Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen en de interfaceactiviteiten van de associaties in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    29 MEI 2009
  • publicatiedatum
    B.S.23/07/2009
  • datum laatste wijziging
    11/02/2016

COORDINATIE

B.Vl.R. 1-4-2011 - B.S. 12-5-2011

B.Vl.R. 23-5-2014 - B.S. 11-9-2014

B.Vl.R. 15-1-2016 - B.S. 11-2-2016

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 23 januari 1991 betreffende de oprichting van een Instituut voor de Aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen, artikel 5;

Gelet op het decreet van 18 mei 1999 betreffende het voeren van een beleid ter aanmoediging van de technologische innovatie, artikel 7, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008;

Gelet op het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, artikel 74bis, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2006 en vervangen bij het decreet van 19 december 2008;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2002 betreffende de ondersteuning van interfaceactiviteiten van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 november 2007 en 12 december 2008;

Overwegende dat de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie op 30 december 2006 (2006/C 323/01), omgezet moet worden in de Belgische rechtsorde;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 april 2009;

Gelet op het advies van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, gegeven op 12 maart 2009;

Gelet op het advies van het Instituut voor de Aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen, gegeven op 19 maart 2009;

Gelet op het advies 46.458/1 van de Raad van State, gegeven op 30 april 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Definities en reikwijdte van het besluit

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

[...]

4°[interfacedienst : de binnen de associatie voor valorisatie bevoegde dienst, vermeld in artikel 101bis, 2°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;]

5°[ BOF-besluit : het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;]

6° referentieperiode : de periode die loopt vanaf het begrotingsjaar n-6 tot en met het jaar n-2, waarbij n staat voor het jaar waarin de overeenkomstig hoofdstuk V becijferde verdeelsleutel wordt toegepast;

[...]

8° handelsvennootschap : organisatorisch verband, gericht op duurzame deelname aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen. De oprichting en de activiteit van het verband kunnen zowel in het binnenland als in het buitenland plaatsvinden. [Alleen de vennootschappen, vermeld in artikel 2 van het Wetboek van Vennootschappen, worden aanvaard als handelsvennootschap naar Belgisch Recht;]

9° Vlaams innovatienetwerk (VIN) : netwerk van intermediaire organisaties en kenniscentra die actief zijn op het vlak van innovatie-ondersteuning, gecoördineerd door het [Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie];

10°[IOF: een Industrieel Onderzoeksfonds als vermeld in artikel 57, § 1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.]

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 2.

Dit besluit is van toepassing op de associaties en op de universiteiten en hogescholen die partner zijn bij een associatie.

HOOFDSTUK II. - Definitie, doelstellingen en beheer van de Industriële Onderzoeksfondsen

Art. 3.

[...]

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 4.

[Het strategisch basisonderzoek en het toegepast wetenschappelijk onderzoek, gefinancierd door IOF-middelen, heeft een economische of gemengd economisch-maatschappelijke finaliteit. Dit onderzoek kan behoren tot alle wetenschappelijke disciplines.]² Ten minste 30 % van de IOF-middelen wordt besteed aan onderzoeksmandaten van onbepaalde duur. Twee verschillende mandaattypes worden gedefinieerd : junior mandaten en senior mandaten. De invulling van het type mandaat - junior versus senior - is afhankelijk van de omvang, de doelstelling en het strategische belang ervan. Kandidaten moeten houder zijn van een doctoraat op proefschrift of moeten minstens 5 jaar ervaring hebben in de uitvoering [of organisatie]² van toegepast wetenschappelijk onderzoek of strategisch basisonderzoek.

[Maximaal 10% van de IOF-middelen kan besteed worden aan octrooikosten.]

Ten hoogste 10 % van de IOF-middelen kan worden aangewend ter dekking van de kosten, daaronder begrepen werkingsuitgaven en loonlasten, verbonden aan het beheer van de via het IOF bekostigde mandaten en projecten en de werking van het IOF.

De overige IOF-middelen kunnen besteed worden aan :

1° de werkingsuitgaven, uitrustingskosten en loonlasten voor onderzoeksprojecten, met een minimale looptijd van één jaar [en een projectbedrag van ten minste [[25.000 euro]] per jaar]¹;

2° projectkostenvergoedingen ter ondersteuning van IOF-mandaten.

[ ]¹ B.Vl.R. 1-4-2011; [ ]² B.Vl.R. 23-5-2014; [[ ]] B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 5.

§ 1. Het dagelijkse beheer van de via het IOF bekostigde mandaten en projecten en de werking van het IOF wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de interfacediensten.

§ 2. [...]

§ 3. [Een Industrieel Onderzoeksfondsraad] bestaat ten minste uit twaalf leden en is onderverdeeld in drie geledingen :

1° geleding 1 : personeelsleden van de universiteit die partner is bij de associatie in kwestie;

2° geleding 2 : personeelsleden van de hogescholen die partner zijn bij de associatie in kwestie;

3° geleding 3 : vertegenwoordigers van het bedrijfsleven.

[Ten minste de helft van de leden van een Industrieel Onderzoeksfondsraad behoort tot geleding 1. Ten minste twee leden van een Industrieel Onderzoeksfondsraad behoren tot geleding 2. Ten minste een vierde van de leden van een Industrieel Onderzoeksfondsraad behoort tot geleding 3.]

Ten minste een vierde en ten hoogste de helft van geleding 1 als vermeld in het eerste lid, 1°, is tegelijkertijd lid van de onderzoeksraad bij de universiteit.

Een persoon kan niet namens twee geledingen zitting hebben in de IOF-raad. Personen die een betrekking vervullen bij verschillende partners van de associatie in kwestie, worden gerekend bij de geleding waarbij zij de grootste opdracht uitoefenen. Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven die tegelijkertijd een betrekking vervullen bij een universiteit of een hogeschool, worden gerekend bij geleding 1 of geleding 2 als vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zodra hun opdracht 50% of meer bedraagt van een voltijdse betrekking.

Ten hoogste twee derde van de leden van de IOF-raad is van hetzelfde geslacht. Als niet wordt voldaan aan deze voorwaarde, kan de IOF-raad geen rechtsgeldig advies uitbrengen.

B.Vl.R. 23-5-2014

HOOFDSTUK III. - Definitie, doelstellingen en aanwending van de subsidie voor de interfaceactiviteiten

Art. 6.

[...]

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 7.

De subsidie, vermeld in artikelen 13 en 14, wordt aangewend voor de financiering van personeels-, werkings- en overheadkosten voor de volgende mogelijke interfaceactiviteiten :

1° bevordering van de wisselwerking tussen de associatie en het bedrijfsleven, in het bijzonder :

a) stimulering en organisatie van contacten;

b) promotie van het aanbod aan kennis van de associatie;

c) partnersearch;

d) begeleiding bij technologische advisering;

e) ondersteuning bij het opstellen van contracten (juridische en financiële assistentie);

2° bevordering van de economische valorisatie van het wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd binnen de associatie, in het bijzonder :

a) sensibiliserings- en opleidingsactiviteiten voor de valorisatie van het onderzoek;

b) actieve opsporing van valoriseerbare resultaten die ondersteuning nodig hebben bij het valorisatieproces;

c) begeleiding bij het opstellen van een valorisatieplan (inschakeling van externe consultants);

d) marktonderzoek;

e) opsporing van bedrijven voor mogelijke exploitatie;

f) bescherming van intellectuele eigendom (octrooiaanvraag en -beheer, licentie-overeenkomsten, auteursrechten);

g) [...] het dagelijkse beheer van de via het IOF bekostigde mandaten en projecten en werking van het IOF;

h) bevordering van de oprichting van spin-offbedrijven.

[Maximaal 10% van de subsidie mag besteed worden aan overheadkosten, zijnde centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten die betrekking hebben op :

1° de huur en het onderhoud van gebouwen, lokalen en vergaderzalen met inbegrip van de normale kantooruitrusting, de kosten voor verwarming, verlichting, elektriciteit;

2° het centrale beheer van goederen en diensten die voor de interfaceactiviteiten ter beschikking worden gesteld;

3° kosten die niet specifiek verbonden zijn aan de uitvoering van de vermelde interfaceactiviteiten, zoals telefonie, fax, kopieën, correspondentie, kantoorbenodigdheden.]

Interfaceactiviteiten beperken zich tot interne activiteiten. Alle inkomsten uit die activiteiten worden opnieuw in de primaire activiteiten (opleiding, onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling en verspreiding van onderzoeksresultaten) van de instellingen voor hoger onderwijs geïnvesteerd.

B.Vl.R. 23-5-2014

HOOFDSTUK IV. - Strategisch plan

Art. 8.

Om de vijf jaar stellen de associaties een strategisch plan op voor het IOF en de interfaceactiviteiten.

Dat strategische plan, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende elementen :

1° de strategische visie van de associatie op de opbouw van toepassingsgerichte kennis, de samenwerking met het bedrijfsleven en de valorisatie van wetenschappelijk onderzoek;

2° de strategische en operationele doelstellingen die de associatie met het IOF wil bereiken;

3° de strategische en operationele doelstellingen die de associatie met de interfacedienst wil bereiken;

4° de wijze waarop het IOF past in het ruimere kader van strategisch basisonderzoek en toegepast wetenschappelijk onderzoek, met economische finaliteit, van de associatie;

5° de wijze waarop de associatie tot een optimale interfacewerking wil komen binnen de associatie zelf en op associatieniveau;

6° de wijze waarop de associatie tot een optimale samenwerking wil komen tussen de associaties onderling en in het kader van het Vlaams innovatienetwerk;

7° de wijze waarop de werking van de interfacedienst aansluit bij de werking van het IOF.

De Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, kan nadere regels voor dat strategische plan vastleggen, in het bijzonder voor samenwerkingsinitiatieven tussen de associaties onderling en in het kader van het Vlaams innovatienetwerk.

De associaties sturen, voor [1 oktober] van het jaar waarin de lopende strategische plannen aflopen, hun nieuwe strategische plannen, in twee exemplaren, naar de Vlaamse minister bevoegd voor innovatie.

Het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie beoordeelt het plan binnen de drie maanden na de indiendatum op volledigheid en conformiteit met dit besluit. Ten behoeve van deze beoordeling, beoordeelt het [Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie] in Vlaanderen het plan binnen de twee maanden na de indiendatum op de wijze waarop men tot een optimale samenwerking wil komen tussen de associaties onderling en in het kader van het Vlaams innovatienetwerk.

Als aan sommige voorwaarden niet is voldaan, kunnen de associaties in overleg met het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie aanpassingen doorvoeren in de ingediende, nog niet goedgekeurde strategische plannen. Op advies van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, keurt de Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, het plan goed binnen de drie maanden na de indiendatum.

B.Vl.R. 23-5-2014

HOOFDSTUK V. - Subsidiëring

Afdeling 1. - Omvang van de subsidies en de verdeelsleutel

Art. 9.

De totale subsidie voor de IOF wordt onder de associaties verdeeld a rato van het procentuele aandeel van de associatie in de som van de parameters, vermeld in artikel 10, en gewogen overeenkomstig artikel 11.

[In afwijking van het eerste lid wordt per associatie in een gegarandeerd minimumbedrag voorzien op basis van het maximale procentuele aandeel van de associatie in het IOF over de jaren 2009-2013 en de subsidie voor het IOF in 2013, namelijk 19.252.000 euro. Voor de Associatie Universiteit-Hogescholen Limburg vzw wordt als procentueel aandeel de bovengrens van het minimumaandeel van de Universiteit Hasselt in de BOF-middelen genomen, namelijk 4%. Het gegarandeerd minimumbedrag, geïndexeerd voor 2014, bedraagt dan respectievelijk :

1° Associatie Katholieke Universiteit Leuven vzw: 9.187.284 euro;

2° Associatie Universiteit Gent vzw: 6.139.121 euro;

3° Universitaire Associatie Brussel vzw: 2.205.882 euro;

4° Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen vzw: 2.073.607 euro;

5° Associatie Universiteit-Hogescholen Limburg vzw: 778.089 euro.

De gegarandeerde minimumbedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks geïndexeerd volgens de formule, vermeld in artikel III.5, § 9, eerste lid van de Codex hoger onderwijs van 20 december 2013.

Met uitzondering van de Associatie Universiteit-Hogescholen Limburg vzw dragen de associaties die voor de verdeling van de subsidie met toepassing van artikel 9, eerste lid, artikel 10, 11 en 12 boven het gegarandeerd minimumbedrag uitkomen, naar rata van die verdeling bij tot het bereiken van het gegarandeerd minimumbedrag van de associaties die niet boven het gegarandeerd minimumbedrag uitkomen.

Als de uitbetaling van het gegarandeerd minimumbedrag niet mogelijk is in het kader van de jaarlijkse algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, worden deze gegarandeerde minimumbedragen naar rata van de besparing verminderd voor alle associaties.]

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 10.

§ 1. Parameter 1 betreft het procentuele aandeel van de associatie in het totale aantal doctoraatsdiploma's. Dat aandeel wordt berekend overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op het criterium, [vermeld in artikel 33] van het BOF-besluit.

§ 2. Parameter 2 betreft het gemiddelde procentuele aandeel van de associatie in het totale aantal publicaties enerzijds en in het totale aantal citaties anderzijds. Dat aandeel wordt berekend overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de criteria publicaties en citaties, [vermeld in artikel 35 tot en met 40] van het BOF-besluit.

§ 3. Parameter 3 betreft het gemiddelde procentuele aandeel van de associatie, in de referentieperiode, in de industriële contractinkomsten.

[In het eerste lid wordt verstaan onder industriële contractinkomsten van de associatie : de inkomsten die de universiteit en de hogescholen, partner bij de associatie, en de universitaire ziekenhuizen, vermeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, verwerven :

1° van handelsvennootschappen op basis van contracten voor onderzoek en dienstverlening. Leerstoelen worden beschouwd als industriële contractinkomsten op voorwaarde dat er een contract is. Giften, schenkingen en inkomsten uit permanente vorming zijn uitgesloten;

2° uit klinische studies. Alleen de inkomsten uit klinische studies in de eerste en tweede klinische fase worden in rekening gebracht. De inkomsten uit klinische studies tellen maximaal voor 12,5% van de parameter mee;

3° uit licenties. Voor de toepassing van deze inkomsten wordt de volgende trapfunctie ingebouwd :

a) licentie-inkomsten tot een bedrag van 7,5 miljoen euro hebben een gewicht van 1;

b) licentie-inkomsten van een bedrag tussen 7,5 en 15 miljoen euro hebben een gewicht van 0,75;

c) licentie-inkomsten van een bedrag tussen 15 en 25 miljoen euro hebben een gewicht van 0,5;

d) licentie-inkomsten van een bedrag vanaf 25 miljoen euro hebben een gewicht van 0,25.]

[De middelen die rechtstreeks afkomstig zijn van de industrie en die verworven zijn door de strategische onderzoekscentra voor het onderzoek of onderzoeksgedeelte dat wordt uitgevoerd in de met dat strategische onderzoekscentrum geassocieerde onderzoeksgroepen van de universiteit of van de hogescholen, partner bij de associatie, worden ook beschouwd als industriële contractinkomsten van de associatie als die inkomsten gebaseerd zijn op een contract met een handelsvennootschap en als een zichtbare overhead uitbetaald wordt aan de partner bij de associatie.

De contractinkomsten moeten transparant opgenomen zijn in de boekhouding en er moet over worden gerapporteerd, alsook over de onderliggende overeenkomsten. Dotatiegelden komen niet in aanmerking voor die aanvullende inkomstencomponent.]

Voor alle bedragen vermeld in het tweede lid, [...] die voortvloeien uit een contract in een vreemde munt, gelden de bedragen die in de boekhouding zijn ingeschreven.

§ 4. Parameter 4 betreft het procentuele aandeel van de associatie in het geheel van de contractinkomsten uit het laatst afgesloten Europese Kaderprogramma waarvoor definitieve cijfers beschikbaar zijn voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende middelen ook beschouwd als middelen die verworven zijn door de associatie :

1°[de contractinkomsten die verworven zijn door de universiteit en door de hogescholen, partner bij de associatie, uit het laatste afgesloten Europese Kaderprogramma waarvan definitieve cijfers beschikbaar zijn voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie;]

2°[de middelen die verworven zijn door de strategische onderzoekscentra voor het onderzoek of onderzoeksgedeelte dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit of van de hogescholen, partner bij de associatie, als die partner bij de associatie een vergoeding ontvangt voor de indirecte kosten;]

[3° de middelen die verworven zijn door de universitaire ziekenhuizen, vermeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, voor het onderzoek of onderzoekgedeelte dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit of van de hogescholen, partner bij de associatie.]

§ 5. Parameter 5 betreft het procentuele aandeel van de associatie, in de referentieperiode, in het totale aantal :

1° toegekende United States Patent and Trademark Office-octrooien;

2°[gepubliceerde aangevraagde] en toegekende European Patent Office-octrooien;

3° [gepubliceerde aangevraagde] octrooien conform het Patent Cooperation Treaty.

Toegekende octrooien hebben in de telling een gewicht van 1. Gepubliceerde aangevraagde octrooien hebben in de telling een gewicht van 0,5. Als in de referentieperiode zowel een aanvraag als een toekenning valt, prevaleert de toekenning en krijgt het octrooi in de telling een gewicht van 1.

[In het eerste lid wordt verstaan onder gepubliceerde aangevraagde of toegekende octrooien van de associatie: de octrooien die aangevraagd zijn door of toegekend zijn aan de universiteit of aan de hogescholen, partner bij de associatie, of door of aan een universitair ziekenhuis als vermeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 [[, alsook de octrooien, vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, artikel 59, tweede lid]].]

§ 6. Parameter 6 betreft het procentuele aandeel van de associatie in de oprichting, in de referentieperiode, van spin-offbedrijven.

[In het eerste lid wordt verstaan onder spin-offbedrijven van de associatie: de spin-offbedrijven, opgericht door de universiteit of door de hogescholen, partner bij de associatie, of door een universitair ziekenhuis als vermeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 [[, alsook de spin-offbedrijven, vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, artikel 59, derde lid]].]

Er dient, voor de toepassing van het eerste lid, sprake te zijn van een gestaafde inbreng in het spin-offbedrijf :

1° hetzij via het verwerven van een aandeelhouderspositie op basis van een omschreven technologietransfer in de nieuw opgerichte vennootschap (via het bestaan van een contractuele transferovereenkomst en het inschrijven van een aandeelhouderspositie in de statuten);

2° hetzij via een exclusieve licentie-overeenkomst [waarin voorzien wordt in een billijke vergoeding] voor de overgedragen technologie en kennis. Dit moet blijken uit ondertekende en gedateerde contractuele documenten.

Al de documenten waaruit de betrokkenheid [...] bij de oprichting van een spin-off moet blijken, dienen binnen een tijdsperiode van 12 maanden te zijn afgesloten en ondertekend.

§ 7. Parameter 7 betreft het procentuele aandeel van de universiteit, gedurende de referentieperiode, in het totale wetenschappelijke personeelsbestand van de Vlaamse universiteiten.

Onder personeelsbestand als vermeld in het eerste lid wordt de som van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en het overige wetenschappelijke personeel in voltijdse equivalenten begrepen, geteld op 1 februari van het referentiejaar in kwestie.

B.Vl.R. 23-5-2014; [[ ]] B.Vl.R. 15-1-2016

Art. 11.

De parameters, vermeld in artikel 10, worden vanaf 2009 gewogen als volgt :

2009

2010

2011

parameter 1

0,23

0,19

0,15

parameter 2

0,23

0,19

0,15

parameter 3

0,14

0,22

0,30

parameter 4

0,10

0,10

0,10

parameter 5

0,11

0,13

0,15

parameter 6

0,11

0,13

0,15

parameter 7

0,08

0,04

0

Vanaf 2011 blijven de gewichten constant.

Art. 12.

[...]

De Vlaamse minister bevoegd voor innovatie kan voor de berekening van de verdeelsleutel nadere regelen bepalen op het vlak van :

1° de instanties die verantwoordelijk zijn voor het aanleveren of valideren van de nodige cijfergegevens;

2° de termijn waarin de nodige cijfergegevens worden afgeleverd;

3° de vormvoorschriften voor het aanleveren van de nodige cijfergegevens;

4° de technische uitwerking van de berekeningsmodaliteiten.

De exacte verdeling van de middelen over de associaties wordt jaarlijks opgenomen in een ministerieel besluit.

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 13.

De Vlaamse Regering legt jaarlijks binnen de perken van de uitgavenbegroting een subsidie vast voor de interfaceactiviteiten van de associaties.

Art. 14.

[De subsidie voor de interfaceactiviteiten wordt op de volgende wijze onder de associaties verdeeld, volgens een verdeelsleutel die rekening houdt met de verdeling van het wetenschappelijk personeel - Zelfstandig Academisch Personeel, Assisterend Academisch Personeel en Wetenschappelijk Personeel - over de universiteiten in de periode 2008-2012 :

1° de Associatie Katholieke Universiteit Leuven vzw ontvangt 40,93% van de subsidie;

2° de Associatie Universiteit Gent vzw ontvangt 32,01% van de subsidie;

3° de Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen vzw ontvangt 12,31% van de subsidie;

4° de Universitaire Associatie Brussel vzw ontvangt 11,14% van de subsidie;

5° de Associatie Universiteit-Hogescholen Limburg vzw ontvangt 3,61% van de subsidie.

In afwijking van het eerste lid ontvangt elke associatie een gegarandeerd minimumbedrag van 150.000 euro. Dat gegarandeerd minimumbedrag wordt jaarlijks geïndexeerd volgens de formule, vermeld in artikel III.5, § 9, eerste lid van de Codex hoger onderwijs van 20 december 2013.

De associaties die voor de verdeling van de subsidie op basis van het eerste lid boven dat gegarandeerd minimumbedrag uitkomen, dragen naar rata van die verdeling bij tot het bereiken van het gegarandeerd minimumbedrag van de associaties die er niet boven uitkomen.

Als de uitbetaling van het minimum niet mogelijk is in het kader van de jaarlijkse algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, worden de gegarandeerde minimumbedragen naar rata van de besparing verminderd voor alle associaties.]

B.Vl.R. 23-5-2014

Afdeling 2. - Interne verdeling, betalingsregeling en gescheiden boekhouding

Art. 15.

De middelen uit het IOF worden toegekend door het associatiebestuur, na gemotiveerd advies van de [Industrieel Onderzoeksfondsraad] en door middel van een open oproep binnen de associatie.

De aan het IOF toekomende middelen die na afloop van het kalenderjaar in kwestie niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de associatie van het daaropvolgende jaar.

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 16.

80 % van de subsidie voor de interfaceactiviteiten van de associaties wordt betaald met twaalf maandelijkse schijven.

Maximum 10 % van de subsidie voor de interfaceactiviteiten van de associaties wordt betaald na de goedkeuring van de rapportering [...], vermeld in artikel 20, § 1, 1°, 3° en 5°[, in het jaar n+1, waarbij n staat voor het begrotingsjaar waarin de subsidie wordt vastgelegd].

Maximum 10% van de subsidie voor de interfaceactiviteiten van de associaties wordt betaald na de goedkeuring van de rapportering [...], vermeld in artikel 20, § 2 [, in het jaar n+1, waarbij n staat voor het begrotingsjaar waarin de subsidie wordt vastgelegd].

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 17.

80 % van de subsidie aan de IOF van de associaties wordt betaald met twaalf maandelijkse schijven.

Maximum 20 % van de subsidie aan de IOF van de associaties wordt betaald na de goedkeuring van de rapportering [...], vermeld in artikel 20, § 1, 1°, 2°, 4° en § 3 [, in het jaar n+1, waarbij n staat voor het begrotingsjaar waarin de subsidie wordt vastgelegd].

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 18.

Ter naleving van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie op 30 december 2006 (2006/C 323/01) verbinden de begunstigden van de subsidies zich ertoe een boekhouding te voeren waarbij de kosten en de financiering van eventuele economische activiteiten van de instelling voor hoger onderwijs duidelijk kunnen worden onderscheiden van de niet-economische activiteiten.

Afdeling 3. - Subsidiëringsvoorwaarden en controle op de naleving ervan

Art. 19.

De bepalingen van artikel 4, 5, 7, 8, 15, eerste lid, en 18 gelden als subsidiëringsvoorwaarde.

Als de regeringscommissaris of de commissaris die belast is met het toezicht op de associatie, een overtreding van de subsidiëringsvoorwaarden vaststelt, voegt hij bij het beroepschrift een advies om, voor de in het kader van dit besluit toegekende middelen, toepassing te maken van artikel 57 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.

HOOFDSTUK VI. - Informatieplicht

Art. 20.

§ 1. De associaties rapporteren jaarlijks voor 30 april aan de Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, over :

1° de realisaties op het vlak van de implementatie van de strategische visie op de opbouw van toepassingsgerichte kennis, de samenwerking met het bedrijfsleven en de valorisatie van wetenschappelijk onderzoek, vermeld in artikel 8, tweede lid, 1°;

2° de realisaties op het vlak van de implementatie van de strategische en operationele doelstellingen die de associatie met het IOF wil bereiken, vermeld in artikel 8, tweede lid, 2°;

3° de realisaties op het vlak van de implementatie van de strategische en operationele doelstellingen die de associatie met de interfacedienst wil bereiken, vermeld in artikel 8, tweede lid, 3°;

4° de realisaties op het vlak van de inpassing van het IOF in het ruimere kader van strategisch basisonderzoek en toegepast wetenschappelijk onderzoek, met economische finaliteit, van de associatie, vermeld in artikel 8, tweede lid, 4°;

5° de realisaties op het vlak van de implementatie van de wijze waarop de associatie tot een optimale interfacewerking wil komen, binnen de associatie en op associatieniveau als vermeld in artikel 8, tweede lid, 5°.

Dit rapport wordt overgemaakt aan het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, en aan het [Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie] in Vlaanderen. Op advies van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, beoordeelt de Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, in toepassing van artikels 16 en 17, de rapportering binnen de drie maanden na de indiendatum op :

1° volledigheid;

2° conformiteit met dit besluit;

3° en met het strategische plan, vermeld in artikel 8.

§ 2. De associaties rapporteren jaarlijks voor 30 april aan de Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, over de realisaties op het vlak van de samenwerking tussen de associaties onderling en in het kader van het Vlaams innovatienetwerk, vermeld in artikel 8, tweede lid, 6°.

Dit rapport wordt overgemaakt aan het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie, en aan het [Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie] in Vlaanderen. Op advies van het Instituut voor de Aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen, beoordeelt de Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, in toepassing van artikel 16, de rapportering binnen de [drie] maanden na de indiendatum op :

1° volledigheid;

2° conformiteit met dit besluit;

3° en met het strategische plan, vermeld in artikel 8.

§ 3. Het associatiebestuur bezorgt het reglement, vermeld in [artikel 58 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid], aan de Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie. Bij wijziging van het reglement wordt de gewijzigde tekst bezorgd.

[...]

§ 4. De Vlaamse minister bevoegd voor innovatie kan nadere regels vastleggen voor de rapportering, vermeld in paragraaf 1 en 2.

§ 5. Elke [universiteit en hogescholen] rapporteert verder over de met de IOF-middelen gefinancierde projecten in het jaarverslag van de [universiteit en hogescholen] en, in elektronische vorm, aan de FRIS-databank, beheerd door het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie.

B.Vl.R. 23-5-2014

HOOFDSTUK VII. - Monitoring en evaluatie

Art. 21.

§ 1. Vijfjaarlijks vindt een evaluatie plaats van de activiteiten waarvoor de subsidies vermeld in Hoofdstuk V van dit besluit worden ingezet.

§ 2. De Vlaamse Regering evalueert vijfjaarlijks globaal de IOF en interfaceactiviteiten met het oog op eventuele bijsturing. Hierbij worden ten minste volgende zaken onderzocht :

1° de toepassing van dit besluit;

2° de realisatie van de strategische plannen, vermeld in artikel 8;

3° de wetenschappelijke output en de resultaten op het vlak van economische valorisatie.

Tijdens die evaluatie worden de nodige elementen verzameld om de ondersteuning van de interfaceactiviteiten en de IOF van de associaties eventueel bij te sturen.

Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat de overheid, voor wat betreft de interfaceactiviteiten, een co-financierder is.

De Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, kan nadere regels vastleggen voor die evaluatie.

HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen

Art. 22.

[In artikel 10, § 3, tweede en derde lid, worden voor de jaren binnen de referentieperiode tot en met 2014 de woorden "de partners bij de associatie" gelezen als "de universiteit, partner bij de associatie," .

Artikel 10, § 3, tweede lid, 2°, is niet van toepassing voor het jaar 2008 binnen de referentieperiode.]

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 23 t.e.m. 26.

[...]

B.Vl.R. 23-5-2014

Art. 27.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2002 betreffende de ondersteuning van interfaceactiviteiten van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 november 2007 en 12 december 2008, wordt opgeheven.

Art. 28.

Dit besluit treedt in werking op 5 juni 2009, met uitzondering van artikel 5, § 2, dat in werking treedt op 1 maart 2010.

Art. 29.

De Vlaamse minister, bevoegd voor innovatie, is belast met de uitvoering van dit besluit.