtenissen :

1° het bijwonen van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;

2° het hebben van contacten met de natuurlijke ouders of met andere personen die belangrijk zijn voor het pleegkind of de pleeggast;

3° het hebben van contacten met de dienst voor pleegzorg.

In afwijking van het tweede lid, kan het pleegzorgverlof ook voor andere situaties toegekend worden als aan de volgende voorwaarden voldaan is :

1° de bevoegde plaatsingsdienst levert een attest af dat verduidelijkt waarom het pleegzorgverlof noodzakelijk is;

2° de afwezigheid wordt niet gedekt door het uitzonderlijk verlof wegens overmacht, vermeld in hoofdstuk III/1.

Art. 8/8.

Het pleegzorgverlof bedraagt ten hoogste zes dagen per kalenderjaar. Als twee personeelsleden uit hetzelfde pleeggezin beide zijn aangesteld als pleegouder kan slechts een van hen van het pleegzorgverlof opnemen.

Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het pleegzorgverlof wordt bezoldigd.]

B.Vl.R. 9-9-2011

HOOFDSTUK IV. - Verlof voor verminderde prestaties

[Afdeling 1. Algemeen stelsel

Art. 9.

§ 1. Een personeelslid, vermeld in artikel 1, kan verlof voor verminderde prestaties opnemen. Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de prestaties :

1° volledig onderbreken;

2° verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking;

3° verminderen tot 80% van een voltijdse betrekking.

In afwijking van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur bij onderlinge overeenkomst het personeelslid een ander volume van vermindering van de prestaties toestaan. Het personeelslid blijft ten minste een opdracht van 10% van een voltijdse opdracht vervullen aan de hogeschool, aan verschillende hogescholen, of aan andere onderwijsinstellingen, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft. De nog te verrichten prestaties worden altijd afgerond naar de hogere eenheid.

§ 2. De prestaties, vermeld in paragraaf 1, omvatten ook de prestaties, verstrekt aan een andere hogeschool of in een andere onderwijsinstelling van een ander niveau, vermeld in artikel 15 van het besluit van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.

De volledige onderbreking omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.

Art. 10.

De totale duur van de volledige onderbreking van de prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan 24 maanden bedragen.

De totale duur van de vermindering van de prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan 120 maanden bedragen.

Bij de berekening van de maximale duur van het verlof voor verminderde prestaties, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt alleen rekening gehouden met de volledige onderbreking of de vermindering van de prestaties vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van die termijnen wordt ook rekening gehouden met de duur van de verloven voor verminderde prestaties die opgenomen zijn aan andere hogescholen, andere onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.

Art. 11.

Het verlof voor verminderde prestaties is gedurende een periode van 60 maanden een recht, ongeacht of de prestaties tijdens het verlof volledig onderbroken worden of verminderd worden tot de helft of 80% van een voltijdse betrekking.

Vanaf de 61ste maand of wanneer bij onderlinge overeenkomst een ander volume van vermindering van de prestaties toegestaan is dan vermeld in het eerste lid, kan het verlof alleen opgenomen worden met instemming van het hogeschoolbestuur.

Het in het eerste lid vermelde recht geldt voor tijdelijke personeelsleden op voorwaarde dat ze :

1° in de periode voorafgaand aan het verlof een aanstelling hebben gekregen voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel in een vacante of niet-vacante betrekking;

2° bij de aanvang van het verlof voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief of technisch personeel zijn aangesteld.

Art. 12.

Het verlof voor verminderde prestaties gaat in op 1 september, 1 oktober of 1 februari.

Het verlof voor verminderde prestaties eindigt altijd op 31 augustus of 30 september. Voor tijdelijke personeelsleden eindigt het verlof voor verminderde prestaties altijd op het einde van hun aanstelling.

In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het hogeschoolbestuur een andere begin- of einddatum toestaan.

Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op zijn verzoek en mits een opzeggingsperiode van één maand in acht wordt genomen, toestaan vervroegd een einde te maken aan het verlof voor verminderde prestaties. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.]

B.Vl.R. 21-4-2017

[Afdeling 2. Verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar

Art. 13.

De personeelsleden hebben vanaf 1 september, 1 oktober of 1 februari die volgt op de datum waarop ze de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, en uiterlijk tot de datum waarop ze met pensioen gaan, recht op een gedeeltelijk verlof voor verminderde prestaties.

Tijdelijke personeelsleden hebben recht op het verlof, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat ze :

1° in het academiejaar dat voorafgaat aan het verlof, een aanstelling hebben gekregen voor het volledige academiejaar als onderwijzend personeel of een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel in een vacante of niet-vacante betrekking;

2° bij de aanvang van het academiejaar waarin ze het verlof nemen, opnieuw voor een volledig academiejaar als onderwijzend personeel of voor een aaneensluitende periode van 12 maanden als administratief en technisch personeel zijn aangesteld.

De periodes van verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar tellen niet mee voor de berekening van de termijnen, vermeld in artikel 10 en 11.

Art. 14.

Tijdens het verlof voor verminderde prestaties kan het personeelslid de prestaties :

1° verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking;

2° verminderen tot 80% van een voltijdse betrekking.

Het personeelslid kan ieder jaar op de ingangsdatum van het verlof de omvang van het gedeeltelijke verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar aanpassen.

Het personeelslid heeft eenmalig het recht om, met behoud van het recht op een nieuw verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar, op de ingangsdatum van het verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar het verlof te beëindigen en zijn betrekking aan de hogeschool weer op te nemen.]

B.Vl.R. 21-4-2017

[Afdeling 3. Algemene bepalingen

Art. 14/1.

Het verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Het personeelslid ontvangt tijdens de periode waarin het zijn prestaties vermindert, een salaris dat overeenkomt met het volume van de effectief uitgeoefende opdracht aan de hogeschool. Bij een volledige onderbreking van de prestaties ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.

Gedurende de periode dat een personeelslid een verlof voor verminderde prestaties geniet, mag het geen vervangende winstgevende activiteit uitoefenen. De volgende politieke mandaten worden niet als een vervangende winstgevende activiteit beschouwd: gemeenteraadslid, provincieraadslid, lid van het Bureau van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, lid van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of lid van de districtsraad.

Art. 14/2.

Het personeelslid dat verlof voor verminderde prestaties wil nemen of dat de omvang van het verlof voor verminderde prestaties vanaf 55 jaar wil wijzigen, dient daarvoor een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. De aanvraag vermeldt de gewenste aanvangsdatum, de duur en de omvang van het verlof voor verminderde prestaties.

Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing aan het personeelslid mee binnen vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, wordt de beslissing gemotiveerd.

Art. 14/3.

Het verlof voor verminderde prestaties wordt opgeschort op het ogenblik dat het personeelslid afwezig is wegens :

1° bevallingsverlof;

2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;

3° borstvoedingsverlof;

4° verlof bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder;

5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;

6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;

7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;

8° zorgkrediet.

Ziekteverlof of een terbeschikkingstelling wegens ziekte schorten het verlof voor verminderde prestaties niet op.]

B.Vl.R. 21-4-2017

HOOFDSTUK V. - Ziekteverlof van tijdelijke personeelsleden die behoren tot de categorie van het onderwijzend personeel van de hogescholen en tot de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de Hogere Zeevaartschool

Art. 15.

Tijdelijk aangestelde personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, voor zover ze lid zijn van het onderwijzend personeel en voor zover ze worden betaald ten laste van de werkingsuitkeringen en de tijdelijk aangestelde leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de Hogere Zeevaartschool, die eenmaal zij hun dienst hebben opgenomen een eerste keer afwezig zijn wegens ziekte of gebrekkigheid, krijgen een aantal dagen bezoldigd ziekteverlof, berekend naar rata van één dag per reeks van tien dagen werkelijke diensten verstrekt als tijdelijk personeelslid sedert 1 april 1969.

Wanneer het personeelslid opnieuw afwezig is wegens ziekte of gebrekkigheid, wordt het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof waarop het aanspraak kan maken, bepaald door het resultaat van de aftrekking met als eerste term het overeenkomstig het vorige lid berekend aantal dagen en als tweede term het aantal dagen bezoldigd ziekteverlof dat het sedert 1 april 1969 heeft genoten.

Art. 16.

In afwijking van artikel 15, kan het personeelslid dat aangesteld werd voor de volledige duur van het academiejaar en dat, eenmaal zijn dienst opgenomen, afwezig is wegens ziekte of gebrekkigheid, voor dat jaar aanspraak maken op dertig dagen bezoldigd ziekteverlof, indien de toepassing van voormeld artikel 15 voor hem minder gunstig is.

Indien het betrokken personeelslid echter vrijwillig of gedwongen zijn functie neerlegt vóór het einde van het school- of academiejaar, wordt het bedrag, gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die het op grond van het eerste lid van dit artikel heeft gekregen en de bezoldiging waarop het aanspraak zou kunnen maken hebben bij toepassing van artikel 15, aan de belanghebbende teruggevraagd.

Art. 17.

De bezoldigde afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid, bedoeld in de artikelen 15 en 16, is een periode van verlof gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Art. 18.

Indien de afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid van een in artikel 16 bedoeld personeelslid langer duurt dan de periode waarvoor het werd aangesteld, mag de toepassing van de bepalingen van artikel 16 of 17 niet tot gevolg hebben dat de betrokkene bezoldigd wordt gedurende een periode na de datum waarop zijn tijdelijke aanstelling geëindigd is.

HOOFDSTUK VI. - [Afwezigheid voor verminderde prestaties

Art. 19.

§ 1. Het hogeschoolbestuur kan een personeelslid, op zijn verzoek, een afwezigheid voor verminderde prestaties toestaan. Die afwezigheid kan voltijds of deeltijds zijn.

§ 2. Bij een deeltijdse afwezigheid ontvangt het personeelslid een salaris dat gebaseerd is op zijn effectieve prestaties. Bij een voltijdse afwezigheid ontvangt het personeelslid geen salaris, salaristoelage, wachtgeld of wachtgeldtoelage.

Art. 20.

De totale duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties mag over de hele loopbaan niet meer dan zestig maanden bedragen, ongeacht of het gaat om een voltijdse of deeltijdse afwezigheid. Gedurende de afwezigheid bevindt het personeelslid zich in de stand non-activiteit.

Bij de berekening van de maximale duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties, vermeld in het eerste lid, wordt alleen rekening gehouden met de volledige onderbreking of de vermindering van de prestaties vanaf 1 september 2017. Bij de berekening van die termijnen wordt ook rekening gehouden met de duur van de afwezigheden voor verminderde prestaties die opgenomen zijn aan andere hogescholen, andere onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de universiteiten, behalve voor wat het integratiekader betreft.

In afwijking van het eerste lid kan de totale duur van zestig maanden worden overschreden als een andere onderbreking van de beroepsloopbaan, ander verlof of een andere afwezigheid ambtshalve wordt omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties.]

B.Vl.R. 21-4-2017

[Art. 20/1.

Het volume, de aanvangsdatum en de duur van de afwezigheid voor verminderde prestaties worden bepaald in een overeenkomst tussen het hogeschoolbestuur en het personeelslid.

De afwezigheid voor verminderde prestaties eindigt altijd op het einde van een academiejaar, de zomervakantie inbegrepen, tenzij het hogeschoolbestuur een afwijking daarvan toestaat.

Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de afwezigheid altijd op het einde van de aanstelling.

Het hogeschoolbestuur kan het personeelslid, op zijn verzoek en mits een opzeggingsperiode van één maand in acht wordt genomen, toestaan vervroegd een einde te maken aan de afwezigheid voor verminderde prestaties. Het hogeschoolbestuur kan een kortere opzeggingstermijn aanvaarden.

Art. 20/2.

Het personeelslid dat een afwezigheid voor verminderde prestaties wil nemen, dient daarvoor een aanvraag in bij het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur deelt zijn beslissing mee binnen dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag.

Art. 20/3.

De afwezigheid voor verminderde prestaties wordt opgeschort op het ogenblik dat het personeelslid afwezig is wegens :

1° bevallingsverlof;

2° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;

3° borstvoedingsverlof;

4° verlof bij overlijden of ziekenhuisopname van de moeder;

5° loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;

6° loopbaanonderbreking voor medische bijstand;

7° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen;

8° zorgkrediet.

Ziekteverlof of een terbeschikkingstelling wegens ziekte schorten de afwezigheid voor verminderde prestaties niet op.]

B.Vl.R. 21-4-2017

HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen

Art. 21.

In afwijking van artikel 8, § 2, vierde lid, wordt het omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of de samenwonende partner voor de tijdelijke personeelsleden bezoldigd en dit voor de bevallingen die plaatsvonden tussen 1 september 2005 en de definitieve goedkeuring van dit besluit.

Art. 22.

In afwijking van artikel 8, § 1, 2° kan het omstandigheidsverlof n.a.v. de bevalling van de echtgenote of de samenwonende partner, voor alle bevallingen die plaatsvonden tussen 1 september 2005 en de definitieve goedkeuring van dit besluit, uitzonderlijk genomen worden tot het einde van het academiejaar 2005-2006.

HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen

Art. 23.

Worden opgeheven, voor zover ze betrekking hebben op de in artikel 1 vermelde personeelsleden van de hogescholen :

1° het koninklijk besluit nr. 76 van 20 juli 1982 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het Gesubsidieerd onderwijs;

2° artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

3° hoofdstuk V van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 genomen ter uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

4° artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

5° hoofdstuk V van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

6° artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof, toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van het rijksonderwijs.

Art. 24.

Dit besluit treedt in werking op de datum van goedkeuring door de Vlaamse Regering met uitzondering van :

1° Hoofdstuk II en Hoofdstuk V die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2004;

2° artikel 8, § 1, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2005.

Art. 25.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.