Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon basisonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    30 OKTOBER 2009
  • publicatiedatum
    B.S.28/12/2009
  • datum laatste wijziging
    04/12/2012

COORDINATIE

B.Vl.R. 12-10-2012 - B.S. 4-12-2012

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 180;

Gelet op het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, artikel VI.22 tot en met VI.28, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project onderwijsvoorrang in het gewoon basisonderwijs, voor wat betreft het buitengewoon onderwijs;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 16 juni 2009 en 10 september 2009;

Gelet op protocol 709 van 3 juli 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol 475 van 3 juli 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het overkoepelende onderhandelingscomité van het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op advies 47.210/1 van de Raad van State, gegeven op 8 oktober 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op het buitengewoon basisonderwijs, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 2.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° aanvullende lestijden : de aanvullende lestijden vermeld in artikel 138, § 1, 6°, van het decreet Basisonderwijs.

2° AgODi : het Agentschap voor Onderwijsdiensten van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming;

3° concentratiegraad : de procentuele verhouding tussen :

a) het aantal externe en semi-interne regelmatige leerlingen in type 1 en type 3 dat beantwoordt aan de "gelijkekansenindicator" zoals bedoeld in artikel 139undecies, § 1, 1°, van het decreet;

b) het totaal aantal externe en semi-interne regelmatige leerlingen in type 1 en type 3 van een school, berekend op 1 februari van het voorafgaande schooljaar;

4° decreet : het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;

5° departement : bevoegde dienst of ambtenaar van het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming;

6° gelijkekansenindicatoren : de gelijkekansenindicatoren bedoeld in artikel 139undecies, § 1, van het decreet;

7° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

HOOFDSTUK II. - Gelijkekansenindicatoren

Art. 3.

De scholen die beantwoorden aan de in artikel 139duodecies, § 1, van het decreet bedoelde voorwaarde, melden vóór 1 april voorafgaand aan de in hetzelfde artikel 139duodecies bedoelde periode van opeenvolgende schooljaren aan AgODi hoeveel regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari, beantwoorden aan de gelijkekansendicatoren.

Art. 4.

De gewichten van de gelijkekansenindicatoren worden in toepassing van artikel 139undecies, § 3, van het decreet vastgelegd als volgt :

1° de indicator "de moeder is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede jaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs" heeft een gewicht van 0,8;

2° de indicator "de taal die de leerling in het gezin spreekt, is niet het Nederlands" heeft een gewicht van 0,4, en dit enkel in combinatie met de andere indicator.

HOOFDSTUK III. - Toekenning van de middelen

Art. 5.

Elke leerling die beantwoordt aan één of meerdere gelijkekansenindicatoren krijgt een bepaald gewicht. Het aantal punten dat een school genereert, is de som van het gewogen aantal leerlingen van die school.

Art. 6.

§ 1. Het totaal aantal aanvullende lestijden wordt in toepassing van artikel 139terdecies, § 1, van het decreet als volgt berekend :

SigmaL = 0,203 x SigmaP

Waarbij,

SigmaL = totaal aantal aanvullende lestijden.

SigmaP= totaal aantal punten van de verschillende scholen met een concentratiegraad van ten minste 40 %.

§ 2. Het totaal aantal aanvullende lestijden per school wordt als volgt berekend :

a) [afgerond (0,203 x P)] = L, waarbij

P = aantal punten per school; dit is 0 als de concentratiegraad < 40 % is.

L= Lestijden voor 1 school.

Scholen waarvoor [afgerond (0,203 x P)] < 6, krijgen geen lestijden, de lestijden die hierdoor vrijkomen, worden bijkomend verdeeld over de scholen waarvoor

[afgerond (0,203 x P)] >= 6.

b) Het definitief aantal lestijden per school wordt dan berekend als volgt :

Ldef = (SigmaL2/SigmaP2 + 0,203) x P2

Waarbij :

Ldef = definitief aantal lestijden voor een school.

SigmaL2 = som van L voor scholen waar L < 6 en de concentratiegraad >= 40 % is.

SigmaP2 = totaal aantal punten van de scholen waar L >= 6 en de concentratiegraad >= 40 % is.

P2 = aantal punten per school voor scholen waar L >= 6 en de concentratiegraad >= 40 %.

§ 3. Als door een stijging van de beschikbare kredieten of door toepassing van artikel 14, eerste lid, aanvullende lestijden vrijkomen in de loop van een in artikel 139duodecies van het decreet bedoelde periode van opeenvolgende schooljaren, wordt het aantal lestijden per punt opnieuw berekend.

Art. 7.

Het aantal aanvullende lestijden dat een school door vermenigvuldiging van het aantal punten met het aantal aanvullende lestijden per punt verkrijgt, wordt afgerond :

1° naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier;

2° naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma gelijk is aan of kleiner is dan vier.

Art. 8.

Met toepassing van artikel 139duodecies, § 3, van het decreet wordt voor scholen, die aanvullende lestijden zoals bedoeld in artikel 138, § 1, 6°, van het decreet verliezen in vergelijking met de lestijden onderwijsvoorrang van het schooljaar 2008-2009, het verlies voor het schooljaar 2009-2010 beperkt tot één derde en het schooljaar 2010-2011 tot twee derde.

Het aantal aanvullende lestijden dat door de beperking van het verlies wordt verkregen, wordt steeds afgerond naar de hogere eenheid.

Art. 9.

Onverminderd de bepalingen van artikel 6, § 3, blijft het aantal aanvullende lestijden dat een school bekomt, onveranderd gedurende de in artikel 139duodecies van het decreet bedoelde periode van opeenvolgende schooljaren.

Programmaties, fusies en herstructureringen hebben geen effect op het toegekende aantal aanvullende lestijden.

Art. 10.

De toegekende aanvullende lestijden, zoals bedoeld in artikel 6 en artikel 8, worden steeds aangewend in het ambt van kleuteronderwijzer ASV, het ambt van onderwijzer ASV of het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding. De aanvullende lestijden kunnen ook worden toegekend aan de directeur of de adjunct-directeur met lesopdracht.

HOOFDSTUK IV. - Aanwending van de middelen

Afdeling 1. - Doelstellingen

Art. 11.

Een school voldoet aan de bepalingen van artikel 139quaterdecies, § 1, 1°, van het decreet wanneer zij vanuit een analyse van haar beginsituatie zelf concrete en samenhangende doelstellingen uitwerkt met het oog op de versterking van de schoolwerking en de competentie van leerkrachten inzake één van de volgende domeinen :

1° een gericht aanbod rond taalvaardigheidsonderwijs uitwerken waarbij de taalvaardigheid, zoals luisteren, spreken, schrijven en begrijpend lezen in functionele contexten, bij leerlingen wordt bevorderd;

2° onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aanbieden aan ouders;

3° de (laagdrempelige) sociale functies opnemen in een netwerk met partners uit andere sectoren.

Afdeling 2. - Controle op de aanwending

Art. 12.

Rekening houdend met de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie gaat de onderwijsinspectie bij de controle op de aanwending van de aanvullende lestijden na of, en in welke mate :

1° de analyse van de beginsituatie, zoals bedoeld in artikel 139quaterdecies, § 1, van het decreet, voldoende kwaliteitsvol en volledig werd uitgevoerd;

2° de keuze van de doelstellingen voldoende werd verantwoord in het licht van deze analyse;

3° de doelstellingen werden uitgebouwd.

Art. 13.

§ 1. Een negatieve beoordeling door de onderwijsinspectie wordt bij aangetekend schrijven gemeld aan het betrokken schoolbestuur.

§ 2. Het schoolbestuur kan bij wijze van georganiseerd beroep een verweerschrift indienen bij de Vlaamse Regering.

Het verzoek tot behandeling in beroep wordt op straffe van verval betekend binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de in § 1 bedoelde betekening.

§ 3. Het beroep wordt behandeld door een college van inspecteurs, bijeengeroepen door de minister.

Het college is paritair samengesteld voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het vrij onderwijs, voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs.

Deze leden mogen geen deel hebben uitgemaakt van het team dat de negatieve beoordeling heeft uitgebracht.

Het college kiest onder zijn leden een voorzitter.

§ 4. Het college kan alle onderzoeksdaden verrichten. Het schoolbestuur en de directie worden gehoord.

Het onderzoek resulteert in een voorstel over de bevestiging of verwerping van de negatieve beoordeling.

§ 5. Uitsluitend de leden van het college kunnen aan de beraadslagingen deelnemen. Het voorstel wordt bij consensus genomen.

§ 6. Het voorstel wordt binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na de dag van de betekening van het verweerschrift, betekend aan de minister en bij aangetekend schrijven gemeld aan het betrokken schoolbestuur.

§ 7. Het schoolbestuur kan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van het voorstel, bij de minister een verweerschrift indienen tegen een voorstel tot bevestiging van de negatieve beoordeling.

§ 8. De Vlaamse Regering neemt een definitieve beslissing betreffende de bevestiging of verwerping van de negatieve beoordeling binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van het voorstel. Indien na het verstrijken van deze termijn geen beslissing werd betekend aan het schoolbestuur, wordt de negatieve beoordeling geacht verworpen te zijn.

Afdeling 3. - Terugvorderingen en sancties

Art. 14.

In toepassing van artikel 177 van het decreet kunnen misbruiken bij de telling van de regelmatige leerlingen die aan gelijkekansenindicatoren beantwoorden of bij het aanwenden van de aanvullende lestijden aanleiding geven tot sancties overeenkomstig artikel 178 van het decreet. Misbruiken bij de telling van leerlingen worden vastgesteld bij wijze van steekproef.

De door [het Agentschap voor Onderwijsdiensten] vastgestelde overtredingen worden bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De mededeling verwijst naar de mogelijke sancties.

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 15.

Binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze van de betekening van de in artikel 14, tweede lid, bedoelde mededeling, kan het schoolbestuur bij aangetekend schrijven en bij wijze van georganiseerd beroep een verweerschrift indienen bij de minister. De herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie, paasvakantie en zomervakantie schorten de termijn van dertig kalenderdagen op.

De minister neemt een beslissing over de eventuele sanctie. De beslissing wordt bij aangetekend schrijven aan het schoolbestuur meegedeeld binnen een vervaltermijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van de in artikel 14, tweede lid, bedoelde mededeling.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 16.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009.

Art. 17.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.