Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Basiseducatie ter uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    12/10/2007
  • publicatiedatum
    B.S. 23/11/2007 (pagina 58586)
  • bron

    Numac : 2007037030
  • datum laatste wijziging
    14/05/2018

Aanhef

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, inzonderheid op artikelen 33, 191 en 192;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 16 juli 2007;

Gelet op advies nr. 43.480/1/V van de Raad van State, gegeven op 10 september 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen

ART. 1.

Dit besluit is van toepassing op de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 58 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

ART. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° centrum : een Centrum voor Basiseducatie als vermeld in artikel 58 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
1°bis centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;
2° cursist : deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en die ingeschreven is;
3° decreet : het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
4° lesplaats : alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die gevestigd zijn op eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van een centrum gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten;
5° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;
6° NT2 : Nederlands tweede taal;
7° vestigingsplaats : alle lesplaatsen van een centrum gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente of van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

HOOFDSTUK II. De toelating van voltijds leerplichtige leerlingen uit het secundair onderwijs tot de opleidingen van het leergebied NT2

ART. 3.

§ 1. Een voltijds leerplichtige leerling uit het secundair onderwijs kan toegelaten worden tot de opleidingen van het leergebied NT2 op voorwaarde dat :
1° de leerling op vrijwillige basis deelneemt aan een opleiding NT2 van het leergebied NT2;
2° de leerling de opleiding van het leergebied NT2 volgt buiten de lesuren van de school voor secundair onderwijs;
3° de leerling over een attest beschikt, afgeleverd door de school voor secundair onderwijs, waarin ten minste volgende elementen zijn opgenomen;
a) een omschrijving van de taalachterstand van de leerling in functie van de opleiding die de leerling in het secundair onderwijs volgt;
b) de contactgegevens van de persoon, die door de school voor secundair onderwijs wordt aangeduid voor de opvolging van de modules of de opleiding NT2, waarvoor de leerling in het organiserende centrum is ingeschreven.
Dit attest wordt bij inschrijving toegevoegd aan het cursistendossier van de leerling, zoals opgemaakt door het organiserende centrum.
4° het organiserende centrum de persoon, vermeld in § 1, 3°, b) van de school voor secundair onderwijs ten minste contacteert :
a) bij de aanvang en bij de afronding van de modules of de opleiding NT2, waarvoor de leerling is ingeschreven;
b) bij de vroegtijdige stopzetting van de modules of de opleiding NT2;
c) bij stagnatie van de leervorderingen van de leerling in de modules of de opleiding NT2.

§ 2. Voor de uitvoering van § 1, 3° en 4° maakt het organiserende centrum afspraken met de school voor secundair onderwijs van de leerling.

HOOFDSTUK III. Procedure voor erkenning en subsidiëring van Centra voor Basiseducatie voor het schooljaar 2008-2009

ART. 4.

...

ART. 5.

...

ART. 6.

...

HOOFDSTUK IIIbis SUBSIDIEERBAARHEID VAN CURSISTEN NEDERLANDS TWEEDE TAAL

ART. 6bis.

§ 1. Ter uitvoering van artikel 36 van het decreet stelt de bevoegde administratie aan de hand van het plan, vermeld in artikel 5, 3°, van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands, vast of de centra die bevoegdheid van de Huizen van het Nederlands aanvaarden en de afspraken daarover naleven.

§ 2. De bevoegde administratie schrapt een cursist van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal, die voor de inschrijving niet beschikte over een studiebewijs Nederlands tweede taal, als subsidieerbare cursist als bij verificatie van de cursistenkenmerken wordt vastgesteld dat de bepalingen die opgenomen zijn in het plan, vermeld in § 1, niet worden nageleefd.

HOOFDSTUK IIIter [BEREKENING VAN DE JAARLIJKSE PUNTENENVELOPPE VOOR DE CENTRA VOOR BASISEDUCATIE (verv. BVR 2 oktober 2009, art. 7)]

ART. 6ter.

§ 1. Met toepassing van artikel 87, § 2, van het decreet heeft een centrum jaarlijks recht op een puntenenveloppe om personeelsleden aan te werven in de ambten voor de ondersteuning van zijn werking.

De puntenenveloppe wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist voor de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart n, zoals vermeld in artikel 87, § 2, van het decreet.

§ 2. Per volledige schijf van 341 lesurencursist wordt 1 punt toegekend.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 worden enerzijds aan het Centrum voor Basiseducatie Zuid-Oost-Vlaanderen en het Centrum voor Basiseducatie Brugge-Oostende-Westhoek 120 extra punten toegekend, en worden anderzijds aan het Centrum voor Basiseducatie Limburg Midden-Noord 240 extra punten toegekend om de aanstelling in stand te houden van de personeelsleden die op datum van 31 augustus 2008 belast waren met een coördinatieopdracht als vermeld in artikel 15 van het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen, en die vanaf 1 september 2008 ononderbroken aangesteld zijn in de ambt van stafmedewerker, en dit voor de duur van de aanstelling van deze personeelsleden.

De punten, vermeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend aangewend worden om de aanstelling in stand te houden van de personeelsleden, vermeld in het eerste lid.

Als de aanstelling van het personeelslid, vermeld in het eerste lid, beëindigd wordt in de loop van een schooljaar, kunnen de punten, vermeld in het eerste lid, aangewend worden voor de aanwerving van andere personeelsleden in ambten ter vervanging van dat personeelslid, uiterlijk tot het einde van dat schooljaar.

§ 4. Gedurende de aanstelling van de personeelsleden, vermeld in het eerste lid van paragraaf 3, en in afwijking van paragraaf 2, wordt 1 punt toegekend conform de schijven van lesurencursist, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd.

ART. 6quater.

§ 1. De punten worden als volgt omgerekend naar gesubsidieerde voltijdse betrekkingen in de ambten ter ondersteuning van de werking van het centrum:
1° als een betrekking in het ambt van adjunct-directeur wordt opgericht de salarisschaal 502 genereert, worden voor een voltijdse betrekking 130 punten aangerekend;
2° als een betrekking in het ambt van adjunct-directeur wordt opgericht die salarisschaal 501 genereert, worden voor een voltijdse betrekking 120 punten aangerekend;
3° als een betrekking in het ambt van stafmedewerker wordt opgericht die salarisschaal 501 genereert, worden voor een voltijdse betrekking 120 punten aangerekend;
4° als een betrekking in het ambt van beleidsondersteunend administratief medewerker wordt opgericht die salarisschaal 106 genereert, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten aangerekend;
5° als een betrekking in het ambt van uitvoerend administratief medewerker wordt opgericht die salarisschaal 122 genereert, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten aangerekend;
6° als een betrekking in het ambt van ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting wordt opgericht die salarisschaal 122 genereert, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten aangerekend.

§ 2. Voor de aanwending in uren van zestig minuten wordt de puntenenveloppe omgezet volgens de tabel opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd.

De som van het aantal punten van de betrekkingen die per ambt worden opgericht, bedraagt nooit meer dan het aantal punten dat vereist is voor een betrekking die bestaat uit de som van de uren die in de betrokken ambt worden opgericht.

HOOFDSTUK IIIquater SANCTIES

ART. 6quinquies.

§ 1. De overtredingen van de bepalingen, vermeld in artikel 118, § 1, 1°, 2°, 3° en 5°, van het decreet kunnen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde administratie in de vorm van een rapport worden vastgesteld.

Het rapport wordt met een aangetekende brief meegedeeld aan het centrumbestuur in kwestie.

§ 2. Binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de betekening van de aangetekende brief kan het centrumbestuur bij de bevoegde administratie met een aangetekende brief een verweerschrift indienen. Het rapport wordt geacht betekend te zijn aan het centrumbestuur op de derde werkdag nadat de aangetekende brief verstuurd is.

§ 3. Op basis van het rapport van de bevoegde administratie en het eventuele verweerschrift van het centrumbestuur in kwestie oordeelt de minister binnen een termijn van zestig kalenderdagen of de overtreding bestraft moet worden.

Als de minister oordeelt dat de overtreding bestraft moet worden, oordeelt hij ook over de strafmaat.

ART. 6sexies.

§ 1. De overtredingen van de bepalingen, vermeld in artikel 118, § 1, 3°, 4°, 5° en 7°, van het decreet kunnen onder de verantwoordelijkheid van de inspectie in de vorm van een verslag worden vastgesteld.

Het verslag wordt aangetekend verstuurd naar het centrumbestuur in kwestie.

§ 2. Binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de betekening van de aangetekende brief kan het centrumbestuur bij de inspectie met een aangetekende brief een verweerschrift indienen. Het verslag wordt geacht betekend te zijn aan het centrumbestuur op de derde werkdag nadat de aangetekende brief verstuurd is.

§ 3. Op basis van het verslag van de inspectie en het eventuele verweerschrift van het centrumbestuur in kwestie oordeelt de minister binnen een termijn van zestig kalenderdagen of de overtreding bestraft moet worden.

Indien de minister oordeelt dat de overtreding bestraft moet worden, oordeelt hij ook over de strafmaat.

ART. 6septies.

De minister kan aan de centra een financiële sanctie opleggen van ten hoogste 10 procent van de werkingstoelage, vermeld in artikel 89 van het decreet.

Bij een eerste overtreding kan dat bedrag ten hoogste 5 procent zijn van de werkingstoelage van het voorgaande schooljaar.

Bij een tweede of volgende overtreding kan dat bedrag ten hoogste 10 procent zijn van de werkingstoelage van het voorgaande schooljaar.

ART. 6octies.

Als de minister oordeelt dat de overtreding bestraft moet worden, heeft het centrumbestuur het recht binnen zestig kalenderdagen na de beslissing van de minister met een aangetekende brief tegen die beslissing beroep aan te tekenen bij de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering neemt binnen zestig kalenderdagen na de aantekening van het beroep een definitieve beslissing over de bestraffing van de overtreding.

[HOOFDSTUK IIIquinquies De aanwending van VTE voor de aanwerving van voordrachtgevers (ing. BVR 2 oktober 2009, art. 9)]

ART. 6novies.

§ 1. Met toepassing van artikel 85, § 3, van het decreet kan een centrum per schooljaar maximaal 5 procent van het beschikbare pakket VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers.

§ 2. Het krediet voor voordrachtgevers wordt vastgesteld op 19,34 euro per 1/36 VTE.

Het krediet wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende de inrichting van een stelstel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk gekoppeld worden. Dat krediet wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar worden doorgevoerd, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar.

§ 3. Het centrum deelt voor 1 oktober van het schooljaar in kwestie aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen het aantal VTE mee dat aangewend wordt voor de aanwerving van voordrachtgevers. Dit aantal kan in de loop van het schooljaar niet meer worden gewijzigd, behoudens vermindering bij overmacht.

§ 4. Het product van het aantal VTE met het geïndexeerde krediet vormt het totale krediet dat voorbehouden is voor de aanwerving van de voordrachtgevers. Het wordt toegekend met een voorschot van 25 %,van het krediet in de loop van de maand november van het schooljaar in kwestie, en het resterende saldo van 75 % in de loop van de maand juni die daarop volgt.

[HOOFDSTUK IIIsexies De werkingstoelage voor de Centra voor Basiseducatie (ing. BVR 2 oktober 2009, art. 10)]

ART. 6decies.

Ter uitvoering van artikel 89 van het decreet bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,9669 euro.

In afwijking van het eerste lid bedraagt voor het schooljaar 2010-2011 de werkingstoelage per lesuurcursist 1,9634 euro

De werkingstoelage per lesuurcursist wordt jaarlijks met ingang van 1 januari 2011 aangepast aan de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt door de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

De basisindex is die van januari van het lopende begrotingsjaar. De nieuwe index is die van januari van het volgende begrotingsjaar. Het eindbedrag wordt uitgedrukt in euro en afgerond op het laagste honderdste.

[HOOFDSTUK IIIsepties De begrenzing van de toename van het aantal VTE, de punten of de werkingstoelage voor de Centra voor Basiseducatie (ing. BVR 2 oktober 2009, art. 11)]

ART. 6undecies.

§ 1. Indien na de berekening van het aantal VTE, vermeld in artikel 85 van het decreet, van de punten voor de oprichting van functies, vermeld in artikel 87 van het decreet, en van de werkingstoelage, vermeld in artikel 89 van het decreet, het jaarlijks vastgelegde percentage, vermeld in artikel 90 van het decreet, wordt overschreden, dan wordt het aantal VTE, de punten of de werkingstoelage per Centrum voor Basiseducatie voor het schooljaar n/n+1 berekend volgens de formule :

Frequentieband III

Indien Σ (B-A) > Σ(C-A)

 

danwordt Σ (B-C) pro rata het aandeel in de toename in mindering gebracht bij deCentra voor Basiseducatie waar B > C;



waarbij :
1° A = het aantal VTE, punten of werkingstoelage dat aan een Centrum voor Basiseducatie is toegekend voor het schooljaar n-1/n;
2° B = het aantal VTE, punten of werkingstoelage waarop een Centrum voor Basiseducatie recht heeft voor het schooljaar n/n+1;
4° C = het aantal VTE, punten of werkingstoelage dat aan een Centrum voor Basiseducatie is toegekend voor het schooljaar n-1/n vermeerderd met hetzelfde aantal VTE, punten of werkingstoelage dat vermenigvuldigd is met het vastgelegde percentage waarmee het aantal VTE, punten of werkingstoelage van alle Centra voor Basiseducatie kan toenemen, als vermeld in artikel 90 van het decreet.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de berekening van het aantal punten voor de oprichting van functies, vermeld in artikel 87 van het decreet, ook rekening gehouden met de bepalingen van artikel 6ter, § 3 en § 4.

De bedoelde punten, vermeld in artikel 6ter, § 3, vermenigvuldigd met het vastgelegde percentage waarmee het aantal punten van alle Centra voor Basiseducatie samen kan toenemen tijdens het schooljaar n/n+1, wordt verdeeld pro rata het aandeel per Centrum voor Basiseducatie in de totale toename aan punten van de Centra voor Basiseducatie die meer dan het jaarlijks vastgelegd percentage, vermeld in artikel 90 van het decreet, stijgen voor het schooljaar n/n+1.

§ 3 In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de berekening van het aantal VTE, vermeld in artikel 85 van het decreet, de verdeling van het jaarlijks vastgelegde percentage, vermeld in artikel 90 van het decreet, voor het schooljaar 2012-2013 conform de tabel in bijlage II vastgelegd.

HOOFDSTUK IV. Slotbepalingen

ART. 7.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2007.

De artikelen 4 tot en met 6 houden op van kracht te zijn op 1 september 2009.

ART. 8.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGEN

BIJLAGE Bijlage I

Gedurende de aanstelling van personeelsleden die vanaf de datum van 31 augustus 2008 ononderbroken belast zijn met een coördinatieopdracht, als vermeld in artikel 15 van het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen gelden de volgende schijven van lesurencursist per punt voor de berekening van de puntenenveloppe.

Frequentieband III

Aantal VTE overeenkomstig de aanstelling van de bovenvermelde personeelsleden

Aantal lesurencursist per punt

4

363

3,75

362

3,5

360

3,25

359

3

358

2,75

356

2,5

355

2,25

353

2

352

1,75

351

1,5

349

1,25

348

1

347

0,75

345

0,5

344

0,25

343

0

341

 

BIJLAGE Bijlage II

Bijlage II (artikel 6quater, § 2)

Centrum voor Basiseducatie

puntenwaarde

120

82

63

aantal uren

punten

punten

punten

1

3

2

2

2

7

5

4

3

10

7

5

4

13

9

7

5

17

11

9

6

20

14

11

7

23

16

12

8

27

18

14

9

30

21

16

10

33

23

18

11

37

25

19

12

40

27

21

13

43

30

23

14

47

32

25

15

50

34

26

16

53

36

28

17

57

39

30

18

60

41

32

19

63

43

33

20

67

46

35

21

70

48

37

22

73

50

39

23

77

52

40

24

80

55

42

25

83

57

44

26

87

59

46

27

90

62

47

28

93

64

49

29

97

66

51

30

100

68

53

31

103

71

54

32

107

73

56

33

110

75

58

34

113

77

60

35

117

80

61

36

120

82

63

 


BIJLAGE Bijlage III


content="KsDHTMLEDLib.ocx, FreeWare HTML Editor 2.2.1, © Kurt Senfer">


Verdeling van de groei van 14,55 VTE voor de Centra voor Basiseducatie in het
schooljaar 2012-2013 op basis van de procentuele aftopping van VTE voor het
schooljaar 2011-2012


De groei van het aantal VTE bedraagt voor het schooljaar 2012-2013 14,55
VTE.


Die groei wordt in het schooljaar 2012-2013 als volgt verdeeld onder de
verschillende Centra voor Basiseducatie :

















CBE Antwerpen
5,28

CBE Brugge-Oostende-Westhoek
1,11

CBE Brussel
0,13

CBE Gent-Meetjesland-Leiestreek
1,31

CBE Halle-Vilvoorde
1,66

CBE Kempen
0,51

CBE Leuven-Hageland
1,16

CBE Limburg Midden-Noord
0,60

CBE Limburg-Zuid
0,42

CBE Midden en Zuid-West-Vlaanderen
0,65

CBE Zuid-Oost-Vlaanderen
0,65

Leerpunt Waas & Dender
0,15

Open School Mechelen
0,92