OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de proef van de kennis van het Nederlands, nodig om het gewoon lager onderwijs aan te vatten

  • goedkeuringsdatum
    21 MEI 2010
  • publicatiedatum
    B.S.11/06/2010
  • datum laatste wijziging
    28/08/2014

COORDINATIE

impliciet opgeheven met Decr. XXIV 25-4-2014 - B.S. 28-8-2014

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 13, § 1, 2°, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 maart 2009 betreffende de toelatingsvoorwaarden voor het gewoon lager onderwijs en de engagementsverklaring tussen de school en de ouders in het basis- en secundair onderwijs;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 7 mei 2010;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat :

- de inschrijvingsvoorwaarde van artikel 13, § 1, 2° van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 van toepassing is voor de inschrijvingen vanaf het schooljaar 2010-2011;

- de leerlingen die de minimale aanwezigheid niet kunnen bewijzen tijdens het schooljaar 2009-2010 de proef moeten kunnen afleggen voor de start van het nieuwe schooljaar;

- de scholen en centra voor leerlingenbegeleiding daartoe over de proef en de handleiding kunnen beschikken;

- de selectie van een proef en de bepaling van de cesuur, zoals gezegd in de parlementaire bespreking van het decreet, werd voorbereid door een groep van wetenschappelijke experten met de bedoeling de kwaliteit van de proef wetenschappelijk te onderbouwen;

- deze experten in het kader van de wetenschappelijke onderbouwing de cesuurbepaling hebben uitgevoerd door gebruik te maken van een methode waarbij praktijkmensen zoals leraren en CLB-medewerkers werden betrokken;

- deze werkzaamheden uit hun aard tijd vergen en werden afgerond in een eindadvies dat op het einde van de maand april 2010 werd ingediend;

Gelet op advies 48.268/1 van de Raad van State, gegeven op 18 mei 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op het gewoon basisonderwijs, erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 2.

§ 1. In dit besluit wordt verstaan onder proef : de proef zoals bedoeld in artikel 13, § 1, 2° van het decreet betreffende het basisonderwijs van 25 februari 1997.

§ 2. In dit besluit wordt verstaan onder afnemer van de proef : het CLB waarmee de school waar de betrokken leerling zich aanbiedt een beleidscontract heeft, of de school waar de betrokken leerling zich aanbiedt.

Art. 3.

§ 1. De proef, die als bijlage (voetnoot 1) bij dit besluit wordt gevoegd, bestaat uit twee onderdelen :

- het gedeelte over passieve woordenschat;

- het gedeelte over zinsbegrip.

§ 2. Om te bepalen of de leerling voor de proef geslaagd is,wordt onderstaande beslissingstabel gebruikt :

Eindresultaat taalproef

Passieve woordenschat

Voldoende

(= of > 22 op 40)

Onvoldoende

(< 22 op 40)

Onderdeel

Zinsbegrip

Voldoende

(= of > 20 op 40)

Geslaagd

Geslaagd

als passieve woordenschat

= of > 18 op 40

Niet geslaagd

als passieve woordenschat

< 18 op 40

Onvoldoende

(< 20 op 40)

Geslaagd als zinsbegrip

= of > 16 op 40

Niet geslaagd

Niet geslaagd als zinsbegrip

< 16 op 40

Deze beslissingstabel vat samen in welke gevallen de leerling geslaagd is voor de taalproef in zijn geheel en in welke gevallen de leerling niet geslaagd is voor de taalproef in zijn geheel. De leerling moet steeds voor minstens één van beide onderdelen de cesuur (voldoende) behalen.

Voor passieve woordenschat ligt de cesuur op 22 op 40, voor zinsbegrip op 20 op 40.

De leerling is geslaagd als :

- hij voor passieve woordenschat = of > 22 op 40 en voor zinsbegrip = of > 20 op 40 behaalt;

- hij voor passieve woordenschat = of > 18 op 40 en voor zinsbegrip = of > 20 op 40 behaalt;

- hij voor passieve woordenschat = of > 22 op 40 en voor zinsbegrip = of > 16 op 40 behaalt.

De leerling is niet geslaagd als :

- hij voor passieve woordenschat < 22 op 40 en voor zinsbegrip < 20 op 40 behaalt;

- hij voor passieve woordenschat < 18 op 40 en voor zinsbegrip = of > 20 op 40 behaalt;

- hij voor passieve woordenschat = of > 22 op 40 en voor zinsbegrip < 16 op 40 behaalt.

§ 3. Een leerling kan de proef slechts één keer afleggen.

§ 4. Aan de afnemers wordt meegedeeld :

- welke toetsen er voor beide onderdelen van de proef worden gebruikt;

- wanneer een leerling geslaagd is voor elke toets en voor de gehele proef;

- de richtlijnen voor de afname van de proef.

Art. 3bis.

De school en het CLB waarmee de school een beleidscontract heeft beslissen onderling wie van hen beide optreedt als afnemer. De school deelt de afnemer mee aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Art. 4.

§ 1. De school verwijst de leerling die niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarde van artikel 13, § 1, 1° of 3° steeds door naar de afnemer om de proef af te leggen, ook indien de school de leerling weigert in te schrijven, in toepassing van het decreet van 28 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I.

§ 2. De school deelt de ouders van de in § 1 bedoelde leerlingen mee met welke afnemer ze contact moeten opnemen voor het afleggen van de taalproef. De afnemer en de ouders stellen in onderling overleg een afspraak vast.

Art. 5.

Indien een leerling vanwege een fysieke of mentale beperking niet in de mogelijkheid is de proef af te leggen, test het CLB, waarmee de school een beleidscontract heeft, de kennis van het Nederlands aan de hand van proeven die het centrum zelf kiest. Het CLB motiveert waarom de leerling in kwestie in de onmogelijkheid verkeert om de proef af te leggen en welke andere proeven zijn gebruikt om de passieve woordenschat en het zinsbegrip te beoordelen.

Art. 6.

§ 1. De afnemer bezorgt de ouders onmiddellijk een attest waarin vermeld is of het kind geslaagd is voor de taalproef of niet. Indien geen van de ouders aanwezig is, stuurt de afnemer hen per brief het attest op.

§ 2. De afnemer bezorgt de school waar het kind is ingeschreven per brief een afschrift van het attest waarin vermeld is of de leerling geslaagd is voor de proef of niet.

Art. 7.

Als de onderwijsinstelling over een afwijkende uurregeling beschikt, wordt het aantal halve dagen, vermeld in de artikelen 13, § 1, 1° en 18, § 1 van het decreet, dat de leerling minstens aanwezig moet zijn geweest, als volgt berekend : AWD x ASDW/SDW.

In deze formule wordt verstaan onder :

1° AWD : de aanwezigheidsdrempel. Dit is het aantal halve dagen dat de leerling het voorgaande schooljaar minstens aanwezig moet zijn geweest, vermeld in artikel 13, § 1, 1° van het decreet;

2° ASDW : het aantal halve schooldagen dat de onderwijsinstelling, met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap per volledige schoolweek lesactiviteiten organiseert;

3° SDW : het aantal halve schooldagen dat een volledige schoolweek standaard telt, namelijk negen. Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar de hogere eenheid.

Art. 8.

Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2010.

Art. 9.

De Vlaamse minister, bevoegd voor Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): NOOT VAN DE REDACTIE : De proef zelf zal niet worden gepubliceerd en valt onder de uitzondering op de regel van openbaarheid van bestuur voor commerciële en industriële informatie die beschermd is om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren (art. 14, 3° van het decreet openbaarheid van bestuur van 26 maart 2004). De proef is immers gebaseerd op auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor een beperkt gebruiksrecht werd overeengekomen. Bovendien zou een bekendmaking van de eigenlijke proef de bruikbaarheid ervan uiteraard tenietdoen.