Kostenbeheersing in het basisonderwijs

  • referentie
    BaO/2007/05
  • publicatiedatum
    22/06/2007
  • datum laatste wijziging
    04/04/2017
  • wettelijke basis
    Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997, art.27, gewijzigd bij decreet van 6 juli 2007.
  • contactpersoon
    Kristien Heylen, 02/553.92.36
  • Sinds 1 september 2007 moet in alle basisscholen de decretale kosteloosheid van wat nodig is om de ontwikkelingsdoelen na te streven en de eindtermen te bereiken, strikt gerespecteerd worden. 
  • Voor activiteiten en verplichte materialen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen en waarbij de ouders niet zelf de prijsmarge kunnen bepalen, geldt sinds 1 september 2008 een scherpe maximumfactuur.
  • Voor meerdaagse extra-muros activiteiten geldt sinds 1 september 2008 een minder scherpe maximumfactuur.

1. Historiek

De kosteloosheid van het basisonderwijs is een principe dat op diverse plaatsen ingeschreven is. Zo is de kosteloze toegang tot het leerplichtonderwijs in België gegarandeerd door de grondwet (art. 24, § 3).

Ook een aantal internationale verdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten (1966) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) stellen dat het primair onderwijs kosteloos moet zijn.

Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 bevestigt uitdrukkelijk het principe van de kosteloze toegang voor het Vlaams basisonderwijs. Via onderwijsdecreet XIII van 13 juli 2001 is hieraan een verdere invulling gegeven: naast de kosteloze toegang (er kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld gevraagd worden), kan een school aan de ouders geen bijdragen vragen voor onderwijsgebonden kosten die noodzakelijk zijn om een eindterm te bereiken of een ontwikkelingsdoel na te streven.

Eveneens in 2001 is het principe van de bijdragelijst ingevoerd, zodat ouders bij het begin van het schooljaar een zicht zouden hebben op de kosten die de school kan doorrekenen. Deze bijdrageregeling dient besproken te worden in de schoolraad, wat scholen verplicht om over deze kosten in debat te gaan met o.a. de ouders.

In de praktijk werden deze principes niet altijd nageleefd. De Commissie Zorgvuldig Bestuur ontving bijv. geregeld klachten van ouders die meldden dat scholen toch kosten doorrekenden voor zaken die onder de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vallen. Scholen zelf verklaarden dit enerzijds door de onduidelijkheid van de regelgeving (wat is noodzakelijk voor de ontwikkelingsdoelen en eindtermen), anderzijds door het feit dat de werkingsmiddelen ontoereikend waren.

Het decreet kostenbeheersing van 6 juli 2007 bracht hierin duidelijkheid en door de nieuwe financiering krijgen basisscholen sinds september 2008 extra werkingsbudget. Dit kunnen ze gebruiken om de kost van bepaalde activiteiten op zich te nemen.

2. De regelgeving inzake kostenbeheersing basisonderwijs

2.1. Doelstellingen van de regelgeving

De doelstellingen van de regelgeving inzake kostenbeheersing in het basisonderwijs zijn meervoudig:

1. ouders meer garantie geven op basisonderwijs dat daadwerkelijk minder kosten met zich meebrengt.

2. ouders en scholen meer duidelijkheid verschaffen over wat kosteloos moet aangeboden worden.

3. scholen de nodige bijkomende financiële middelen geven om de kostenbeheersing van het basisonderwijs te kunnen realiseren.

2.2. Vijf kostencategorieën

De regelgeving structureert de kosten die gepaard gaan met het basisonderwijs in vijf categorieën. Per categorie wordt vastgelegd of, en zoja hoeveel, kosten aan ouders mogen doorgerekend worden.

De categorieën zijn:

1. Kosten die gepaard gaan met het bereiken van de eindtermen en het nastreven van de ontwikkelingsdoelen (zie 3.1). Hiervoor mogen geen kosten aan ouders doorgerekend worden. Er is een limitatieve lijst opgesteld van wat hieronder begrepen wordt.

2. Kosten die gepaard gaan met activiteiten of verplichte materialen die niet noodzakelijk zijn voor de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en waarvan de ouders het te besteden bedrag niet zelf kunnen bepalen. Hiervoor geldt een scherpe maximumfactuur (zie 3.2).

3. Kosten voor meerdaagse extramuros activiteiten. Hiervoor geldt een minder scherpe maximumfactuur (zie 3.3).

4. Kosten die buiten de vorige drie categorieën vallen en die de school aan ouders kan doorrekenen, mits opname in de bijdrageregeling en mits de kostprijs voor de ouder in verhouding is tot de geleverde prestatie door de school. Het betreft hier meestal de 'services' die de school aan ouders levert en waar ouders vrijwillig gebruik van maken (zie 3.4)

5. Kosten die gepaard gaan met het naar school gaan van een kind, maar die ouders normaal gezien niet aan de school betalen, aangezien het gaat om zaken die op de vrije markt aangekocht worden (zie 3.5). Het gaat hier om basisuitrusting.

Elke categorie kosten wordt hierna uitgebreider toegelicht.

3. Toelichting per kostencategorie

3.1. Kosten die gepaard gaan met het bereiken van de eindtermen en het nastreven van de ontwikkelingsdoelen: absolute kosteloosheid

3.1.1. Meer duidelijkheid voor scholen en ouders

Zoals reeds vermeld (zie 1) bepaalt het decreet Basisonderwijs sinds 2001 reeds dat scholen geen kosten kunnen doorrekenen voor materialen en activiteiten die nodig zijn om de eindtermen te bereiken en de ontwikkelingsdoelen na te streven (ODET).

Om scholen en ouders duidelijkheid te verschaffen van wat onder deze kosteloosheid in functie van ODET valt, heeft het Vlaams Parlement een lijst vastgelegd van wat een basisschool gratis ter beschikking moet stellen van de leerlingen.

De lijst vindt u in bijlage 1. Deze lijst kan aangepast worden, bijv. indien er nieuwe eindtermen of ontwikkelingsdoelen zouden komen.

Geen enkele basisschool kan dus kosten aan ouders doorrekenen voor zaken die in deze lijst vermeld staan.

Deze lijst dient niet gelezen te worden als zouden àlle scholen over àlle materialen vermeld op deze lijst moeten beschikken. Wel is het zo dat, àls een school gebruikt maakt van iets uit deze lijst om de eindtermen te bereiken en/of de ontwikkelingsdoelen na te streven, dit dan kosteloos aangeboden moet worden.

Voorbeeld:

Een school maakt gebruik van handboeken en werkboekjes. Deze zijn vermeld op de lijst en moeten dus kosteloos aan de leerlingen ter beschikking gesteld worden.

Een andere school daarentegen kiest ervoor om geen handboeken te gebruiken maar om met fotokopieën te werken. Deze school moet dan de fotokopieën gratis ter beschikking stellen.

Ook is het niet zo dat een school het materiaal van de lijst in evenveel exemplaren moet hebben als er leerlingen zijn.

Voorbeeld:

Een school met 100 leerlingen in het basisonderwijs hoeft niet over 100 passers te beschikken. Wel moet de school over een voldoende aantal passers beschikken om een klas die de passer nodig heeft op dat ogenblik te kunnen voorzien.

3.1.2. Meer financiële middelen om de kosteloosheid in functie van ODET te kunnen naleven.

Om hieraan tegemoet te komen, is het werkingsbudget voor het basisonderwijs in 2007 met 29,5 miljoen euro verhoogd.

3.1.3. Een consequente toepassing van het principe van kosteloosheid van ODET

Sinds 1 september 2007 kan geen enkele basisschool nog kosten aan ouders doorrekenen die te maken hebben met de ontwikkelingsdoelen of de eindtermen. De Commissie Zorgvuldig Bestuur is bevoegd om vragen en klachten terzake te behandelen.

3.2. Kosten die gepaard gaan met activiteiten of verplichte materialen die niet noodzakelijk zijn voor de eindtermen en ontwikkelingsdoelen en waarvan de ouders het te besteden bedrag niet zelf kunnen bepalen: scherpe maximumfactuur

3.2.1. Geen verschraling van het onderwijs

Omzeggens alle scholen gebruiken meer materialen en bieden meer activiteiten aan dan strikt noodzakelijk voor de eindtermen of de ontwikkelingsdoelen. Het gaat hier om activiteiten zoals toneelbezoek, zwemlessen buiten het schooljaar gratis zwemmen, sportactiviteiten, eendaagse uitstappen, ...

Scholen rekenen voor deze 'verlevendiging' veelal ook kosten door aan de ouders.

Het is absoluut de bedoeling dat scholen verder in de mogelijkheid blijven om in functie van het pedagogisch project eigen accenten te leggen.

3.2.2. Wat valt onder deze scherpe maximumfactuur?

Onder de scherpe maximumfactuur vallen:

1. Activiteiten tijdens de schooltijd die niet noodzakelijk zijn voor ODET

Voorbeeld:

toneelbezoek, zwemmen buiten het schooljaar gratis zwemmen, de eendaagse schoolreis, ...

2. Materialen die niet noodzakelijk zijn voor ODET maar die de school toch verplicht aan te kopen door de ouders en waarvoor de ouders niet zelf de kostprijs kunnen bepalen. Dit kan zijn doordat de ouders het materiaal op school moeten aankopen (tegen een door de school vastgelegde prijs), of doordat de school het materiaal zodanig specifieert dat ouders geen enkele prijsmarge meer hebben.

Voorbeeld:

De school verplicht de ouders om een welbepaald tijdschrift aan te kopen via de school.

De school verplicht om de turnkledij op school aan te kopen.

De school specifieert zodanig welke map aangekocht moet worden dat de ouders geen keuze hebben, waardoor de prijs voor hen bepaald is.

3.2.3. Uitzondering op de scherpe maximumfactuur

Op dit principe van wat onder de scherpe maximumfactuur valt (3.2.2.) is één uitzondering mogelijk: kledij die de school verplicht oplegt aan de ouders kan uit het bedrag van de scherpe maximumfactuur gehaald worden.

Hierbij moeten volgende voorwaarden vervuld zijn:

1. Het moet gaan om kledij die omwille van een sociale finaliteit gezamenlijk aangekocht wordt door de school of die door de ouders bij een door de school aangeduide aanbieder kan aangekocht worden aan een redelijke prijs. De gezamenlijke aankoop voor de gehele school van bijv. het uniform of de gymkledij kan er immers voor zorgen dat de prijs gedrukt wordt, wat het voor ouders voordeliger maakt dan zelf het uniform of de gymkledij aan te kopen.

2. Er moet een advies zijn van de schoolraad om deze kledij uit de maximumfactuur te halen. Indien het schoolbestuur het advies van de schoolraad niet volgt, dan moet dit gemotiveerd worden.

Enkel onder deze strikte voorwaarden kan kledij uit de scherpe maximumfactuur gehaald worden. Het is immers niet de bedoeling om het principe van de scherpe maximumfactuur uit te hollen, zelfs niet met akkoord van de ouders.

3.2.4. Bedrag van de scherpe maximumfactuur

De NIET-GEINDEXEERDE basisbedragen van de scherpe maximumfactuur bedragen vanaf september 2015:

 

Basisbedrag 

 

 

Kleuter 

40 euro 

Lager 

80 euro 

 

 

Deze basisbedragen zijn per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint.

Indexering gebeurt op basis van de volgende formule:

Nx = basisbedrag(Cx/100,60)

waarbij :

Nx = het geïndexeerde bedrag voor schooljaar (x, y);

Cx = de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar (x,y) begint;

100,6 = de gezondheidsindex van de maand januari 2014 (basisjaar 2013).

Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.

 

 

3.2.4. 1 Scherpe maximumfactuur voor schooljaar 2016-2017

Door toepassing van de indexformule en de afronding naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van 5 zijn volgende bedragen van toepassing voor het schooljaar 2016-2017.

 

Geïndexeerd bedrag schooljaar 2016-2017 

 

 

Kleuter 

45 euro 

Lager 

85 euro 

3.2.4.2 Scherpe maximumfactuur voor schooljaar 2017-2018

Eind maart 2017 heeft de indexcommissie het gezondheids index cijfer voor de maand maart 2017 bekend gemaakt. Dit cijfers bedraagt 105,32 punten (basisjaar 2013).

Door toepassing van de indexformule en de afronding naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van 5, blijven de bedragen van de scherpe maximumfactuur voor het schooljaar 2017-2018 ongewijzigd.

 

Geïndexeerd bedrag schooljaar 2017-2018 

 

 

Kleuter 

45 euro 

Lager 

85 euro 

3.3. Meerdaagse uitstappen: maximumfactuur

3.3.1. Bedoeling: dure meerdaagse activiteiten vermijden.

Heel wat scholen organiseren in het basisonderwijs meerdaagse uitstappen. Ook hier is het niet de bedoeling om deze praktijk onmogelijk te maken. Voor veel leerlingen is het een hele belevenis om samen met de klasgenootjes op stap te gaan, er kunnen ook heel wat sociale vaardigheden geoefend worden, ...

Hoewel ouders nooit verplicht kunnen worden om hun kind te laten deelnemen aan meerdaagse uitstappen en niet deelnemende kinderen in die periode zinvolle vervangactiviteiten op school aangeboden moeten krijgen (zie omzendbrief 'extramurosactiviteiten'), is het toch de bedoeling dat zoveel mogelijk leerlingen kunnen deelnemen.

De bedoeling van de invoering van de maximumfactuur voor meerdaagse uitstappen is excessen zoals dure sneeuwklassen en skireizen, waarvan een aantal leerlingen om financiële redenen uitgesloten worden weg te werken.

Ook met goedkopere alternatieven zoals bosklassen, zeeklassen, ... kunnen de beoogde doelstellingen bereikt worden.

3.3.2. Bedrag van de maximumfactuur voor meerdaagse uitstappen

Om eventuele excessen te vermijden is sinds 1 september 2008 een maximumfactuur voor meerdaagse extramurosactiviteiten ingevoerd.

Voor het kleuteronderwijs mag geen bijdrage meer gevraagd worden aan de ouders. Dat betekent niet dat scholen met hun kleuters niet op meerdaagse uitstap mogen gaan. De praktijk wijst uit dat heel weinig scholen dit doen.

Voor het lager onderwijs bedraagt het NIET-GEINDEXEERDE basisbedrag van de maximumfactuur voor het volledig lager onderwijs (dus niet per leerjaar!) 360 euro.

Vanaf 1 januari 2012 wordt dit bedrag geïndexeerd, volgens de formule:

Nx = Basisbedrag (Cx/107,85)

Waarbij Nx = het geïndexeerde bedrag voor het schooljaar (x,y).

Cx = de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar (x,y) begint.

107,85 = de gezondheidsindex van de maand januari 2008 (basisjaar 2004).

Nx wordt afgerond naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van vijf.

Meerdaagse uitstappen die volledig buiten de schooluren vallen (een reis in de vakantie bijvoorbeeld) vallen niet onder deze maximumfactuur.

3.3.2. 1 Minder scherpe maximumfactuur voor schooljaar 2016-2017

Door de toepassing van de indexformule en de afronding naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van 5, bedraagt voor het schooljaar 2016-2017 de minder scherpe maximumfactuur 420 euro.

3.3.2.2 Minder scherpe maximumfactuur voor schooljaar 2017-2018

Eind maart 2017 heeft de indexcommissie het gezondheidsindexcijfer voor de maand maart 2017 bekend gemaakt. Dit cijfers bedraagt 127,19 punten (basisjaar 2004).

De toepassing van de indexformule en de afronding naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van 5, zorgt voor een stijging van de minder scherpe maximumfactuur met 5 euro. Voor schooljaar 2017-2018 bedraagt de minder scherpe maximumfactuur 425 euro.

3.4. Verplichte gespreide betaling.

Scholen beslissen autonoom op welke manier ze de bedragen opvragen aan de ouders (dit kan met een trimestriële betaling of via een maandelijkse factuur,…).

Scholen kunnen deze bijdragen alleszins niet in één keer opvragen, het is een verplichting voor de scholen om te voorzien in de mogelijkheid tot een betaling over minstens 3 keer, verspreid over het schooljaar.

3.5. Kosten die de school aan ouders kan doorrekenen maar buiten de kosteloosheid (3.1) of de maximumfacturen (3.2 en 3.3) vallen : bijdrageregeling

3.5.1. Bijdrageregeling

Alle kosten die niet onder ODET, de scherpe maximumfactuur en/of de maximumfactuur voor meerdaagse uitstappen vallen, maar die een school toch aan de ouders wenst door te rekenen, dienen opgenomen te worden in de bijdrageregeling. Het gaat hier veelal om services die de school aan de ouders aanbiedt en waar ouders geen gebruik van hoeven te maken: het toezicht, de maaltijden, drankjes, aanbod aan sport of lessen Frans nà de schooltijd, ...

De bijdrageregeling dient besproken te worden in de schoolraad, en bij het begin van het schooljaar meegedeeld te worden aan de ouders. De bijdrageregeling moet ook de afwijkingen voorzien die kunnen worden toegekend.

3.5.2. de kosten moeten in verhouding zijn tot de geleverde prestatie

Hierbij geldt evenwel het principe dat de kosten die aan de ouders doorgerekend worden, in verhouding moeten zijn tot de geleverde prestatie.

Voorbeeld:

Een school stelt drankjes ter beschikking. De leerlingen kunnen niet verplicht worden om deze aan te kopen. De school kan deze drankjes slechts verkopen aan een redelijke kostprijs, die in verhouding is met het geleverde product. Een lichte winstmarge zal hierbij niet als onredelijk beschouwd worden.

Het is de Commissie Zorgvuldig Bestuur die, in geval van betwisting, zal oordelen wat als redelijk beschouwd kan worden. (zie omzendbrief BaO/2002/3)

3.6. De basisuitrusting

Kinderen die naar school gaan, hebben een bepaalde basisuitrusting nodig: een boekentas, kaften, een pennenzak, ...

De bedoeling is dat ouders deze producten naar eigen inzicht op de vrije markt kunnen aankopen, zodat ze ook de prijsmarge zelf in de hand hebben. De school komt hier in principe niet tussen.

Indien de school deze basisuitrusting zodanig begint te specifiëren met als gevolg dat de prijsmarge voor ouders volledig wegvalt, dan veroorzaakt de school zelf dat de basisuitrusting naar de categorie van de scherpe maximumfactuur moet verhuizen.

Voorbeeld: ouders kopen in principe een boekentas in de winkel naar keuze aan en bepalen zelf hoeveel ze daaraan willen/kunnen besteden. De school komt hier in principe niet in tussen. Indien de school dermate in detail begint te specifiëren welke boekentas ouders moeten kopen, met als gevolg dat ouders hier geen enkele prijsmarge meer in hebben (enkel een boekentas van een welbepaald merk voldoet aan alle voorwaarden die de school oplegt), dan moet deze boekentas beschouwd worden als een product dat in deze school onder de maximumfactuur valt.

4. Bevoegdheden van de Commissie Zorgvuldig Bestuur

De Commissie Zorgvuldig Bestuur is bevoegd voor vragen en klachten inzake kosteloosheid, in alle aspecten die de regelgeving met zich meebrengt (kosteloosheid van ODET, de maximumfacturen, de bijdrageregeling, ...). Voor meer informatie over de Commissie Zorgvuldig Bestuur, zie omzendbrief BaO/2002/3.

5. Samenhangende acties

5.1. Mentaliteitswijziging

Heel wat scholen deden al inspanningen om het onderwijs voor ouders zo betaalbaar mogelijk te houden. In sommige scholen lagen de kosten hoog, waardoor sommige kinderen uit minder begoede gezinnen de facto nooit naar deze scholen zouden kunnen gaan. De bedoeling van de maximumfacturen is dergelijke uitsluitingsmechanismen te vermijden.

Door de maximumfacturen moeten scholen bewuster omgaan met de kosten die ze veroorzaken voor ouders en misschien keuzes maken. Leerkrachten zullen onderling ook afspraken moeten maken.

Dit vraagt van sommige scholen, maar ook van sommige ouders, een mentaliteitswijziging: duur onderwijs is niet noodzakelijk het beste onderwijs en goedkoop onderwijs kan zeer goed onderwijs zijn.

Via de Lokale Overlegplatforms wordt in een aantal regio’s gewerkt rond goedkoper onderwijs.

5.2. Schooltoelagen voor het basisonderwijs

Voor sommige ouders zullen de kosten van het onderwijs, hoezeer men die ook poogt te beperken, nog steeds moeilijk om dragen zijn. Voor minderbegoede gezinnen is er sinds 1 september 2008 een schooltoelage voor het basisonderwijs. Deze schooltoelage kan ouders helpen om de kosten van de maximumfacturen en de basisuitrusting mee te helpen betalen.

5.3. Openstaande rekeningen en evaluatiedocumenten

Het niet meegeven van evaluatiedocumenten (zoals het rapport) omdat facturen nog niet betaald zijn is niet toegestaan. Scholen moeten zich voor het innen van achterstallige facturen op andere middelen beroepen.