OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de investeringsoperatie in scholen voor technologie en industriële technieken voor het schooljaar 2006-2007.

  • goedkeuringsdatum
    16 MEI 2007
  • publicatiedatum
    B.S.02/07/2007
  • datum laatste wijziging
    01/09/2007

COORDINATIE

impliciet opgeheven door Art. 2 van ditzelfde besluit

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, inzonderheid op artikel 103;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 20 maart 2007;

Gelet op het advies van de Raad van State nr. 42.764/1, gegeven op 26 april 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° decreet : het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

2° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;

3° school : school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die minstens één van de volgende studiegebieden organiseert : auto, bouw, chemie, grafische communicatie en media, hout, land- en tuinbouw, textiel, koeling en warmte, mechanica-elektricteit, of scholen met aanverwante studierichtingen, opleidingen en afdelingen binnen het buitengewoon secundair onderwijs OV3 en OV4;

4° onderwijszone : geografische afbakening als vermeld in bijlage I bij het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs.

Art. 2.

Er worden voor investeringen in basisuitrusting tijdens het schooljaar 2006-2007 extra middelen toegekend aan scholen, mits die een investeringsplan per onderwijszone hebben opgesteld dat door de beoordelingscommissie is goedgekeurd. Een investeringsplan moet volgende elementen bevatten :

1° de voorgestelde aankopen per school en per studiegebied;

2° raming van de kosten van de voorgestelde aankopen;

3° het totaalbeeld van de financiering van het voorstel;

4° het verslag van de vergaderingen van het overleg binnen de onderwijszone.

Art. 3.

De middelen worden aangerekend op pr.32.1 ba 33.11 van de begroting 2007, voor wat het gewoon secundair onderwijs betreft, respectievelijk op pr.32.2 ba 33.11 van de begroting 2007 voor wat het buitengewoon secundair onderwijs betreft.

Art. 4.

De minister stelt de beoordelingscommissie samen uit :

1° twee vertegenwoordigers van het Departement Onderwijs en Vorming, afdeling Instellingen en Leerlingen Secundair Onderwijs en Volwassenenonderwijs, waarvan één het voorzitterschap waarneemt;

2° twee vertegenwoordigers van de Inspectie Secundair Onderwijs;

3°één vertegenwoordiger per onderwijsnet, voorgedragen door respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs, het onderwijssecretariaat Vlaamse Steden en Gemeenten en het Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs.

Art. 5.

De beoordelingscommissie onderzoekt de plannen en keurt ze goed of formuleert voorbehoud. Als er voorbehoud wordt geformuleerd, krijgen de scholen in kwestie een door de commissie te bepalen termijn van minimaal twintig werkdagen om het plan aan te passen, voor te leggen aan de scholen in kwestie binnen de zone en opnieuw in te dienen waarna de commissie een definitief oordeel velt.

Art. 6.

De beoordelingscommissie mag bij de beoordeling zelf haar werkzaamheden en werkwijze naar haar beste vermogen organiseren en de meest werkbare methode bepalen. Ze stelt hiertoe een huishoudelijk reglement op. Bij de beoordeling van de plannen hanteert de commissie de volgende criteria :

1° de financiële haalbaarheid van het ingediende plan;

2° een aantoonbare, directe band met de leerplannen;

3° de noodzakelijkheid van de investering;

4° de mogelijkheid tot een optimale aanwending van de apparatuur;

5° de aandacht voor veiligheid.

Art. 7.

De scholen ontvangen, naar rato van honderdvierenzeventig euro per regelmatige leerling in de studiegebieden in kwestie op 1 februari 2006, de middelen op de volgende wijze :

1° een voorschot van 90 % na de vaststelling bij ministerieel besluit van de begunstigde scholen en overeenkomstige subsidiebedragen;

2° een saldo van 10 % na de goedkeuring door het Departement Onderwijs en Vorming van de gebundelde en ingestuurde bewijsstukken van de doorgevoerde investering.

Art. 8.

De verkregen middelen mogen enkel aangewend worden voor investeringen in basisuitrusting, zoals bedoeld in artikel 103, § 1, eerste lid, van het decreet, in de structuuronderdelen, vermeld in bijlage II van het decreet.

Art. 9.

Het Departement Onderwijs en Vorming zal van de betrokken inrichtende macht het deel van de toegekende middelen terugvorderen waarvan werd vastgesteld dat het niet werd aangewend of dat het niet werd aangewend voor de bestemming, vermeld in dit besluit.

Art. 10.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006.

Art. 11.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.