Actualisering bekwaamheidsbewijzen centra voor leerlingenbegeleiding

  • M et ingang van 1 januari 2013 is het bekwaamheidsbewijs van bachelor niet langer beperkt tot de professionele bachelor of de initiële opleidingen, maar ook de academische bachelor en de b achelor-na-bachelor worden hierdoor gevat. De bijlage van bekwaamheidsbewijzen CLB wordt daar nu ook op aangepast.

1. Actualisatie en opname van nieuwe bekwaamheidsbewijzen

Met ingang van 1 september 2007 werd het besluit dat de bekwaamheidsbewijzen in de centra voor leerlingenbegeleiding regelt enigszins aangepast. De meeste wijzigingen vloeien voort uit de nieuwe BaMa-structuur waardoor een aantal nieuwe diploma's van professionele bachelor in de bekwaamheidsbewijzen opgenomen moeten worden. Tevens worden een aantal technische wijzigingen aangebracht.

Met ingang van 1 september 2008 werden diploma's van master toegevoegd, werden de bekwaamheidsbewijzen voor sommige ambten licht verruimd en werd de categorie 'andere bekwaamheidsbewijzen' voor ervaringsdeskundige verwijderd. Dit laatste gaat gepaard met een overgangsregeling.

Vanaf 1 september 2010 worden de bekwaamheidsbewijzen van paramedisch werker aangepast.

Vanaf 1 september 2011 vallen de bijkomende en specifieke vorming inzake leidinggeven weg als formele voorwaarde voor een aanstelling als directeur CLB en voor het volledige salaris.

Vanaf 1 september 2013 is een bekwaamheidsbewijs van bachelor niet langer beperkt tot de professionele bachelors of tot initiële opleidingen. Ook het diploma van academisch gerichte bachelor en van bachelor-na-bachelor ( banaba ) komen in aanmerking als een mogelijk basisdiploma . Daarvoor worden:

de omschrijving ‘ten minste PBA’ vervangen door ‘ten minste bachelor’;

de omschrijving ‘niveau PBA’ vervangen door ‘niveau bachelor’;

de omschrijving ‘bachelor (PBA)’ (zonder vermelding van een concrete opleiding) vervangen door ‘bachelor’.

1.1. Bachelor-masterstructuur (BaMa)

Als gevolg van het invoeren van de BaMa-structuur in het hoger onderwijs werden met ingang van 1 september 2007 definities geactualiseerd en nieuwe diploma's geïntroduceerd.

1.1.1. “ten minste bachelor”- “ten minste master”

De stelsels van bekwaamheidsbewijzen hanteren verzamelbenamingen die naar een groep van (gelijkaardige) studiebewijzen verwijzen. De verzamelbenamingen “ten minste HOLT” en “ten minste HOKT” werden, naar aanleiding van het invoeren van de Bachelor-Master-structuur (BaMa-structuur) in het hoger onderwijs en naar analogie met het besluit van 14 juni 1989 dat de bekwaamheidsbewijzen in het gewoon secundair onderwijs regelt, omgezet in respectievelijk “ten minste master” en “ten minste PBA” (= professioneel gerichte bachelor). De actualisering van deze verzamelbenamingen had geen inhoudelijke wijzigingen tot gevolg.

“Ten minste master” kwam in de plaats van “ten minste HOLT” en omvat alle studiebewijzen die onder “ten minste HOLT” vielen, inclusief de nieuwe diploma's van master.

“Ten minste PBA (professioneel gerichte bachelor)” kwam in de plaats van “ten minste HOKT” en omvat alle studiebewijzen die onder “ten minste HOKT” vielen, inclusief de nieuwe diploma's van professioneel gerichte bachelor en master.

De oude verzamelbenamingen “ten minste HOLT” en “ten minste HOKT” verwijzen enkel nog naar de situatie in het verleden.

Vanaf 1 september 2013 is de benaming “ten minste PBA” ( professioneel gerichte bachelor ) verruimd tot “ten minste bachelor” . Da t betekent dat ook academische bachelors en bachelor-na- bachelors vanaf dan gevat zijn onder d i e benaming.

1.1.2. “PBA” - “master”

Tezelfdertijd blijft de verzamelbenaming HOKT bestaan naast de nieuwe benaming bachelor (PBA). Onder “HOKT <+ specialiteit>” staan de vroegere basisdiploma's van 1 cyclus (en hun voorlopers) in de bekwaamheidsbewijzen bekend. Dat blijft zo. De nieuwe diploma's zijn diploma's van professioneel gerichte bachelor, “bachelor (PBA)”. In de bekwaamheidsbewijzen vindt u voortaan dus “bachelor (PBA) <+ specialiteit>” terug naast “HOKT <+ specialiteit>”, waarbij “HOKT” verwijst naar specifieke diploma's afgeleverd in de vroegere structuur. Dit onderscheid is van belang omdat de onderwijsbevoegdheid van de oude diploma's in een aantal gevallen verschillend kan zijn van die van de nieuwe diploma's.

Er is met ingang van 1 september 2006 bepaald voor welke ambten de nieuwe diploma's van professioneel gerichte bachelor, afgekort bachelor (PBA) <+ benaming opleiding en eventueel afstudeerrichting> + BPB, een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zijn.

Het betreft hier zowel specifieke diploma's van professionele bachelor (bv. bachelor(PBA) sociaal werk, bachelor (PBA) verpleegkunde, bachelor in het onderwijs: lager onderwijs, bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs, bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs, ...) als professionele bachelors van algemeen niveau. Tevens werd de master van algemeen niveau opgenomen.

Bij een aantal ambten werden met ingang van 1 september 2007 ook al specifieke masterdiploma's opgenomen, opdat wie via een verkort traject afstudeert eventueel al in dienst zou kunnen treden in de loop van het schooljaar. Ook hier is het principe dat de nieuwe benaming “master <+ specialiteit>” in de bekwaamheidsbewijzen verschijnt naast de vroegere benamingen van “licentiaat <+ specialiteit>”, enz.

Met ingang van 1 september 2008 werden de diploma's van master opgenomen, voor zover dat eerder nog niet gebeurd was, bij alle ambten waar diploma's van licentiaat in aanmerking komen en in overeenstemming daarmee. Masters werden toegevoegd bij de ambten arts, psychopedagogisch consulent, maatschappelijk werker en paramedisch werker.

In de bijlage 1 bij deze omzendbrief vindt u de bekwaamheidsbewijzen per ambt in detail terug.

1.2. Wijziging bekwaamheidsbewijzen bij het ambt van ervaringsdeskundige.

Bij de introductie van het ambt van ervaringsdeskundige vanaf 1 september 2006 werden enkel vereiste en andere bekwaamheidsbewijzen voorzien. Rekening houdende met de structuur van het onderwijs voor sociale promotie dat momenteel zowel opleidingen in modulaire als lineaire structuur aanbiedt, werden de vereiste bekwaamheidsbewijzen uitgebreid met het “getuigschrift van de opleiding tot ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting” dat aldus naast het gelijknamige certificaat zal bestaan.

Ten gevolge de vroegere organisatie van de inhouden ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting als onderdeel van de opleiding jeugd- en gehandicaptenzorg werden daarenboven voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen geïntroduceerd, namelijk het getuigschrift of het certificaat van de opleiding jeugd- en gehandicaptenzorg. Op die manier kan de inrichtende macht/centrumdirecteur oordelen of een personeelslid met dit studiebewijs al dan niet geschikt is voor het ambt van ervaringsdeskundige.

Met ingang van 1 september 2008 werd de categorie 'andere bekwaamheidsbewijzen' voor ervaringsdeskundige verwijderd. De overtuiging is immers gegroeid dat dit zeer specifieke ambt alleen zinvol ingevuld kan worden met een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Deze wijziging gaat gepaard met een overgangsregeling. Wie in het schooljaar 2007-2008 als ervaringsdeskundige aangesteld was en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs had, wordt met ingang van 1 september 2008 voor dat ambt geacht over een bekwaamheidsbewijs van de categorie 'andere bekwaamheidsbewijzen' te beschikken met salarisschaal 084. Deze overgangsmaatregel blijft gelden zolang hij of zij ononderbroken in een centrum voor leerlingenbegeleiding in dienst blijft.

1.3. Studiebewijzen van het volwassenenonderwijs

1.3.1. Secundair onderwijs

Het nieuwe decreet volwassenenonderwijs voorziet op termijn voor alle opleidingen secundair onderwijs een nieuwe modulaire structuur op basis van opleidingsprofielen. In overeenstemming hiermee werden vanaf 1 september 2007 studiebewijzen van opleidingen secundair onderwijs in het volwassenenonderwijs afgeleverd zonder vermelding van onderwijsvorm en graad.

De bekwaamheidsbewijzen hanteren momenteel wel nog onderwijsvorm en graad bij studiebewijzen van secundair volwassenenonderwijs, bv BSO3, TSO2 enz. Om van de nieuwe studiebewijzen de correcte rangschikking te kennen, wordt een tabel als bijlage bij het besluit bekwaamheidsbewijzen gewoon secundair onderwijs gevoegd (BVR van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs) waarin de rangschikking van de opleiding staat. Op die manier moet duidelijk worden of een in het secundair volwassenenonderwijs afgeleverd certificaat al dan niet beschouwd kan worden als bv. behorende tot de verzamelterm “ten minste HSO”.U vindt de tabel eveneens bijgevoegd als bijlage 2.

......

1.3.2. Hoger beroepsonderwijs

Het nieuwe decreet volwassenenonderwijs heeft de term “hoger beroepsonderwijs” geïntroduceerd. De diploma's van gegradueerde die in dit hoger beroepsonderwijs uitgereikt worden, zijn opgenomen bij de basisdiploma's en zoals de andere gegradueerden van het onderwijs voor sociale promotie onder de verzamelterm “HOKT” ondergebracht. Ook valt het diploma onder de grote verzamelnaam “ten minste bachelor ”, die “ten minste HOKT” vervangen heeft.

Let op: het gegeven dat het diploma van gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs onder de definitie van “ten minste bachelor” valt, betekent niet dat het zou gaan om een diploma van bachelor.

In bijlage 1 bij deze omzendbrief vindt u deze diploma's terug onder de benaming “gegradueerde <specialiteit> van het hoger beroepsonderwijs” en onder “ten minste bachelor”.

1.4. Technische wijzigingen

Bij de ambten van administratief werker, medewerker en intercultureel bemiddelaar werden de verschillende opgesomde diploma's gegroepeerd in de grotere verzamelbenamingen “een bekwaamheidsbewijs van het niveau bachelor ” en “een bekwaamheidsbewijs van het niveau secundair onderwijs”. Dit laat toe dat nieuwe diploma's die aan dit niveau toegevoegd worden meteen aanvaard kunnen worden als bekwaamheidsbewijs voor het betrokken ambt.

Met ingang van 1 september 2008 werd:

- bij het ambt van maatschappelijk werker de formulering van sommige bekwaamheidsbewijzen aangepast. Het gaat om de diploma's van HOKTVL in de 'vereiste' en HOKTSP en gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs in de 'voldoende geachte' bekwaamheidsbewijzen. Dit is enkel een tekstuele aanpassing ter verduidelijking.

- bij het ambt van psychopedagogisch werker in de 'voldoende geachte' bekwaamheidsbewijzen de formulering van sommige opleidingen van het volwassenenonderwijs aangepast. Dit is een tekstuele aanpassing ter verduidelijking.

Met ingang van 1 september 2011 wordt de verwijzing naar de rechtsgrond voor de gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen aangevuld in overeenstemming met de wijzigingen van het decreet betreffende het Onderwijs XXI.

1.5. Verruiming van de bekwaamheidsbewijzen voor de ambten arts, maatschappelijk werker en psychopedagogisch werker.

1.5.1. Arts

Bij de 'voldoende geachte' bekwaamheidsbewijzen werden vanaf 1 september 2008 als bijkomend diploma bij het basisdiploma toegevoegd:

- het certificaat van geneesheer-hygiënist;

- de graad van master in de arbeidsgeneeskunde (master na masteropleiding);

- de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de arbeidsgeneeskunde;

- de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de kindergeneeskunde;

- de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de pediatrie.

Deze lichte verruiming stelt de centra mogelijk beter in staat om geschikte artsen te vinden.

1.5.2. Maatschappelijk werker

De 'voldoende geachte' bekwaamheidsbewijzen werden vanaf 1 september 2008 door de toevoeging van HOKTSP sociaal-cultureel werk en gegradueerde sociaal-cultureel werk van het hoger beroepsonderwijs licht verruimd.

Met ingang van 1 september 2015 wordt de master in het sociaal werk en sociaal beleid toegevoegd als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

1.5.3. Psychopedagogisch werker

De 'voldoende geachte' bekwaamheidsbewijzen werden vanaf 1 september 2008 door de toevoeging van HOKTSP assistent in de beroepskeuze licht verruimd.

1.5.4. Paramedisch werker

De 'vereiste' bekwaamheidsbewijzen worden met ingang van 1 september 2010 verruimd met het diploma van gegradueerde verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.

1.6. Directeur

Met ingang van 1 september 2011 wordt de eis opgeheven dat de directeur van een CLB een specifieke vorming inzake leidinggeven, erkend door de Vlaamse regering, gevolgd moet hebben. De selectie van een directeur voor een CLB wordt daarmee ten volle aan de inrichtende macht overgelaten, zoals dat in elk onderwijsniveau het geval is voor leidinggevende functies (basisonderwijs, secundair onderwijs, deeltijds kunstonderwijs, volwassenenonderwijs).

Voordien was die specifieke vorming inzake leidinggeven zowel een aanstellingsvoorwaarde als een voorwaarde voor het recht op de niet-verworven salarisschaal 269 ter aanvulling van de reguliere salarisschaal 511, om samen het volledige salaris van directeur CLB te vormen. Nu de eis van specifieke vorming inzake leidinggeven verdwijnt, wordt ook afgestapt van de bezoldigingswijze waarin een reguliere salarisschaal aangevuld wordt met een niet-verworven salarisschaal. Er wordt voor directeur CLB een nieuwe salarisschaal 599 toegepast, waarin zowel de bedragen van de vroegere schaal 511 als van de niet-verworven salarisschaal 269 vervat zijn.

In de bijlage voor directeur worden met ingang van 1 september 2011 de aanvullende voorwaarden inzake vorming naast het basisdiploma, opgeheven. Met ingang van 1 september 2011 krijgt de directeur van een CLB die beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs (ten minste master), recht op de nieuwe salarisschaal 599. Die wijzigingen gebeuren, zoals in de bijlage gebruikelijk is, door codes toe te voegen die bv. de einddatum 31 augustus 2011 of de begindatum 1 september 2011 in zich dragen. De verklaring van de codes wordt in de afkortingenlijst opgenomen.

1.7. Arts

Met ingang van 1 januari 2013 wijzigt de berekeningswijze van de periode van 60 maanden waarin een arts het bijkomend diploma kan behalen. Tijdens deze periode van 60 maanden geniet de arts die nog niet over het bijkomend diploma beschikt tijdelijk van een gunstige salarisschaal.

Vanaf 1 januari 2013 wordt, om de termijn van 60 maanden voor de tijdelijke afwijking vast te stellen, de totale duur van de verschillende aanstellingen als arts berekend. Dit betekent dat aparte periodes van kortere opdrachten of interims nu samengeteld kunnen worden totdat 60 maanden bereikt zijn. Dit vervangt de vroegere telwijze, waarbij een doorlopende telling gold vanaf 1 september van het schooljaar van de eerste aanstelling.

De telling gebeurt per personeelslid en niet per instelling, centrum of dienst. Voor deze berekening vormen dertig kalenderdagen één maand.

Een arts in een CLB kan dus niet meer dan 60 maanden bezoldigd worden aan salarisschaal 511 onder de tijdelijke maatregel. Wil iemand definitief als arts in een CLB aangesteld worden dan zal hij dus het bijkomende diploma moeten behalen. Na het behalen van het bijkomend diploma verwerft hij definitief het recht op salarisschaal 511.

Beschikt de arts na die periode van 60 maanden niet over het bijkomend diploma dan kan hij wel verder aangesteld worden, maar enkel onder het bekwaamheidsbewijs AND met de daaraan verbonden salarisschaal 501, totdat hij over het bijkomende diploma beschikt.

Artsen voor wie op 1 januari 2013 de 60 maanden reeds geheel of gedeeltelijk verstreken zijn volgens de vroegere telwijze en die nog niet in het bezit zijn van het bijkomend diploma, kunnen vanaf 1 januari 2013 nog onder de tijdelijke afwijking aangesteld worden als arts in een centrum voor leerlingenbegeleiding, totdat zij in totaal 60 maanden aan salarisschaal 511 bezoldigd zijn. 

Voorbeeld:

Een arts is in een CLB aangesteld van 15 oktober 2007 tot en met 25 januari 2008 ter vervanging van een personeelslid met bevallingsverlof en van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2009 ter vervanging van een loopbaanonderbreker. Hij beschikt niet over het bijkomend diploma, maar kan genieten van de 60 maanden afwijking en wordt dus bezoldigd aan salarisschaal 511.

De volgende schooljaren presteert de arts niet in een CLB. Op 1 september 2012 wordt hij opnieuw aangesteld, ditmaal in een vacante betrekking. Omdat hij op dat ogenblik nog niet beschikt over het bijkomend diploma en de 60 maanden afwijking verstreken zijn (60 maanden na 1 september van het schooljaar van de eerste aanstelling) wordt hij bezoldigd aan salarisschaal 501.

Vanaf 1 januari 2013 kan de arts genieten van de nieuwe telwijze. Omdat hij in totaal (105 + 365) : 30 = 15 maanden en 20 dagen betaald is geweest aan salarisschaal 511, heeft hij vanaf 1 januari 2013 opnieuw recht op salarisschaal 511.

Als hij verder aangesteld blijft in de vacante betrekking, heeft hij nog tot 24 augustus 2016 (= resterende 44 maanden en 10 dagen) recht op salarisschaal 511. Als hij op die datum het bijkomend diploma niet behaald heeft, valt hij vanaf 25 augustus 2016 terug op salarisschaal 501. 

AGODI zal voor deze personeelsleden de hertelling uitvoeren, de bezoldiging desgevallend aanpassen en de artsen en hun CLB’s op de hoogte brengen.

Deze maatregel verruimt de groep artsen waaruit gerekruteerd kan worden en biedt zo een antwoord aan het tekort aan artsen waar sommige centra mee kampen.

2. Bijlagen