Toelatingsvoorwaarden en verslag voor leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2007/02
  • publicatiedatum
    10/05/2007
  • datum laatste wijziging
    19/09/2016
  • wettelijke basis
    Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997: artikelen 10, 12, tot en met 20, zoals het laatst gewijzigd bij decreet 17 juni 2016 betreffende het Onderwijs XVII en artikel 31.
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015 tot bepaling van de inhoud van het gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs en van het attest bij het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs.
  • contact
    Vragen over concrete dossiers: uw schoolbeheerteam
  • Als overgangsmaatregel tijdens de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018 geldt dat het ‘verslag’ bij een nieuwe inschrijving er moet zijn bij de start van de effectieve lesbijwoning. Het volstaat om bij de inschrijving een voorlopig document van het CLB voor te leggen waaruit blijkt dat het handelingsgericht diagnostische proces is doorlopen, maar dat het verslag nog niet kon gefinaliseerd worden.
  • Vanaf het schooljaar 2016-2017 zijn de toelatingsvoorwaarden vereenvoudigd. Er wordt enkel nog gerefereerd naar leeftijden en niet meer naar het aantal jaren dat een leerling lager onderwijs gevolgd heeft.
  • Bij wijze van uitzondering is een attestwijziging met ingangsdatum in de loop van het schooljaar wel mogelijk in 4 situaties vermeld in punt 3.4.2.2.

1. Inleiding

De toelatingsvoorwaarden in het buitengewoon basisonderwijs bestaan uit twee criteria:

  • leeftijdsvoorwaarden;

  • verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs (bestaande uit een attest en een protocol ter verantwoording).

Opgelet!
Bij de inschrijving van een kind in het buitengewoon basisonderwijs moet er naast de toelatingsvoorwaarden ook rekening gehouden worden met een aantal andere wettelijke bepalingen zoals bijvoorbeeld over het inschrijvingsrecht: voorrangsbepalingen, weigeringsgronden, akkoord pedagogisch project ...
Informatie hierover vindt u in de omzendbrief: BaO/2012/01 van 05/06/2012 “Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs”

Een school voor buitengewoon onderwijs mag geen andere bijkomende toelatingsvoorwaarden opleggen.

Het kan niet dat een school voor buitengewoon onderwijs:

- naast een inschrijving in de school een inschrijving in het aan de school verbonden internaat of semi-internaat/MFC eist;

- een bepaald minimum IQ eist;

- een bepaalde graad van zelfredzaamheid oplegt.

2. Leeftijdsvoorwaarden

2.1. Leeftijdsvoorwaarden buitengewoon kleuteronderwijs

2.1.1. Algemeen

Om toegelaten te worden tot het buitengewoon kleuteronderwijs moet de kleuter tenminste twee jaar en zes maanden zijn.

Opmerking:

De instapdagen die van toepassing zijn in het gewoon kleuteronderwijs gelden niet voor het buitengewoon kleuteronderwijs.

In principe blijft het kind in het kleuteronderwijs tot en met het schooljaar dat aanvangt op de eerste september van het jaar waarin het vijf jaar wordt.

Voorbeeld:

Een kind geboren op 12 april 2011 blijft in de kleuterklas tot en met het schooljaar 2016-2017.

2.1.2. Verlengd verblijf in het buitengewoon kleuteronderwijs

In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die zes jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar toch nog in het kleuteronderwijs toegelaten worden. Deze afwijking kan met één schooljaar verlengd worden.

Voorbeeld:

- Een kind geboren op 12 april 2011 wordt 6 jaar in 2017 en kan nog in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven worden voor het schooljaar 2017-2018 omdat het vóór 1 januari 2018 6 jaar is geworden.

- Dit kind kan in het schooljaar 2018-2019 nog in het buitengewoon kleuteronderwijs ingeschreven blijven.

In beide gevallen is het kind leerplichtig én onderworpen aan de controle op de leerplicht.

Ouders beslissen autonoom of hun kind het eerste en/of het tweede jaar van de leerplicht in het buitengewoon kleuteronderwijs blijft. Zowel de klassenraad als het bevoegde CLB geven de ouders hierover voorafgaandelijk advies, zodat de ouders met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen. Het is noodzakelijk dat de ouders toelichting krijgen bij deze adviezen (eventueel tijdens een gesprek met de directeur en de betrokken klastitularis). Nadat de ouders op de hoogte zijn van de voor- en nadelen en de mogelijke consequenties, nemen zij de uiteindelijke beslissing. Voor leerplichtige kinderen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist.

Zie ook punt 3.4.2.4. Bepaling van het niveau.

2.2. Leeftijdsvoorwaarden buitengewoon lager onderwijs

2.2.1. Algemeen

Om toegelaten te worden tot het buitengewoon lager onderwijs moet de leerling zes jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar.

In principe duurt het buitengewoon lager onderwijs zeven jaar. Dit wil zeggen tot en met het schooljaar dat aanvangt op de eerste september van het jaar waarin het kind twaalf jaar wordt.

Voor inschrijvingen in het type basisaanbod: hou rekening met de twee schooljaren dat een inschrijving geldig is (Zie 3.4.2.4.)

2.2.2. Afwijkingen

2.2.2.1. Eerder naar het buitengewoon lager onderwijs

Net zoals in het gewoon lager onderwijs kán een kind dat vijf jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar al toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs.

Ouders nemen deze beslissing autonoom na kennisname van en toelichting bij de omstandig gemotiveerde adviezen van de klassenraad en van het CLB (zie punt 2.1.2).

Het kind wordt automatisch leerplichtig en is onderworpen aan de controle op de leerplicht.

Zie ook punt 3.4.2.4. Bepaling van het niveau.

2.2.2.2. Langer naar het buitengewoon lager onderwijs

Een leerling kan tijdens het schooljaar dat aanvangt in het jaar waarin hij/zij dertien jaar wordt nog buitengewoon lager onderwijs volgen. Tot en met het schooljaar 2015-2016 was hierbij een advies van de klassenraad en het CLB vereist.Vanaf 01/09/2016 wordt de adviesvraag niet langer opgelegd.

Het buitengewoon lager onderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden, dit is het schooljaar dat aanvangt in het jaar waarin het kind veertien jaar wordt. Voor deze leerlingen is er een advies van de klassenraad en het CLB nodig. Ouders nemen de beslissing tot verlengd verblijf autonoom na kennisname van en toelichting bij de omstandig gemotiveerde adviezen van de klassenraad en van het CLB (zie punt 2.1.2).

Zie ook punt 3.4.2.4. Bepaling van het niveau.

Een leerling die 15 jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar kan niet meer toegelaten worden tot het buitengewoon lager onderwijs.

2.2.2.3. Getuigschrift basisonderwijs

Een leerling die het getuigschrift basisonderwijs behaald heeft kan geen lager onderwijs meer volgen, tenzij na toelating door de klassenraad. Tot en met het schooljaar 2015-2016 kon een leerling met een getuigschrift basisonderwijs die nog aan de leeftijdsvoorwaarden voldeed om lager onderwijs te volgen, verder lager onderwijs volgen, ook al vond de school dit zelf geen goede keuze voor de leerling. Vanaf het schooljaar 2016-2017 kan dit nog als de klassenraad hiermee akkoord is.

Informatie over het getuigschrift basisonderwijs vindt u in de omzendbrief BaO/98/11 ‘Het uitreiken van het getuigschrift basisonderwijs’

De procedure in verband met de gelijkwaardige leerdoelen en getuigschrift basisonderwijs in het buitengewoon basisonderwijs wordt uiteengezet in de omzendbrief BaO/2000/2.

2.2.2.4. Naar het secundair onderwijs

Voor overgang naar gewoon secundair onderwijs:

Raadpleeg punt 9 van SO 64 - Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs (25/06/1999)

Voor overgang naar het buitengewoon secundair onderwijs:

Raadpleeg art. 294 van de codex secundair onderwijs.

3. Het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs (verder het ‘verslag’)

3.1. Algemeen

Naast het voldoen aan de leeftijdsvoorwaarden is voor een inschrijving in het buitengewoon basisonderwijs een ’verslag’ van het CLB vereist. Voor het type 5 is er alleen een attest vereist (zie punt 3.4.3.).

Een kind waarvoor een ’verslag’ is opgesteld, heeft recht om buitengewoon onderwijs te volgen van het type waarnaar het in het verslag georiënteerd wordt. (Voor de ingangsdatum bij attestwijziging zie punt 3.4.2.1. 5°)

Het kind móet echter niet naar het buitengewoon onderwijs. Het kan ook in het gewoon onderwijs worden ingeschreven, daar zal het studievoortgang maken op basis van een individueel aangepast curriculum.

Het verslag wordt bezorgd aan de ouders. Bij een effectieve inschrijving in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs, bezorgen de ouders dit verslag aan de directeur van de onderwijsinstelling, die het toevoegt aan het leerlingendossier. Het principe geldt dat het verslag beschikbaar moet zijn wanneer de beslissing genomen wordt om een kind in te schrijven in een school voor buitengewoon onderwijs. Een school voor buitengewoon onderwijs mag geen leerlingen inschrijven die nog geen verslag met oriëntering naar het betreffende type hebben.

Voor de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018 geldt voor de leerlingen met een nieuwe inschrijving een overgangsmaatregel. Op het moment van de inschrijving zelf moet de leerling nog niet over het verslag beschikken. Het volstaat om een voorlopig CLB-document voor te leggen waaruit blijkt dat het handelingsgericht diagnostische proces is doorlopen, maar dat het verslag nog niet kon gefinaliseerd worden. Het verslag moet er wel zijn, ten laatste bij de start van de lesbijwoning.

Verlaat de leerling de school voor gewoon of buitengewoon onderwijs, dan wordt het verslag aan de ouders terugbezorgd. Bij een schoolverandering moet de school van waaruit de leerling vertrekt, een kopie van het ‘verslag’ bezorgen aan de nieuwe school (zie omzendbrief overdracht van leerlingengegevens bij schoolveranderinghttp://data-onderwijs.vlaanderen.be/edulex/document.aspx?docid=14693).

Opstellen van een verslag voor leerlingen met een inschrijvingsverslag

Voor leerlingen die nog beschikken over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs moet een ‘verslag’ worden opgesteld in volgende gevallen:
- Bij de overstap van (buitengewoon) basisonderwijs naar het (buitengewoon) secundair onderwijs;
- Bij verandering van type;
- Bij de overstap van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs (ook voor GON-leerlingen);
- Bij de overstap van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs als de leerling een individueel aangepast curriculum zal volgen. Indien de leerling de overstap maakt om het gemeenschappelijk curriculum te volgen met GON-begeleiding wordt een gemotiveerd verslag voor toegang tot geïntegreerd onderwijs opgemaakt (voor meer informatie zie omzendbrief GON GD/2003/05).

3.2. Wie stelt een ’verslag’ op?

Het ’verslag’ wordt opgesteld door een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB). Vanaf 01/09/2014 kunnen de zogenaamde “gemachtigde instanties” geen verslagen meer afleveren die toegang verlenen tot het buitengewoon of het geïntegreerd onderwijs.

3.3. Opheffen van een verslag

Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van een ‘verslag’, dan kan het CLB op eigen initiatief, op vraag van de ouders of op vraag van de school, het verslag opheffen. Dit kan het geval zijn als een leerling met redelijke aanpassingen opnieuw binnen het gemeenschappelijk curriculum meegenomen kan worden of als de onderwijsbehoeften niet meer van die aard zijn dat een verslag vereist blijft en de gewone school via maatregelen in basiszorg, verhoogde zorg of uitbreiding van zorg de ondersteuning aan de leerling kan geven.

Bij opheffing van het verslag kan een leerling niet langer als regelmatige leerling ingeschreven worden of blijven in het buitengewoon onderwijs.

Wanneer een leerling die in het buitengewoon onderwijs is ingeschreven, overstapt naar het gewoon onderwijs met GON en bijgevolg een gemotiveerd verslag krijgt, vervalt het (inschrijvings)verslag buitengewoon onderwijs automatisch.

3.4. Inhoud van het ’verslag’

Het ’verslag’ bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording.


De verschillende CLB-netten hebben netoverschrijdend en in overleg met de onderwijskoepels, de onderwijsinspectie en het kabinet en de administratie Onderwijs een sjabloon en schrijfwijzer voor het ‘verslag’ ontwikkeld. De overheid reikt hiervoor geen model meer aan.

3.4.1. Inhoud van het protocol

Het protocol ter verantwoording bevat de synthese van het handelingsgericht diagnostisch traject dat samen met alle betrokken actoren werd doorlopen. Hieruit moet blijken:

1° dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

2° dat met toepassing van de principes van handelingsgericht werken de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;

3° dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap. De CLB sector hanteert hiervoor het ICF-kader;

4° dat de onderwijsbehoeften niet louter toe te schrijven zijn aan een SES-kenmerk van de leerling, vermeld in artikel 133 van het decreet basisonderwijs;

5° welk type voor de leerling van toepassing is.

Voor een leerling die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon (kleuter-)onderwijs moet worden aangetoond dat de aanpassingen om de leerling in het gemeenschappelijk curriculum mee te nemen zoals remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn. In dit geval kan qua type alleen georiënteerd worden naar type 2, 3, 4, 6, 7 of 9.

Het protocol is een belangrijk document voor de teamleden van de school, het vormt de basis van de individuele handelingsplanning voor het kind.

Voor type 5 is alleen een attest en geen protocol ter verantwoording vereist (zie punt 3.4.3.).

3.4.2. Inhoud van het attest

3.4.2.1. Algemeen

Het attest bevat de volgende gegevens:

1° de identificatiegegevens van de leerling: voornaam, achternaam, geboortedatum en adres;

2° de identificatiegegevens van de ouders: voornaam, achternaam en adres;

3° de identificatiegegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) dat het attest bij de eerste attestering heeft afgeleverd: naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de directeur;

4° het type voor het buitengewoon basisonderwijs bij de eerste attestering met vermelding van de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het attest en de handtekening van de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB);

5° het type voor het buitengewoon basisonderwijs bij elk van de daaropvolgende attestwijzigingen, telkens met de vermelding van:

  • De identificatiegegevens van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), indien dat een ander CLB is dan hetgeen vermeld is in 3°;
  • De datum van ondertekening van de attestwijziging;
  • De ingangsdatum van de attestwijziging, die alleen betrekking kan hebben op het daaropvolgende schooljaar. (Voor de ingangsdatum bij attestwijziging zie punt 3.4.2.2). Wanneer voor leerlingen met een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs of met een ‘verslag’ een nieuw verslag wordt opgemaakt, wordt dit beschouwd als een attestwijziging;
    Voor de GON-leerlingen met een inschrijvingsverslag wordt het opmaken van een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs niet beschouwd als een attestwijziging. Het verslag kan bijgevolg onmiddellijke ingang hebben.
  • De handtekening van de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

6° de extern verkregen classificerende diagnose in geval van een attest voor type 3, 4, 6, 7 of 9. Dit gebeurt door vermelding van het opsommingsnummer of -letter van het desbetreffende criterium of criteria uit artikel 10, §1, eerste lid, 3°, 4°, 6°, 7° of 8° van het decreet basisonderwijs. De stoornis moet niet op het attest genoteerd worden. Het CLB houdt de gegevens die de classificerende diagnose onderbouwen bij in het multidisciplinair dossier van de leerling.

Voor de omschrijving van de types verwijzen we naar artikel 10 van het decreet basisonderwijs.

3.4.2.2. Attestwijzigingen met ingangsdatum in de loop van een schooljaar

Bij wijze van uitzondering is een attestwijziging met ingangsdatum in de loop van het schooljaar wel mogelijk als de attestwijziging wordt doorgevoerd om één van de hieronder vermelde redenen en nadat een handelingsgericht diagnostisch traject is doorlopen:

1) een verhuizing van woonplaats van de leerling, die gepaard gaat met het vinden van een meer passend onderwijsaanbod;

2) een schoolverandering op initiatief van de ouders, waarbij een overschakeling naar het type basisaanbod of type 9, nodig is;

3) na een verblijf in een residentiële setting om medische of psychiatrische redenen of door een plaatsing, waarbij de onderwijsbehoeften zo gewijzigd zijn dat het CLB-team in afstemming met alle partners bepaalt dat een wijziging van type noodzakelijk is;

4) de noodzaak aan opname in een residentiële setting (o.a. Multifunctionele Centra (MFC), de internaten bij de scholen van het buitengewoon onderwijs van het GO! , de internaten met permanente openstelling (IPO)), of een plaatsing, waarbij de onderwijsbehoeften zo gewijzigd zijn dat het CLB-team in afstemming met alle partners bepaalt dat een wijziging van type of onderwijsniveau noodzakelijk is.

3.4.2.3. Multidisciplinaire diagnose

De verschillende CLB-netten werkten samen met onderwijskoepels, vakorganisaties en de overheid richtlijnen uit over de vereiste medische of multidisciplinaire diagnose voor de types 3, 4, 6, 7 en 9. Deze richtlijnen werden naar de centra voor leerlingenbegeleiding gecommuniceerd.

We willen in het kader van multidisciplinaire diagnose er op wijzen dat een medische diagnose op zich niet bepalend is of er een ‘verslag’ komt of niet, wel de onderwijsbehoeften van een leerling. Diagnostiek van externen is niet het startpunt om te bepalen of er sprake moet zijn van een ‘verslag’ maar situeert zich eerder naar het einde toe van het handelingsgericht traject.

3.4.2.4. Het type basisaanbod

Een inschrijving in het type basisaanbod is maximaal twee schooljaren geldig. Onder schooljaar wordt elk begonnen schooljaar verstaan. Onafhankelijk van het moment van de instap in een school voor buitengewoon onderwijs, bijvoorbeeld op 10 januari, loopt die periode tot het einde van het schooljaar daaropvolgend. De periode kan immers nooit over meer dan twee schooljaren lopen. Aan het einde van deze periode volgt een evaluatie door de klassenraad en het CLB.

  • Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het CLB dit door een nieuw verslag op te maken. Deze beslissing verlengt de inschrijving in het type basisaanbod met maximaal twee schooljaren. Voor het einde van het tweede schooljaar volgt opnieuw een evaluatie. Ouders kunnen er ook voor kiezen om toch de overstap te maken naar het gewoon onderwijs op basis van het verslag. Dit wordt dan een inschrijving onder ontbindende voorwaarde en indien de aanpassingen redelijk worden bevonden kan de leerling studievoortgang maken op basis van een individueel aangepast curriculum (zie ook omzendbrief BaO/2012/01 over “Inschrijvingsrecht en aanmeldingsprocedures in het basisonderwijs”).
  • Wanneer de klassenraad en het CLB op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel en voldoende zullen zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan:

1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;

2° maken de betrokken scholen, de CLB’s en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs.

3.4.2.5. Bepaling van het niveau

Op het attest wordt geen indicatie gegeven over het niveau (kleuter of lager) dat de attestgever aangewezen vindt.

Het kan evenwel zinvol zijn om bij de overgang van buitengewoon kleuteronderwijs naar buitengewoon lager onderwijs een evaluatiemoment in te lassen en te bekijken of de oriëntering nog wel overeenstemt met de voornaamste opvoedings- en onderwijsbehoeften van het kind.

Deze evaluatie is echter niet verplicht, dus de opmaak van een nieuw verslag in de overgang van buitengewoon kleuteronderwijs naar buitengewoon lager onderwijs voor een leerling die al over een inschrijvingsverslag of verslag beschikt, is niet vereist als de situatie van de leerling voor de rest niet wijzigt.

3.4.3. Attest type 5

Voor de toelating van een leerling tot het type 5 is een attest vereist dat uitgereikt is door de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening of van het preventorium ofwel door de directeur van de residentiële setting. De overheid reikt hiervoor geen model meer aan.

De volgende elementen moeten in het attest voor type 5 opgenomen worden:

1° de identificatiegegevens van de leerling: voornaam, achternaam,

geboortedatum, adres;

2° de identificatiegegevens van de ouders: voornaam, achternaam en adres;

3° de identificatiegegevens van de school voor gewoon of buitengewoon

onderwijs waar de leerling ingeschreven is: naam, adres en instellingsnummer, met inbegrip van het studieaanbod dat de leerling er volgt;

4° de identificatiegegevens van de voorziening waar onderwijs van type 5

aangeboden wordt: naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening, van het preventorium of van de directeur van de residentiële setting;

5° de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het

attest en de handtekening van de behandelende geneesheer of directeur,

vermeld in punt 4°;

6° de motivering waarom:

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding niet toelaat dat het kind of de jongere voltijds in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs de lessen kan volgen;

b) het kind of de jongere behoefte heeft aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in een residentiële omgeving verstrekt moet worden.

Het attest is bestemd voor de directeur van de onderwijsinstelling van type 5, ter staving van de inschrijving. Het wordt aan het leerlingendossier toegevoegd.