De centrumorganisatie van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie

  • Deze omzendbrief bevat alle richtlijnen inzake de centrumorganisatie van het volwassenenonderwijs door de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie.
  • De overheid wenst zo de centra op een transparante en eenduidige wijze te informeren. Deze omzendbrief zal op regelmatige tijdstippen geactualiseerd worden.
  • De huidige actualisering betreft een aanpassing aan de nieuwe studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs en de aanpassing van de lijst met diplomagerichte beroepsopleidingen (bijlage 4).

1. Toelatings- en inschrijvingsvoorwaarden

1.1. Toelatingsvoorwaarden

Om toegelaten te worden tot een opleiding in het volwassenenonderwijs moet een kandidaat-cursist voldoen aan een aantal toelatingsvoorwaarden.

De toelatingsvoorwaarden kunnen verschillen naargelang het type aanbod.

1.1.1. Leeftijdsvoorwaarden

Er wordt een onderscheid in de toelatingsvoorwaarden gemaakt tussen cursisten die voldaan hebben aan de deeltijdse of aan de voltijdse leerplicht. Een cursist heeft voldaan aan de voltijdse leerplicht wanneer hij op het ogenblik van zijn inschrijving 16 jaar is of 15 jaar en de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs heeft gevolgd. Een cursist heeft voldaan aan de deeltijdse leerplicht als hij op het ogenblik van zijn inschrijving 18 jaar is of wanneer hij het voltijds secundair onderwijs met vrucht beëindigd heeft . Indien de inschrijving plaats vindt tussen 1 september en 31 december, dan moet de cursist 18 worden ten laatste op 31 december van hetzelfde kalenderjaar.

Cursisten die voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht hebben toegang tot :

- de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal en talen van de basiseducatie;

- de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, uitgezonderd de opleidingen van de studiegebieden algemene vorming, aanvullende algemene vorming, bedrijfsbeheer en Hebreeuws.

Cursisten die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht hebben toegang tot :

- de opleidingen van de leergebieden informatie- en communicatietechnologie, maatschappijoriëntatie, Nederlands en wiskunde en het maatwerk van de basiseducatie;

- de opleidingen van de studiegebieden algemene vormingen aanvullende algemene vorming;

- de opleidingen van de studiegebieden van het hoger beroepsonderwijs;

- de specifieke lerarenopleiding.

Om toegelaten te worden tot de opleidingen bedrijfsbeheer, bedrijfsbeheer TSO 3 en bedrijfsbeheer, distributieattest, vestigingswet TSO 3 van het studiegebied bedrijfsbeheer moet een cursist aan één van volgende voorwaarden voldaan hebben:

1° voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht;

2° ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs.

Voor de opleidingen van het studiegebied Hebreeuws, gelden geen leeftijdsvoorwaarden.

Onder specifieke voorwaarden kunnen jongeren tussen 12 en 16 jaar oud toegelaten worden tot de opleidingen van de studiegebiedenNederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 (zie 1.1.4.1.2).

1.1.2. Vereiste studiebewijzen

Om toegelaten te worden tot de opleidingen van de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs moet de cursist geen studiebewijzen voorleggen.

Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en voor de specifieke lerarenopleidingen gelden er wel specifieke toelatingsvoorwaarden op vlak van behaalde studiebewijzen.

1.1.2.1. Vereiste studiebewijzen voor het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding

Om toegelaten te worden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding moet de cursist beschikken over een van volgende studiebewijzen:

- een diploma van het secundair onderwijs;

- een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie of van het hoger beroepsonderwijs;

- een diploma van het hoger onderwijs van het korte of lange type met volledig leerplan, van bachelor of van master;

- een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's.

Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het centrumbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger professioneel onderwijs dan wel het academisch onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding.

Voor meer informatie met betrekking tot de gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen kan het centrumbestuur terecht bij NARIC Vlaanderen: http://onderwijs.vlaanderen.be/naric/

Ook volgende studiebewijzen geven toegang tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs (maar niet tot de specifieke lerarenopleiding):

- een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens drie jaar behaald is;

- een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie of van het secundair volwassenenonderwijs van minimum 900 lestijden;

- een certificaat van het hoger beroepsonderwijs;

1.1.2.2. Afwijkende toelatingsvoorwaarden voor het hoger beroepsonderwijs

In afwijking van de vereiste studiebewijzen voor het hoger beroepsonderwijs neemt een centrumbestuur in zijn centrumreglement (6.1.1) afwijkende toelatingsvoorwaarden op. De afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met de volgende elementen:

- humanitaire redenen;

- medische, psychische of sociale redenen;

- het algemene niveau van de cursist, getoetst met een door

het centrumbestuur georganiseerde toelatingsproef.

De toelatingsproef wordt uiterlijk de vijfde dag vóór het einde van de inschrijvingsperiode georganiseerd en gaat na of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de module in kwestie aan te vangen. De directeur van het centrum kan de organisatie van een toelatingsproef op verzoek van de cursist niet weigeren.

De directeur van het centrum maakt op basis van de resultaten van de toelatingsproef een beoordeling op in de vorm van een schriftelijk verslag, dat opgenomen wordt in het dossier van de cursist (zie 6.1.5).

De voorwaarden om een toelatingsproef te organiseren worden opgenomen in het centrumreglement (zie 6.1.1).

1.1.2.3. Afwijkende toelatingsvoorwaarden voor de specifieke lerarenopleiding

In afwijking van de vereiste studiebewijzen voor de specifieke lerarenopleiding, kunnen de cursisten van de specifieke lerarenopleiding die geen diploma secundair onderwijs behaald hebben, een door de Vlaamse Regering vast te leggen brugprogramma volgen.

In afwijking hiervan kunnen deze cursisten toegelaten worden tot de opleiding op basis van een toelatingsproef die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de specifieke lerarenopleiding te volgen.

De directeur kan de organisatie van een toelatingsproef op verzoek van de cursist niet weigeren. De directeur van het centrum maakt op basis van de resultaten van de toelatingsproef een beoordeling op in de vorm van een schriftelijk verslag, dat opgenomen wordt in het dossier van de cursist(6.1.5).

De voorwaarden om een toelatingsproef te organiseren worden opgenomen in het centrumreglement (zie 6.1.1).

De directeur moet de cursisten zonder diploma secundair onderwijs bij de start van de specifieke lerarenopleiding informeren over de tewerkstellingskansen als leerkracht. Hierdoor wordt vermeden dat cursisten die de specifieke lerarenopleiding gevolgd hebben, nadien niet tewerkgesteld kunnen worden in het onderwijs omdat zij niet over het vereiste basisdiploma beschikken.

1.1.3. Volgorderelatie tussen modules en opleidingen

1.1.3.1. Toelating tot de aanvangsmodules en niet-sequentieel geordende modules

Wanneer de cursist voldoet aan de toelatingsvoorwaarden vermeld in 1.1.1 en 1.1.2 wordt deze in alle gevallen toegelaten tot de aanvangsmodule van een opleiding in de sequentieel geordende organisatie of tot een niet-sequentieel geordende module.

Deze bepaling geldt eveneens voor het aanvangsleerjaar van een lineaire opleiding.

1.1.3.2. Toelating tot de sequentieel geordende modules

Om als cursist toegelaten te worden tot een sequentieel geordende module van een opleiding, moet voldaan worden aan één van de voorwaarden die opgenomen zijn in artikel 35 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Ter uitvoering van artikel 35, §2, 2° van hetzelfde decreet heeft de Vlaamse Regering bepaald welke deelcertificaten uitgereikt door een Centrum voor Basiseducatie toegang geven tot welke sequentieel geordende modules (bijlage1)

Ter uitvoering van hetzelfde artikel en in opvolging van het bilateraal samenwerkingsakkoord tussen het ministerie van Landsverdediging en het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming heeft de Vlaamse Regering bepaald welke attesten uitgereikt door het ministerie van Defensie toegang geven tot welke sequentieel geordende modules (bijlage2)

Voor sommige sequentieel geordende modules geldt er een overgangsregeling in afwachting van de bijsturing van het opleidingsprofiel waarbij de volgorderelatie zal herbekeken worden. In afwachting van het nieuwe opleidingsprofiel wordt er gedoogd dat inzake de toelatingsvoorwaarden geen rekening wordt houden met de volgorderelaties m.b.t.:

  • de module ‘basis’ van de opleidingsprofielen van de studiegebieden textiel, ambachtelijke accessoires (voorheen kant), koeling en warmte, mechanica-elektriciteit en lassen die op 1 september 2005 ingevoerd werden (zie ook punt 3.1.1. van omzendbrief VWO/2011/03);
  • de modules op het niveau Breakthrough van de opleiding Alfa NT2 van de basiseducatie, met uitzondering van de volgorderelaties tussen de startmodule en de module 5 en tussen de startmodule en de gezamenlijke modules 6, 7, 8 en 9. Deze twee pijlen moeten wel gerespecteerd blijven.

1.1.3.3. Toelating tot de taalopleidingen vanaf richtgraad 2

In afwijking van de bepaling in 1.1.3.1 moet een cursist om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule van een opleiding vanaf richtgraad 2 van de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europese talen richtgraad 3 en 4,Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen,met uitzondering van de opleidingen Deens richtgraad 4, Duits richtgraad 4, Engels richtgraad 4, Frans richtgraad 4, Italiaans richtgraad 4, Portugees richtgraad 4, Spaans richtgraad 4 en Zweeds richtgraad 4, kunnen aantonen dat hij de basiscompetenties behaald heeft van de opleiding van het niveau van de voorgaande richtgraad.

Voor de opleidingen van de studiegebieden NT2richtgraad 1 en 2 en NT2 richtgraad 3 en 4 gelden vanaf 1 september 2014 de volgende aanvullende toelatingsvoorwaarden:

1° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met schriftelijke basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de schriftelijke basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad;

2° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met mondelinge basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de mondelinge basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad.

Voorbeelden

Een cursist heeft de competenties van de module Waystage mondeling van de opleiding NT2 richtgraad 1 van het secundair volwassenenonderwijs behaald maar (nog) niet de competenties van de module Waystage schriftelijk. Deze cursist krijgt (nog) niet het certificaat van de opleiding NT2 richtgraad 1 uitgereikt maar kan op basis van het deelcertificaat Waystage mondeling wel al doorstromen naar de eerste modules Treshold mondeling van de opleiding NT2 richtgraad 2.

Een cursist heeft de competenties van de modules Waystage mondeling 1 en Waystage mondeling2 van de opleiding NT2 richtgraad 1 van de basiseducatie behaald maar (nog) niet de competenties van de modules Waystage schriftelijk 1 en Waystage schriftelijk 2. Deze cursist krijgt (nog) niet het certificaat van de opleiding NT2 richtgraad 1 uitgereikt maar kan op basis van de deelcertificaten Waystage mondeling 1 en Waystage mondeling 2 wel al doorstromen naar de eerste modules Treshold mondeling van de opleiding NT2 richtgraad 2.

1.1.4. Leer- of studiegebiedspecifieke toelatingsvoorwaarden

1.1.4.1. Leer- of studiegebied Nederlands tweede taal

1.1.4.1.1. Doorverwijzing door het Huis van het Nederlands

In het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs worden de toelatingsvoorwaarden voor cursisten Nederlands tweede taal die niet beschikken over een studiebewijs Nederlands tweede taal afgestemd op de bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de Huizen van het Nederlands.

De Huizen van het Nederlands beschikken over de uitsluitende bevoegdheid voor de organisatie en coördinatie van de intake, testing en doorverwijzing van cursisten die niet beschikken over een studiebewijs Nederlands tweede taal.

De Centra voor Basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs zijn dan ook gehouden de bevoegdheid van de Huizen van het Nederlands te aanvaarden en de afspraken, gemaakt in het kader van de Huizen van het Nederlands over intake, testing en doorverwijzing van cursisten Nederlands tweede taal, die niet beschikken over een studiebewijs Nederlands tweede taal, na te leven.

Een cursist Nederlands tweede taal wordt geschrapt als subsidieerbare cursist als bij verificatie van de cursistenkenmerken blijkt dat de afspraken over intake, testing en doorverwijzing niet worden nageleefd.

1.1.4.1.2. 12-16-jarigen

In afwijking van de toelatingsvoorwaarden m.b.t. leeftijd (zie 1.1.1) kunnen onder bepaalde voorwaarden ook 12- tot 16-jarigen uit het voltijds secundair onderwijs tot de opleidingen van het leergebied of de studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 toegelaten worden. Het is de leeftijd van de betrokken leerling op het moment van de inschrijving die bepalend is voor de verificatie. De leerling moet dus bij de inschrijving minstens 12 jaar oud zijn en mag niet ouder zijn dan 16 jaar noch 15 jaar en de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs gevolgd hebben.

Voor deze cursisten gelden specifieke toelatingsvoorwaarden:

- de leerling neemt op vrijwillige basis deel;

- de leerling volgt de opleiding buiten de lesuren van de school voor secundair onderwijs;

- de school voor secundair onderwijs levert aan de leerling een attest af waarin ten minste volgende elementen zijn opgenomen:

· een omschrijving van de taalachterstand van de leerling in functie van de opleiding die de leerling in het secundair onderwijs volgt;

· de contactgegevens van de persoon die door de school voor secundair onderwijs wordt aangeduid voor de opvolging van de modules of de opleiding waarvoor de leerling in het organiserende centrum is ingeschreven.

- het organiserende centrum contacteert de persoon van de school voor secundair onderwijs:

· bij de aanvang en bij de afronding van de modules of de opleiding waarvoor de leerling is ingeschreven;

· bij de vroegtijdige stopzetting van de modules of de opleiding;

· bij stagnatie van de leervorderingen van de leerling in de modules of de opleiding.

Het attest bedoeld in het derde punt wordt bij inschrijving toegevoegd aan het cursistendossier van de leerling, zoals opgemaakt door het organiserende centrum (zie 6.1.5).

1.1.4.2. Opleidingen waar cursisten in aanraking komen met voeding

In uitvoering van federale, Europese of andere hiërarchisch hogere regelgeving zijn voor sommige opleidingen aanvullende toelatingsvoorwaarden mogelijk.

Voor de opleidingen waarin cursisten rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten, is in uitvoering van de federale regelgeving op de voedselveiligheid (cfr. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, hierna FAVV) een medisch geschiktheidsattest vereist om als cursist toegelaten te worden tot de aanvangsmodule van een opleiding in de sequentieel geordende organisatie of tot een niet-sequentieel geordende module. Ook voor de lineaire opleidingen die inhoudelijk overeenstemmen met bovenstaande opleidingen is een medisch geschiktheidsattest vereist om als cursist toegelaten te worden tot het aanvangsleerjaar. Een overzicht van de bedoelde opleidingen vindt u in bijlage3 bij deze omzendbrief.

Het FAVV hanteert de norm dat het attest waaruit blijkt dat de cursist medisch geschikt is bevonden uit het oogpunt van consumentenbescherming, steeds vereist is in structuuronderdelen waar cursisten rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komen en zij die waren of stoffen kunnen verontreinigen of besmetten. Hierop geldt één uitzondering: indien eenzelfde groep van cursisten voeding bereidt én nadien consumeert, is er geen verplichting tot medisch attest. Vermits de opleidingen die niet zijn opgenomen in de in bijlage3 beschreven lijst een heterogeen beeld geven, is het onmogelijk om eenvormig te bepalen voor welke van die structuuronderdelen het medisch attest wel of niet verplicht is. De centrumbesturen moeten, in het licht van de FAVV-norm, hierin zelf hun verantwoordelijkheid nemen en beslissen. Die beslissing houdt dus in of in de betrokken centra/opleidingen het medisch attest wel of niet een toelatingsvoorwaarde is voor alle cursisten. Hierover wordt via het centrumreglement gecommuniceerd.

In het kader van het uitreiken van een medisch geschiktheidsattest dient een arts voor de eerste inschrijving een verklaring van lichamelijke geschiktheid op te stellen. Dit attest mag op het moment van inschrijving ten hoogste drie jaar oud zijn. Een kopie van het medisch attest moet in het cursistendossier aanwezig zijn. Tenzij er een aanleiding is (bv. na ziekte) om de geschiktheid te herevalueren, is de geschiktheidsverklaring eenmalig en geldt voor de hele duur van een opleidingstraject, ook bij een eventuele verandering van Centrum voor Volwassenenonderwijs of overschakeling in de loop van het opleidingstraject naar een andere, verwante opleiding. De cursist mag echter zelf niet het opleidingstraject onderbreken. De tussenperiodes die eigen zijn aan een opleiding in een modulaire structuur worden echter niet als onderbrekingen beschouwd voor zover het niet gaat om tussenperiodes langer dan één jaar. In beginsel volstaat dus de verklaring die desgevallend al in een eerder schooljaar werd uitgereikt.

Een ongeschiktheidsverklaring in het kader van de toelating tot een opleiding impliceert dat de cursist niet aan de toelatingsvoorwaarden voldoet; een ongeschiktheidsverklaring na herevaluatie tijdens een opleiding impliceert dat de cursist uiterlijk op het einde van het lopende schooljaar zijn opleiding waarin rond voeding wordt gewerkt, moet stopzetten.

1.2. Inschrijvingsvoorwaarden

1.2.1. Algemeen

Een centrum schrijft zonder onderscheid elke cursist in voor de opleiding die hij wil volgen. Cursisten worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij het centrum in orde stellen met alle volgende inschrijvingsvoorwaarden:

- aan de toelatingsvoorwaarden voldoen;

- zich akkoord verklaard hebben met het centrumreglement;

- zich akkoord verklaard hebben met het eigen agogisch project van het centrum;

- indien men voldaan heeft aan de deeltijdse leerplicht, het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf (zie 1.2.3);

- in geval van een opleiding in een Centrum voor Volwassenenonderwijs: het inschrijvingsgeld betaald hebben of er gedeeltelijk/volledig van vrijgesteld zijn.

1.2.2. Wachtlijsten en voorrang van inschrijving

Indien de capaciteit van het cursusaanbod ontoereikend is om alle cursisten te kunnen inschrijven, dan kan het centrum wachtlijsten aanleggen. Het centrum respecteert hierbij de volgorde van inschrijving.

Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor inschrijvingen in de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. In deze opleidingen hebben volgende doelgroepen voorrang bij inschrijving indien zich een capaciteitstekort voordoet:

- cursisten die een inburgeringscontract ondertekend hebben met het onthaalbureau;

- cursisten die gevat zijn door het inwerkingsbeleid, zoals geregeld in het decreet van 4 juni 2003 betreffende het inwerkingsbeleid;

- cursisten die de bereidheid om Nederlands te leren moeten aantonen zoals bedoeld in het decreet van 15 juli 2007 houdende de Vlaamse Wooncode.

Deze cursisten zijn gevat door een verplichting om een opleiding Nederlands tweede taal te volgen.

1.2.3. Wettig verblijf

Vanaf 1 september 2011 moeten cursisten die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht - d.w.z. 18 jaar oud zijn - bij inschrijving het bewijs leveren te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf. Cursisten die niet aan deze inschrijvingsvoorwaarde voldoen, zullen geschrapt worden als financierbare of subsidieerbare cursist.

De maatregel heeft betrekking op alle opleidingen - dus niet alleen de opleidingen Nederlands tweede taal - zowel in de Centra voor Basiseducatie als in de Centra voor Volwassenenonderwijs.

Het centrum moet het bewijs van Belgische nationaliteit of wettig verblijf opnemen in het cursistendossier zodat de verificatie de nodige controles kan uitvoeren.

Om na te gaan of een bepaald document als wettig verblijf aanvaard wordt kan het centrum het vademecum wettig verblijf raadplegen: (http://onderwijs.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/directies/richtlijnen_cursus-_en_cursistenadministratie.htm#VademecumWettigVerblijf).

Het verblijfsdocument moet geldig zijn op het ogenblik van inschrijving.

1.2.3.1. Bewijs van Belgische nationaliteit

Het centrum bewijst aan de hand van het inschrijvingsformulier dat de cursist de Belgische nationaliteit bezit. Op het ondertekende inschrijvingsformulier worden de nationaliteitsgegevens en rijksregisternummer van de cursist vermeld. In geval van Belgische nationaliteit is het niet nodig een kopie van de identiteitskaart te bewaren in het cursistendossier.

1.2.3.2. Bewijs van wettig verblijf of nationaliteit EU-landen

Indien de cursist niet beschikt over de Belgische nationaliteit, moet het centrum een kopie van het bewijs van wettig verblijf opnemen in het cursistendossier. De vermelding van het rijksregisternummer in het cursistendossier wordt niet aanvaard als bewijs van wettig verblijf.

2. Evaluatie en studiebekrachtiging

2.1. Evaluatie

2.1.1. Evaluatievormen

Een centrum organiseert per module een evaluatie.

Een evaluatie is een deskundige beoordeling van de mate waarin de cursist de doelstellingen uit het goedgekeurde leerplan heeft bereikt. Een evaluatie kan georganiseerd worden in de vorm van een permanente evaluatie en/of in de vorm van een afsluitende evaluatie.

De evaluatievorm die het centrum hanteert, wordt opgenomen in het evaluatiereglement (zie 2.1.2).

Er kan een tweede evaluatieperiode worden georganiseerd. Dit dient opgenomen te worden in het evaluatiereglement(zie 2.1.2).

2.1.2. Evaluatiereglement

Een centrum stelt verplicht een evaluatiereglement op. Het evaluatiereglement omvat ten minste:

- de evaluatievoorwaarden;

- de vorm van iedere evaluatie;

- de tijdvakken waarbinnen de evaluaties worden afgelegd;

- de samenstelling van de evaluatiecommissies;

- de wijze van beraadslaging door de evaluatiecommissies en bekendmaking van de evaluatieresultaten;

- de voorwaarden waaronder een tweede evaluatieperiode georganiseerd wordt;

- de procedure waarbij conflicten die plaatsvinden tussen de cursisten en de leden van de evaluatiecommissie voor de beraadslaging, worden behandeld of waarbij vermoede materiële vergissingen die na het afsluiten van de beraadslaging zijn vastgesteld, kunnen worden rechtgezet;

- de procedure voor vrijstelling van evaluaties en voor de regeling van betwistingen hierover.

Het evaluatiereglement wordt bekrachtigd door het centrumbestuur en opgenomen in het centrumreglement (zie 6.1.1).

Voor HBO5-opleidingen moet het samenwerkingsverband een gezamenlijke onderwijs- en examenregeling en evaluatiereglement opstellen.

2.1.3. Neerslag van evaluatie

Zie 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.6

2.2. Studiebekrachtiging

2.2.1. Uitreiken van studiebewijzen

Centra moeten van rechtswege erkende studiebewijzen uitreiken. Een centrum reikt ten laatste op het einde van de tweede maand na het afsluiten van de evaluatie de behaalde studiebewijzen uit aan cursisten. Het centrum waar de cursist de opleiding met vrucht beëindigt, reikt steeds het studiebewijs van die opleiding uit.

In afwijking hiervan kan een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor de opleiding ambachtelijk brood- en banketbakker BSO 3 en/of algemene vorming BSO 3 het diploma secundair onderwijs uitreiken aan cursisten die beide opleidingen hebben gevolgd en de desbetreffende certificaten hebben behaald in de periode 1 februari 2007 tot 1 september 2010. Deze afwijking geldt ook voor het uitreiken van een diploma secundair onderwijs aan cursisten die al over een diploma secundair onderwijs beschikten en het certificaat van de opleiding ambachtelijk brood- en banketbakker BSO 3 behaalden in de periode 1 februari 2007 tot 1 september 2010.

2.2.2. Gelijkwaardigheid studiebewijzen

In het secundair volwassenenonderwijs worden bepaalde studiebewijzen uitgereikt die ook in andere vormen van onderwijs worden uitgereikt. Vermits de onderliggende kwaliteitsnormen dezelfde zijn, hebben die studiebewijzen, ongeacht waar ze zijn uitgereikt, dezelfde waarde en genereren ze dezelfde civiele effecten naar vervolgonderwijs of doorstroming naar de arbeidsmarkt. Concreet kunnen het diploma van secundair onderwijs en het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer ook behaald worden in:

- het voltijds secundair onderwijs;

- het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

- de leertijd (Syntra opleidingen).

2.2.3. Soorten studiebewijzen

2.2.3.1. Het attest

Het attest bekrachtigt een eenheid van een voorlopig modulair structuurschema.

Voorbeeld:

De eenheid A1 ’Toegepaste wiskunde 1’ van de HBO5-opleiding Elektromechanica wordt bekrachtigd met het attest Toegepaste wiskunde 1.

2.2.3.2. Het deelcertificaat

Een deelcertificaat bekrachtigt elke module van een opleiding waarvoor een goedgekeurd opleidingsprofiel bestaat.

Voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs moet het deelcertificaat van een module voldoen aan de vereisten van validering door het samenwerkingsverband (zie verder onder punt 2.2.4. en 2.2.5.). Bij een modulaire opleiding van het hoger beroepsonderwijs waarvoor nog geen goedgekeurd opleidingsprofiel beschikbaar is, wordt een submodule bekrachtigd met een gewoon deelcertificaat.

Voorbeelden:

De module wiskunde functioneren 01 van de opleiding wiskunde wordt bekrachtigd met het deelcertificaat wiskunde functioneren 01.

De module 'motoren 1' van de opleiding technicus personen- en lichte bedrijfswagens wordt bekrachtigd met het deelcertificaat motoren 1;

2.2.3.3. Het certificaat

Een certificaat bekrachtigt een modulaire opleiding van de basiseducatie en het secundair volwassenenonderwijs (uitgezonderd opleidingen die bekrachtigd worden door een getuigschrift of een diploma secundair onderwijs) of een opleiding van het hoger beroepsonderwijs van minder dan 900 lestijden.

Aan cursisten die met goed gevolg een opleiding hebben beëindigd die gebaseerd is op een erkende beroepskwalificatie, wordt een certificaat uitgereikt waarop onder het opschrift “Certificaat” de volgende bepaling toegevoegd wordt: “Bewijs van beroepskwalificatie niveau … van de Vlaamse kwalificatiestructuur en niveau … van het Europees kwalificatiekader”. Naargelang het niveau van de beroepskwalificatie (waarvan het Vlaamse niveauis vermeld in het opleidingsprofiel enovereenstemt met Europese niveau) vult het centrum hier 2, 3, 4 of 5 in. De bijlage 4 met het overzicht van goedgekeurde opleidingsprofielen bij de omzendbrief VWO/2011/03 vermeldt desgevallend het niveau van de erkende beroepskwalificatie: bijlage 4

Voorbeelden:

De opleiding wiskunde - maatschappelijk participeren wordt bekrachtigd met het certificaat wiskunde - maatschappelijk participeren.

De opleiding Nederlands tweede taal - richtgraad 1 wordt bekrachtigd met het certificaat Nederlands tweede taal- richtgraad 1.

De modulaire opleiding koetswerkhersteller van het secundair volwassenenonderwijs wordt bekrachtigd met het certificaat koetswerkhersteller.

De modulaire opleiding gids van het hoger beroepsonderwijs, wordt bekrachtigd met het certificaat gids.

De modulaire opleiding Medewerker Bakkerij van het secundair volwassenenonderwijs wordt bekrachtigd met het certificaat Medewerker Bakkerij, Bewijs van beroepskwalificatie niveau 2 van de Vlaamse kwalificatiestructuur en niveau 2 van het Europees kwalificatiekader.

Een centrumbestuur dat onderwijsbevoegdheid bezit voor een opleiding waarvan de modules van andere opleidingen integraal deel uitmaken, is ertoe gemachtigd om een certificaat van de onderliggende opleiding uit te reiken aan de cursist die aantoonbaar de competenties van de onderliggende opleiding in voldoende mate bereikt heeft.

Voorbeelden:

Een CVO met onderwijsbevoegdheid voor de opleiding Zorgkundige kan aan een cursist die heeft aangetoond bij de evaluaties van de modules van de opleiding Verzorgende de competenties in voldoende mate bereikt te hebben, een certificaat Verzorgende uitreiken.

Een CVO met onderwijsbevoegdheid voor zowel de opleiding Bakker als de opleiding Banketbakker kan aan een cursist die heeft aangetoond bij de evaluaties van de modules van de opleiding Medewerker bakkerij de competenties in voldoende mate bereikt te hebben, een certificaat Medewerker Bakkerij uitreiken.

2.2.3.4. Het getuigschrift over de basiskennis bedrijfsbeheer

Het getuigschrift bekrachtigt de opleiding bedrijfsbeheer van het studiegebied bedrijfsbeheer van het secundair volwassenenonderwijs. Het betreft het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

Voorbeeld:

De opleiding bedrijfsbeheer van het secundair volwassenenonderwijs wordt bekrachtigd met het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

2.2.3.5. Het diploma secundair onderwijs

Het diploma secundair onderwijs bekrachtigt in het secundair volwassenenonderwijs:

- de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO 3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming;

- de opleiding aanvullende algemene vorming in combinatie met een certificaat van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of in combinatie met een diploma van gegradueerde (ook als de opleiding inmiddels tot een ander studiebewijs leidt) ;

- de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een diplomagerichte opleiding in het volwassenenonderwijs;

- een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan algemene vorming of aanvullende algemene vorming, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs.

Het overzicht van de door de Vlaamse Regering bepaalde opleidingen die - al dan niet in combinatie met de opleiding aanvullende algemene vorming - leiden tot een diploma secundair onderwijs, is opgenomen als bijlage 4 bij deze omzendbrief. Een cursist kan deze opleiding bij een ander centrum volgen dan het centrum waar hij de opleiding aanvullende algemene vorming volgt. Het centrum waar de cursist de combinatie van beide opleidingen met vrucht beëindigt, reikt steeds het diploma secundair onderwijs uit.

Het certificaat van de opleiding algemene vorming BSO 3 of de opleiding algemene vorming TSO 3, behaald voor 1 september 2014, leidt in combinatie met het certificaat van een opleiding opgenomen in bijlage 4 bij deze omzendbrief tot het diploma secundair onderwijs.

Voorbeelden:

Een cursist volgt de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang in centrum X en behaalt er het certificaat. Vervolgens volgt de cursist de opleiding aanvullende algemene vorming in centrum y teneinde het diploma secundair onderwijs te kunnen halen. Wanneer de cursist de opleiding aanvullende algemene vorming met vrucht beëindigt, reikt centrum y het diploma secundair onderwijs uit ongeacht of het centrum ook onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang.

Een cursist volgt de opleiding aanvullende algemene vorming in centrum X en behaalt er het certificaat. Vervolgens volgt de cursist de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang in centrum y teneinde het diploma secundair onderwijs te kunnen halen. Wanneer de cursist de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang met vrucht beëindigt, reikt centrum y het diploma secundair onderwijs uit ongeacht of het centrum ook onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleiding aanvullende algemene vorming.

Een cursist behaalde het certificaat van de opleiding algemene vorming BSO3 voor 1 september 2014. De cursist schreef zich ook in voor de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang in een ander centrum voor volwassenenonderwijs. Wanneer de cursist de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang met vrucht beëindigt, reikt dit centrum voor volwassenenonderwijs het diploma secundair onderwijs voor de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang uit. Dit ongeacht of het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleiding aanvullende algemene vorming.

Een cursist is reeds in het bezit van een diploma secundair onderwijs op het moment dat hij zich inschrijft voor de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang in centrum x. Wanneer de cursist de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang met vrucht beëindigt, reikt centrum x het diploma secundair onderwijs voor de opleiding kinderzorg/begeleider in de kinderopvang uit ongeacht of het centrum ook onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleiding aanvullende algemene vorming.

Een cursist is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs maar wel van een diploma van gegradueerde op het moment dat hij zich inschrijft voor een opleiding aanvullende algemene vorming in centrum x. Wanneer de cursist de opleiding aanvullende algemene vorming met vrucht beëindigt, reikt centrum x het diploma secundair onderwijs uit.

Een cursist is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs maar wel van een diploma van gegradueerde Gezinswetenschappen op het moment dat hij zich inschrijft voor een opleiding aanvullende algemene vorming in centrum x. Wanneer de cursist de opleiding aanvullende algemene vorming met vrucht beëindigt, reikt centrum x het diploma secundair onderwijs uit hoewel de opleiding Gezinswetenschappen inmiddels tot een diploma van bachelor leidt.

Een cursist is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs. Hij volgt de opleiding aanvullende algemene vorming in centrum x en behaalt er het certificaat. Vervolgens volgt de cursist een HBO-opleiding in centrum y. Wanneer de cursist de HBO-opleiding met vrucht beëindigt, reikt centrum y het diploma van gegradueerde en het diploma secundair onderwijs uit ongeacht of het centrum ook onderwijsbevoegdheid heeft voor de opleiding aanvullende algemene vorming.

Op het diploma secundair onderwijs wordt steeds het totale aantal lestijden opgenomen. In het geval van de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO 3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming wordt het totale aantal lestijden van de desbetreffende opleiding vermeld. In het geval het gaat om een combinatie van de opleiding aanvullende algemene vorming met het certificaat van een diplomagerichte opleiding, dan wordt het totale aantal lestijden van de beide opleidingen samen op het diploma secundair onderwijs vermeld.

Voorbeelden:

De opleiding wetenschappen-wiskunde wordt bekrachtigd met het diploma secundair onderwijs;

De combinatie van de opleiding algemene vorming TSO 3 met het certificaat van de opleiding installateur centrale verwarming wordt bekrachtigd met het diploma secundair onderwijs.

De combinatie van de opleiding aanvullende algemene vorming met het certificaat van de opleiding boekhouden van het hoger beroepsonderwijs wordt bekrachtigd met het diploma secundair onderwijs.

2.2.3.6. Het diploma van gegradueerde

Het diploma van gegradueerde bekrachtigt een opleiding van het hoger beroepsonderwijs van ten minste 900 lestijden.

Voorbeelden:

De opleiding boekhouden van het hoger beroepsonderwijs wordt bekrachtigd met het diploma van gegradueerde.

2.2.3.7. Het diploma van leraar

Het diploma van leraar bekrachtigt de specifieke lerarenopleidingen.

Het centrum mag het diploma van leraar aanvullen met de omvang van de opleiding en het behaalde resultaat, uitgedrukt in studiepunten.

2.2.4. Modellen van studiebewijzen

Het besluit van de Vlaamse Regeringvan 19 juli 2007betreffende de studiebekrachtiging in het volwassenenonderwijs en het besluit tot vaststelling van de vorm van het deelcertificaat en het diploma van het hoger beroepsonderwijs, en de inhoud van het bijbehorende diplomasupplement leggen de modellen van de studiebewijzen vast. Volgende modellen van studiebewijzen zijn als bijlage bij deze omzendbrief opgenomen:

- model van attest (bijlage5);

- model van deelcertificaat (bijlage6);

- model van modulebewijs voor modules van nieuwe of omgevormde HBO5-opleidingen (bijlage 7) ;

- model van deelcertificaat voor modules van HBO5-opleidingen (bijlage 8);

- model van certificaat (bijlage 9);

- model van getuigschrift over de basiskennis van bedrijfsbeheer (bijlage 10);

- diploma secundair onderwijs (bijlage 11);

- diploma van leraar (bijlage 12).

De modellen van de studiebewijzen bevatten de minimumvermeldingen die op het studiebewijs moeten voorkomen. Een centrum mag het studiebewijs aanvullen met een opsomming van de modules van de opleiding, het behaalde resultaat, de behaalde graad en titel.

Voor de specifieke lerarenopleiding mag het centrum het studiebewijs aanvullen met de omvang van de opleiding en het behaalde resultaat, uitgedrukt in studiepunten.

Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs wordt er geen model van het diploma meer ter beschikking gesteld. De samenwerkingsverbanden kunnen vrij de opmaak van het diploma bepalen. Het diploma vermeldt:

1° de tekst “Diploma van gegradueerde”, aangevuld met de opleidingsbenaming;

2° het niveau en het logo van de Vlaamse Kwalificatiestructuur, vastgelegd in bijlage 13, alsook het overeenstemmende niveau van de European Qualifications Framework for lifelong learning;

3° de studieomvang van de opleiding, uitgedrukt in studiepunten. Tot aan de omvorming van de van rechtswege erkende HBO5-opleidingen wordt de studieomvang uitgedrukt in lestijden;

4° de accreditatievoorschriften waaraan de opleiding voldoet, voor zover ze al van toepassing zijn, conform het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

5° de titel die gevoerd mag worden, voor zover dit van toepassing is;

6° de toegekende eindbeoordeling, voor zover dat van toepassing is;

7° de officiële naam van de bij de opleiding betrokken instellingen. Tot aan de omvorming van de opleiding, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, zijn dat de hogeschool en het centrum voor volwassenenonderwijs waar de gediplomeerde was ingeschreven voor de opleiding;

8° dat het diploma wordt uitgereikt conform de bepalingen van:

a) het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs

b) de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;

c) ingeval de bij de opleiding betrokken instellingen een hogeschool en een centrum voor volwassenonderwijs zijn:

het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

9° alle voornamen, de naam, en de geboortedatum en -plaats van de gediplomeerde;

10° de plaats en datum van de uitreiking;

11° de naam en de handtekening van het hoofd van elke instelling;

12° dat een diplomasupplement bij het diploma hoort.

Het diploma wordt bekleed met het zegel van de betrokken instellingen.

2.2.5. Validering van studiebewijzen

Elk studiebewijs wordt ondertekend door de directeur van het centrum en de cursist. De validatie van het studiebewijs gebeurt met een droogstempel. Met betrekking tot de vermeldingen die deze stempel moet bevatten, zijn geen verdere richtlijnen vastgelegd. Bij voorkeur wordt het logo of de benaming van het centrum gebruikt.

Behoudens de directeur kan elke gemandateerde van het centrumbestuur met de ondertekening van de studiebewijzen worden belast. In voorkomend geval worden in het model van het betrokken studiebewijs enerzijds de woorden 'de directeur van bovengenoemd centrum' vervangen door de woorden 'de gemandateerde van het centrumbestuur van bovengenoemd centrum' en anderzijds onderaan de woorden 'De directeur' vervangen door de woorden 'De gemandateerde van het centrumbestuur'.

Voor de studiebewijzen diploma van gegradueerde en deelcertificaten van modules van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs moet de ondertekening gebeuren door zowel de directeur van het Centrum voor Volwassenenonderwijs als de directeur van de hogeschool. Behoudens het hoofd van de instelling kan elke gemandateerde met de ondertekening van de studiebewijzen worden belast. In voorkomend geval worden in het model, opgenomen in de respectieve bijlagen (7 en 8), enerzijds de woorden ‘het hoofd’ vervangen door de woorden 'de gemandateerde van de bovenvermelde instelling' en anderzijds, onderaan, de woorden 'Het hoofd’ vervangen door de woorden 'De gemandateerde van de bovenvermelde instelling'.

De besturen van de bij de opleiding betrokken instellingen kunnen beslissen om één gemandateerde aan te stellen die wordt belast met de ondertekening van de deelcertificaten of modulebewijzen in naam van alle betrokken instellingen. In voorkomend geval worden in het model, opgenomen in de respectieve bijlagen (7 en 8), enerzijds de woorden 'hoofden van bovengenoemde instelling' vervangen door de woorden 'gemandateerde van alle bovenvermelde instellingen' en anderzijds, onderaan, de woorden 'De hoofden' vervangen door de woorden 'De gemandateerde van alle bovenvermelde instellingen'

2.2.6. Supplementen bij studiebewijzen

2.2.6.1. Deelcertificaatsupplement

Bij een deelcertificaat van een opleidingsaanbod in de vorm van een open module wordt steeds een deelcertificaatsupplement uitgereikt, zijnde een document dat de inhoud van de module en de door de cursist bereikte eindtermen of basiscompetenties verduidelijkt.

Voor het deelcertificaat gelden volgende modaliteiten:

Omwille van de transparantie en herkenbaarheid van de deelcertificaatsupplementen in het volwassenenonderwijs, dient een deelcertificaatsupplement informatie te verstrekken over zes onderstaande onderdelen en dit in de opgegeven volgorde:

1. Informatie over de identiteit van de cursist:

1.1. naam;

1.2. voornaam;

1.3. geboortedatum;

1.4. cursistnummer bij het Centrum voor Basiseducatie of Centrum voor Volwassenenonderwijs (INSZ).

2. Informatie over de aard van het deelcertificaat:

2.1. “deelcertificaat van een open module”;

2.2. het leergebied of studiegebied;

2.3. de officiële naam van het Centrum voor Basiseducatie of Centrum voor Volwassenenonderwijs.

3. Informatie over het niveau van het deelcertificaat:

3.1. “basiseducatie” of ”secundair volwassenenonderwijs”

3.2. de duur van de open module, uitgedrukt in lestijden;

4. Informatie over de open module en de behaalde studieresultaten:

4.1. Onderwijsvorm: organisatie van de open module in de vorm van contactonderwijs of gecombineerd onderwijs;

4.2. inhoud van de open module: een opsomming van de geselecteerde eindtermen of basiscompetenties uit een van de leergebieden van de basiseducatie of studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs;

4.3. het evaluatiesysteem en het behaalde individuele evaluatieresultaat.

5. Informatie over de functie van de open module:

5.1. gegevens in verband met de aansluiting en de mogelijke vervolgopleidingen.

6. Authenticiteit van het deelcertificaatsupplement:

6.1. datum:

6.2. handtekening;

6.3. de functie van diegene die het deelcertificaatsupplement ondertekent;

6.4. zegel van het Centrum voor Basiseducatie of Centrum voor Volwassenenonderwijs;

6.5. facultatief: extra authenticiteitmaatregelen.

Het model van deelcertificaatsupplement is als bijlage 14 opgenomen bij deze omzendbrief. Voor de rest is het bestuur van het Centrum voor Basiseducatie of het Centrum voor Volwassenenonderwijs vrij om de opmaak van het deelcertificaatsupplement te bepalen.

2.2.6.2. Diplomasupplement

Bij een diploma van gegradueerde wordt steeds een diplomasupplement uitgereikt, zijnde een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt.

Het diplomasupplement bestaat uit 2 delen: een inleiding en individuele informatie volgens een gestandaardiseerd model. Beide zijn opgemaakt volgens het model van de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO/CEPES.

De inleiding is opgenomen in bijlage 15.

Het model van het informatieve deel is opgenomen in bijlage 16.

De informatie wordt uitsluitend verstrekt aan de hand van de acht onderdelen met de vermelde subonderdelen en in dezelfde volgorde vanwege de internationale herkenbaarheid van het Vlaamse diplomasupplement.

Indien over een onderdeel of informatiepunt geen informatie kan verstrekt worden, moet de reden aangegeven worden of aangeduid worden dat het informatiepunt “niet van toepassing” is.

In de acht onderdelen met de vermelde subonderdelen verstrekken de instellingen ten minste de informatie, vermeld in het model in bijlage 16, ter navolging van de “Explanatory notes” van het model van diplomasupplement van de Europese Commissie, de Raad van Europa en UNESCO/CEPES.

De instellingen kunnen de informatiepunten aanvullen, maar niet uitbreiden met extra genummerde subonderdelen vanwege de internationale herkenbaarheid van het Vlaamse diplomasupplement.

De instellingen kunnen vrij de opmaak van het diplomasupplement bepalen, met uitzondering van de informatieopdeling in acht onderdelen met de informatiepunten en de volgorde ervan, vermeld in het model in bijlage 16.

De instellingen kunnen extra authenticiteitsmaatregelen nemen voor het diplomasupplement.

Het diploma van gegradueerde en het bijhorende diplomasupplement worden opgesteld in het Nederlands, doch op verzoek van de cursist door het betrokken samenwerkingsverband ook éénmalig en kosteloos afgeleverd in het Engels.

2.2.7. Vervanging van studiebewijzen

De centra zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houders van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de toekenning van namen en voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij het centrum waar ze hun authentiek studiebewijs hebben behaald of bij de afdeling Volwassenenonderwijs van AHOVOS een verzoek indienen om dat studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam of voornaam. Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten officiële stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen. Indien het verzoek tot vervanging wordt gericht aan het centrum, dan zal dat centrum de afdeling Volwassenenonderwijs van AHOVOS contacteren met betrekking tot de te volgen werkwijze.

3. Vakantieregeling en aanwending van de onderwijstijd

3.1. Organisatie van het schooljaar

3.1.1. Algemeen

Een centrum dient per schooljaar 40 weken administratief open te zijn. Dit betekent niet dat er effectief 40 weken moet worden lesgegeven.

Het is mogelijk dat de lokalen van een centrum gebruikt worden bij de organisatie van parlementaire, provinciale of gemeentelijke verkiezingen. In dat geval kunnen de lessen de dag voor, van of na deze verkiezingen geschorst worden.

Het is ook mogelijk dat er geen lessen kunnen georganiseerd worden naar aanleiding van een dienstvrijstelling van een personeelslid om deel te nemen aan vergaderingen van lokale inspraakorganen.

3.1.2. Centra voor Basiseducatie

Na onderhandeling in het lokaal comité legt een Centrum voor Basiseducatie per schooljaar zijn vakantieregeling vast.

Tussen kerstmis en Nieuwjaar geldt een collectieve sluiting en ook op volgende wettelijke en reglementaire feestdagen:

Wettelijke feestdagen:

- 1 januari;

- Paasmaandag;

- 1 mei (feest van de arbeid);

- Hemelvaartsdag;

- Pinkstermaandag;

- 21 juli (nationale feestdag);

- 15 augustus (OLV-tenhemelopneming);

- 1 november (Allerheiligen);

- 11 november (wapenstilstand);

- 25 december (kerstmis).

Reglementaire feestdagen:

- de dag na Hemelvaartsdag;

- 11 juli (Feest van de Vlaamse Gemeenschap);

- 2 november (Allerzielen);

- 26 december (tweede kerstdag).

Tijdens vakantieperiodes waarin deze wettelijke en reglementaire feestdagen volgens de vakantieregeling van het CBE vallen, kan er geen gesubsidieerd onderwijs verstrekt noch gepland worden.

3.1.3. Centra voor Volwassenenonderwijs

Het schooljaar start ten vroegste op 1 september en eindigt op 31 augustus. Het opleidingsaanbod eindigt uiterlijk op 30 juni. In de modulaire organisatie kan een module (of eenheid/submodule) van een opleiding op elk ogenblik starten en vrij worden gespreid, over de schooljaren heen. In de lineaire organisatie wordt het opleidingsaanbod gespreid over ten minste 32 en ten hoogste 40 weken. De lessen kunnen op alle dagen van de week plaatsvinden.

Volgende vakantieperioden worden vastgelegd:

- de zomervakantie begint op 1 juli en eindigt op 31 augustus;

- de herfstvakantie begint op de maandag van de week waarin 1 november valt en duurt één week. Als 1 november op een zondag valt, dan begint de herfstvakantie op 2 november;

- de kerstvakantie begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en duur twee weken. Als 25 december op een zaterdag of een zondag valt, dan begint de kerstvakantie op de maandag na 25 december;

- de krokusvakantie begint op de zevende maandag voor Pasen en duurt één week;

- de paasvakantie begint op de eerste maandag van april en duurt twee weken. Als Pasen in maart valt, dan begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Als Pasen na 15 april valt, dan begint de paasvakantie op de tweede maandag voor Pasen.

Tijdens deze vakantieperioden kan er geen gesubsidieerd of gefinancierd onderwijs verstrekt noch gepland worden.

Naast deze periodes, worden er ook een aantal vakantiedagen vastgelegd. Indien deze dagen niet in een vakantieperiode vallen, is er ook vakantie op volgende dagen:

- 11 november;

- 1 mei;

- Paasmaandag;

- Hemelvaartsdag en de dag nadien;

- Pinkstermaandag.

De Centra voor Volwassenenonderwijs hebben ook recht op één facultatieve vakantiedag per schooljaar. Deze facultatieve vakantiedag kan opgesplitst worden in twee halve facultatieve vakantiedagen.

Daarnaast kan een Centrum voor Volwassenenonderwijs voor alle cursisten of voor een groep van cursisten één dag per schooljaar de lessen schorsen voor de organisatie van pedagogische studiedagen. Deze pedagogische studiedag kan niet opgesplitst worden.

3.1.4. Werkplekleren

Werkplekleren vereist een adequate begeleiding door het centrum, ook op de plaats waar het werkplekleren doorgaat. Bij de planning van de modules (na inspraak van onder meer de personeelsleden), zal het centrumbestuur hier rekening mee moeten houden. Het inrichten van werkplekleren in vakantieperiodes is dan ook pas zinvol indien dit niet gehypothekeerd wordt door de van kracht zijnde vakantieregeling voor het personeel van het centrum.

Op de website http://www.ond.vlaanderen.be/werkplekleren/regelgeving/

kan u richtlijnen werkplekleren voor het secundair volwassenenonderwijs (met inbegrip van een modelovereenkomst) en het hoger beroepsonderwijs terugvinden. In deze richtlijnen wordt de toepasselijke federale en Vlaamse regelgeving uitgelegd.

Met retroactieve ingang vanaf 1 september 2015 geldt dat een cursist-stagiair die bij de uitvoering van zijn stage schade berokkent aan de stagegever of derden, enkel aansprakelijk is voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

3.2. Organisatie van de onderwijstijd

Een centrumbestuur organiseert het opleidingsaanbod op die manier dat het aantal geplande lestijden overeenstemt met het aantal te organiseren lestijden, zoals bepaald in de goedgekeurde opleidingsprofielen (/de voorlopig modulaire structuurschema's/de lessentabellen). Dit in functie van de onderwijskwaliteit. De in het opleidingsprofiel vastgelegde lestijden geven immers het minimum weer dat noodzakelijk wordt geacht voor het realiseren van de (specifieke) eindtermen of basiscompetenties. Tevens vormt dit de basis voor de subsidiëring/financiering van de opleiding en voor het inschrijvingsgeld dat de cursist betaalt (zie omzendbrief VWO/2011/01).

De onderwijstijd kan enkel ingevuld worden met onderwijsactiviteiten, zijnde die activiteiten waarbij er gewerkt wordt aan basiscompetenties van cursisten in functie van curriculumrealisatie. Onderwijsactiviteiten omvatten dus alle activiteiten waar cursisten aan leerplandoelstellingen werken: lessen, stages en andere vormen van werkplekleren, evaluaties, extra-muros-activiteiten gekoppeld aan curriculumrealisatie, combi-activiteiten (d.w.z. het gedeelte contactonderwijs van modules die in gecombineerd onderwijs aangeboden worden),... Een onderwijsactiviteit is echter niet: intake, pedagogische studiedagen, proclamatie, oriënteringsproeven, vrijstellingstesten, trajectbegeleiding, pauzes, algemene vergaderingen, ...

Rekening houdend met de bepalingen in 3.1, is het mogelijk dat een centrum er niet in slaagt het totaal aantal lestijden te plannen zoals vastgelegd in het goedgekeurde opleidingsprofiel (/ het voorlopig modulair structuurschema/de lessentabel). In dit geval kan het aantal geplande lestijden maximaal 8 procent afwijken van het aantal lestijden vermeld in het goedgekeurde opleidingsprofiel (/het voorlopig modulair structuurschema/de lessentabel).

Wanneer het centrum de doelstellingen van de opleiding niet haalt, zal de onderwijsinspectie naar de oorzaken zoeken en onder meer de aanwending van de onderwijstijd controleren. De overschrijding of de niet-correcte toepassing van de organisatie van de onderwijstijd kan dan als verklarend element meespelen in het onderbouwen van een advies van de inspectie. Indien een centrum de organisatie van de onderwijstijd niet correct toepast of de 8%-regel overschrijdt, kan dit leiden tot een advies beperkt in de tijd of een ongunstig advies volgens de procedures van het decreetvan 8 mei 2009betreffende de kwaliteit van het onderwijs en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Conform het voornoemde decreet moet de organisatie van de onderwijstijd steeds uitgedrukt worden in lestijden.

Bij de organisatie van het aanbod dient een centrumbestuur er, onverminderd de regeling inzake cumulatie, rekening mee te houden dat het volume van de opdracht die een leraar op weekbasis effectief uitoefent niet meer bedraagt dan 125 procent van de betrekking op weekbasis waarvoor hij is aangesteld. Indien het centrumbestuur dit percentage wil overschrijden, dan is een uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken leraar vereist.

4. Afsprakenkader Nederlands tweede taal

Het afsprakenkader Nederlands tweede taal bevat een aantal afspraken tussen de beleidsdomeinen Werk, Onderwijs en Vorming, Wonen en Inburgering over Nederlands tweede taal en meer bepaald over:

- de organisatie en afstemming van het opleidingsaanbod;

- de wederzijdse erkenning van de studiebewijzen;

- de oriëntering, niveaubepaling en leertrajecten van cursisten;

- de samenwerking tussen de Centra voor Basiseducatie, Centra voor Volwassenenonderwijs, Universitaire Talencentra, VDAB, Syntra-Vlaanderen, de onthaalbureaus, de Huizen van het Nederlands en de consortia volwassenenonderwijs op het vlak van Nederlands tweede taal.

In het afsprakenkader Nederlands tweede taal dat geldt vanaf 1 september 2009 zijn volgende nieuwe elementen opgenomen:

- de onthaalbureaus, VDAB en de Huizen van het Nederlands krijgen een regisseursrol voor respectievelijk het inburgeringstraject, het traject naar werk en de taalbereidheid in het kader van de Wooncode;

- de Huizen van het Nederlands krijgen een ruimere delegatie op het vlak van doorverwijzing, waarbij meer rekening gehouden wordt met de leerbehoeften en -mogelijkheden van de cursist enerzijds en anderzijds ook de verwachtingen van de regisseur van het traject;

- per regio worden afspraken gemaakt over minimale en maximale groepsgroottes bij de verschillende aanbodsverstrekkers;

- er wordt gestreefd naar een zo centraal mogelijke intakeprocedure zodat de objectiviteit maximaal gegarandeerd blijft.

Het afsprakenkader Nederlands tweede taal geldt als een algemeen kader voor alle betrokken instellingen. De algemene vergadering van het Huis van het Nederlands legt, binnen de krijtlijnen van dit afsprakenkader, de verdere concrete werkafspraken tussen de verschillende instellingen vast in een schriftelijke overeenkomst. Deze lokale werkafspraken bevatten minstens concrete afspraken over de communicatie tussen de aanbodsverstrekkers en de regisseurs voor die aspecten waarvoor de Kruispuntbank Inburgering nog niet operationeel is.

De integrale tekst van het afsprakenkader Nederlands tweede taal is te raadplegen via volgende link: afsprakenkader Nederlands tweede taal.

5. Kwaliteitszorg

5.1. Verplicht kwaliteitszorgsysteem

Elk centrum ontwikkelt een kwaliteitszorgsysteem met betrekking tot:

- de organisatie van het onderwijsaanbod;

- de leertrajectbegeleiding op het niveau van de individuele cursist;

- de uitvoering van andere onderwijsopdrachten en -bevoegdheden die door het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs of door de Vlaamse Regering worden toegekend aan de centra;

- de organisatie en het beheer van de instelling zodat de doelstellingen van de organisatie behaald kunnen worden;

- de behandeling van de cursist en van de personeelsleden met respect voor hun rechten en plichten;

- de uitvoering van de administratieve en organisatorische opdrachten en bevoegdheden die door het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs of door de Vlaamse Regering worden toegewezen aan de centra;

- de permanente vorming van het personeel. Het centrum realiseert dit kwaliteitszorgsysteem door permanent en op eigen initiatief toe te zien op de kwaliteit van de eigen onderwijsactiviteiten.

5.2. Ondersteuning op vlak van kwaliteitszorg

Voor de uitbouw van het kwaliteitszorgsysteem kunnen de centra rekenen op de ondersteuning van

1° de pedagogische begeleidingsdienst waarbij het is aangesloten in het geval van de Centra voor Volwassenenonderwijs;

2° het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs (VOCVO)in het geval van de Centra voor Basiseducatie of de Centra voor Volwassenenonderwijs die niet zijn aangesloten bij een pedagogische begeleidingsdienst.

5.3. Inzet van middelen voor kwaliteitszorg

Een centrum is gehouden ten minste 5 procent van de werkingsmiddelen te besteden aan kwaliteitszorg en de ontwikkeling van leermiddelen.

Met werkingsmiddelen worden bedoeld:

- de inschrijvingsgelden betaald door de cursisten;

- de werkingstoelage die het centrum desgevallend ontvangt;

- de gelden die het centrum ontvangt voor het evalueren van cursisten die afstandsonderwijs hebben gevolgd of van cursisten in de studiegebieden algemene vorming en aanvullende algemene vorming die geen opleiding in het centrum hebben gevolgd;

- de toegekende middelen uit het Fonds (zie omzendbrief VWO/2011/01);

- andere inkomsten.

6. Administratieve documenten

6.1. Documenten die permanent in het centrum ter beschikking zijn van de inspectie en de verificatie

6.1.1. Het centrumreglement

Het centrumreglement, met inbegrip van het evaluatiereglement, is op het centrum steeds ter beschikking van de inspectie en de verificatie.

6.1.2. De schriftelijke neerslag van de evaluaties

De schriftelijke neerslag van de evaluatie per module is het originele document met de concrete evaluatieopgaven en de antwoorddocumenten van elke cursist of de ingevulde toetsen.

Bij het gebruik van permanente evaluatie op basis van criteria houdt het centrum de gebruikte criteria bij, samen met een overzichtslijst per cursist/module met aanduiding van de resultaten.

De onderwijsinspectie gaat na of bij de evaluatie van de leerresultaten effectief nagegaan wordt in welke mate de cursisten de (specifieke) eindtermen of de basiscompetenties, zoals vastgelegd in de goedgekeurde opleidingsprofielen, realiseren.

6.1.3. De processen-verbaal van de evaluaties

Van de beslissing van de evaluatiecommissie wordt een proces-verbaal opgesteld. Dit proces-verbaal vermeldt:

- naam, instellingsnummer en adres van het centrum;

- de datum van de evaluatie;

- de eenheid/submodule/module/leerjaar waarop de evaluatie betrekking heeft;

- de naam, voornaam en geboortedatum van de cursisten die aan de evaluatie deelgenomen hebben;

- het behaalde resultaat;

- de uitgereikte studiebewijzen (certificaten, getuigschriften of diploma's);

- de namen en handtekeningen van de voorzitter en ten minste

één lid van de evaluatiecommissie.

6.1.4. De participaties

De registratie van de participaties van cursisten wordt beschreven in het afsprakenkader verificatie dat ter beschikking wordt gesteld via de website volwassenenonderwijs.

6.1.5. Het cursistendossier

Voor elke cursist wordt een cursistendossier opgemaakt. Om de verificatie vlot te laten verlopen, worden de cursistendossiers op een overzichtelijke wijze geklasseerd.

Het cursistendossier is voor de verificateur het basisdossier om de financierbaarheid/subsidieerbaarheid van de cursist vast te stellen. Indien op het ogenblik van de verificatie de nodige bewijsstukken niet in het dossier voorhanden zijn, dan is de betrokken cursist niet financierbaar/subsidieerbaar.

Het cursistendossier bevat de volgende documenten:

- het inschrijvingsformulier;

- de individuele steekkaart;

- een kopie van een document dat het wettig verblijf aantoont (indien van toepassing) ;

- attesten gedeeltelijke en volledige vrijstelling inschrijvingsgeld (enkel Centra voor Volwassenenonderwijs);

- andere verantwoordingsstukken (voor cursisten van de opleiding AAV en NT2 zie ook VWO/2011/03 punt 6.2.).

6.1.5.1. Het inschrijvingsformulier

6.1.5.1.1. Algemeen

Bij elke inschrijving van een cursist voor een module wordt een inschrijvingsformulier in tweevoud opgemaakt. Beide exemplaren worden gedateerd en ondertekend door de cursist en een door het bestuur gemachtigd personeelslid. Eén exemplaar blijft bewaard in het cursistendossier en het ander exemplaar wordt, na betaling van het inschrijvingsgeld, aan de cursist overhandigd als bewijs van zijn/haar inschrijving en van de betaling van het inschrijvingsgeld of de vrijstelling hiervan.

Een inschrijvingsformulier kan ook digitaal opgemaakt en bewaard worden. Belangrijk daarbij is dat de rechten en plichten van de cursist en het centrum op dezelfde onmiskenbare manier door beide partijen onderschreven worden. Dat betekent bijvoorbeeld dat een cursist zich identificeert en akkoord verklaart via zijn elektronische handtekening.

Modules waarvoor op hetzelfde moment ingeschreven wordt kunnen gevat worden in één inschrijvingsformulier op voorwaarde dat deze niet verder reiken dan één schooljaar en dat de modules niet in sequentiële volgorderelatie staan tot elkaar.

Het inschrijvingsformulier vormt samen met de individuele steekkaart het basisdocument voor de controle van de financierbaarheid of subsidieerbaarheid van de betrokken cursist door de verificateur. Op basis van het inschrijvingsformulier gaat de verificateur na in welke mate de betrokken cursist voldoet aan de toelatingsvoorwaarden.

6.1.5.1.2. Vereiste gegevens

Er wordt geen model voorzien, maar het inschrijvingsformulier moet ten minste volgende gegevens bevatten:

- identificatie centrum;

- opleiding (benaming), leerjaar (lineaire opleiding) of eenheden/submodules/modules (voorlopige modulaire structuurschema's) of modules (opleidingsprofielen) waarvoor de cursist zich inschrijft met telkens de vermelding van het aantal lestijden;

- startdatum en einddatum van de eenheden/submodules/modules;

- identificatie cursist: naam en voornaam, rijksregisternummer, geboortedatum, en in geval de cursist niet de Belgische nationaliteit heeft het land van herkomst;

- het bedrag van het effectief betaalde inschrijvingsgeld voor het leerjaar van een lineaire opleiding of voor de eenheden/submodules/modules van een voorlopig modulair structuurschema of voor de modules van een goedgekeurd opleidingsprofiel;

- een formulering waardoor de cursist zich akkoord verklaart met het centrumreglement;

- voor een cursist met de Belgische nationaliteit een formulering waardoor de cursist bevestigt over de Belgische nationaliteit te beschikken en de vermelding van het rijksregisternummer van die cursist.

6.1.5.1.3. Volgorderelatie modules

Indien het gaat om niet-sequentiële modules, dan mag het inschrijvingsformulier opgemaakt worden voor meerdere niet-sequentiële modules die de cursist tijdens een bepaald schooljaar wenst af te leggen. In dat geval moet het inschrijvingsgeld in zijn geheel betaald worden.

Indien er wel een volgorderelatie is tussen de modules, dan kan dit niet omdat de cursist in dit geval niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden.

6.1.5.1.4. Geldigheidsduur

In de lineaire organisatie geldt het inschrijvingsformulier voor het gehele schooljaar.

In de modulaire organisatie geldt het inschrijvingsformulier voor een module.

6.1.5.2. De individuele steekkaart

6.1.5.2.1. Algemeen

De individuele steekkaart beschrijft de vorderingen van de cursist doorheen het leertraject. Deze gegevens mogen ook digitaal worden bijgehouden, op voorwaarde dat ze gemakkelijk en snel toegankelijk zijn voor de verificatie.

6.1.5.2.2. Vereiste gegevens

Er wordt geen model voorzien, maar de steekkaart moet minstens volgende gegevens bevatten:

- opleiding (benaming);

- naam cursist;

- een opsomming van: in volgorde van de leerjaren en met vermelding van het leerjaar de vakken (lineair) of in volgorde van het leertraject (modulair), de modules (goedgekeurde opleidingsprofielen) of de eenheden (voorlopige modulaire structuurschema's);

- achter de vakken, de modules of de eenheden waarvoor de cursist vrijgesteld is, wordt de letter V vermeld. Achter de andere vakken, modules of eenheden wordt het schooljaar vermeld tijdens hetwelk de cursist voor de eerste maal deze vakken, modules of eenheden volgt;

- achter de vakken, de modules of de eenheden waarvoor de cursist is geëvalueerd, wordt de vermelding G (geslaagd) of NG (niet geslaagd) aangebracht;

- achter de vakken, de modules of de eenheden waarvoor de cursist een toelatingsproef heeft afgelegd, wordt de vermelding P (proef) vermeld;

- de vermeldingen betreffende een eventueel bisjaar kunnen eveneens opgenomen worden.

6.1.5.3. Bewijs van wettig verblijf

Voor cursisten die niet beschikken over de Belgische nationaliteit, dient er in het cursistendossier een kopie opgenomen te worden van het document dat het wettig verblijf aantoont. Centra kunnen hiervoor het vademecum consulteren met daarin alle documenten die aanvaard worden als bewijs van wettig verblijf. Het verblijfsdocument moet nog geldig zijn op het moment van inschrijving.

Het vademecum vindt u terug op: http://onderwijs.vlaanderen.be/volwassenenonderwijs/directies/richtlijnen_cursus-_en_cursistenadministratie.htm#VademecumWettigVerblijf).

6.1.5.4. Attesten gedeeltelijke en volledige vrijstelling inschrijvingsgeld (enkel Centra voor Volwassenenonderwijs)

Indien de cursist vrijgesteld is van de betaling van het inschrijvingsgeld, dan worden de attesten tot staving van deze vrijstelling in het cursistendossier bewaard.

6.1.5.5. Andere verantwoordingsstukken

Indien een cursist wordt toegelaten op basis van een vooropleiding of van beroepservaring, dan moeten alle verantwoordingsstukken (bv. diploma's, attesten van opleidingsinstellingen, ervaringsbewijzen, verslag van de directeur van het centrum, enz...) in het cursistendossier bewaard worden.

Dit is ook het geval indien de cursist toegelaten wordt op basis van de voorwaarde “15 jaar en de 2 eerste leerjaren van het voltijds secundair onderwijs gevolgd hebben” (opleiding bedrijfsbeheer, zie 1.1.1). In dat geval moet de cursist een attest voorleggen waaruit blijkt dat hij de 2 eerste leerjaren van het voltijds secundair onderwijs heeft gevolgd.

6.1.6. Bewaartermijnen

6.1.6.1. Processen-verbaal van de evaluaties

Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en de niet-geslaagde cursisten en de vermelding van de uitgereikte (deel)certificaten, getuigschriften en diploma's. Het proces-verbaal wordt gedurende dertig jaar bewaard (d.w.z. dertig jaren te rekenen vanaf 31 augustus van het schooljaar in kwestie).

6.1.6.2. Evaluatiedocumenten

Onder evaluatiedocumenten worden die documenten verstaan die de basis vormen voor de studiebekrachtiging.

Van de verschillende soorten evaluaties (schriftelijke, praktische, mondelinge proeven, permanente evaluatie, stagebeoordelingen, portfolio, ...) worden per module volgende documenten bewaard:

1° opdrachten en vragen (geen werkstukken);

2° beoordelingsrubrieken en -criteria.

Bovenvermelde evaluatiedocumenten worden per module voor drie cursisten bewaard en dit gedurende een periode van 3 jaar (d.w.z. drie jaren te rekenen vanaf 31 augustus van het schooljaar in kwestie). Bij gecombineerd onderwijs gebeurt dit via een elektronisch archief.

6.1.6.3. Individuele steekkaart

Voor elke ingeschreven cursist wordt een steekkaart opgemaakt, manueel of geïnformatiseerd, met de persoonlijke en onderwijsgegevens. De steekkaart wordt hetzij elektronisch hetzij onder printvorm gedurende dertig jaar bewaard (d.w.z. dertig jaren te rekenen vanaf 31 augustus van het schooljaar in kwestie).

6.1.6.4. Administratief cursistendossier

Over de schooljaren heen wordt er per cursist een dossier opgebouwd dat alle relevante informatie over de studieloopbaan bevat. Het cursistendossier bevat o.a. de inschrijvingsformulieren, de attesten voor vrijstelling of vermindering van het inschrijvingsgeld, vrijstellingsattesten, processen-verbaal van de toelatingsproeven en van de vrijstellingsproeven, eventuele gelijkwaardigheidbeslissingen, ... . Sommige van deze formulieren kunnen ook apart worden geklasseerd (bijvoorbeeld per semester en per opleiding....) Deze formulieren blijven echter deel uitmaken van het cursistendossier ook wanneer zij apart worden geklasseerd. Het cursistendossier wordt gedurende vijf jaar bewaard (d.w.z. vijf jaren te rekenen vanaf 31 augustus van het schooljaar waarin de cursist zich voor de eerste maal in het centrum inschreef).

6.1.6.5. Processen-verbaal van de verleende afwijkingen op de toelatingsvoorwaarden

Voor de toelatings- en vrijstellingsproeven gelden de richtlijnen zoals beschreven bij de evaluatiedocumenten. Andere stavingsstukken worden in het cursistendossier bewaard.

Het proces-verbaal bevat de lijst van de cursisten die:

- in afwijking van de toelatingsvoorwaarden tot een bepaald opleidingsonderdeel worden toegelaten;

- van een bepaald opleidingsonderdeel worden vrijgesteld.

De processen-verbaal worden gedurende vijf jaar bewaard (d.w.z. vijf jaren te rekenen vanaf 31 augustus van het schooljaar in kwestie).

6.1.7. Samenstelling van de besturen van Centra voor Basiseducatie

De samenstelling van het bestuur van het Centrum voor Basiseducatie met inbegrip van de documenten die de afvaardiging voor de betrokken instelling vastleggen.

6.2. Documenten toe te zenden aan de afdeling Volwassenenonderwijs en/of verificatie en/of inspectie

Deze documenten worden beschreven in de omzendbrief VWO/2013/01 die op Edulex kan worden geraadpleegd.

7. Zorgvuldig bestuur

7.1. Principes van zorgvuldig bestuur

Zorgvuldig bestuur betekent dat scholen en centra zich in de dagelijkse werking aan een aantal principes moeten houden.

Wat de centra betreft, gaat het om volgende principes:

- de toegankelijkheid van het centrumreglement;

- het aanrekenen van cursusmateriaal tegen kostprijs;

- communicatie over orde- en tuchtmaatregelen;

- eerlijke concurrentie;

- verbod op politieke activiteiten;

- handelsactiviteiten;

- reclame en sponsoring.

7.1.1. De toegankelijkheid van het centrumreglement

Het centrumbestuur is gehouden een centrumreglement goed te keuren.

De cursist verklaart zich bij inschrijving akkoord met dit centrumreglement en wordt geacht de rechten en plichten, zoals hierin beschreven staan, te kennen. De cursist verleent dit akkoord, alsook zijn akkoord met betrekking tot het eigen agogisch project van het centrum (zie 6.1.5.1), via een handtekening op het inschrijvingsformulier.

Het centrumbestuur is niet verplicht de cursist bij inschrijving steeds een papieren kopie van het centrumreglement te overhandigen. Wel moet het centrumbestuur de cursist op de hoogte stellen van het bestaan van dit reglement en van de plaats waar het reglement kan ingekeken worden.

Het centrumreglement moet gemakkelijk door de cursist geraadpleegd kunnen worden. Niet alle cursisten hebben vlot toegang tot het internet. In het centrum moet op een bereikbare plaats steeds een exemplaar van het centrumreglement te raadplegen zijn.

Als de cursist uitdrukkelijk vraagt om een papieren kopie van het centrumreglement, dan moet het centrumbestuur een kopie aan de cursist overhandigen.

Het centrumreglement wordt autonoom door het centrumbestuur opgesteld, maar omvat ten minste volgende elementen:

- het reglement van orde en tucht;

- het evaluatiereglement;

- de bijdrageregeling;

- informatie over de werking van de klachtenprocedure binnen het centrum.

Voor een cursist die in aanmerking komt voor kinderbijslag kan het centrumreglement bepalen dat de cursist bij inschrijving een intentieverklaring ondertekent, waarbij hij/zij zich engageert zich voor meerdere opleidingsonderdelen voor een bepaalde duur te zullen inschrijven. Dit teneinde te voldoen aan de wettelijke bepalingen inzake kinderbijslag.

7.1.2. Communicatie over orde- en tuchtmaatregelen

Alle communicatie in het kader van een orde- of tuchtprocedure dient formeel en schriftelijk gecommuniceerd te worden aan de betrokken cursist.

Wanneer het gaat om een meerderjarig cursist moet communicatie met betrekking tot de schoolprestaties en administratieve opvolging gebeuren ten aanzien van de cursist zelf, tenzij die cursist expliciet toestemming geeft om die informatie door te geven aan zijn of haar ouders of voogd.

Bij een minderjarige cursist moet die communicatie gebeuren ten aanzien van de ouders of voogd van de cursist.

7.1.3. Aanrekenen van cursusmateriaal tegen kostprijs

De centra mogen aan de cursisten uitsluitend kosten aanrekenen voor cursusmateriaal.

Onder cursusmateriaal worden alle benodigdheden verstaan die het centrumbestuur noodzakelijk acht voor het volgen van een module/opleidingsonderdeel/leerjaar.

Het cursusmateriaal wordt aangerekend tegen kostprijs en moet bij het begin van elk schooljaar geraamd worden. De cursist moet voor de inschrijving op de hoogte gebracht worden van de kosten voor cursusmateriaal, die aangerekend zullen worden voor de module/het opleidingsonderdeel die/dat hij wenst te volgen.

7.1.4. Verbod op politieke activiteiten

Centra mogen politieke activiteiten laten doorgaan in hun lokalen wanneer deze plaatsvinden buiten de periodes waarin er centrumactiviteiten zijn. Deze activiteiten mogen ook niet plaatsvinden in periodes waarin verkiezingsmiddelen voorafgaand aan verkiezingen beperkt worden door of krachtens een wet of decreet.

Personeelsleden en cursisten kunnen niet gevraagd of aangezet worden om aan deze politieke activiteiten deel te nemen. Het centrumbestuur kan ook niet betrokken worden bij de organisatie van deze politieke activiteiten.

Het schoolbestuur moet rekening houden met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling. Het centrumbestuur kan beslissen om geen politieke activiteiten in haar lokalen te laten plaatsvinden. Maar wanneer zij beslist om dit wel toe te laten, dan moet dit gelden voor alle politieke partijen, voor zover de standpunten en gedragingen van die partij niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

7.2. Commissie zorgvuldig bestuur

Bij het ministerie van Onderwijs en Vorming werd een commissie zorgvuldig bestuur opgericht. De commissie is een onafhankelijk orgaan van actief bestuur. Door haar samenstelling zal ze vertrouwd zijn met het onderwijsveld, in die zin dat ze zich zal kunnen uitspreken over specifieke onderwijsgebonden problemen.

De commissie behandelt vragen en klachten van onderwijsverstrekkers en particulieren in verband met de onder 7.1 vermelde principes en heeft beslissings- en sanctioneringsbevoegdheid.

Iedere belanghebbende heeft het recht om aan de commissie zorgvuldig bestuur vragen te stellen over de toepassing van de principes van zorgvuldig bestuur.

Met betrekking tot klachten kunnen de beslissingen, die administratieve rechtshandelingen zijn en geen gerechtelijke uitspraken, tot een gedeeltelijke terugbetaling van werkingstoelagen leiden. De klachtenprocedure is aan bepaalde termijnen gekoppeld en er wordt in een beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse Regering voorzien. Tegen de beslissingen die Vlaamse Regering op haar beurt neemt, kan bij de Raad van State beroep worden aangetekend.

Meer informatie over de principes van zorgvuldig bestuur, opgesomd in 7.1, de samenstelling en de werking van de commissie zorgvuldig bestuur is beschikbaar op volgende website:

www.ond.vlaanderen.be/zorgvuldigbestuur

8. Bijlagen

Bijlage 1 - Overzicht attesten die toegang verlenen tot sequentieel geordende modules

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4499 (doc. nr. 4499)

Bijlage 2 - Overzicht van attesten die toegang verlenen tot sequentieel geordende modules

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4154 (doc. nr. 4154)

Bijlage 3 - Overzicht van aanvullende toelatingsvoorwaarden

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4153 (doc. nr. 4153)

Bijlage 4 - Overzicht van diplomagerichte opleidingen

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5429 (doc. nr. 5429)

Bijlage 5 - Model van attest

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3170 (doc. nr. 3170)

Bijlage 6 - Model van deelcertificaat

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3171 (doc. nr. 3171)

Bijlage 7 - Modulebewijs van de module hoger beroepsonderwijs

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=6089 (doc. nr. 6089)

Bijlage 8 - Model van certificaat

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3172 (doc. nr. 3172)

Bijlage 9 - Model van getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3173 (doc. nr. 3173)

Bijlage 10 - Model van diploma van secundair onderwijs

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3175 (doc. nr. 3175)

Bijlage 11 - Model van diploma van leraar

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=3177 (doc. nr. 3177)

Bijlage 12 - Logo van de Vlaamse Kwalificatiestructuur

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=5952 (doc. nr. 5952)

Bijlage 13 - Model deelcertificaatsupplement

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4500 (doc. nr. 4500)

Bijlage 14 - Inleiding van diplomasupplement bij diploma van gegradueerde

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4155 (doc. nr. 4155)

Bijlage 15 - Nederlandstalig en Engelstalig model van diplomasupplement bij diploma van gegradueerde

http://ond.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=4156 (doc. nr. 4156)