Rationeel energiegebruik in scholen

  • referentie
    NO/2008/06
  • publicatiedatum
    23/09/2008
  • datum laatste wijziging
    20/10/2011
  • opheffing
    NO/2005/03
  • contactpersoon
    Willy Van Belleghem, 02/553.95.55
  • Onderwijsniveaus: gesubsidieerd en gefinancierd basisonderwijs, secundair onderwijs, centra voor leerlingenbegeleiding, deeltijds kunstonderwijs, internaten en centra voor volwassenenonderwijs en basiseducatie
  • Subsidieregeling 2009 voor de aanpassing van de verwarmingsinstallatie geldt voor alle onderwijsniveaus en ook voor het hoger onderwijs

1. Inleiding

De voorbije jaren zijn de energieprijzen fel gestegen. Alhoewel de prijzen recent weer daalden, blijft het voor veel scholen en centra niet vanzelfsprekend om hun energiefactuur te betalen. Scholen en centra besteden een groot deel van hun werkingsmiddelen aan verwarming. Leerlingen en personeel kan u immers niet zo maar in de kou laten staan. Het resultaat is dat schooldirecties minder geld overhouden voor de inhoudelijke werking.

Scholen en centra moeten in de eerste plaats zorgen voor degelijk onderwijs. Aandacht besteden aan rationeel energiegebruik is niet altijd prioritair, maar is toch zeer belangrijk voor scholen en centra omdat: (1) energiezuinige scholen en centra minder werkingsmiddelen moeten besteden aan energie, waardoor meer middelen overblijven voor de onderwijstaken, (2) scholen en centra een voorbeeldfunctie hebben bij de realisatie van de Kyoto-doelstellingen en bij de vermindering van de energieafhankelijkheid ten aanzien van het buitenland, en (3) het veel gemakkelijker en overtuigender is om leerlingen de inhoud en het belang van het concept duurzame ontwikkeling aan te leren, als de ideeën achter duurzame ontwikkeling door de scholen en centra zelf worden toegepast.

Het is de bedoeling om de scholen en centra te helpen om structureel te besparen op hun energiefactuur via een vermindering van het energiegebruik. Daarom worden, aansluitend op een aantal lopende initiatieven, ook in 2009 extra begeleidende maatregelen inzake rationeel energiegebruik genomen. Daarnaast worden ook de nodige financiële middelen voor het uitvoeren van concrete investeringen op het vlak van rationeel energiegebruik (REG) voorzien.

2. Sensibilisering

2.1. Brochure 20-tips

Om directies, technische diensten, gebouwverantwoordelijken, leerkrachten en leerlingen te helpen bij het uitwerken van energiebesparingsacties, werd een brochure met 20 tips voor een energievriendelijke school opgesteld. De meeste tips zijn gemakkelijk uitvoerbaar en vragen geen of maar een beperkte investering. Ze betalen zichzelf in elk geval snel terug via de gerealiseerde energiebesparing. De tips hebben betrekking op:

1. meten is weten

2. maak van energiebewustzijn een zaak van de hele school

3. vermijd sluipgebruik

4. vakantie is ook rust voor energievreters

5. gebruik daglicht

6. verlicht doordacht

7. spaarzaam licht in de duisternis

8. verlicht wanneer nodig

9. ventileer op maat

10. plaats ventilatieroosters

11. vermijd tocht

12. isoleer en hou warmte binnen

13. verwarm doordacht

14. organiseer het verwarmen

15. gebruik thermostatische kranen

16. hou de deur dicht

17. onderhoud de ketel(s)

18. isoleer warmwaterleidingen

19. koel een gebouw passief

20. ga op zoek naar informatie over energievriendelijk bouwen en renoveren

Alle Vlaamse scholen hebben einde november 2005 een aantal exemplaren van de brochure '20 tips voor een energievriendelijke school' ontvangen. De brochure is via https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/onderwijs-en-vormingonline beschikbaar (in pdf).

2.2. REG-brochures

In samenwerking met een aantal gespecialiseerde studiebureaus zijn specifiek voor het onderwijslandschap een vijftal REG-brochures opgesteld.

1. Energiezorg in scholen

Je vindt er algemene informatie en tips om je school energievriendelijker te maken. Hoe start je een energiezorgsysteem op, hoe houd je een energieboekhouding bij, wat is het nut van energieaudits. De brochure sluit af met een aantal richtlijnen rond duurzaam bouwen en met een case studie van een energievriendelijke school.

2. Verwarming

Je vindt er een overzicht van verwarmingssystemen en systemen voor sanitair warmwater en hoe je energiezuinig je school kan verwarmen. Er is informatie te vinden over soorten verwarmingsinstallaties, vloerverwarming, regeling van de installatie, isolatie leidingen, tijdsregeling, thermostatische kranen.

3. Verlichting

Deze publicatie gaat specifiek over verlichtingstechnologieën (lampen, armatuur, regelsysteem, tijdsturing) en somt een aantal besparingsmogelijkheden op. Verder kan je onder andere lezen hoe twee scholen concreet te werk zijn gegaan bij de installatie van een nieuw verlichtingssysteem en wat de gerealiseerde energiewinsten waren.

4. Isolatie en Ventilatie

Deze brochure beschrijft verschillende isolatiematerialen met hun voor- en nadelen. Vervolgens komen ook een aantal ventilatiesystemen aan bod en vind je er twee praktijkvoorbeelden van renovaties.

5. Passiefscholen

Deze brochure geeft specifieke uitleg over passiefscholen : wat zijn de basiscriteria, wat zijn de kosten en baten van passief scholen en comfort op school. De publicatie eindigt met een bespreking van een aantal passieve gebouwde scholen in België, Luxemburg en Duitsland.

Alle Vlaamse scholen hebben een aantal exemplaren van de bovenvermelde brochures ontvangen. De brochures zijn via Energiezuinige schoolon line beschikbaar (in pdf).

Concrete actie:  

- bezorg de brochures aan directieleden, gebouwverantwoordelijken, technisch verantwoordelijken, leerkrachten en anderen die een bijdrage kunnen leveren voor het rationeel energiegebruik in uw school, centrum of instelling;  

3. Energieboekhouding

3.1. Inleiding

Een energieboekhouding is een essentieel instrument om aan goed energiebeheer in schoolgebouwen te doen. Een energieboekhouding omvat het registreren, verwerken, analyseren en rapporteren van verbruiksgegevens inzake elektriciteit, aardgas, olie en water. De bedoeling van een energieboekhouding is om het energie- en waterverbruik van gebouwen zichtbaar te maken, om abnormale verbruiken (technische defecten, foutieve instelling van het regelsysteem van de verwarming, lekkende kranen, ...) op te sporen en te corrigeren en om het effect van genomen energie- en waterbesparingsmaatregelen aan te tonen.

In een energieboekhouding worden op vaste tijdstippen de meterstanden van elektriciteit, aardgas, olie en water genoteerd. Dit kan handmatig gebeuren via meterinvulformulieren of automatisch via telemetrie- of gebouwbeheerssystemen. Voor de verwerking, analyse en rapportering van de resultaten wordt gebruik gemaakt van specifieke software. Daarbij worden de geregistreerde energiegebruiksgegevens vergeleken met referentieverbruiken en kengetallen. Referentieverbruiken houden rekening met de openingsuren van een gebouw en met de buitentemperatuur. Met behulp van kengetallen kunnen energiegebruiken van gebouwen van hetzelfde type met elkaar vergeleken worden. Het energiegebruik van schoolgebouwen kan bijvoorbeeld vergeleken worden door het energiegebruik te delen door de verwarmde vloeroppervlakte of het aantal leerlingen.

Uit onderzoeken blijkt dat het analyseren en het visualiseren van het energiegebruik het energiebewustzijn verhoogt en dus op zichzelf al energiebesparingen oplevert. Een onderzoek in opdracht van een Vlaamse distributienetbeheerder toont aan dat energieboekhouding in gebouwen jaarlijks een elektriciteits- en aardgasbesparing van 4 à 5 % kan opleveren, zonder extra investeringen.

Daarom wordt voorgesteld dat alle scholen minstens maandelijks alle meterstanden van elektriciteit, aardgas, stookolie en water registreren. Dit gebeurt best telkens op hetzelfde tijdstip bv. de eerste dag van de maand om 9.00 uur.

3.2. Energieboekhouding voor scholen en centra gelegen in het Vlaams Gewest

1. Algemeen

De Vlaamse Regering heeft voor het eerst in 2006 een besluit goedgekeurd waarbij de beheerders van distributienetten verplicht worden om op verzoek van onderwijsinstellingen en welzijns- en gezondheidsinstellingen, die aangesloten zijn op hun grondgebied een gratis energieboekhouding aan te bieden. Deze regeling geldt voor gebouwen met een gezamenlijke bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m²op een site. De energieboekhouding moet het mogelijk maken om het elektriciteits-, het aardgas-, het stookolie- en het waterverbruik op te volgen.

In het besluit van 2/3/2007 inzake de openbare dienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik wordt bepaald dat elke netbeheerder vanaf 2007 op verzoek van de onderwijsinstellingen voor hun gebouwen met een gezamenlijke bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m² op een gebouwsite een energieboekhouding moet aanbieden. Onderwijsinstellingen moeten echter zelf de kosten van de opstart van de energieboekhouding dragen. De overige kosten van de energieboekhouding worden gedragen door de netbeheerder.

2. Wat houdt nu de installatie van een energieboekhouding in?

2.1. De energieboekhouding door de distributienetbeheerders

De scholen en centra krijgen de mogelijkheid om (via internet) een softwarepakket te gebruiken voor de verwerking en analyse van hun energiegebruiksgegevens. De netbeheerders staan zowel in voor de opstart als voor de opvolging van de energieboekhouding. De distributienetbeheerders zullen maandelijks melding maken van abnormale verbruiken, leveren jaarlijks een rapport met aanbevelingen, vergelijkingen met gelijkaardige gebouwen, e.a. Via paswoorden kunnen verschillende diensten van de school terecht in de databank met de energiegegevens van de school.

2.1.1. De opstart van de energieboekhouding is voortaan ten laste van de instellingen, scholen en centra die een energieboekhouding laten installeren.

De opstart omvat:

1. het ter beschikking stellen van software om een energieboekhouding te voeren;

2. een toelichting over de werking van de energieboekhoudingssoftware;

3. de inventarisatie van de tellers;

4. de opmeting van het gebouw;

5. het inbrengen van de basisgegevens in de energieboekhoudingssoftware;

6. de migratie van beschikbare gegevens.

Bij sommige distributienetbeheerders omvat de opstart van de energieboekhouding een E-scan. Dit is niet te verwarren met een energie-audit, wat een volledige doorlichting is op energievlak en die wordt opgesteld door ingenieurs van studiebureaus.

2.1.2. Op dit ogenblik en volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 2/3/2007 inzake de openbare dienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders is de opvolging van een energieboekhouding voor gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte groter dan 1.000m² voor de school gratis.

De voortgangscontrole omvat:

1. het maandelijks terugkoppelen van abnormale verbruiken;

2. het jaarlijks afleveren van een rapport met aanbevelingen en vergelijkingen met vergelijkbare gebouwen;

3. het voorzien in de nodige opleiding voor de gebruikers in de instellingen en voorzieningen;

4. het voorzien in het jaarlijkse onderhoud en het gebruiksrecht van de energieboekhoudingssoftware;

5. de ondersteuning van de gebruikers in de onderwijsinstellingen via een hulplijn.

2.2. Bijhouden van de meterstanden door de scholen en centra

De scholen en centra dienen zelf de meterstanden op te nemen en in te voeren in de energieboekhouding. De meterstanden moeten minstens maandelijks worden bijgehouden.

Meestal gaat het om een manuele opvolging: een personeelslid van de school (energiecoördinator) voegt via internet maandelijks de meterstanden in. Er zijn ook creatieve oplossingen mogelijk via projecten Milieuzorg op school. Zo laten leerplannen toe dat leerlingen actief betrokken worden bij het noteren van meterstanden van de eigen of een andere school. Voor meer informatie kan u terecht op www.milieuzorgopschool.be

Verder is het zo dat de distributienetbeheerders in sommige gevallen bij nieuwe installaties krachtige meters installeren. Hier is een manuele opvolging niet meer nodig en volgt de distributienetbeheerder zelf de verbruiken op.

Een derde mogelijkheid is telemetrie: na de facturatiemeter wordt een krachtige meter geïnstalleerd door een privé-bedrijf waarbij verbruiken geregistreerd worden door dataloggers in combinatie met een modeminstallatie. Deze combinatie voedt automatisch de energieboekhouding met verbruikgegevens. De telemetrie dient wel bekostigd te worden door het schoolbestuur.

Om een goed gebruik van de energieboekhouding mogelijk te maken, is het essentieel dat de meterstanden van elektriciteit, water, stookolie, gas minstens maandelijks door de school bijgehouden te worden. Het bijhouden van een energieboekhouding kan namelijk enkel een meerwaarde bieden voor de school indien de meterstanden nauwgezet worden opgevolgd.

Concrete actie:  

- aan alle scholen wordt gevraagd om minstens maandelijks op vaste tijdstippen de meterstanden van elektriciteit, aardgas, stookolie en water te noteren.  

- bij het vaststellen van plotse wijzigingen in het verbruik zonder aanwijsbare reden dienen de installaties en de leidingen op ondermeer lekken door een technicus te worden onderzocht. 

3.3. Energieboekhouding voor scholen en centra gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

1. Algemeen

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is er - in tegenstelling tot het Vlaamse Gewest - geen verplichting voor de distributienetbeheerder om aan scholen en centra een energieboekhouding aan te bieden.

2. Wat houdt de installatie van de energieboekhouding in?

2.1. Bijhouden van de meterstanden door de scholen en centra

De scholen en centra dienen zelf de meterstanden op te nemen en in te voeren in de energieboekhouding. De meterstanden moeten minstens maandelijks worden bijgehouden.

Meestal gaat het om een manuele opvolging: een personeelslid van de school (energiecoördinator) voegt via internet maandelijks de meterstanden in. Er zijn ook creatieve oplossingen mogelijk via projecten Milieuzorg op school. Zo laten leerplannen toe dat leerlingen actief betrokken worden bij het registreren van de meterstanden van de eigen of een andere school. Voor meer informatie kan u terecht op www.milieuzorgopschool.be

Verder is het zo dat in sommige gevallen bij nieuwe installaties krachtige meters geïnstalleerd worden. Hier is een manuele opvolging niet meer nodig.

Een derde mogelijkheid is telemetrie: na de facturatiemeter wordt een krachtige meter geïnstalleerd door een privé-bedrijf waarbij verbruiken geregistreerd worden door dataloggers in combinatie met een modeminstallatie. Deze combinatie voedt automatisch de energieboekhouding met verbruikgegevens. De telemetrie dient wel bekostigd te worden door het schoolbestuur.

Om een goed gebruik van de energieboekhouding mogelijk te maken, is het essentieel dat de meterstanden van elektriciteit, water, stookolie, gas minstens maandelijks door de school bijgehouden te worden. Het bijhouden van een energieboekhouding kan namelijk enkel een meerwaarde bieden voor de school indien de meterstanden nauwgezet worden opgevolgd.

2.2. De energieboekhouding

Scholen en centra gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dienen zelf contact op te nemen met een studiebureau of privé-bedrijf om concrete afspraken te maken rond het doorgeven van de verzamelde verbruikgegevens, de installatie, werking en opvolging van een energieboekhouding. Het best lijkt me dat een scholengemeenschap of scholengroep hier het initiatief neemt.

2.3. Brussels Instituut voor Milieubeheer

Het softwarepakket voor een energieboekhouding moet specifiek bedoeld zijn voor het voeren van een energieboekhouding, waarvan de eisen vastgelegd zijn in de subsidieregeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, nl. Energiepremies 2009 Tertiaire en industriële sector. Zie op de website van Leefmilieu Brussel. (www.ibgebim.be: Professionelen/Thema Energie/Dienstensector Financiering) Het BIM voorziet specifieke eisen inzake inzameling van gegevens, gegevensverwerking en rapportering van de verbruiksresultaten.

Het BIM voorziet trouwens in een bijkomende subsidieregeling voor de installatie van een energieboekhouding.

Concrete actie:  

- aan alle scholen wordt gevraagd om minstens maandelijks op vaste tijdstippen de meterstanden van elektriciteit, aardgas, stookolie en water te noteren.  

- bij het vaststellen van plotse wijzigingen in het verbruik zonder aanwijsbare reden dienen de installaties en de leidingen op ondermeer lekken door een technicus te worden onderzocht. 

3.4. Contactadres energieboekhouding

Opvragen van aanvullende informatie kan op het volgende adres:

Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Departement

Willy Van Belleghem, 5B 1

Koning Albert II. laan 15, 1210 Brussel.

willy.vanbelleghem@ond.vlaanderen.be

4. Energieprestatiecertificaat

De Europese Richtlijn 2002/91/EG betreffende de energieprestatie van gebouwen verplicht de lidstaten om een systeem van energieprestatiecertificaten uit te bouwen. In een dergelijk energieprestatiecertificaat wordt de energieprestatie van een gebouw beschreven. Ook gebouwen voor publieke dienstverlening waaronder scholen en centra zowel nieuwe als bestaande zullen een dergelijk certificaat moeten (laten) opstellen. Het energieprestatiecertificaat bestaat uit drie delen: het resultaat van de energieprestatie, referentiewaarden en een advies voor kosteneffectieve maatregelen.

Voor publieke gebouwen wordt het energieprestatiecertificaat gebaseerd op de gemeten (werkelijke) energieverbruiken. Enerzijds wordt een kengetal toegekend. Dit gebeurt deels op basis van de gebouwgebonden karakteristieken, deels op basis van de energieverbruiken. Het kengetal drukt het verbruik uit, gemeten over exact één jaar, in verhouding tot de totale bruikbare vloeroppervlakte : kilowat per uur, per vierkante meter : kwh/m².

Anderzijds bestaat het energieprestatiecertificaat ook uit een adviesluik waarin energiebesparende maatregelen worden voorgesteld. Aan het adviesluik zijn geen verplichtingen verbonden: het is louter informatief.

1. De Vlaamse Regering keurde op 20/4/2007 een besluit goed waarin voorzien is dat alle scholen, centra en instellingen hoger onderwijs vanaf 1/1/2009 over een energieprestatiecertificaat moeten beschikken.

Om het energieprestatiecertificaat op te maken, kan een beroep worden gedaan op een door het Vlaams Energieagentschap erkende externe energiedeskundige voor publieke gebouwen. De scholen kunnen voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat ook kiezen om een interne energiedeskundige aan te stellen. Het betreft hier een werknemer uit het onderwijs die binnen de scholengroep of scholengemeenschap minstens twee jaar ervaring heeft op het vlak van energiezorg.

Het energieprestatiecertificaat is verplicht voor gebouwen waar publieke organisaties in gehuisvest zijn met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m². Ook scholen vallen onder deze verplichting.

Indien de school meerdere gebouwen bevat die op dezelfde locatie zijn gelegen én er is minstens één gemeenschappelijke teller, dan is één energieprestatiecertificaat voldoende voor die volledige locatie. Het energieprestatiecertificaat dient wel in elk van de gebouwen te worden opgehangen. Indien verschillende diensten van eenzelfde rechtspersoon (bv. verschillende onderwijsniveaus) in één en hetzelfde gebouw zijn gevestigd, dan worden die verschillende diensten aanzien als een en dezelfde gebruiker.

Wanneer publiek (school) en privé (woning) in één gebouw samen zitten dan moet alleen de school over een energieprestatiecertificaat beschikken. Als er daarbij gemeenschappelijke tellers zijn, dat wordt er een energieprestatiecertificaat opgemaakt voor het volledige gebouw.

Een erkende externe energiedeskundige staat vermeld op de lijst van deze erkende externe energiedeskundigen op de website www.energiesparen.be.

De energiedeskundige dient zich via een webapplicatie te registeren en de gegevens van de school in te geven.

De energieboekhouding is een hulpmiddel in die zin dat het verbruik al nauwgezet bekend is en het dus makkelijker is om een energieprestatiecertificaat op te stellen. Let wel, ook scholen met een energieboekhouding dienen nog een afzonderlijke procedure te volgen voor het bekomen van het energieprestatiecertificaat.

De regelgeving is in een volledig uitgewerkte brochure terug te vinden op de website.

Daarnaast worden scholen, centra en instellingen hoger onderwijs, bij het besluit dat op 20/4/2007 werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering, verplicht om het stookolieverbruik bij te houden met stookoliedebietmeters.

2. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de regelgeving rond het energieprestatiecertificaat geregeld bij het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 2010. (B.S. 10/6/2010 en 29/6/2010). De regeling houdt in dat scholen het certificaat moeten hebben ten laatste op 30 juni 2012.

5. Energieaudits

Naast het opstarten van een energieboekhouding is het uitvoeren van een energieaudit een belangrijk element in een energiezorgsysteem. Een dergelijke energieaudit geeft een idee van het energiebesparingspotentieel in een school of centrum en leert welke energiebesparingsmaatregelen mogelijk zijn, hoeveel deze maatregelen kosten en binnen welke termijn ze zich terugverdienen.

Verschillende types van energieaudits kunnen onderscheiden worden:

- grondige energieaudit: overzicht van de energiestromen binnen de school (inclusief meetcampagne); evaluatie van het regelsysteem van de verwarming, gedetailleerde beschrijving van knelpunten, overzicht van mogelijke energiebesparingsacties, voorstel van een REG-actieplan en kosten-batenanalyse van de voorgestelde acties en maatregelen;

- snelle energieaudit: rapportering van de totale energiehoeveelheden en -kosten van de verschillende energiedragers op jaarbasis, korte inventarisatie van de energiestromen, opsomming van mogelijke energiebesparingsmaatregelen en indicatie van het besparingspotentieel;

- één-thema-audit: grondige technische analyse van één thema: verwarmingsinstallatie (inclusief meetcampagne), gebouwschil of verlichting; overzicht van de verschillende energiebesparende maatregelen; kosten-batenanalyse van de voorgestelde maatregelen; bestekteksten van de voorgestelde maatregelen die als basis kunnen dienen voor het opstellen van een lastenboek;

- analyse van het stroomverbruik: registratie van de geleverde stroom over een periode van twee weken; het opmaken van een auditverslag en de aanduiding van de belangrijkste mogelijkheden om elektriciteit te besparen;

- advies energiezuinig en duurzaam bouwen en renoveren: energiebesparingsadvies en beoordeling van lastenboeken en bestekteksten door een onafhankelijk studiebureau; vermelden van normen en streefwaarden voor energiegebruik en comfort; concrete aanbevelingen m.b.t. gebouwschil en technische installaties (verwarming, verlichting, ...); indicatie van het besparingspotentieel en de terugverdientijd van de voorgestelde maatregelen.

Een grondige energieaudit of een één-thema-audit verwarming gaat steeds gepaard met een meetcampagne. Gedurende enkele weken registreren meettoestellen bv. de evolutie van de binnen- en buitentemperatuur. Nadien analyseert een energiedeskundige de resultaten van de metingen en evalueert hij de werking van het regelsysteem van de verwarming. U krijgt een rapport met energiebesparende en comfortverbeterende maatregelen. Voor alle voorstellen wordt een terugverdientijd berekend, zodat u de kosten en baten van de voorgestelde maatregelen kan inschatten. Wilt u een halt toeroepen aan lokalen die 's nachts, in het weekend of tijdens vakantieperiodes verwarmd worden, aan klaslokalen die op maandagmorgen te koud zijn of aan oververhitte klaslokalen in de namiddag? Denk dan zeker eens na over een grondige energieaudit of een één-thema-audit verwarming voor uw school of centrum. Hoeveel u precies kan besparen, hangt af van gebouw tot gebouw. De ervaring leert echter dat besparingen van gemiddeld 20 % mogelijk zijn met maatregelen die zich snel terugverdienen.

De school, centrum, instelling spreekt voor de concrete uitvoering van een energieaudit een ingenieurs- of studiebureau aan. Het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming verstrekt hieromtrent geen richtlijnen. Maar onderwijsinstellingen kunnen terecht op de onderwijssite waar een overzicht staat van de mogelijke firma's die energieaudits uitvoeren in scholen.

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dient de school af te spreken met het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM). Ondersteuning is voorzien door een Energie Facilitator : facilitator.tertiair@ibgebim.be.

6. Energiecoördinatoren

Een energiebewuste school, centrum of instelling ontstaat niet uit het niets. Wilt u concrete resultaten boeken en alle neuzen in dezelfde richting krijgen, dan zal u zeker nood hebben aan een coördinator. Om tot een resultaatgerichte REG-werking te komen in de gebouwen, vraag ik dan ook om een energiecoördinator aan te stellen. Wie u best als energiecoördinator aanstelt, hangt van de situatie af. In sommige gevallen kan dat een leerkracht zijn, in andere gevallen kan u misschien beter een technisch verantwoordelijke of een preventieadviseur aanduiden. Het is niet nodig dat er een energiecoördinator in elke school of in elk centrum aanwezig is. Soms is het zinvoller om per scholengemeenschap of per campus een energiecoördinator aan te duiden. In gemeentescholen of in het provinciaal onderwijs kan de energiecoördinator misschien iemand van de milieudienst van de gemeente of provincie zijn.

De energiecoördinator wordt het centrale aanspreekpunt voor alles wat betreft energiebesparing. Deze man of vrouw volgt de energieboekhouding op (bv. invoeren van meterstanden in softwarepakket), zorgt voor de opvolging van uitgevoerde energieaudits en coördineert energiebesparende maatregelen. De energiecoördinator staat in rechtstreeks contact met de directie en communiceert ook met het personeel, de leerkrachten en de leerlingen over de geplande energiebesparingacties en de reeds geboekte resultaten. Tot slot garandeert een energiecoördinator de continuïteit van de REG-werking. Een energiecoördinator op zich bespaart geen energie, maar speelt wel een cruciale rol in de realisatie van energiebesparing op uw school of centrum.

De energiecoördinator wordt niet vrijgesteld door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. De energiecoördinatoren worden ondersteund vanuit het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming via opleidingen en brochures (bv. over het hoe en waarom van een energieboekhouding).

Concrete actie:  

- elke school of centrum duidt een energiecoördinator aan (indien gewenst één coördinator voor verschillende scholen en centra);  

- via Schooldirect zullen studiedagen en opleidingen voor energiecoördinatoren aangekondigd worden.  

7. Afstellen van de verwarmingsinstallaties

ALGEMEEN

Het is algemeen bekend dat er op het vlak van de regelsystemen van de verwarming een groot potentieel is aan energiebesparing in onderwijsinstellingen. Het correct afstellen van de verwarmingsinstallaties in scholen zorgt ervoor dat de installaties energiezuiniger werken en dat schoolgebouwen alleen verwarmd worden als er leerlingen, studenten of personeel is. Het is dan ook wenselijk dat de scholen, centra, instellingen hoger onderwijs het nodige doen voor een correcte afstelling en werking van de regelsystemen van de verwarming in hun gebouwen.

Daarom wordt aan scholen, centra en instellingen hoger onderwijs gevraagd om voorafgaand aan een winterperiode het verwarmingssysteem zo te regelen en bij te stellen dat de apparatuur energiezuinig functioneert. Dit betekent dat er een controle en bijstelling dient te gebeuren van diverse elementen van het verwarmingssysteem:

- correct instellen van de klok en van de bezettingstijden van de gebouwen, rekening houdend met lesprogramma, vakantiedagen, e.a.

- regeling van de branderinstallatie door het nakijken van het luchtdebiet, de luchtklep, e.a.

- controle van de distributie door het nazicht van kranen, regelborden, isolatie van de leidingen, stooklijnen, oppunt stellen van de voelers, e.a.

- nazicht van de radiatoren, thermostatische kranen, e.a.

Hoe het op punt stellen van een verwarmingsinstallatie werkt en welke voordelen dat oplevert, is verduidelijkt in een tweetal folders. In die folders wordt aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld aangetoond hoe een vermindering van het energieverbruik gerealiseerd kan worden door de regeltechnieken op punt te stellen en enkele kleine aanpassingen door te voeren. Hierbij wordt berekend welke financiële voordelen dit kan opleveren. De folders werden al bezorgd aan alle scholen en zijn na te kijken op de site.

In principe dienen de regelsystemen van de verwarmingsinstallaties met stookolie elk jaar te worden gecontroleerd. Voor installaties op gas is een tweejaarlijks onderhoud verplicht.

Om de scholen hierbij te helpen is er een checklist voor het afstellen van een verwarmingsinstallatie beschikbaar gesteld. Deze checklist geeft een overzicht van alle maatregelen die uitgevoerd moeten worden bij de afregeling van de verwarmingsinstallaties. Voor een goede werking van de verwarmingsinstallatie is het belangrijk dat de installateurs, onderhoudsfirma's, e.a. alle operaties vermeld op de checklist effectief uitvoeren.

Energiezuinige school

Bijlage 1 : Checklist voor het afstellen van een verwarmingsinstallatie

Concrete actie :  

Algemeen  

- De school bespreekt de checklist om de verwarmingsinstallatie efficiënt op punt te stellen met het privé-bedrijf dat langs komt voor het onderhoud. 

- De school dient jaarlijks (stookolie) of tweejaarlijks (gas) de verwarmingsinstallaties te onderhouden. 

8. REG-investeringen

Begeleidende maatregelen zoals het opstarten van een energieboekhouding, het uitvoeren van een energieaudit en het opleiden van energiecoördinatoren vormen de basis van een degelijk energiezorgsysteem. Deze maatregelen zijn pas zinvol, als er tegelijkertijd voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om concrete REG-investeringen uit te voeren. Het gaat hierbij in de eerste plaats over de volgende investeringen:

- energiezuinige verwarming: lagetemperatuurketels, condensatieketels, thermostatische kranen, snelheidsregeling van pompen en ventilatoren, regeling van verwarming en isolatie van leidingen;

- energiezuinige verlichting (= max. 2,5 Watt per m² vloeroppervlakte en per 100 lux): armaturen, lampen, elektronische ballasten en regeling (dimming, aanwezigheidsdetectie, daglichtcompensatie, ...);

- isolatie: vloerisolatie, muurisolatie en dakisolatie;

- ramen met verbeterd dubbel glas :

- glas: U-waarde van max. 1,3 W/m².K;

- venster (raamprofiel + beglazing): U-waarde van max. 2,5 W/m².K.

Ook andere energiebesparende maatregelen komen in aanmerking: zonneboilers, zonnepanelen, warmtepompen, waterrecuperatie, enz.

Zonnepanelen

Om met de beschikbare middelen een maximale CO2 reductie te verwezenlijken en op de lange termijn ook een maximale winst te realiseren op de energiefactuur, is het in het belang van de school om eerst over een goed geïsoleerd gebouw te beschikken, alvorens te investeren in hernieuwbare energietechnologieën zoals zonnepanelen. In dat kader zullen voor nieuwe REG-aanvraagdossiers enkel subsidies worden toegekend voor de plaatsing van zonnepanelen, indien de school op eer verklaart dat ze over een voldoende geïsoleerd dak beschikt.

De bedoeling is dat de REG-investeringsdossiers worden ingediend via de geëigende kanalen die voor elk onderwijstype van toepassing zijn voor het indienen van investeringsdossiers :

- AGIOn voor het gesubsidieerd onderwijs,

- Algemeen Directeur, Scholengroep voor het gemeenschapsonderwijs.

De financiële tegemoetkoming voor REG-investeringsdossiers in het gesubsidieerd onderwijs is dezelfde als deze voor andere investeringsdossiers (70% voor het basisonderwijs en 60% voor de andere onderwijsniveaus, CLB's en internaten van het gesubsidieerd onderwijs).

De subsidieaanvrager kan een REG-investeringsdossier indienen bij AGIOn of het Gemeenschapsonderwijs. Na de goedkeuring van de aanvraag kan een ontwerp- of aanbestedingsprocedure worden opgestart. Hierbij is de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten van toepassing.

De meeste distributienetbeheerders geven subsidies bij het uitvoeren van REG-investeringen. Hiervoor kan men terecht bij de contactpersoon van de verschillende distributienetbeheerders.

Concrete actie:  

- alle scholen en centra kunnen via de geëigende kanalen (AGIOn voor het gesubsidieerd onderwijs, GO voor het gemeenschapsonderwijs) REG-investeringsdossiers indienen;  

9. Energienormen

Met het decreet van 7 december 2007 is gesteld dat alle nieuwe schoolgebouwen waarvoor een E-peil berekening geldt (nieuwbouw, nieuwbouw na afbraak) vanaf 1 januari 2008 een E-peil moeten hebben van E-70 om subsidies te krijgen van de overheid. Sommige gebouwen die enkel bedoeld zijn voor sport, werkplaatsen en industriële gebouwen moeten niet beantwoorden aan de E-70 norm.

Tevens bevat het decreet de mogelijkheid om een aantal scholen volgens de passiefhuisstandaard bijkomend te subsidiëren. Deze scholen werden op advies van een selectiecommissie geselecteerd door de Vlaamse Regering op 23 mei 2008.

Het decreet bepaalt verder dat AGIOn voor het gesubsidieerd onderwijs de bijkomende kosten om een primair energieverbruik te bereiken dat overeenstemt met een peil van E-70 of, voor de scholen die geselecteerd werden door de Vlaamse Regering op 23 mei 2008 om een schoolgebouw volgens de passiefhuisstandaard te bouwen, zal betoelagen.

Deze eenmalige betoelaging bedraagt:

- voor projecten van het basisonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs respectievelijk 6,3 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte voor het behalen van een E-70 peil en 70,5 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte voor schoolgebouwen volgens de passiefhuisstandaard;

- voor projecten van andere onderwijsniveaus, CLB's en internaten in het gesubsidieerd onderwijs respectievelijk 8,4 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte voor het behalen van een E-70 peil en 94 euro per vierkante meter bruto-oppervlakte voor schoolgebouwen volgens de passiefhuisstandaard.

Voornoemde bedragen zijn vastgesteld op 1 januari 2007 en exclusief belasting op de toegevoegde waarde en de algemene onkosten en worden vanaf die datum geïndexeerd.

Verder informatie rond dit decreet van 7 december 2007 is in te winnen bij AGIOn, www.agion.be en op http://onderwijs.vlaanderen.be/energie/pdf/Energiepeil%20E70.pdf.

Vlaanderen: Vanaf 1 januari 2014 worden de EPB-eisen verstrengd, voor alle scholen, internaten, kantoren en woongebouwen wordt dan een E60 geëist. De komende jaren gaat die verstrenging door : voor kantoor- en schoolgebouwen wordt het doel voor 2021 vastgelegd op E40. In 2016 is een E55 vereist, in 2018 een E50 en in 2020 een E45 voor de nieuwbouw. (Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid-Energiebesluit) Brussel: Hier geldt de Ordonnantie van 7 juni 2007 houdende de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen en het en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2007 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen.

10. Algemene bepalingen

De scholen, centra en instellingen laten bij subsidies controle ter plaatse toe door ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap of het Rekenhof. De scholen en centra betalen de bedragen terug indien niet voldaan is aan de subsidievoorwaarden of indien de subsidie werd aangewend voor andere doeleinden dan waartoe ze werd verleend.

Informatie inzake REG-maatregelen in scholen en centra is terug te vinden op de website van het Vlaams Ministerie van Onderwijs: Energiezuinige school.

11. Opheffing

De omzendbrief van 21 december 2005wordt opgeheven.

12. Bijlagen