Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    21 DECEMBER 2007
  • publicatiedatum
    B.S.10/03/2008
  • datum laatste wijziging
    02/01/2015

COORDINATIE

B.Vl.R. 20-6-2014 - B.S. 1-10-2014

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op artikel 213, vervangen bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996, op artikel 224, op artikel 225, gewijzigd bij het decreet 19 maart 2004, op artikel 226, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995 en 8 juli 1996, op artikel 230, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996, op artikel 231, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995 en 21 december 2001, en op artikel 232;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 november 1995 betreffende de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en de vzw's sociale voorzieningen in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 en 28 juni 2002;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 augustus 2007;

Gelet op het advies nr. 43.790/1 van de Raad van State, gegeven op 22 november 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

[hogescholen: de hogescholen, vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;]

2° boekhoudkundige entiteit : iedere entiteit, vermeld in punt 1°;

3° instellingsbestuur : het orgaan van de boekhoudkundige entiteit dat bevoegd is om de begroting en de personeelsformatie vast te stellen;

4° begrotingsjaar : het begrotingsjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde kalenderjaar en valt samen met het boekjaar.

B.Vl.R. 20-6-2014

HOOFDSTUK II. - Begroting

Art. 2.

Het door de boekhoudkundige entiteit op te stellen begrotingsdossier omvat een projectie voor het lopende boekjaar, een jaarbegroting en een meerjarenbegroting voor de vier daarop aansluitende begrotingsjaren.

Art. 3.

Voor elk deel, vermeld in artikel 2, bevat het begrotingsdossier :

1° de resultatenrekening;

2° de balans;

3° de investeringstabel met bijbehorende financiering;

4° de liquiditeitenbegroting.

Art. 4.

§ 1. De resultatenrekening en de balans worden opgemaakt op basis van de schema's van de jaarrekening voorzien in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeninguittreksel voor de hogescholen.

Er hoeft geen begrote toelichting te worden opgesteld.

§ 2. De investeringstabel en de liquiditeitenbegroting worden opgesteld volgens de modellen, die als bijlage I en II bij dit besluit zijn gevoegd.

Art. 5.

De begroting van de geplande investeringen en van de geplande financieringswijzen van die investeringen bevat een opsomming en weergave van alle investeringen. Als investering wordt beschouwd : elke vervanging of uitbreiding van de immateriële, materiële en financiële vaste activa. Per investeringsrubriek moeten minimaal de volgende gegevens worden verstrekt :

1° de beschrijving;

2° de aanschaffingswaarde, vermeld in artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen;

3° de vermoedelijke nuttige gebruiksduur en het afschrijvingspercentage;

4° de geplande financieringswijze.

In geval van financiering met vreemde middelen worden minimaal de volgende gegevens vermeld :

1° de aard en het bedrag van de financiering;

2° de looptijd;

3° de periodiciteit van de interestbetalingen en het aflossingsschema;

4° het interestpercentage;

5° de jaarlijkse interestlast.

In geval van subsidiëring worden minimaal de volgende gegevens vermeld :

1° de oorsprong;

2° het bedrag;

3° de voorwaarden van de subsidie.

Alle verstrekte en ontvangen waarborgen moeten worden meegedeeld.

Art. 6.

De liquiditeitenbegroting moet worden toegelicht, inzonderheid de begrotingspost "mutatie in de werkingsmiddelen", alsook de post "overige".

Onder niet-kaskosten worden de kosten verstaan die geen uitgaven impliceren.

Onder niet-kasopbrengsten worden de opbrengsten verstaan die geen ontvangsten impliceren.

Art. 7.

Alle begrotingsposten worden in eenheden euro uitgedrukt.

Art. 8.

De projectie van het lopende boekjaar, de jaarbegroting en de meerjarenbegroting worden opgemaakt op basis van dezelfde waarderingsregels die vastgelegd werden voor het opstellen van de jaarrekening.

Art. 9.

Bij de jaarbegroting en de meerjarenbegroting wordt een commentaar gevoegd die de diverse rubrieken en de gebruikte parameters en hypothesen omstandig toelicht. Een ratioanalyse, met vermelding van commentaar, moet inzicht verschaffen in de begrote financiële positie op het vlak van liquiditeit, solvabiliteit en de resultaten.

[Art. 9/1.

Conform de bepalingen en voorwaarden, vastgelegd door het instellingsbestuur, worden een aangepaste resultatenbegroting van het begrotingsjaar en een aangepaste liquiditeitenbegroting aan het instellingsbestuur voor goedkeuring voorgelegd. Na de goedkeuring daarvan wordt die beslissing ter informatie medegedeeld aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.]

B.Vl.R. 20-6-2014

HOOFDSTUK III. - De personeelsformatie

Art. 10.

De hogescholen voegen bij de begroting de personeelsformatie, vermeld in artikel 230 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De formatiedocumenten, waarvan de modellen als bijlage III en IV bij dit besluit zijn gevoegd, bevatten :

1° de begrote bezetting van de titularissen;

2° de begrote tewerkstelling in het desbetreffende begrotingsjaar.

Art. 11.

Met de begrote bezetting van de titularissen wordt bedoeld : de in voltijdse equivalenten uitgedrukte bezetting door titularissen van de betrekkingen die bepaald zijn als formatieplaatsen gedurende het begrotingsjaar. De titularissen die om welke reden ook afwezig zijn, worden hier eveneens vermeld. Als de begrote bezetting in de loop van het begrotingsjaar wegens extra personeelsbehoeften overschreden wordt, kan de hogeschool putten uit de reserve die vermeld wordt in het vakje ad hoc van de modellen, mits ze dat verantwoordt.

Met de begrote tewerkstelling wordt bedoeld : het begrote aantal betaalde personeelsleden op jaarbasis. Als de begrote tewerkstelling wordt overschreden in de loop van het begrotingsjaar, kan de hogeschool putten uit de reserve die vermeld wordt in het vakje ad hoc van de modellen mits ze dat verantwoordt.

Zowel voor de begrote bezetting als voor de begrote tewerkstelling wordt rekening gehouden met de duur en de omvang van de opdrachten.

Bij de bepaling van het aantal voltijdse equivalenten per ambt of graad kan bij de begrote bezetting en begrote tewerkstelling een ambt of graad steeds door een lager ambt of een lagere graad worden vervuld.

Art. 12.

Naast de formatiedocumenten voegen de hogescholen bij hun begroting eveneens een document dat de begrote bezetting bevat van de titularissen buiten formatie en de begrote tewerkstelling van de overige personeelsleden buiten formatie in voltijdse equivalenten, namelijk :

1° de benoemde personeelsleden die op persoonlijke titel een ambt hebben in de categorie van het administratief personeel of in de categorie van het opvoedend hulppersoneel;

2° de gastprofessoren;

3° de andere contractuele personeelsleden :

a) bedienden die behoren tot het administratief personeel;

b) bedienden, belast met onderzoek of met projecten in het kader van de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening;

c) arbeiders;

4° de centraal betaalde personeelsleden in voltijdse equivalenten die financieel niet of slechts gedeeltelijk ten laste komen van de werkingsuitkering van de hogeschool;

5° de inkomende gedetacheerde personeelsleden op basis van artikel 95 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Het model van dit document, vermeld in het eerste lid, is als bijlage V bij dit besluit gevoegd.

Art. 13.

Bij de jaarbegroting wordt een staat gevoegd met een uitsplitsing van de begrote bezoldigingskosten, volgens het model dat als bijlage VI bij dit besluit is gevoegd. Het totaal van die staat stemt overeen met de post "II.C. Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen" van de begrote resultatenrekening. Bij de voormelde staat wordt een ratioanalyse gevoegd, die de begrote bezoldigingskosten en het personeelsbeleid omstandig analyseert en toelicht.

Art. 14.

§ 1. De procentnormen, vermeld in artikel 232 van decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, worden berekend op de wijze, vermeld in § 2 en § 3.

§ 2. Het bedrag van de geraamde bezoldigingskosten wordt in de teller gezet en is gelijk aan het totale geraamde bedrag betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 143 en 159 van hetzelfde decreet, verminderd met :

1° de geraamde salariskosten van de benoemde personeelsleden met bevallingsverlof en met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij;

2° de geraamde personeelskosten van de personeelsleden die ingevolge een samenwerkingsakkoord voor hun volledige opdracht of een gedeelte daarvan ter beschikking zijn gesteld bij een ander orgaan en voor wie de overeenstemmende loonkosten worden terugbetaald;

3° de geraamde kostprijs van de arbeidsongevallen waarvoor de loonkosten worden terugbetaald;

4° de geraamde salariskosten ten laste van het naar het begrotingsjaar n overgedragen overschot op de personeelsbegroting van het jaar n-2, zoals vastgesteld in de jaarrekening.

§ 3. Het bedrag van de geraamde totale werkingsuitkering wordt in de noemer gezet en is gelijk aan de som van :

1° de totale geraamde financiering, afkomstig van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, verminderd met de middelen waarvan decretaal of bij besluit van de Vlaamse Regering bepaald is dat ze niet kunnen worden aangewend om loonkosten te betalen;

2° de middelen voor het projectmatige wetenschappelijke onderzoek van het hoger professioneel onderwijs;

3° de middelen, toegekend in het kader van de uitvoering van het Limburgplan, goedgekeurd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006;

4° de middelen voor de ondersteuning van de onderzoeksgerichte component van het academiseringsproces van de hogeschoolopleidingen, vermeld in titel IVbis van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007.

De aldus verkregen personeelsratio, vermenigvuldigd met 100, geeft als resultaat de voormelde procentnorm.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 15.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 15 november 1995 betreffende de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en de vzw's sociale voorzieningen in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 en 28 juni 2002, wordt opgeheven.

Art. 16.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008.

Art. 17.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGEN

De bijlagen zijn raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.