Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot de wijze waarop sommige bevoegdheden van de inspectie worden uitgevoerd

  • goedkeuringsdatum
    01 OKTOBER 2010
  • publicatiedatum
    B.S.26/11/2010
  • datum laatste wijziging
    01/10/2014

COORDINATIE

B.Vl.R. 20-6-2014 - B.S. 1-10-2014

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikelen 33, 35, 41 en 42;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 22 juli 2010;

Gelet op advies 48.583/1/V van de Raad van State, gegeven op 24 augustus 2010, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° decreet van 8 mei 2009 : het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

2° kalenderdag : elke dag van het jaar, uitgezonderd de dagen tijdens de herfst-, de kerst-, de krokus-, de paas- en de zomervakantie;

3° minister : de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.

HOOFDSTUK 2. - Advies bij opname in de erkenning

Art. 2.

§ 1. Het onderzoek van de inspectie bij een aanvraag tot opname in de erkenning, vermeld in artikel 35 van het decreet van 8 mei 2009, kan worden toevertrouwd aan een individuele inspecteur of aan een team van inspecteurs.

§ 2. Het inspectiebezoek wordt niet aangekondigd.

§ 3. De directeur stelt tijdens het onderzoek alle gevraagde relevante informatie ter beschikking. Tijdens het onderzoek kan de inspecteur of het inspectieteam verder informatie verzamelen door onder meer activiteiten of lessen bij te wonen of door gesprekken te voeren met personeelsleden, alsook met leden van het bestuur van de instelling of zijn gemandateerde en met ouders van de leerlingen. Informatie vergaren door gesprekken te voeren met leerlingen of cursisten kan tijdens de bijgewoonde lessen en andere schoolse activiteiten.

§ 4. Het onderzoek wordt afgesloten met een verslag dat resulteert in een gemotiveerd advies dat op twee manieren kan worden uitgebracht :

1° een gunstig advies;

2° een ongunstig advies, met een lijst van de vastgestelde tekorten.

Het verslag, vermeld in het eerste lid, wordt binnen dertig kalenderdagen na het onderzoek aan de directeur en aan het bestuur van de instelling bezorgd.

§ 5. Als het bestuur meent dat het ongunstig advies onterecht gegeven werd, zal het dat binnen dertig kalenderdagen met een aangetekende brief melden aan de inspecteur-generaal door middel van een gemotiveerd bezwaarschrift.

De inspecteur-generaal zal binnen een periode van dertig kalenderdagen een van de volgende beslissingen nemen. Hij kan beslissen dat :

1° het beroep van het bestuur van de instelling wordt aanvaard. Als het beroep wordt aanvaard, zal het advies worden gewijzigd in een gunstig advies en wordt het aldus gewijzigde verslag, dat gedateerd wordt bij de opmaak ervan, het oorspronkelijke verslag vervangt en geldt als definitief verslag, opnieuw verzonden naar de directeur en naar het bestuur van de instelling;

2° het beroep van het bestuur van de instelling gedeeltelijk wordt aanvaard, maar het ongunstig advies behouden blijft. In dat geval wordt het aldus gewijzigde verslag, dat een lijst van de vastgestelde tekortkomingen bevat, gedateerd wordt bij de opmaak ervan, het oorspronkelijke verslag vervangt en geldt als definitief verslag, opnieuw verzonden naar de directeur en naar het bestuur van de instelling. Het bestuur van de instelling zal binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing van de inspecteur-generaal in voorkomend geval haar schriftelijk commentaar aan de inspectie bezorgen;

3° het beroep van het bestuur van de instelling volledig verworpen blijft, en die beslissing wordt naar de directeur en het bestuur van de instelling gestuurd. Het bestuur van de instelling zal binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing van de inspecteur-generaal in voorkomend geval haar schriftelijk commentaar aan de inspectie bezorgen.

§ 6. Het verzoek tot opname in de erkenning wordt samen met het definitieve advies van de inspectie voor beslissing voorgelegd aan de minister. In voorkomend geval wordt het bezwaarschrift of het schriftelijk commentaar van de instelling, vermeld in paragraaf 5, tweede lid, 2° en 3°, gevoegd bij het dossier dat aan de minister wordt voorgelegd.

§ 7. Wanneer de minister een centrum voor leerlingenbegeleiding opneemt in de erkenning, wordt deze beslissing onverwijld meegedeeld aan de Vlaamse minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid.

HOOFDSTUK 3. - De doorlichting

Art. 3.

De doorlichting, vermeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009, bestaat uit de volgende drie fases :

1° het vooronderzoek;

2° de fase van de doorlichtingsbezoeken;

3° de fase van de verslaggeving.

Art. 4.

Voor het vooronderzoek wordt binnen de inspectie een dossierbeheerder aangewezen.

Na afloop van het vooronderzoek wordt een inspecteur aangewezen als inspecteur-verslaggever. Die is verantwoordelijk voor de organisatie van de doorlichtingsbezoeken en voor de verslaggeving tijdens de verslaggevingsfase.

Art. 5.

§ 1. De inspectie kondigt schriftelijk aan dat een instelling zal worden doorgelicht. Die aankondiging wordt gezonden aan het bestuur van de instelling en vermeldt de periode waarin de doorlichting zal plaatsvinden. De schriftelijke mededeling wordt verstuurd ten minste dertig kalenderdagen voor het aangekondigde begin van de periode waarin de instelling zal worden doorgelicht.

In afwijking van het eerste lid worden de besturen van de instellingen waarvan de doorlichtingsbezoeken in de maand september zullen plaatsvinden, uiterlijk op 20 augustus op de hoogte gebracht.

§ 2. De mededeling, waarin de doorlichting wordt aangekondigd, vermeldt uitdrukkelijk de informatie die tijdens de periode waarin de instelling kan worden doorgelicht, in de instelling ter beschikking moet zijn van de inspectie.

Bij de mededeling van de inspectie wordt een vragenlijst gevoegd, die de instelling voor het begin van de aangekondigde periode waarin de instelling zal worden doorgelicht, ingevuld aan de inspectie moet bezorgen.

De leden van het doorlichtingsteam kunnen tijdens een doorlichtingsbezoek de directeur verzoeken bijkomende relevante documenten ter beschikking te stellen van de inspectie.

De instelling moet de inspectie tijdens de doorlichting kunnen aantonen hoe ze de door het decreet van 8 mei 2009 opgelegde verplichtingen heeft vervuld. Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid, kiest ze zelf de wijze waarop ze dat doet.

Art. 6.

De inspectieleden kunnen tijdens de doorlichtingsbezoeken bijkomende relevante informatie verzamelen door lessen en schoolse of centrumgebonden activiteiten bij te wonen, en door gesprekken te voeren met personeelsleden alsook met het bestuur van de instelling, met de ouders van de leerlingen of met relevante derden.

Tijdens de lessen en schoolse activiteiten kan bijkomende relevante informatie worden ingewonnen via gesprekken met de leerlingen of cursisten.

Art. 7.

Het bestuur van de instelling wordt door de inspectie schriftelijk verwittigd als de doorlichtingsbezoeken afgelopen zijn. De datum van het laatste doorlichtingsbezoek geldt als datum voor het einde van de fase van de doorlichtingsbezoeken.

Art. 8.

§ 1. Uiterlijk zestig kalenderdagen nadat de fase van de doorlichtingsbezoeken beëindigd is, informeert de inspectie het bestuur van de instelling over haar bevindingen door een ontwerpverslag te bespreken. Het bestuur bepaalt door wie het vertegenwoordigd wordt bij dat gesprek.

§ 2. Uiterlijk zestig kalenderdagen na het gesprek, vermeld in paragraaf 1, stuurt de inspectie het definitieve verslag naar de directeur en naar het bestuur van de instelling. Het verslag wordt gedateerd bij het versturen ervan.

Het verslag van de doorlichting is een objectieve weergave van de beoordeling van de kwaliteit van de school, de onderwijsinstelling of het centrum.

Het verslag van de doorlichting mag door de school, de onderwijsinstelling of het centrum niet worden gebruikt met het oog op een promotie- of wervingscampagne.

§ 3. Het bestuur van de instelling viseert het verslag van de doorlichting, vermeld in paragraaf 2, en stuurt het binnen dertig kalenderdagen na ontvangst terug naar de inspectie en maakt eventueel melding van zijn opmerkingen.

De opmerkingen, vermeld in het eerste lid, worden ongewijzigd opgenomen in het verslag.

§ 4. Een exemplaar van het volledige doorlichtingsverslag ligt op het secretariaat van de instelling ter inzage.

Binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het definitieve doorlichtingsverslag informeert de directeur van de onderwijsinstelling de leerlingen, de ouders van de leerlingen en de cursisten over de mogelijkheid tot inzage, en informeert de directeur van het centrum voor leerlingenbegeleiding de centrumraad.

Het verslag moet bovendien binnen dertig kalenderdagen na ontvangst door de directeur van de instelling geagendeerd en integraal besproken worden op een personeelsvergadering.

§ 5. Het verslag en het advies, vermeld in artikel 39 van het decreet van 8 mei 2009, wordt aan de minister bezorgd.

Art. 9.

Er worden geen doorlichtingsbezoeken uitgevoerd tussen 10 juni en 15 september.

Art. 10.

§ 1. Het toezicht, vermeld in artikel 38, § 5, van het decreet van 8 mei 2009, bestaat uit een marginale controle op de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid. Tevens wordt onderzocht of de materieel bevoegde overheden geen tekortkomingen hebben vastgesteld en of alle wettelijk vereiste veiligheidsattesten zijn afgeleverd. Die marginale controle kan uitgevoerd worden door een inspecteur of een team van inspecteurs.

§ 2. Indien het toezicht, vermeld in artikel 38, § 5, van het decreet van 8 mei 2009, afzonderlijk van de doorlichting wordt uitgevoerd, zijn in geval van dringende noodzakelijkheid de artikelen 5 tot en met 9 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van :

1° artikel 5, § 1 en artikel 5, § 2, eerste en tweede lid, die niet van toepassing zijn;

2° artikel 8, § 1, § 2, eerste lid en § 3, die niet van toepassing zijn. In afwijking hiervan maakt de inspectie uiterlijk 14 kalenderdagen na het einde van het toezicht een definitief verslag op en bezorgt het aan de directeur en het bestuur van de instelling. Het verslag wordt gedateerd bij het versturen ervan. Het bestuur van de instelling viseert dit verslag en stuurt het binnen 14 kalenderdagen terug naar de inspectie en maakt eventueel melding van zijn opmerkingen, die ongewijzigd opgenomen zullen worden in het verslag.

HOOFDSTUK 4. - De opvolgingsdoorlichting

Art. 11.

§ 1. De opvolgingsdoorlichting, vermeld in artikel 40 van het decreet van 8 mei 2009, mag op zijn vroegst plaatsvinden negentig kalenderdagen na de datum waarop het definitieve verslag werd bezorgd, behalve als de tekortkomingen betrekking hebben op de hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid. Artikel 4 tot en met 9, is van overeenkomstige toepassing op de opvolgingsdoorlichting.

§ 2. Het beperkt gunstig advies, vermeld in artikel 39, § 4, 2°, van het decreet van 8 mei 2009, zal, in zoverre het betrekking heeft op de financiering of subsidiëring van instellingen, afdelingen en andere onderverdelingen van instellingen, geen invloed hebben op de financiering of subsidiëring totdat de erkenning van de instelling of van structuuronderdelen ingetrokken wordt.

§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan het bestuur van de instelling binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies wat betreft de periode, vermeld in artikel 39, § 4, 2°, van het decreet van 8 mei 2009, een gemotiveerd tegenvoorstel doen. Als een andere periode wordt voorgesteld, meldt de inspecteur-generaal de ontvangst ervan en deelt de genomen beslissing mee binnen de dertig kalenderdagen aan het bestuur van de instelling. Zo niet wordt de voorgestelde periode aanvaard.

HOOFDSTUK 5. - Intrekking van de erkenning

Art. 12.

[...]

B.Vl.R. 20-6-2014

Art. 13.

[§ 1. De colleges, vermeld in artikel 41, § 4 en § 5, van het decreet van 8 mei 2009, bestaan uit minstens twee inspecteurs. Die inspecteurs mogen geen deel hebben uitgemaakt van het doorlichtingsteam dat het ongunstige advies heeft uitgebracht.

De minister stelt het college samen en beslist of hij een voorzitter aan het paritair college toevoegt, nadat hij het advies heeft ingewonnen van de inspecteur-generaal.

§ 2. Het college wordt uiterlijk de tiende kalenderdag voor het verstrijken van de termijn van negentig kalenderdagen, vermeld in artikel 41, § 3, 1°, 2° of 3°, van het decreet van 8 mei 2009, samengesteld.]

B.Vl.R. 20-6-2014

Art. 14.

§ 1. [Het college voert de opdracht uit voor het verstrijken van de periode van negentig kalenderdagen, vermeld in artikel 41, § 3, 1°, 2° of 3°, van het decreet van 8 mei 2009 en kan alle onderzoeksdaden verrichten. Het bestuur van de instelling en de directie worden binnen deze periode uitgenodigd voor een gesprek.]

§ 2. [Als er een voorzitter aan het college is toegevoegd, wordt het voorstel voor de al dan niet gehele of gedeeltelijke intrekking van de erkenning geformuleerd door de voorzitter.

Als er geen voorzitter aan het college is toegevoegd, wordt het voorstel voor de gehele of gedeeltelijke intrekking van de erkenning geformuleerd door de inspecteur-generaal.]

§ 3. De leden van het college, met inbegrip van de voorzitter, beslissen bij gewone meerderheid over het voorstel van de voorzitter, mits minstens twee derde van de leden van het college aanwezig is. [...]

Het advies wordt gedateerd bij de stemming ervan.

B.Vl.R. 20-6-2014

Art. 15.

In afwijking van artikel 8, § 5, wordt het verslag van het college binnen vijfenveertig kalenderdagen na afloop van het onderzoek, vermeld in artikel 14, § 1, aan de Vlaamse Regering overgezonden en aan het bestuur van de instelling betekend door het college, onder de verantwoordelijkheid van de inspecteur-generaal.

Het verslag bevat ten minste :

1° het advies en, indien van toepassing overeenkomstig artikel 41, § 5, 3° van het decreet van 8 mei 2009, een voorstel tot geleidelijkheid;

2° een duidelijke gemotiveerde beschrijving van de tekorten in geval van voorstel tot gehele of gedeeltelijke opheffing van de erkenning;

3° alle verslagen van controles van de voorbije drie jaar.

Art. 16.

Het bestuur van de instelling heeft het recht, binnen dertig kalenderdagen na de betekening van het verslag, bij de Vlaamse Regering een verweerschrift tegen het voorstel tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de erkenning in te dienen.

[In afwijking van het eerste lid, bedraagt de termijn waarin het bestuur van de instelling een verweerschrift kan instellen zeven kalenderdagen na het aangetekend versturen van het verslag als de vastgestelde tekortkomingen alleen betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarde bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne.]

[Als geen verweerschrift wordt ingediend als vermeld in het eerste of het tweede lid, neemt de Vlaamse Regering een definitieve beslissing over de erkenning binnen zestig kalenderdagen na het aangetekend versturen van het verslag. Als de instelling een verweerschrift heeft ingediend, neemt de Vlaamse Regering een definitieve beslissing over de erkenning binnen dertig kalenderdagen na de indiening van dat verweerschrift.]

De beslissing van de Vlaamse Regering wordt met een aangetekende brief betekend aan het bestuur van de instelling.

Als de beslissing van de Vlaamse Regering over de erkenning niet tijdig aan het bestuur van de instelling werd betekend, blijft de erkenning behouden.

De beslissing over gehele of gedeeltelijke intrekking van de erkenning gaat in op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.

B.Vl.R. 20-6-2014

HOOFDSTUK 6. - Werkingscode

Art. 17.

De artikelen 1 tot en met 16 maken deel uit van de werkingscode, vermeld in artikel 33, laatste lid, van het decreet van 8 mei 2009.

HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

Art. 18.

De volgende besluiten van de Vlaamse Regering worden opgeheven :

1° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1999 betreffende de werking en de organisatie van het paritair college van onderwijsinspecteurs belast met het advies betreffende de opheffing van de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan, een onderwijsinstelling of een onderdeel ervan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008;

2° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1999 betreffende de wijze waarop sommige bevoegdheden van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008;

3° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 tot vaststelling van de procedure voor opname in de financiering of subsidiëringsregeling van de centra voor leerlingenbegeleiding;

4° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 betreffende de nadere modaliteiten en de procedure voor de opheffing of gedeeltelijke opheffing van de erkenning van een Centrum voor Basiseducatie of een Centrum voor Volwassenenonderwijs.

Art. 19.

Dit besluit treedt in werking op de dag van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 20.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.