Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot de wijze waarop sommige bevoegdheden van de inspectie worden uitgevoerd

  • goedkeuringsdatum
    01/10/2010
  • publicatiedatum
    B.S. 26/11/2010 (pagina 73140)
  • bron

    Numac : 2010205935
  • datum laatste wijziging
    25/05/2018

Aanhef

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikelen 33, 35, 41 en 42;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 22 juli 2010;

Gelet op advies 48.583/1/V van de Raad van State, gegeven op 24 augustus 2010, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :
 

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

ART. 1.

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° bestuur: het schoolbestuur of het bestuur van de instelling;
2° beveiligde zending: een van volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekende brief;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
3° decreet van 8 mei 2009: het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° kalenderdag: elke dag van het jaar, uitgezonderd de dagen tijdens de herfst-, de kerst-, de krokus-, de paas- en de zomervakantie;
5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;
6° schriftelijk: op een van de volgende wijzen:
a) met een brief, verzonden met de post;
b) met een e-mail;
c) via "Mijn Onderwijs": de persoonlijke en beveiligde website voor directies en administraties in het onderwijs.

HOOFDSTUK 2 Advies bij opname in de erkenning

ART. 2.

§ 1. Het onderzoek van de onderwijsinspectie bij een aanvraag tot opname in de voorlopige erkenning, vermeld in artikel 35, § 1, van het decreet van 8 mei 2009, kan worden toevertrouwd aan een individuele inspecteur of aan een team van inspecteurs.

Het inspectiebezoek, vermeld in het eerste lid, wordt niet aangekondigd.

§ 2. De beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 35, § 1, vierde lid, van het decreet van 8 mei 2009, wordt binnen vijf kalenderdagen na de beslissing schriftelijk meegedeeld aan het bestuur.

§ 3. Conform artikel 35, § 2, van het decreet van 8 mei 2009 wordt de voorlopig erkende school doorgelicht.

De bepalingen uit hoofdstuk 3 van dit besluit zijn van toepassing.

§ 4. De beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 35, § 2, vierde lid, van het decreet van 8 mei 2009, wordt binnen vijf kalenderdagen na de beslissing met een beveiligde zending meegedeeld aan het bestuur.

§ 5. De beslissing om een centrum voor leerlingenbegeleiding voorlopig te erkennen, wordt onmiddellijk meegedeeld aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid.

ART 2/1.

§ 1. Het beroep tegen een niet-erkenning, vermeld in artikel 41, § 2, vierde lid, van het decreet van 8 mei 2009, wordt met een gemotiveerd bezwaarschrift via een beveiligde zending ingediend bij de minister.

Het bezwaarschrift geeft aan waarom het bestuur de niet-erkenning onterecht vindt. Daarbij toont het bestuur aan dat voldaan is aan de decretaal vastgelegde voorwaarden van erkenning.

§ 2. De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het gemotiveerde bezwaarschrift en, in voorkomend geval, nadat hij het bestuur gehoord heeft, een van de volgende beslissingen:
1° het beroep van het bestuur wordt aanvaard en de nieuwe instelling wordt erkend;
2° het beroep van het bestuur wordt verworpen en de beslissing "geen erkenning" blijft behouden.

De minister motiveert de beslissing en deelt die binnen vijf kalenderdagen met een beveiligde zending mee aan het bestuur.

HOOFDSTUK 3 De doorlichting

ART. 3.

...

ART. 4.

...

ART. 5.

§ 1. De onderwijsinspectie deelt het bestuur schriftelijk mee dat een instelling zal worden doorgelicht. De schriftelijke mededeling wordt minstens eenentwintig kalenderdagen voor de start van de doorlichting verstuurd.

Die mededeling vermeldt uitdrukkelijk de informatie die voor en tijdens de doorlichtingsperiode ter beschikking moet zijn van de inspectie.

In afwijking van het eerste lid worden de besturen van de instellingen waarvan de doorlichting in de maand september zal plaatsvinden, uiterlijk op twintig augustus op de hoogte gebracht.

§ 2. De leden van het doorlichtingsteam kunnen tijdens een doorlichting de directeur verzoeken bijkomende relevante informatie ter beschikking te stellen van de inspectie.

De leden van het doorlichtingsteam kunnen tijdens de doorlichting bijkomende relevante informatie verzamelen door lessen en schoolse of centrumgebonden activiteiten bij te wonen, en door gesprekken te voeren met de directie, de personeelsleden, het bestuur, met de ouders van de leerlingen, met de leerlingen of cursisten, met de leden van de participatie- en inspraakorganen of met relevante derden.

De instelling moet de onderwijsinspectie tijdens de doorlichting kunnen aantonen hoe ze de verplichtingen van het decreet van 8 mei 2009 heeft vervuld. Ze kiest zelf de wijze waarop ze dat doet.

ART. 6.

De inspectieleden kunnen tijdens de doorlichtingsbezoeken bijkomende relevante informatie verzamelen door lessen en schoolse of centrumgebonden activiteiten bij te wonen, en door gesprekken te voeren met personeelsleden alsook met het bestuur van de instelling, met de ouders van de leerlingen of met relevante derden.

Tijdens de lessen en schoolse activiteiten kan bijkomende relevante informatie worden ingewonnen via gesprekken met de leerlingen of cursisten.
 

ART. 7.

De onderwijsinspectie brengt het bestuur schriftelijk op de hoogte als de doorlichting afgelopen is.

ART. 8.

§ 1. Uiterlijk dertig kalenderdagen na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie het doorlichtingsverslag aan het bestuur en aan de directie van de instelling. Bij een ongunstig advies als vermeld in artikel 41, § 1, van het decreet van 8 mei 2009, wordt het doorlichtingsverslag met een beveiligde zending bezorgd.

§ 2. Uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het doorlichtingsverslag kan de directie of het bestuur een bespreking van het verslag aanvragen bij de inspecteur-generaal. Die aanvraag wordt schriftelijk ingediend.

De bespreking wordt zo spoedig mogelijk gepland en het bestuur bepaalt zijn vertegenwoordiging.

De aanvraag van een bespreking van het verslag schort de periode van dertig kalenderdagen voor de aanvraag tot opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning, vermeld in artikel 41, § 2, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009, op.

§ 3. Uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het doorlichtingsverslag of, indien er een bespreking werd aangevraagd als vermeld in § 2, eerste lid, na de bespreking van het verslag, kan de directie of het bestuur opmerkingen bezorgen aan de inspecteur-generaal. Die opmerkingen worden ongewijzigd toegevoegd aan het verslag.

§ 4. Binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het doorlichtingsverslag of, indien er een bespreking werd aangevraagd als vermeld in § 2, eerste lid, na de bespreking van het verslag, informeert de directeur van de instelling de leerlingen, de ouders van de leerlingen en de cursisten over de mogelijkheid tot inzage. Het verslag wordt door de directeur van de instelling geagendeerd en integraal besproken op een personeelsvergadering en op de schoolraad of de centrumraad.

ART. 9.

Er worden geen doorlichtingsbezoeken uitgevoerd tussen 10 juni en 15 september.
 

ART. 10.

Het toezicht, vermeld in artikel 38, § 5, van het decreet van 8 mei 2009, bestaat uit een marginale controle op de voorwaarden voor hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid. Dat betekent dat de onderwijsinspectie nagaat of de instelling een doeltreffend beleid ontwikkelt en voert met het oog op de hygiëne, bewoonbaarheid en veiligheid.

HOOFDSTUK 4 [... (opgeh. BVR 25 mei 2018, art. 9, I: 1 september 2018)]

ART. 11.

...

HOOFDSTUK 5 Intrekking van de erkenning

ART. 12.

...

ART. 13.

...

ART. 14.

...

ART. 15.

De mededeling van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 41, § 1, van het decreet van 8 mei 2009, wordt gedaan met een beveiligde zending. Die mededeling bepaalt de datum waarop de erkenning wordt ingetrokken en verwijst naar de mogelijkheden om:
1° de procedure tot intrekking van de erkenning op te schorten;
2° beroep aan te tekenen tegen de onmogelijkheid om de procedure tot intrekking van de erkenning op te schorten.

De nieuwe doorlichting vermeld in artikel 41, § 2, van het decreet van 8 mei 2009, mag op zijn vroegst plaatsvinden negentig kalenderdagen na de datum waarop het definitieve verslag werd bezorgd, behalve als de tekortkomingen betrekking hebben op de hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid.

ART. 16.

Het verzoek tot opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning, vermeld in artikel 41, § 2, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie. Die aanvraag bevat het engagement van het bestuur om aan de tekorten te werken, met externe begeleiding.

ART 16/1.

§ 1. Het beroep tegen een ongunstig advies "zonder de mogelijkheid om de opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning in te roepen", vermeld in artikel 41, § 2, vierde lid, van het decreet van 8 mei 2009, wordt met een gemotiveerd bezwaarschrift via een beveiligde zending ingediend bij de inspecteur-generaal. Het gemotiveerde bezwaarschrift geeft aan waarom een mogelijkheid tot opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning gerechtvaardigd is.

§ 2. Binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van het beroep onderzoekt een paritair samengesteld doorlichtingsteam, dit wil zeggen een team dat voor de helft bestaat uit inspectieleden afkomstig uit het vrij onderwijs en voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs, de argumenten van het bestuur.

De inspecteur-generaal stelt het doorlichtingsteam paritair samen. Het bestaat uit minstens twee inspecteurs en wordt voorgezeten door een coördinerende inspecteur. De inspecteurs mogen geen deel hebben uitgemaakt van het doorlichtingsteam dat het ongunstige advies heeft uitgebracht.

Het paritair samengestelde doorlichtingsteam kan alle onderzoekdaden verrichten.

§ 3. Het paritair samengestelde doorlichtingsteam geeft een van de volgende adviezen:
1° het bestuur kan verzoeken om de procedure tot intrekking van de erkenning op te schorten, op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden;
2° het ongunstige advies "zonder de mogelijkheid om de opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning in te roepen" blijft behouden.

§ 4. De leden van het doorlichtingsteam beslissen in consensus. Het verslag met het advies motiveert omstandig de beslissing. Het verslag van het paritair samengestelde doorlichtingsteam wordt binnen twintig kalenderdagen na afloop van het onderzoek aan de Vlaamse Regering bezorgd en aan het bestuur betekend met een beveiligde zending, onder de verantwoordelijkheid van de inspecteur-generaal.

HOOFDSTUK 6 Werkingscode

ART. 17.

De artikelen 1 tot en met 16/1 maken deel uit van de werkingscode, vermeld in artikel 33, laatste lid, van het decreet van 8 mei 2009.
 

HOOFDSTUK 7 Slotbepalingen

ART. 18.

De volgende besluiten van de Vlaamse Regering worden opgeheven :
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1999 betreffende de werking en de organisatie van het paritair college van onderwijsinspecteurs belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1999 betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 tot vaststelling van de procedure voor opname in de financiering of subsidiëringsregeling van de centra voor leerlingenbegeleiding;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 betreffende de nadere modaliteiten en de procedure voor de opheffing of gedeeltelijke opheffing van de erkenning van een Centrum voor Basiseducatie of een Centrum voor Volwassenenonderwijs.
 

ART. 19.

Dit besluit treedt in werking op de dag van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
 

ART. 20.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.