Administratieve Omkadering in het Deeltijds Kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008

  • Deze omzendbrief is van toepassing op alle academies voor deeltijds kunstonderwijs
  • Vanaf 1 september 2007 wordt de administratieve omkadering toegekend op basis van het leerlingenaantal zodat 1 FTE per 1000 leerlingen kan worden toegekend
  • De opdracht van studiemeester-opvoeder blijft behouden zolang de huidige titularis deze invult, maar wordt begrensd tot maximaal het volume van het schooljaar 2006-2007van de betrekking op 30 juni 2007
  • Vanaf 1 s eptember 2014 werken opstellers met een voltijdse betrekking 36 uren per week in plaats van 38, en opstellers met een onvolledige betrekking een evenredig deel daarvan. Dat heeft echter geen enkel gevolg voor de berekening van de administratieve omkadering .

1. Inleiding

De collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) VIII, die Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke afsloot met de sociale partners, voorziet een uitbreiding van de administratieve omkadering in het deeltijds kunstonderwijs DKO). Om de CAO-afspraak uitvoeren, is een nieuwe formule voor de berekening van de administratieve omkadering nodig. Bovendien wordt de omvang van de opdrachten in het uitdovende ambt van studiemeester-opvoeder bevroren.

2. Nieuwe regelgeving vanaf 1 september 2007

2.1. Uitbreiding van administratieve omkadering

De administratieve omkadering wordt uitgebreid zodat 1 FTE per 1000 leerlingen kan worden toegekend, zowel in instellingen voor beeldende kunst (BK) als in instellingen voor muziek, woordkunst en dans (MWD). Dat komt in de praktijk neer op ongeveer een verdubbeling van de omkadering voor de MWD-instellingen en op een kleine verhoging voor de BK-instellingen. Op die manier wordt de bestaande discrepantie tussen podiumkunsten en beeldende kunst ongedaan gemaakt.

De rechtsgrond voor administratieve omkadering is vastgelegd in artikel 98 van het Decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs II. De inhoud van dit artikel is gewijzigd en bepaalt vanaf nu dat de DKO-academies uren-opsteller ontvangen en dat de oprichting van betrekkingen in het ambt van opsteller is gebaseerd op het aantal financierbare leerlingen ingeschreven op de voor de financierbaarheid relevante teldag.

Vanaf 1 september 2014 wordt, ter uitvoering van afspraak 8.1 van cao X, een arbeidsduurvermindering voor de opstellers in het dko doorgevoerd: een opsteller met een voltijdse betrekking werkt wekelijks effectief nog 36 klokuren in plaats van 38. Opstellers met een onvolledige betrekking werken een evenredig deel daarvan. Die arbeidsduurvermindering brengt echter geen wijzigingen mee in de berekening van de omkadering: voor die berekening blijft de noemer 38 in gebruik. Administratief blijft een voltijdse betrekking van opsteller ook uit 38 prestatie-eenheden bestaan en voor de bezoldiging blijft 38 de deler voor een onvolledige opdrac ht. In deze omzendbrief hanteren we verder de term omkaderingseenheden of prestatie-eenheden voor opsteller in plaats van uren, om verwarring met de klokuren van de effectieve wekelijkse prestaties te vermijden. Zie ook de omzendbrief De prestatieregeling voor het ambt van opsteller in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs .

2.2. Bevriezing van opdrachten studiemeester-opvoeder

Een nieuw artikel 98bis in bovengenoemd decreet bepaalt dat DKO-instellingen die op 30 juni 2007 beschikken over een gesubsidieerde of gefinancieerde betrekking van studiemeester-opvoeder waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van is, of waar op 30 juni 2007 een studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, dat ambt verder gesubsidieerd of gefinancieerd kunnen krijgen, zolang datzelfde personeelslid er titularis van is. Dit artikel is een voortzetting van de uitdoofregeling voor ambten studiemeester-opvoeder die al sinds 1990 van toepassing is, het gaat hier per definitie over personeelsleden die al sinds 1990 in het uitdovende ambt studiemeester-opvoeder staan.

Nieuw is dat dit recht nu beperkt wordt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni 2007, m.a.w. vanaf het schooljaar 2007-2008 kan de opdracht van studiemeester-opvoeder niet meer worden uitgebreid. Als de invoering van de nieuwe berekeningsformule voor de administratieve omkadering nu, of een toename van het leerlingenaantal later, bijkomende omkaderingseenheden administratieve omkadering genereert, kunnen deze vanaf het schooljaar 2007-2008 enkel in het ambt van opsteller worden toegekend.

Studiemeester-opvoeders die titularis zijn van een onvolledige betrekking, kunnen wel uitbreiden in prestatie-eenheden-opsteller. Er is een bepaling in de rechtspositieregelingen opgenomen die ervoor zorgt dat de dienstanciënniteit, opgebouwd als studiemeester-opvoeder, ook voor opsteller in aanmerking komt. Hierdoor kan een studiemeester-opvoeder het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden in prestatie-eenheden-opsteller en wordt een vaste benoeming in die prestatie-eenheden mogelijk, voor zover aan alle voorwaarden voor vaste benoeming voldaan is.

Meer informatie vindt u in de omzendbrief over tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en in de omzendbrief over vaste benoeming.

3. Berekeningswijze

3.1. Nieuwe formule op basis van leerlingenaantal

Tot op heden was zowel voor de academies voor beeldende kunst als voor die voor muziek, woordkunst en dans de berekening van het aantal uren administratieve omkadering gebaseerd op het aantal uren-leraar dat de academie ontving; de formule voor BK verschilde daarbij van die voor MWD. Ten gevolge van de afspraken in CAO VIII worden de bestaande formules (BK en MWD) vervangen door één nieuwe basisformule die voor de beide sectoren wordt gebruikt. De omkaderingseenheden-opsteller worden vanaf het schooljaar 2007-2008 geheel of gedeeltelijk toegekend op basis van de volgende formule:

(a x 0,001 x 32 - b) / 32 x 38

waarbij:

a = het aantal leerlingen zoals bepaald in artikel 98, §2 van het decreet;

b = het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder; beperkt tot de omvang zoals bepaald in artikel 98bis, §1 van het decreet;

32 = het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;

38 = het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking opsteller.

Als het eerste cijfer na de komma groter dan of gelijk aan 5 is, wordt de uitkomst van deze formule naar boven afgerond; als dit cijfer kleiner is dan 5 wordt de uitkomst naar beneden afgerond.

De verklaring van de verschillende stappen in bovenstaande methode:

1) a x 0,001: bepaling van het aantal voltijdse ambten gebruikmakend van de leerlingencoëfficiënt 0,001. Deze coëfficiënt is bepaald aan de hand van de afspraak in CAO VIII dat 1 voltijds ambt per 1000 leerlingen wordt toegekend.

2) a x 0,001 x 32: het aantal voltijdse ambten wordt omgezet in uren-studiemeester-opvoeder.

3) a x 0,001 x 32 - b: het vastgelegde aantal uren-studiemeester-opvoeder waarover een instelling beschikt op 30 juni 2007 wordt afgenomen van het resultaat.

4) (a x 0,001 x 32 - b) / 32: als er uren-studiemeester-opvoeder overblijven, wordt deze rest heromgezet naar voltijdse ambten.

5) (a x 0,001 x 32 - b) / 32 x 38: het restaantal voltijdse ambten wordt omgezet in omkaderingseenheden-opsteller.

6) Afronding.

Als een instelling enkel beschikt over opstellers zijn stappen 2 tot 4 niet relevant. De formule uit stap 5 vereenvoudigt in dat geval automatisch tot (a x 0,001 x 32 - 0) / 32 x 38 = a x 0,001 x 38.

Voorbeeld 1

Een MWD-instelling heeft in het schooljaar 2006-2007 1234 leerlingen. De studiemeester-opvoeder was in dat schooljaar aangesteld voor een opdracht van 9/32. De formule wordt dan als volgt ingevuld:

(1234 x 0,001 x 32 - 9) / 32 x 38 = 36,2045

Na afronding krijgt de instelling (naast 9 uren-studiemeester-opvoeder) dus 36 omkaderingseenheden-opsteller.

Voorbeeld 2

Een BK-instelling met 805 leerlingen heeft in het schooljaar 2006-2007 geen studiemeester-opvoeder. Hier is de formule eenvoudiger:

805 x 0,001 x 38 = 30,59

Na afronding krijgt de instelling 31 omkaderingseenheden-opsteller.

3.2. 'Overgangsformule' voor instellingen beeldende kunst

Voor sommige BK-academies kan de vroegere formule op basis van het aantal leraarsuren een administratieve omkadering opleveren die hoger ligt dan 1 FTE per 1000 leerlingen. De CAO-afspraak dat zowel voor BK als voor MWD 1 FTE per 1000 leerlingen wordt toegekend, zou bijgevolg betekenen dat aan deze academies minder omkadering wordt toegekend, wat uiteraard niet de bedoeling van een CAO kan zijn. Daarom is voor deze academies een overgangsformule uitgewerkt.

Voor de instellingen uit de lijst die u als bijlage vindt, worden de omkaderingseenheden-opsteller toegekend op basis van de volgende formule:

[(15 x a + 16 x b + 13 x c) / 5000 x 32 - d] / 32 x 38

waarbij:

a = aantal uren-leraar in de lagere graad;

b = aantal uren-leraar in de middelbare graad;

c = aantal uren-leraar in de hogere graad en in de specialisatiegraad;

d = het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder beperkt tot de omvang zoals bepaald in artikel 98bis, §1, van het decreet;

32 = het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;

38 = het aantal omkaderingseenheden van een voltijds betrekking opsteller.

De uitkomst van deze formule wordt afgerond naar de onmiddellijk lagere eenheid.

De verklaring van deze methode verloopt identiek met die uit 3.1 (zie hoger). Enkel stap 1 wijkt af in die zin dat de berekening van het aantal voltijdse ambten steunt op de formule zoals ze vanaf 1990 tot het huidige schooljaar is toegepast.

Vanaf het schooljaar waarvoor de organieke berekeningswijze (zie 3.1) voor de instellingen uit de bijlage evenveel of meer administratieve omkadering oplevert dan de methode in 3.2, wordt deze omkadering berekend volgens de methode van 3.1.

Voorbeeld

Een BK-instelling (die op de lijst uit de bijlage voorkomt) met 1102 leerlingen zonder studiemeester-opvoeder en met 75 uren-leraar in de lagere graad, 50 uren-leraar in de middelbare graad en 300 uren-leraar in de hogere en de specialisatiegraad.

De nieuwe formule in 3.1 zou het volgende resultaat opleveren:

1102 x 0,001 x 38 = 41,876

Na afronding zou de instelling 42 omkaderingseenheden-opsteller krijgen.

De overgangsformule uit 3.2 levert de volgende uitkomst op:

[(15 x 75 + 16 x 50 + 13 x 300) / 5000 x 32 - 0] / 32 x 38

= 44,27

Na afronding is het resultaat 44 omkaderingseenheden-opsteller, wat voordeliger is dan de nieuwe formule uit 3.1. In dit geval krijgt de instelling dus 44 omkaderingseenheden-opsteller.

4. Toekenning van (…) administratieve omkadering

Aan de wijze van toekenning van administratieve omkadering verandert niets. De omkaderingseenheden staan vermeld op het urenpakket dat aan het eind van het schooljaar naar de scholen wordt gestuurd.

(…)

5. Bijlage