Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de prestatieregeling en de jaarlijkse verlofdagen en feestdagen van de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie

  • goedkeuringsdatum
    03 JULI 2009
  • publicatiedatum
    B.S.30/09/2009
  • datum laatste wijziging
    01/09/2011

COORDINATIE

B.Vl.R. 15-7-2011 - B.S. 16-8-2011

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 128, § 1, vervangen bij het decreet van 8 mei 2009, en artikel 128bis, vervangen bij het decreet van 8 mei 2009;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 17 december 2008;

Gelet op protocol nr. 15 van 20 maart 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het Vlaams Onderhandelingscomité voor de basiseducatie, vermeld in het decreet van 23 januari 2009 tot oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs;

Gelet op advies 46.569/1 van de Raad van State, gegeven op 18 juni 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 127, § 1, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Art. 2.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° wettelijke feestdagen : 1 januari, paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartsdag, pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 1 november, 11 november en 25 december;

2° reglementaire feestdagen : de dag na Hemelvaartsdag, 11 juli, 2 november en 26 december;

3° avondprestatie : arbeidsprestaties, verricht tussen 19 uur en 23 uur.

HOOFDSTUK II. - De prestatieregeling

Art. 3.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de personeelsleden die aangesteld zijn in de functie van directeur van een Centrum voor Basiseducatie ten belope van het volume van hun opdracht als directeur.

Een directeur kan binnen hetzelfde Centrum voor Basiseducatie niet aangesteld zijn voor meer dan een voltijdse opdracht.

Art. 4.

De normale wekelijkse arbeidsduur voor de personeelsleden die aangesteld zijn in een voltijdse betrekking, wordt vastgesteld op 36 uur.

Binnen hetzelfde Centrum voor Basiseducatie kan een personeelslid niet aangesteld worden voor meer dan zesendertig uur op weekbasis.

Art. 5.

[De arbeidsprestaties kunnen op elke dag van de week tussen 7 uur en 23 uur geleverd worden.

De arbeidsduur mag in geen geval elf uur per dag overschrijden en mag maximaal twee avondprestaties per week omvatten.

De arbeidsprestaties worden in blokken van minstens drie uur aangeboden. De avond- en weekendprestatie(s) samen worden beperkt tot drie prestatieblokken per week waarbij ieder begonnen prestatieblok van drie uur tijdens het weekend wordt beschouwd als één prestatieblok.]

B.Vl.R. 15-7-2011

Art. 6.

De wekelijkse arbeidsduur waarvoor het personeelslid is aangesteld, mag worden overschreden op voorwaarde dat die wekelijkse arbeidsduur, berekend over de periode van een jaar, gemiddeld niet hoger ligt dan de normale wekelijkse arbeidsduur, vermeld in de arbeidsovereenkomst van het personeelslid. Onder een jaar wordt verstaan een periode die loopt van 16 augustus van het jaar n tot en met 15 augustus van het jaar n+1.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid, mag de wekelijkse arbeidsduur die het personeelslid effectief uitvoert, nooit meer bedragen dan 125 % van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur waarvoor het personeelslid is aangesteld. Van dat percentage kan alleen worden afgeweken na uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van het betrokken personeelslid. De criteria daarvoor moeten in het lokaal onderhandelingscomité worden vastgelegd.

HOOFDSTUK III. - Jaarlijkse verlofdagen en feestdagen

Art. 7.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, hebben recht op 35 jaarlijkse verlofdagen per kalenderjaar.

[Met behoud van de toepassing van het eerste lid worden vanaf het kalenderjaar 2011 vijf extra dagen verlof toegekend aan de personeelsleden die terzelfdertijd voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° uiterlijk op 31 augustus 2008 de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben;

2° vóór 1 september 2008 in dienst geweest zijn in een Centrum voor Basiseducatie;

3° op 1 september 2008 in dienst zijn in een Centrum voor Basiseducatie.]

B.Vl.R. 15-7-2011

Art. 8.

Met toepassing van artikel 6 neemt het personeelslid de jaarlijkse verlofdagen op een moment naar keuze, maar met inachtneming van de behoeften van de dienst en onder de verantwoordelijkheid van de directeur van het Centrum voor Basiseducatie.

Art. 9.

Jaarlijks kunnen verlofdagen overgedragen worden naar het volgende kalenderjaar. De voormelde dagen moeten opgenomen zijn vóór 1 mei van het volgende kalenderjaar. In het lokaal onderhandelingscomité zullen hierover afspraken worden gemaakt.

Als het personeelslid door ziekte of arbeidsongeval zijn verlofdagen niet heeft kunnen opnemen voor de datum van de pensionering, worden de opgespaarde verlofdagen uitbetaald aan het personeelslid. Als de opgespaarde verlofdagen ingevolge overlijden voor het pensioen niet opgenomen konden worden, worden die uitbetaald aan de erfgenamen.

Art. 10.

Elke periode waarvoor het personeelslid is aangesteld geeft recht op een aantal jaarlijkse verlofdagen.

Voor het personeelslid dat deeltijds werkt, wordt het aantal jaarlijkse verlofdagen in evenredige mate verminderd.

Als een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt of uit dienst treedt, wordt aantal jaarlijkse verlofdagen tijdens het lopende jaar in evenredige mate verminderd.

Het aantal jaarlijkse verlofdagen wordt tijdens het lopende jaar, en als dat niet meer mogelijk is, tijdens het volgende jaar eveneens in evenredige mate verminderd met het aantal onbezoldigde perioden van verlof of afwezigheid.

In afwijking van het vierde lid, leiden de volgende verloven of afwezigheden niet tot een vermindering van het aantal jaarlijkse vakantiedagen :

1° afwezigheid wegens ziekte of ongeval;

2° bevallingsverlof overeenkomstig artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;

3°afwezigheid wegens militaire dienst die geen volle kalendermaand beslaat;

4° vaderschapsverlof overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 oktober 1994 betreffende de omzetting van het moederschapsverlof in vaderschapsverlof ingevolge hospitalisatie of overlijden van de moeder.

Het aantal aldus berekende jaarlijkse verlofdagen bedraagt altijd een halve of volledige dag. De afronding van de berekening gebeurt naar de hogere halve dag.

Art. 11.

Naast het recht op jaarlijkse verlofdagen, vermeld in dit hoofdstuk, heeft het personeelslid recht op de wettelijke en reglementaire feestdagen, vermeld in artikel 2.

Ter vervanging van de wettelijke en reglementaire feestdagen die vallen op dagen waarop geen arbeid gepresteerd moet worden, heeft een personeelslid vakantie in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar.

Art. 12.

§ 1. Naast het recht op jaarlijkse verlofdagen vermeld in dit hoofdstuk, heeft het personeelslid recht om op grond van dwingende redenen per kalenderjaar tien dagen afwezig te zijn van het werk. Onder dwingende redenen wordt verstaan elke niet te voorziene, los van het werk staande gebeurtenis die de dringende en noodzakelijke tussenkomst van de werknemer vereist en dit voor zover de uitvoering van de arbeidsovereenkomst deze tussenkomst onmogelijk maakt.

Voor een personeelslid dat deeltijds aangesteld is, wordt het voormeld verlof om dwingende redenen in evenredige mate verminderd.

Van de voormelde tien dagen worden er vier bezoldigd.

§ 2. Het personeelslid dat om dringende redenen afwezig is, moet het centrumbestuur vooraf verwittigen. Indien dit niet mogelijk is moet het personeelslid het centrumbestuur zo spoedig mogelijk verwittigen.

Op verzoek van het centrumbestuur moet het personeelslid de dwingende reden bewijzen aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel.

Art. 13.

De verlofdagen, vermeld in dit hoofdstuk, worden gelijkgesteld met perioden waarin gewerkt wordt. Ze worden niet opgeschort bij ziekte, maar wel bij ziekenhuisopname van het personeelslid en de eventueel daarop aansluitende herstelperiode.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 14.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2009.

Artikel 11, tweede lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008.

Art. 15.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.