Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek.

  • goedkeuringsdatum
    07 SEPTEMBER 1994
  • publicatiedatum
    B.S.07/12/1994
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 4-5-2007 - B.S. 1-8-2007

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 19-1-2011

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

De Vlaamse regering,

Gelet op artikel 12, derde lid, van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit;

Gelet op het decreet van 22 december 1993 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1994, inzonderheid op het artikel 13;

Gelet op artikel 156 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister voor begroting, gegeven op 26 april 1994;

Gelet op het advies van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, gegeven op 14 juni 1994;

Gelet op het advies van de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Artikel 1.

Binnen de daartoe jaarlijks op de begroting uitgetrokken kredieten kunnen, onder de hiernavolgende voorwaarden, onderzoeksprojecten voor het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek worden goedgekeurd.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :

1° minister : de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs;

2° secretaris-generaal : de secretaris-generaal van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap of de door hem aangewezen ambtenaar;

3° onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek : de projecten bedoeld met betrekking tot de prospectie, de voorbereiding, de begeleiding, de ondersteuning en de evaluatie van het onderwijsbeleid en de onderwijspraktijk;

4° universiteiten : [de universiteiten vermeld in de Codex Hoger Onderwijs].

B.Vl.R. 28-10-2016

HOOFDSTUK II. - Bepaling van prioritaire onderzoeksthema's.

Art. 3.

De prioritaire onderzoeksthema's moeten een aantal ruim opgevatte thema's bevatten, die, voor een aantal jaren, het basisstramien van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek vormen. Daarnaast kunnen thema's worden gedefinieerd die op onmiddellijke beleidsproblemen betrekking hebben. [Binnen dit kader stellen de minister en de gezamenlijke vergadering van enerzijds de ad hoc beleidscommissie voor het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek samengesteld door de secretaris-generaal van het departement onderwijs en vorming en bestaande uit ambtenaren werkzaam binnen het beleidsdomein onderwijs en vorming, en anderzijds [[de Inspectie vertegenwoordigd door maximaal twee inspecteurs aangeduid door de inspecteur-generaal]] jaarlijks een aantal onderzoeksthema's voor.]

B.Vl.R. 4-5-2007; [[ ]] B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 4.

De minister bepaalt jaarlijks, na advies van de Vlaamse onderwijsraad over deze thema's, de prioritaire onderzoeksthema's.

HOOFDSTUK III. - Oproep tot en selectie van onderzoeksvoorstellen.

Art. 5.

De prioritaire onderzoeksthema's worden aan de universiteiten meegedeeld aan de hand van een oproep tot voorstellen. De oproep vermeldt de vormelijke en inhoudelijke vereisten waaraan de onderzoeksvoorstellen moeten voldoen.

De onderzoeksvoorstellen moeten naast de beschrijving van de onderzochte problematiek inlichtingen bevatten over het gehanteerde theoretisch kader, de gebruikte methode, de fasering en de begroting van het onderzoek.

Art. 6.

De ingediende onderzoeksvoorstellen worden beoordeeld op basis van twee soorten criteria : 1° de beleidsrelevantie, zijnde de mate waarin het project aansluit bij de prioritaire thema's, en 2° de wetenschappelijke waarde, zijnde de wetenschappelijke waarde en garanties van de onderzoeksploeg en de kwaliteit van het voorgestelde project, waaronder de theoretische onderbouwing van de vraagstelling, de precisie van de onderzoeksmethode, de haalbaarheid van de vooropgestelde werkzaamheden.

Art. 7.

De gezamenlijke vergadering bedoeld in artikel 3 maakt een gemotiveerde rangschikking van de voorstellen op grond van hun beleidsrelevantie.

Een interdisciplinaire commissie maakt een gemotiveerde rangschikking van de voorstellen op grond van hun wetenschappelijke waarde. De commissie is samengesteld uit onderzoekers en een ambtenaar. De secretaris-generaal wijst de ambtenaar aan. De onderzoekers worden, op grond van hun deskundigheid, jaarlijks aangesteld door de minister op advies van de Vlaamse Raad van Bestuur van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, die hiervoor de betrokken wetenschappelijke commissies van dat fonds raadpleegt. Ten minste een derde van de onderzoekers moet buiten de Vlaamse Gemeenschap werkzaam zijn.

Art. 8.

Op basis van de dubbele rangschikking bepaalt de minister de algemene rangschikking van de ingediende onderzoeksvoorstellen en stelt hij de projecten vast die voor subsidiëring in aanmerking komen. Hij kan enkel projecten kiezen die zowel op grond van hun beleidsrelevantie als op grond vn hun wetenschappelijke waarde gunstig werden beoordeeld.

Art. 9.

Na akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, legt de minister de geselecteerde projecten ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering.

Art. 10.

Voor elk goedgekeurd project wordt een overeenkomst, waarvan de tekst als bijlage gaat bij dit besluit, gesloten tussen de minister, de rector(en) van de universiteit(en) en de promotor(en) van het project. Minstens één van de promotoren behoort tot de betrokken universiteit(en).

HOOFDSTUK IV. - Financiering.

Art. 11.

Van het totale budget voor de uitvoering van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek is jaarlijks 5 % bestemd voor de uitvoering van kortlopende onderzoeken die de minister afhankelijk van dringende problemen wil laten uitvoeren. De goedkeuring van die onderzoeken is niet onderworpen aan de hierboven beschreven selectieprocedure en evenmin zijn die onderzoeken onderworpen aan de regels gesteld in de artikelen 9, 10, 14, 15 en 16, eerste lid, van het besluit. De artikelen 12, 16, tweede lid, 17 en 18 van het besluit zijn er wel op van toepassing. Voor elk onderzoek wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister, de rector(en) van de universiteit(en) en de promotor(en) van het onderzoek.

Dit beperkte budget blijft beschikbaar tot 30 september van het lopende begrotingsjaar. Het op die datum niet toegewezen gedeelte van dat budget wordt - indien het daarvoor nog voldoende groot is - automatisch toegewezen aan het project dat volgens de procedure het gunstigste gerangschikt was, maar niet kon worden goedgekeurd bij gebrek aan beschikbare middelen.

Art. 12.

De vereffening van de toelage die ieder werkingsjaar voor de onderzoeksprojecten wordt verleend, gebeurt in twee keer. Een eerste deel ten belope van 80 % van de toelage, wordt vereffend in de loop van het werkingsjaar waarvoor de toelage wordt toegekend. Het tweede deel ten belope van 20 % van het toegekende bedrag wordt vereffend na verantwoording van de uitgaven van het voorbije werkingsjaar en na ontvangst van het tussentijds verslag of van het eindrapport.

Art. 13.

In artikel 3, § 2, 9° van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1993 tot regeling van de vergoeding van de centrale beheerskosten en de algemene exploitatiekosten van de universiteitn, verbonden aan de uitvoering van wetenschappelijke activiteiten die door de Vlaamse Gemeenschap worden gefinancierd, wordt de benaming Fonds voor Collectief Fundamenteel Onderzoek vervangen door onderwijskundig beleids- en praktijkgericht fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.

HOOFDSTUK V. - Voortgangsbewaking en bijsturing van het onderzoek.

Art. 14.

De projecten worden van nabij opgevolgd en zonodig bijgestuurd door een stuurgroep. Stuurgroepen kunnen worden opgericht hetzij voor één bepaald project, hetzij voor een groep van gelijksoortige projecten. De stuurgroepen worden samengesteld meteen na de goedkeuring van de projecten. Ze worden samengesteld en gecoördineerd door de secretaris-generaal en bestaan uit zowel onderzoekers als beleidsmensen en betrokkenen uit het onderwijsveld.

Art. 15.

De voortgangsbewaking van de onderzoeken gebeurt aan de hand van een tussentijds of vorderingsverslag dat de onderzoekers jaarlijks dienen af te leveren volgens de in de overeenkomst bepaalde voorwaarden. Als de stuurgroep geen genoegen kan nemen met de voortgang van het onderzoek of de wijze waarop het wordt uitgevoerd, kan deze de minister vragen een gemotiveerd bijsturingsverzoek aan de promotor(en) te richten. Als bij het indienen van een volgend verslag wordt vastgesteld dat er aan de eisen van het bijsturingsverzoek geen gevolg werd gegeven, kan de minister een einde maken aan de onderzoeksovereenkomst en de terugbetaling van de toelage van het voorbije werkingsjaar eisen.

HOOFDSTUK VI. - Verspreiding van de onderzoeksresultaten.

Art. 16.

Een ontwerp van het eindrapport wordt besproken in de stuurgroep die het onderzoek opvolgt. Na deze bespreking wordt de definitieve versie van het eindrapport aan de minister overhandigd.

Het eindrapport moet ook een vulgariserende samenvatting met de belangrijkste bevindingen en de beleidsvoorstellen bevatten.

Art. 17.

Na ontvangst van het eindrapport stuurt de minister een ontvangstmelding aan de promotor(en), waarin, onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van de bestuursdocumenten, wordt aangegeven op welke wijze de resulaten mogen worden bekendgemaakt.

Art. 18.

De minister legt aan de Vlaamse Raad jaarlijks een lijst voor van de afgesloten onderzoeken.

HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

Art. 19.

Volgende bepalingen worden opgeheven voor zover zij betrekking hebben op het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd op initiatief van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs :

1° het koninklijk besluit van 18 januari 1965 betreffende de financiering van de programma's van collectief fundamenteel wetenschappelijk onderzoek;

2° het koninklijk besluit van 14 april 1965 tot regeling van het collectief fundamenteel wetenschappelijk onderzoek op ministerieel initiatief;

3° het ministerieel besluit van 20 april 1965 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit d.d. 14 maart 1964 tot regeling van het collectief fundamenteel wetenschappelijk onderzoek dat verricht wordt op ministerieel initiatief, tot het bepalen van de procedure van de erkenning en de uitbetaling van de toelagen en tot het regelen van het toezicht op hun gebruik;

4° het ministerieel besluit van 21 augustus 1991 betreffende de overeenkomsten inzake de programma's van collectief fundamenteel wetenschappelijk onderzoek verricht op ministerieel initiatief.

Art. 20.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994.

Art. 21.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

ONDERWIJSKUNDIG BELEIDS- EN PRAKTIJKGERICHT WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

In uitvoering van de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 1994 tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek wordt

TUSSEN

De Vlaamse regering, vertegenwoordigd door.............., Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, enerzijds,

EN

De

vertegenwoordigd door de Rector

hierna de "universiteit(en)" genoemd

en de

hierna "promotor(en) genoemd, anderzijds,

het volgende overeengekomen.

Voorwerp

ART. 1. De Vlaamse Gemeenschap verleent de universiteit(en) een toelage met het oog op de verwezenlijking van een onderzoeksproject over het volgende onderwerp:

Dit project wordt nader omschreven in de bijlage bij deze overeenkomst.

Algemene voorwaarden

ART. 2. 2.1. De universiteit(en) en de promotor(en) verzekeren de dagelijkse leiding van het onderzoek en dragen er de wetenschappelijke verantwoordelijkheid van.

2.2. Het onderzoek moet zorgvuldig en op continue wijze worden voortgezet tot het voltooid is.

Elke wijziging aan het project dient vooraf door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs te worden goedgekeurd.

2.3. De universiteit(en) en eventueel andere medecontractanten stellen hun infrastructuur, het materiaal en het bevoegd personeel waarover zij beschikken ten dienste van het betoelaagd onderzoek.

2.4. De universiteit(en) en de promotor(en) aanvaarden de administratieve, technische en wetenschappelijke controles die nodig zijn om de voortgang van het onderzoek, de kwaliteit van de werkzaamheden en de aanwending van de verleende toelage na te gaan. Het departement Onderwijs kan voor de uitvoering van die controles de hulp inroepen van externe experten.

De universiteit(en) en de promotor(en) moeten, telkens dit van hen wordt gevraagd en onverminderd de periodieke verplichtingen waaraan zij volgens artikelen 6 en 8 moeten voldoen, een stand van zaken van het lopende project en een overzicht van de gedane of voorziene uitgaven voorleggen, alsmede van de maatregelen die zij voor de goede uitvoering van het onderzoeksproject hebben getroffen.

2.5. Het project wordt wetenschappelijk en inhoudelijk opgevolgd en zonodig bijgestuurd door een stuurgroep.

2.6. De universiteit(en) en eventueel andere medecontractanten moet(en) aantonen dat de uitvoering van het project middelen vereist, die de normale financiële mogelijkheden van de betrokken onderzoekscentra overschrijden. Het aandeel van de universiteit(en) en van eventueel andere medecontractanten - hetzij in speciën, hetzij in prestaties - in de verwezenlijking van het project dient te worden aangeduid.

De universiteit(en) en de promotor(en) verklaren dat het onderzoeksproject zoals bepaald in artikel 1 op geen enkele wijze door een andere, externe financieringsbron wordt betoelaagd.

2.7. Daar de toelage uitsluitend wordt verleend voor de verwezenlijking van het onderzoeksproject zoals bepaald in artikel 1, zijn de universiteit(en) en de promotor(en) ertoe gehouden ze alleen hieraan te besteden. Zodra de aanwending ervan niet meer met deze opdracht overeenkomt, wordt de uitbetaling van de toelage onmiddellijk gestaakt en moeten de reeds uitgekeerde schijven worden terugbetaald aan de Vlaamse Gemeenschap.

2.8. Indien het onderzoeksproject gemeenschappelijk in verschillende universiteiten en door verschillende promotoren wordt uitgevoerd, dan moeten iedere promotor en iedere universiteit deze overeenkomst ondertekenen en moet hierin de rol van iedere universiteit en van eventueel andere medecontractanten op het vlak van het personeel, het beheer van de toelagen en de eigendom van de apparatuur duidelijk worden bepaald.

Toelagen

ART. 3. 3.1. De Vlaamse Gemeenschap verleent de universiteit(en) een toelage van ................BF voor ........werkingsjaren, bestemd voor de financiering van het onderzoeksproject bepaald in artikel 1.

3.2. Het eerste werkingsjaar vangt aan met de in dienst treding van het eerste lid van het wetenschappelijk personeel dat met de onderzoekswerkzaamheden van het project zal worden belast. De in dienst treding moet onmiddellijk worden gemeld aan het departement Onderwijs.

Indien er voor de uitvoering van het onderzoeksproject geen wetenschappelijk personeel wordt aangeworven, dan begint het eerste werkingsjaar op de datum waarop deze overeenkomst ingaat.

3.3. De toelage wordt, per werkingsjaar, volgens drie uitgavencategorieën ingedeeld: personeelskosten, specifieke exploitatiekosten en apparatuurkosten. Het bedrag van elke categorie wordt als volgt bepaald:

3.4. Overdracht van de ene uitgavencategorie naar een andere kan enkel gebeuren mits toestemming van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.

3.5. De personeelskosten omvatten de geindexeerde brutowedden, sociale werkgeversbijdragen, wettelijke verzekeringen alsmede elke andere wettelijke vergoeding of toelage bij de wedde.

3.6. De specifieke exploitatiekosten omvatten de kosten voor onder andere het aankopen en aanmaken van documentatiemateriaal, reis- en zendingskosten, drukwerk, honoraria, het gebruik van computermateriaal, de benodigdheden of het gewoon materiaal voor laboratorium of bureel, gewone onderhouds- en exploitatiekosten.

Indien overheadkosten worden aangerekend, dan worden geen kosten meer vergoed zoals voor het sluiten en het beheer van de overeenkomsten, de huur en het onderhoud van gebouwen, lokalen, vergaderzalen met inbegrip van de normale kantooruitrusting, de kosten voor verwarming, verlichting, electriciteit, de kosten verbonden met het centrale beheer van de goederen en diensten die aan de onderzoekers ter beschikking worden gesteld en de kosten zoals voor telefoon, fax, kopieën, correspondentie, kantoorbenodigdheden en apparatuur die niet specifiek met de uitvoering van het onderzoeksproject verbonden zijn.

3.7. De apparatuurkosten dienen voor het bekostigen van de aankoop van wetenschappelijke en technische apparatuur en machines die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het onderzoek en in de begroting werden verantwoord en voor zover de apparatuur en de machines waarover de universiteit(en) en eventueel andere medecontractanten beschikken, niet kunnen worden benut.

3.8. De vereffening van de toelage die ieder werkingsjaar wordt verleend, gebeurt in twee keer.

Het eerste deel vertegenwoordigt 80 % van het bedrag van de schijf. Zij wordt vereffend in de loop van het werkingsjaar waarvoor deze schijf wordt verleend.

Het tweede deel vertegenwoordigt 20 % van dit bedrag. Zij wordt vereffend na verantwoording van de uitgaven van het voorbije werkingsjaar, en na ontvangst van het tussentijds verslag of eindrapport bedoeld in artikel 6.

Wetenschappelijk, administratief en technisch personeel

ART. 4. 4.1. Zo de promotor(en) in het kader van deze overeenkomst wetenschappelijk, administratief en/of technisch personeel mag (mogen) aanwerven, mogen de contracten in geen geval de duur van de overeenkomst overschrijden. Deze personeelsleden moeten de graad, anciënniteit en salarisschaal bezitten, die zij zouden bekomen hebben als personeelslid ten laste van de jaarlijkse werkingsuitkeringen overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen van toepassing op dit personeel.

4.2. De universiteit(en) is (zijn) alleen werkgever ten overstaan van het personeel dat zij aangeworven heeft (hebben); zij beheert (beheren) dit personeel onder haar (hun) eigen verantwoordelijkheid.

4.3. Het technisch en administratief personeel dient aangeworven te worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

4.4. Alle aanwervingen dienen aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs te worden medegedeeld.

De vervanging van het personeel tijdens het laatste jaar van de overeenkomst is niet toegelaten, tenzij mits akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.

4.5. Leden die een beurs genieten, toegekend door een Belgisch of een buitenlands organisme, mogen voor de uitvoering van het onderzoeksproject worden aangesteld. Er mag hen echter geen enkele bezoldiging of cumulatie in het kader van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek worden toegestaan, behoudens een door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs verleende afwijking.

4.6. De promotor(en) van het onderzoeksproject kunnen geen enkele vergoeding ontvangen.

4.7. De universiteit(en) verstrekt (verstrekken) het departement Onderwijs alle administratieve inlichtingen betreffende het personeel dat aan het onderzoek meewerkt en ten laste van deze overeenkomst wordt bezoldigd.

Apparatuur

ART. 5. De apparatuur die ten laste van de verleende toelage wordt aangekocht, wordt eigendom van de universiteit die de toelage ervoor ontvangt. Deze universiteit verbindt er zich toe het bedoelde materiaal ter beschikking te laten van de onderzoekers gedurende de tijd die vereist is voor het afwerken van het project bepaald in artikel 1.

Mededelingen, publikaties, jaarverslag en eindrapport

ART. 6. 6.1. Tijdens de duur van deze overeenkomst dient (dienen) de promotor(en), binnen de drie maanden na het einde van elk werkingsjaar, een tussentijds verslag in van de onderzoekswerkzaamheden en/of -resultaten bij het departement Onderwijs. Dit verslag verwijst uitdrukkelijk naar het project beschreven in de bijlage en vormt de basis voor de opvolging van het onderzoek door de stuurgroep. Het verslag bevat naast een stand van zaken van het onderzoek, ook een beschrijving van de gevolgde onderzoeksmethode en een uiteenzetting over de (voorlopige) resultaten.

Ten behoeve van de ADIOV-database wordt, volgens model en voorbeeld A in bijlage, een documentaire beschrijving gemaakt van het tussentijds verslag. Deze bevat naast de biografische gegevens zoals auteur, projectleider, titel, uitgever ook een bondige samenvatting (max. 20 lijnen of 1518 karakters) met weergave van volgende elementen uit het onderzoek : doelstelling, opzet, hypothese, steekproef, methode, voorlopige resultaten.

6.2. Binnen de drie maanden na het einde van het laatste werkingsjaar, zal (zullen) de promotor(en) aan het departement Onderwijs een eindrapport bezorgen met de resultaten van het onderzoek. Dit rapport bevat naast de onderzoeksresultaten, een beschrijving van de gevolgde onderzoeksmethode en van de mate waarin de gestelde doeleinden werden bereikt, alsook een aantal beleidsadviezen voor de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs en een vulgariserende samenvatting bestemd om door deze minister te worden verspreid.

Ten behoeve van de ADIOV-database wordt, volgens model en voorbeeld B in bijlage, een documentaire beschrijving gemaakt van het eindverslag. Deze bevat naast de bibliografische gegevens zoals auteur, projectleider, titel, uitgever ook een bondige samenvatting (max. 20 lijnen of 1518 karakters) met weergave van volgende elementen uit het onderzoek : doelstelling, opzet, hypothese, steekproef, methode, eindresultaten.

6.3. Alle mededelingen en publikaties betreffende het onderzoeksproject bepaald in artikel 1, bevatten de naam en de hoedanigheid van de onderzoekers die er bij betrokken zijn, alsook de duidelijk waarneembare vermelding dat het project werd uitgevoerd in het kader van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit geldt eveneens voor alle verslagen opgesteld in het kader van het project.

6.4. De gegevens die de overheid ter beschikking stelt van de onderzoekers mogen niet voor andere doeleinden dan het onderzoek worden aangewend, noch meegedeeld aan derden zonder schriftelijke toestemming van het departement Onderwijs.

6.5. Wanneer een promotor, wetenschappelijk medewerker of lid van het onderzoekscentrum gedurende de loop van het project een mededeling wenst te doen of een artikel wil publiceren, dan moet hij of zij daarvoor de toelating vragen aan de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs. De minister moet zijn eventuele weigering binnen de tien werkdagen aan de betrokkene meedelen. De auteur draagt steeds de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud van de mededeling of publicatie.

6.6. Een eerste versie van het eindrapport moet in de stuurgroepen worden besproken. Indien het eindrapport niet overeenstemt met de vooropgestelde doelstellingen van het project en met de bepalingen voorzien in punt 6.2., dan kan de stuurgroep eisen dat het eindrapport - na een grondige herwerking - opnieuw besproken wordt.

Op basis van deze bespreking(en) wordt de definitieve versie van het eindrapport opgesteld en aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs overgemaakt.

6.7. Het onderzoeksproject wordt pas als afgerond beschouwd vanaf het ogenblik dat het eindrapport aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs wordt overgemaakt.

Onderzoeksresultaten

ART. 7. 7.1. Voor deze overeenkomst wordt onder "onderzoeksresultaten" verstaan de wetenschappelijke kennis en informatie die uit het project zoals bepaald in artikel 1, zijn voortgekomen.

7.2. De minister zal - binnen de twee maanden na ontvangst van het eindrapport - een ontvangstmelding sturen, waarin wordt aangegeven op welk wijze de onderzoeksresultaten mogen worden bekend gemaakt en verspreid.

7.3. De onderzoeksresultaten zijn de eigendom van de universiteit(en) en van de promotor(en). De resultaten van de onderzoeken mogen slechts worden gepubliceerd met het akkoord van de promotor(en), zonder afbreuk te doen aan het recht van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs om bepaalde onderzoeksresultaten vertrouwelijk te verklaren.

7.4. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs kan vrij beschikken over de beleidsadviezen die in het eindrapport zijn opgenomen, over de vulgariserende samenvatting en de documentaire beschrijvingen die worden opgesteld overeenkomstig punten 6.1. en 6.2. van deze overeenkomst.

Het departement Onderwijs kan alle gegevens die in het kader van het onderzoek werden verzameld of aangemaakt, opvragen op een geïnformatiseerde drager.

7.5. De promotor(en) stelt (stellen) tien ingebonden exemplaren van de tussentijdse verslagen en van het eindrapport ter beschikking van het departement Onderwijs.

7.6. De promotor(en) verbindt (verbinden) er zich toe de onderzoeksresultaten in minstens één wetenschappelijk tijdschrift te publiceren.

7.7. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs kan de promotor(en) verzoeken een studiedag met betrekking tot de onderzoeksresultaten te organiseren, ten laste van specifiek daarvoor door de minister ter beschikking gestelde kredieten.

7.8. De universiteit(en) en de promotor(en) dienen de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs op de hoogte te brengen van de overeenkomsten voor verder onderzoek en voor de valorisatie van de resultaten met betrekking tot het onderzoeksproject bepaald in artikel 1. Overeenkomsten voor verder onderzoek en voor de valorisatie van de onderzoeksresultaten mogen geen afbreuk doen aan het recht van de minister om bepaalde gegevens en/of resultaten vertrouwelijk te verklaren.

De universiteit(en) en de promotor(en) mogen niets ondernemen dat enig nadeel kan berokkenen aan de rechten van de overheid ten aanzien van de gegevens, resultaten, kennis en technische expertise verbonden met het onderzoek. De overheid van haar kant dient de vertrouwelijkheid van de gegevens te eerbiedigen, die haar in uitvoering van de regeling met betrekking tot de hiervoor vernoemde overeenkomsten worden overgemaakt.

7.9. Het departement Onderwijs brengt de universiteit(en) en de promotor(en) op de hoogte van iedere overheidsbeslissing tot valorisatie van de onderzoeksresultaten. Deze laatsten verbinden zich ertoe alle nuttige maatregelen voor de geplande valorisatie te nemen.

7.10. Indien de onderzoeksresultaten kunnen leiden tot een financiële valorisatie met inbegrip van het nemen van octrooien, licenties of het vestigen van andere intellectuele rechten, dan moet een billijke verdeling van de inkomsten hiervan tussen de opdrachtgever, de universiteit(en) en de promotor(en) in de overeenkomst worden bedongen.

Boekhouding, verslagen van het rekenkundig beheer

ART. 8. 8.1. De universiteit(en) houdt (houden) een omstandige boekhouding bij van de aanwending van de toelage. In die boekhouding worden de personeelskosten, de specifieke exploitatiekosten en de apparatuurkosten afzonderlijk bijgehouden.

8.2. Binnen de drie maanden na het einde van elk werkingsjaar, zal (zullen) de promotor(en) bij het departement Onderwijs een verslag van het rekenplichtig beheer indienen, dat betrekking heeft op de reeds gebruikte bedragen met een opdeling per werkingsjaar en tussen personeels-, specifieke exploitatie- en apparatuurkosten.

8.3. Binnen de drie maanden na het einde van het laatste werkingsjaar, zal (zullen) de promotor(en) bij het departement Onderwijs een eindverslag van het rekenplichtig beheer indienen, dat betrekking heeft op de totale uitgaven gedaan voor het project, bedoeld in artikel 1, met een opdeling per werkingsjaar en tussen personeels-, specifieke exploitatie- en apparatuurkosten.

8.4. Niet gebruikte toelagen moeten aan de Vlaamse Gemeenschap worden teruggestort.

8.5. De uitgaven welke niet verantwoord worden in het jaar dat volgt op het werkingsjaar waarvoor de schijf van de toelage werd verleend, mogen niet meer ten laste gelegd worden van de toelage en het bedrag ervan komt terug aan de Vlaamse Gemeenschap.

Duur en einde van de overeenkomst

ART. 9. 9.1. De overeenkomst treedt in werking op ............. en eindigt op ....................

De overeenkomst kan worden geschorst mits akkoord tussen de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs en de promotor(en).

9.2. Deze overeenkomst wordt beëindigd indien het de promotor(en) onmogelijk wordt de leiding van het onderzoeksproject verder waar te nemen, tenzij de partijen overeenkomen de werkzaamheden verder te zetten met (een) andere promotor(en). In dit geval wordt een desbetreffend aanhangsel gevoegd bij deze overeenkomst.

9.3. De promotor(en) is (zijn) verplicht rekening te houden met het bijsturingsverzoek dat de minister op advies van de stuurgroep kan formuleren. Indien bij een volgend verslag blijkt dat de promotor(en) geen gevolg heeft (hebben) gegeven aan dit bijsturingsverzoek, dan kan de minister aan deze overeenkomst een einde stellen en de terugbetaling van de schijven van de toelage voor het voorbije werkingsjaar eisen.

9.4. Indien blijkt dat de promotor(en) niet tegemoet komt (komen) aan de eisen van de stuurgroep aangaande de herwerking van het eindrapport, dan kan de minister aan deze overeenkomst een einde stellen en de terugbetaling eisen van de reeds uitgekeerde schijven of van een gedeelte ervan.

9.5. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs behoudt zich het recht voor een einde te stellen aan deze overeenkomst wanneer de erin opgesomde voorwaarden niet nageleefd worden.

Burgerlijke aansprakelijkheid

ART. 10. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs kan in geen enkel geval voor om het even welke schade aan personen of goederen welke rechtstreeks of onrechtstreeks voortspruit uit de betoelaagde onderzoekswerkzaamheden aansprakelijk worden gesteld.

Bijzondere bepalingen

ART. 11. De bijlagen bij deze overeenkomst alsmede alle eventueel bijkomende bijlagen en aanhangsels maken er een integrerend deel van uit.

Opgemaakt in ..................te Brussel op ...............

De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs,

De rector van de

De promotor,