Bekwaamheidsbewijzen in het deeltijds kunstonderwijs

  • referentie
    DKO/2011/01
  • publicatiedatum
    21/06/2011
  • datum laatste wijziging
    09/05/2018
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het ondersteunendpersoneel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst"
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans"
  • Deze omzendbrief geeft toelichting over de bekwaamheidsbewijzen van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het ondersteunend personeel in het deeltijds kunstonderwijs.
  • Onder punt 5 worden de wijzigingen toegelicht die ingaan op 1 september 2018.In de eerste plaats gaat het om nieuwe vakken met nieuwe bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen: om de concrete bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen per vak te kennen, is het raadzaam om rechtstreeks de online toepassingen BBDKO te raadplegen. Aansluitend bij deze nieuwe vakken zijn een aantal overgangsmaatregelen genomen. Het gaat hierbij zowel om algemene overgangsmaatregelen die toegekend kunnen worden nadat iemand een ambtshalve of individuele concordantie verkregen heeft als meer specifiekere overgangsmaatregelen voor de zogenaamde individuele vakken als voor de kunstvakken begeleidingspraktijk als dansinitiatie. Er wordt ook voorzien in een overgangsmaatregel voor de salarisschaal voor wie in het kunstvak algemene muzikale vorming in de hogere graad aangesteld was. Tevens wordt ook informatie gegeven over de hervorming van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen, over de koppeling van de nieuwe gradenstructuur met het prestatiestelsel en het nieuwe ambt van administratief medewerker.
  • Deze omzendbrief wordt gepubliceerd onder voorbehoud van de definitieve goedkeuring van het b esluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van de bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen van de personeelsleden van de academies voor deeltijds kunstonderwijs

1. Inleiding

De twee besluiten van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst", respectievelijk domeinen “Muziek”, “Woordkunst-drama” en “Dans”, worden regelmatig geactualiseerd. De meest recente wijziging zal eerstdaags definitief door de Vlaamse regering goedgekeurd worden. In punt 5 van deze omzendbrief vindt u daar toelichting over.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het ondersteunend personeel van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Ook de personeelsleden van een kunstacademie, met inbegrip van de directeur en de personeelsleden die aangesteld zijn met uren-leraar voor beleidsondersteuning, vallen met ingang van 1 september 2018 onder het toepassingsgebied van deze omzendbrief.

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen.

  • Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 4) handelt over de algemene principes en definities.
  • Een specifiek gedeelte (punt 5) licht recente vernieuwingen en aandachtspunten toe.
  • De wijzigingen en aandachtspunten die in vorige schooljaren bij omzendbrief meegedeeld werden, kunt u terugvinden via punt 6.
  • Ten slotte vindt u in punt 7 de link naar de website bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs en in punt 8 de links naar bijlagen.

4. De bekwaamheidsbewijzen in het deeltijds kunstonderwijs

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de ambten in het deeltijds kunstonderwijs, en voor het ambt van leraar de vakken.

Als bekwaamheidsbewijs geldt een 'basisdiploma', meestal aangevuld met een 'bewijs van pedagogische bekwaamheid' (BPB). In uitzonderlijke gevallen kan 'artistieke ervaring' een bekwaamheidsbewijs vormen.

De Vlaamse regering kan voor elk ambt, en voor het ambt van leraar voor elk vak, naast 'vereiste' ook 'voldoende geachte' en 'andere' bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder andere rekening houden met de situatie op de arbeidsmarkt.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De studiebewijzen die deel uitmaken van het bekwaamheidsbewijs moeten in principe uitgereikt zijn door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

In het kader van de leertijd kunnen vanaf 1 september 2008in het deeltijds beroepssecundair onderwijs het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs), het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) uitgereikt worden.

Daarnaast komen ook sommige studiebewijzen in aanmerking die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra); in het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren. Concreet gaat het om:

  • het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
  • het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
  • het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs).

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

De bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld als volgt.

Vereiste bekwaamheidsbewijzen (VE)

Wie voor een ambt of vak een vereist bekwaamheidsbewijs heeft, is specifiek opgeleid om dat ambt uit te oefenen of dat vak te onderwijzen.

Voor de ambten van leraar en directeur, moet het personeelslid steeds over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken (daarover meer in punt 4.7.3).

Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen (VO)

Wie voor een ambt of een vak een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs heeft, is niet specifiek voor dat ambt of vak opgeleid. Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen zijn ruim omschreven. Niet elke houder van die bekwaamheidsbewijzen is de geschikte persoon voor het ambt, vak of de specialiteit in kwestie, maar sommigen kunnen dat wel zijn. De academies beschikken over de mogelijkheid om bij het toewijzen van opdrachten naast de lesbevoegdheid die door het specifieke diploma gegarandeerd wordt (VE), ook met de andere competenties van het individu rekening te houden: vakbekwaamheid die hij bijvoorbeeld door voortgezette opleiding, persoonlijke studie of ervaring verworven heeft. Het spreekt voor zich dat een aanstelling van een personeelslid op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs alleen gebeurt met instemming van zowel het personeelslid als de school, waarbij beide partijen overtuigd zijn van de competenties van het personeelslid. Bij het gebruiken van voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen is het wel van belang rekening te houden met de rechtspositieregeling. Voor voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen zijn een aantal bepalingen verschillend van die voor vereiste bekwaamheidsbewijzen; u vindt daarover meer toelichting via punt 6 in de aandachtspunten die meegedeeld werden voor het schooljaar 2002-2003.

Voor de ambten van leraar en directeur moet het personeelslid ook bij voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen telkens over een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschikken.

De inrichtende macht kan bij een aanwerving vrij kiezen tussen kandidaten met een vereist bekwaamheidsbewijs of kandidaten met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Andere bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend.

Een inrichtende macht moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Zij kan enkel kandidaten met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet de inrichtende macht aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming op eer verklaren dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven. In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje 'geen kandidaat VE/VO' in de elektronische zending.

(Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het departement Onderwijs referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

De inrichtende macht hoeft die verklaring op eer niet af te leggen:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. In dat geval hoeft de inrichtende macht de verklaring op eer niet af te leggen gedurende de periode die gelijk is aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. Die periode loopt vanaf de eerste september volgend op de datum van de eerste aanstelling in het deeltijds kunstonderwijs.

Als de inrichtende macht een personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aanstelt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor een dergelijke betrekking bij die inrichtende macht kandidaat gesteld heeft, 'verhaal' aantekenen bij de inrichtende macht. Meer informatie hierover vindt u terug in:

- artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

De aanstelling van een personeelslid dat een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een 'ander' bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Regeling voor buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften

Buitenlandse studiebewijzen moeten erkend worden om als een bekwaamheidsbewijs te kunnen gelden. Er zijn 2 soorten erkenning:

  • de academische erkenning van buitenlandse diploma's;
    De erkenning wordt uitgereikt door NARIC-Vlaanderen.
    Voor meer informatie kunt u terecht op de website van Naric-Vlaanderen.
  • de professionele erkenning (EER-leerkrachten).
    Hiervoor kunnen personeelsleden terecht bij Agodi. Dit is de website met meer informatie.

4.5. Regeling voor diploma's behaald in de Franse Gemeenschap van België

De diploma's uitgereikt door erkende onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap van België zijn evenwaardig met de overeenkomstige diploma's die erkende onderwijsinstellingen in Vlaanderen uitreiken. Er is dus geen beslissing tot gelijkwaardigheid nodig voor een diploma van de Franse Gemeenschap in Vlaanderen. Indien gewenst, kan NARIC- Vlaanderen wel een verklarend attest afleveren.

4.6. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. De kennis van de onderwijstaal Nederlands kan o.a. aangetoond worden via een Nederlandstalig bekwaamheidsbewijs. Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs” (PERS/2010/01).

4.7. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bekwaamheidsbewijzen en bijhorende salarisschalen, zijn per ambt en, voor het ambt van leraar, per vak opgenomen in bijlagen bij de bovenvermelde besluiten van de Vlaamse regering van 31 juli 1990. De inhoud van die bijlagen kunt u ook raadplegen op de website bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs.

4.7.1. Website bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs

Een toelichting over de mogelijkheden en zoekopties van de website bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs vindt u in de handleiding erbij. De website biedt de mogelijkheid opzoekingen te doen in twee richtingen. Met 'van vak of ambt naar diploma' kunt u per vak of per ambt (voor de andere ambten dan leraar) de aanvaarde bekwaamheidsbewijzen terugvinden. U kunt ook omgekeerd via 'van diploma naar vak of ambt' voor een bekwaamheidsbewijs opzoeken tot welke vakken en ambten dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft. Die opzoekingen in beide richtingen doet u afzonderlijk voor de domeinen muziek, woordkunst-drama en dans enerzijds en beeldende en audiovisuele kunst anderzijds.

Bij de vereiste bekwaamheidsbewijzen zijn hoofdzakelijk concrete diploma's opgenomen, zoals bv. diploma hoger kunstonderwijs van de tweede graad fotografie + BPB, diploma van bachelor in het onderwijs secundair onderwijs plastische opvoeding, het diploma van master in de muziek, directie, orkestdirectie + BPB, bachelor (PBA) dans + BPB enz.

Bij de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen wordt hoofdzakelijk gebruik gemaakt van verzamelbenamingen die verschillende bekwaamheidsbewijzen van een bepaald niveau, of vanaf een bepaald niveau, omvatten, zoals bv. ten minste bachelor + BPB, ten minste master + BPB, diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad + BPB enz. Concrete diplomabenamingen komen in die categorie van bekwaamheidsbewijzen minder vaak voor.

Als andere bekwaamheidsbewijzen is alleen een minimum diplomaniveau vastgelegd, meestal 'ten minste HSO', ook een verzamelbenaming.

Voor een goed begrip van de bekwaamheidsbewijzen gaan we hierna verder in op de bestanddelen ervan en op de betekenis van de meest gebruikte verzamelbenamingen, zoals ze gedefinieerd zijn in de regelgeving.

4.7.2. Basisdiploma's

Het overzicht van de aanvaarde basisdiploma's vindt u terug in:

- artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

Deze lijst bevat een reeks studiebewijzen die gerangschikt zijn volgens niveau en gaan van de diploma's uitgereikt door universiteiten tot de studiebewijzen van het niveau hoger secundair onderwijs.

Voor de ambten en vakken in het deeltijds kunstonderwijs komen de basisdiploma's van het hoger kunstonderwijs uiteraard het meest voor in de bekwaamheidsbewijzen.

4.7.3. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

Een bewijs van pedagogische bekwaamheid geeft aan dat de houder ervan een lerarenopleiding gevolgd heeft. Als bewijs van pedagogische bekwaamheid komen diverse studiebewijzen in aanmerking. U vindt het overzicht in:

- artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

Diploma's van een geïntegreerde lerarenopleiding, kunnen tegelijkertijd als basisdiploma en als bewijs van pedagogische bekwaamheid gelden, bv. de diploma's van bachelor in het onderwijs, GVSO-groep 1, GLSO kleuteronderwijzer, onderwijzer.

Diverse oudere bekwaamheidsgetuigschriften zijn gelijkgesteld met een getuigschrift van pedagogische leergangen en komen bijgevolg ook als bewijs van pedagogische bekwaamheid in aanmerking. Dat geldt ook voor diploma's van laureaat, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, in muziekopvoeding, of met de aanvullende vermelding '... en muziekopvoeding', '... en muziekopvoeding van... (specialiteit)' of '... en opvoeding van... (specialiteit)'. U vindt een volledig overzicht van die gelijkstellingen in:

- artikel 8, paragraaf 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 8, paragraaf 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

4.7.4. Verzamelbenamingen van bekwaamheidsbewijzen

Hieronder vindt u informatie over de belangrijkste verzamelbenamingen die gebruikt worden in de bekwaamheidsbewijzen. Het volledige overzicht vindt u in:

- artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama " en "Dans".

4.7.4.1. Ten minste master

De term 'diploma van master’ omvat het diploma van een initiële master, aansluitend bij een bachelor, eventueel na een schakelprogramma.

Met ingang van 1 september 2013 vallen hier ook onder:

- de master, aansluitend op een master (manama);,

- de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

Onder de definitie 'ten minste master' worden niet alleen de bovenvermelde diploma's van master gerekend maar ook de diploma's van meester, licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, architect, ingenieurarchitect enz. 

Voorbeelden van diploma's die voldoen aan de definitie 'ten minste master':

· licentiaat oudheidkunde en kunstgeschiedenis;

· meester in muziek, instrument-zang, optie cello;

· meester in de beeldende kunsten, vrije kunsten, grafiek;

· master in de muziek, instrument-zang, gitaar;

· licentiaat Germaanse filologie.

4.7.4.2. Ten minste bachelor (was tot 31 augustus 2013: ten minste professioneel gerichte bachelor (ten minste PBA))

De term ‘diploma van bachelor’ omvat diploma’s van :

- professioneel gerichte bachelor, uitgereikt na het volgen van een initiële bacheloropleiding;

- bachelor, aansluitend op een bachelor (vanaf 1 september 2013);

- academisch gerichte bachelor (vanaf 1 september 2013).

Onder de term 'ten minste bachelor' worden in de eerste plaats de bovenvermelde diploma's van bachelor gerekend. Bovendien omvat de verzamelbenaming ook de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, de diploma's van gegradueerde (zowel de vroeger uitgereikte als de nu uitgereikte in het hoger beroepsonderwijs), diploma's van technisch ingenieur, diploma's van hoger kunstonderwijs van de eerste of tweede graad met volledig leerplan, diploma's van een hogere technische leergang van de tweede graad, ... Ook de hele groep van diploma's die onder de definitie 'ten minste master' vallen, wordt onder ten minste bachelor gerekend.

Voorbeelden van diploma's die voldoen aan de definitie 'ten minste bachelor':

· GVSO-groep 1 uitdieping muzikale opvoeding en basiscluster muzikale opvoeding-Engels;

· gegradueerde in de plastische kunsten;

· master in de beeldende kunsten, vrije kunsten.

Opmerking
Onder de definitie van 'ten minste bachelor' vallen niet:
· het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie;
· het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;
· het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
· het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
· het diploma van eerste prijs notenleer.

4.7.4.3. Ten minste HSO

Onder deze definitie vallen onder meer het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, maar ook het diploma van kandidaat en alle diploma's die onder 'ten minste bachelor' vallen.

Voorbeelden van diploma's die voldoen aan de definitie 'ten minste HSO':

· gehomologeerd diploma algemeen HSO volledig leerplan;

· diploma van secundair kunstonderwijs 3de graad met volledig leerplan; architecturale kunst;

· studiegetuigschrift van het 7de specialisatiejaar beroeps HSO volledig leerplan;

· getuigschrift DKO hogere graad.

4.7.4.4. Diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad

Onder deze verzamelbenaming vallen:

- het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;

- het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;

- het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium en met uitzondering van het diploma van kandidaat.

Een heel aantal diploma's zijn bovendien met een diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad gelijkgesteld, bv.:

- een aantal diploma's van eerste prijs uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

- diploma's van bachelor, afgeleverd in de studiegebieden architectuur, audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst of muziek en podiumkunsten;

- diploma's van bachelor in het onderwijs, secundair onderwijs, met vermelding van een van de volgende opleidingseenheden of onderwijsvakken: plastische kunsten, plastische opvoeding, muzikale opvoeding, muzikale vorming, muziekopvoeding, project kunstvakken.

Een volledig overzicht van die gelijkstellingen vindt u in:

- artikel 8, paragrafen 2 en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 8, paragrafen 2 en 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

Voorbeelden van diploma's die voldoen aan de definitie 'diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad':

· het diploma eerste prijs viool;

· het diploma eerste prijs lyrische kunst;

· het diploma eerste prijs kamermuziek;

· het diploma eerste prijs muziekgeschiedenis;

· het diploma eerste prijs toneel;

· basisopleiding van één cyclus VL gegradueerde plastische kunsten;

· het diploma professioneel gerichte bachelor in de dans;

· het diploma professioneel gericht bachelor in de musical;

· het diploma professioneel gericht bachelor in de pop- en rockmuziek.

4.7.4.5. Diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad

Onder deze verzamelbenaming vallen:

- het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;

- het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;

- het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;

- het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;

- het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

- het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;

- het diploma van binnenhuisontwerper, uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten in Hasselt, het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Hasselt-Diepenbeek en het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut De Bijloke in Gent;

- het diploma van binnenhuisontwerper, behaald voor het academiejaar 1964-1965 en uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in Antwerpen;

Een aantal diploma's zijn bovendien met een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad gelijkgesteld, bv. het hoger diploma, het diploma van eerste prijs fuga of contrapunt, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs. Deze gelijkstellingen vindt u terug in artikel 8, paragraaf 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

Daarenboven werkt een vroegere gelijkstelling met een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad ook vandaag nog door. Het gaat over de A7/A1-diploma's, de diploma's van de hogere technische scholen met kunstkarakter van de eerste graad en de diploma's van artistiek hoger onderwijs van het korte type, uitgereikt vóór 1 oktober 1982 door St-Lucas Brussel, St-Lucas Gent, het St-Lucaspaviljoen Antwerpen en het St-Maria-instituut Antwerpen. Zij moeten als gelijkwaardig aanzien worden met een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad indien afgeleverd door afdelingen, ook al veranderden ze van naam, die voor 1 oktober 1982 werden gerangschikt in het hoger kunstonderwijs van de tweede graad.

Voorbeelden van diploma's die voldoen aan de definitie 'diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad':

· het hoger diploma piano;

· het diploma eerste prijs fuga;

· het diploma eerste prijs contrapunt;

· diploma van hoger kunstonderwijs VL (4-jarige cyclus) vrije grafiek;

· diploma HOKT VL foto-film uitgereikt door St. Lucas Brussel.

4.7.4.6. Diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad

Onder deze verzamelbenaming vallen:

- het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;

- het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;

- het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

- het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste 5 studiejaren;

- de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

- het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op het hoger onderwijs;

- het diploma van architect, interieurarchitect;

- het diploma van doctor in de kunsten.

Een heel aantal diploma's zijn bovendien met een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad gelijkgesteld, bv.

- het diploma van virtuositeit, het diploma van een eerste prijs compositie of orkestdirectie, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

- diploma's van master, afgeleverd in de studiegebieden architectuur, audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, muziek en podiumkunsten.

Een volledig overzicht van die gelijkstellingen vindt u in:

- artikel 8, paragraaf 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 8, paragrafen 2 en 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

Voorbeelden van diploma's die voldoen aan de definitie 'diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad':

· diploma van hoger kunstonderwijs van de 3de graad beeldhouwen;

· diploma hoger kunstonderwijs VL (5-jarige cyclus) industriële vormgeving;

· het diploma van meester in muziek, muziektheorie + schriftuur;

· het diploma van meester in beeldende kunst, optie Vrije Kunsten: beeldhouwen;

· het diploma van meester in Dramatische kunst, optie toneel;

· het diploma van master in de muziek, instrument/zang, piano;

· het diploma van master in de beeldende kunsten, vrije kunsten, juweelontwerp en edelsmeedkunst;

· het diploma eerste prijs compositie.

4.7.5. Studiebewijzen van het volwassenenonderwijs

4.7.5.1. Algemene regel

Om als basisdiploma in aanmerking te komen moet voor een studiebewijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs (of het vroegere onderwijs voor sociale promotie) de onderwijscyclus ten minste 900 lestijden hebben omvat. Voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid uitgereikt in het volwassenenonderwijs (of het vroegere onderwijs voor sociale promotie) geldt een minimum van 450 lestijden.

4.7.5.2. Studiebewijzen van het secundair volwassenenonderwijs

Met het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs komt er op termijn voor alle opleidingen secundair volwassenenonderwijs een nieuwe modulaire structuur (opleidingsprofiel). In overeenstemming hiermee zijn er al vanaf 1 september 2007 studiebewijzen van opleidingen secundair onderwijs in het volwassenenonderwijs afgeleverd zonder vermelding van onderwijsvorm en graad.

De bekwaamheidsbewijzen hanteren momenteel wel nog onderwijsvorm en graad bij studiebewijzen van secundair volwassenenonderwijs, bv. bso3, tso2 enz. Om van de nieuwe studiebewijzen de correcte rangschikking te kennen, wordt een tabel als bijlage bij de bekwaamheidsbewijzen gevoegd waarin de rangschikking van de opleiding staat voor modulaire opleidingen die voor 2011 ingevoerd werden (bijlage1 bij deze omzendbrief).

Nieuwe opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs zijn niet meer gerangschikt naar onderwijsvorm en –graad van secundair onderwijs. De studiebewijzen (certificaten en diploma’s) die uitgereikt worden in het modulaire volwassenenonderwijs na het volgen van een nieuwe opleiding, ingevoerd vanaf 1 september 2011, die niet meer gerangschikt zijn als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3, kunnen in aanmerking genomen worden als een bekwaamheidsbewijs. Zij worden gegroepeerd onder de verzamelbenaming ‘ten minste HSO’.

4.7.6. Erkenning van artistieke ervaring

In uitzonderlijke gevallen kan de artistieke ervaring van een kandidaat-leerkracht kunstvakken als bekwaamheidsbewijs in aanmerking komen. De procedure vindt u terug in: 

- artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domein "Beeldende en audiovisuele kunst";

- artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, domeinen "Muziek", "Woordkunst-drama" en "Dans".

De laatste stap in die procedure is dat de inrichtende macht of haar gemandateerde de beslissing tot erkenning meedeelt aan het ministerie van Onderwijs en Vorming via het formulier (bijlage2), samen met een kopie van het advies dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.

4.7.7. Gelijkgestelde uren

Voor bv. een opdracht als pedagogisch coördinator, is er een regeling die erin bestaat dat de inrichtende macht de opdracht gelijkstelt met een bestaand vak, op basis van de bekwaamheidsbewijzen waar het personeelslid over beschikt. Het personeelslid wordt voor die opdracht dan bezoldigd op basis van de salarisschaal voor lesuren in het vak waarmee de opdracht gelijkgesteld is, en wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs, naargelang hij voor het onderwijzen van het gelijkstellingsvak in het bezit zou zijn van een vereist, een voldoende geacht of een ander bekwaamheidsbewijs.

5. Aandachtspunten vanaf het schooljaar 2018-2019

5.1. Inleiding

In de eerste plaats worden de beide besluiten bekwaamheidsbewijzen op allerlei punten technisch aangepast, kwestie van de gehanteerde terminologie uit het niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs en het bijhorende organisatiebesluit over te nemen. Concreet gaat het onder meer over termen zoals domein en de geactualiseerde benamingen van de domeinen in kwestie, evenals de indeling in de nieuwe gradenstructuur 1 e graad, 2 e graad, 3 e graad en 4 e graad.

Tezelfdertijd blijven de principes bij de bekwaamheidsbewijzen zonder meer behouden: de indeling in vereiste, voldoende geachte en ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen blijft, evenals de gevolgen die deze indeling heeft op het statuut van de personeelsleden naar onder meer het verwerven van (het recht op) tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, de vaste benoeming en de draagwijdte van de vaste benoeming.

Er zijn evenmin wijzigingen aangebracht aan de principes van de verloning :

  • in de 1 e , 2 e en 3 e graad is het principe van functieverloning behouden en worden alle personeelsleden betaald aan salarisschaal 301 (bij de vereiste en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen) of salarisschaal 300 (bij de andere bekwaamheidsbewijzen);
  • in de 4 e graad is het principe van diplomaverloning behouden en gelden bij de vereiste en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen de salarisschalen 501 (niveau HKO 3 e graad + BPB en ten minste master + BPB), 347 (niveau HKO 2 e graad + BPB) en 302 ((niveau HKO 1 e graad + BPB, HOKT + BPB en ten minste bachelor + BPB); bij de “andere” bekwaamheidsbewijzen geldt steeds salarisschaal 384 , behalve voor de algemene vakken kunst en cultuur, kunst- en cultuurfilosofie en kunstgeschiedenis waar de salarisschaal 301 geldt.

Gezien de vele nieuwe vakken en vakken die van benaming gewijzigd zijn, zijn de concrete opsommingen van bekwaamheidsbewijzen gekoppeld aan vakken natuurlijk wel veranderd. Zoals gebruikelijk worden de bekwaamheidsbewijzen per ambt en per vak opgesomd in de onlinetoepassingen BBDKO-BAK en BBDKO-MWD .

5.2. Afstemming voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen over domeinen heen

Een van de veranderingen die het organisatiebesluit doorvoert voor de podiumkunsten, is de introductie van algemene vakken waar er daar tot nu toe enkel kunstvakken georganiseerd konden worden. Voor het domein b eeldende en audiovisuele kunst daarentegen worden de technische vakken afgeschaft en kunnen er dus in het vervolg ook enkel maar algemene en kunstvakken georganiseerd worden.

Tijdens de voorbereiding van de wijzigingen aan de besluiten bekwaamheidsbewijzen bleek ook dat de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen over de verschillende domeinen en vakken heel divers en soms op het eerste gezicht onlogisch ingevuld werden. Daarom is van de hervorming gebruik gemaakt om de bekwaamheidsbewijzen over alle domeinen heen waar dat aangewezen was op elkaar af te stemmen volgens een algemene structuur.

Voor de kunstvakken bestaan de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen uit de ruime omschrijvingen:

  • HKO 1e graad + BPB
  • HKO 2e graad + BPB
  • HBO 3e graad + BPB

Voor de algemene vakken in de 1e, 2e en 3e graad bestaan de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen uit de ruime omschrijvingen:

  • Bachelor + BPB en HOKT + BPB;
  • HKO 1e graad + BPB
  • HKO 2e graad + BPB
  • Ten minste master (met inbegrip van HKO 3e graad) + BPB

Voor de algemene vakken in de 4e graad bestaan de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen uit de ruime omschrijvingen:

  • HKO 1e graad + BPB
  • HKO 2e graad + BPB
  • Ten minste master (met inbegrip van HKO 3e graad) + BPB

Op deze algemene regels bestaan een aantal uitzonderingen, namelijk bij vakken (zowel algemene als kunstvakken) waaraan enkel voldoende geachte en ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen gekoppeld zijn, zijn de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen dezelfde als de opsomming hierboven bij de algemene vakken van de 1e, 2e en 3e graad. Ook bij de kunstambachten uit het domein beeldende en audiovisuele kunst, bij sommige dansvakken en bij een aantal specifieke vakken waar dit aangewezen was, zijn er uitzonderingen op de algemene opbouw van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen . Voor het concrete overzicht van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen per vak raadpleegt u hetzij BBDKO- BAK , hetzij BBDKO-MWD .

5.3. Overgangsmaatregelen voor het bekwaamheidsbewijs: domein beeldende en audiovisuele kunst

Voor sommige personeelsleden die voor 1 september 2018 in dienst waren , worden binnen het domein beeldende en audiovisuele kunst , indien dit nodig is , overgangsmaatregelen voorzien voor wat betreft het bekwaamheidsbewijs.

Welke personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel krijgen?

- personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 201 8 vastbenoemd zijn in een vak in de studierichting beeldende kunst en hetzij een ambtshalve concordantie, hetzij een individuele concordantie verkregen hebben;

- personeelsleden die in de loop van een van de schooljaren 20 15 -20 16 , 20 16 -20 17 of 2017 - 2018 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in een vak in de studierichting beeldende kunst en hetzij een ambtshalve concordantie, hetzij een individuele concordantie verkregen hebben.

Meer informatie over de ambtshalve en individuele concordanties vindt u in de omzendbrief ambtshalve en individuele concordantie s in het deeltijds kunstonderwijs vanaf 1 september 2018 .

De bovenvermelde personeelsleden die een vereist bekwaamheidsbewijs hadden voor een bepaald vak in een bepaalde graad in de studierichting beeldende kunst , organiek of via overgangsmaatregel , en dat niet meer hebben in de overeenstemmende graad van een vak in het domein beeldende en audiovisuele kunst waarheen ze een ambtshalve of individuele concordantie verkregen

hebben, behouden via de overgangsmaatregel een vereist bekwaamheidsbewijs (OM/VE).

De bovenvermelde personeelsleden die een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hadden voor een bepaald vak in een bepaalde graad in de studierichting beeldende kunst , organiek of via overgangsmaatregel , en dat niet meer hebben in de overeenstemmende graad van een vak in het domein beeldende en audiovisuele kunst waarheen ze een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, behouden via de overgangsmaatregel een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs (OM/V O ).

Voorbeeld:

Een vast benoemd personeelslid met een master kunstwetenschappen en een BPB is aangesteld in het Specifiek artistiek atelier: theatervormgeving , hogere graad .

  • Dit valt onder het niveau ‘ten minste master (inclusief diploma hoger kunstonderwijs van de derde graad of daarmee gelijkgesteld) + BPB’ waardoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dit vak heeft
  • Specifiek artistiek atelier: theatervormgeving wordt ambtshalve geconcordeerd naar Scenografie (BAK)
  • Voor dit vak heeft hij op basis van de organieke wetgeving geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer.
  • Door de overgangsmaatregelen kan hij verder op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aangesteld worden in de overeenstemmende graad nl. 4 de graad, Scenografie (BAK)

5.4. Overgangsmaatregelen voor het bekwaamheidsbewijs: domeinen muziek, woordkunst-drama en dans

Voor sommige personeelsleden die voor 1 september 2018 in dienst waren , worden binnen de domein en muziek, woordkunst-drama en dans , indien dit nodig is , overgangsmaatregelen voorzien voor wat betreft het bekwaamheidsbewijs.

Welke personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel krijgen?

- personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 201 8 vastbenoemd zijn in een vak in de studierichtingen muziek, woord of dans en hetzij een ambtshalve concordantie, hetzij een individuele concordantie verkregen hebben;

- personeelsleden die in de loop van een van de schooljaren 20 15 -20 16 , 20 16 -20 17 of 2017 - 2018 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in een vak in de studierichtingen muziek, woord of dans en hetzij een ambtshalve concordantie, hetzij een individuele concordantie verkregen hebben.

Meer informatie over de ambtshalve en individuele concordanties vindt u in de omzendbrief ambtshalve en individuele concordanties in het deeltijds kunstonderwijs vanaf 1 september 2018 .

De bovenvermelde personeelsleden die een vereist bekwaamheidsbewijs hadden voor een bepaald vak in een bepaalde graad in de studierichtingen muziek, woord of dans , organiek of via overgangsmaatregel , en dat niet meer hebben in de overeenstemmende graad van een vak in de domeinen muziek, woordkunst-drama en dans waarheen ze een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, behouden via de overgangsmaatregel een vereist bekwaamheidsbewijs (OM/VE).

De bovenvermelde personeelsleden die een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hadden voor een bepaald vak in een bepaalde graad in de studierichtingen muziek, woord of dans , organiek of via overgangsmaatregel , en dat niet meer hebben in de overeenstemmende graad van een vak in de domeinen muziek, woordkunst-drama en dans waarheen ze een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben, behouden via de overgangsmaatregel een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs (OM/V O ).

Voorbeeld:

Een tijdelijk personeelslid met een diploma van bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs met onderwijsvakken Nederlands en geschiedenis is aangesteld in toneel,  middelbare graad en heeft hiervoor een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs

  • De regelgeving voorziet in een ambtshalve concordantie van het vak toneel zowel naar het vak speltheater (3e graad) als naar het vak theater (4e graad).
  • Voor beide vakken heeft dit personeelslid op basis van de organieke wetgeving geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer, maar een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs.
  • De overgangsmaatregelen kunnen enkel toegekend worden aan een vak in de overeenstemmende graad. De middelbare graad stemt overeen met de derde graad.
  • Omdat speltheater in de 3 e graad ingericht wordt, kan hij voor de aanstelling in dit vak terugvallen op een overgangsmaatregel en behoudt hij voor speltheater een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
  • Omdat theater in de 4 e graad ingericht wordt, kan hij voor een aanstelling in dit vak niet terugvallen op de overgangsmaatregelen en kan hij dus op basis van de organieke wetgeving enkel op basis van een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs  aangesteld worden.

5.5. Overgangsmaatregelen voor het bekwaamheidsbewijs: specifieke gevallen in domeinen muziek en dans

5.5.1. Overgangsmaatregelen voor het bekwaamheidsbewijs voor de zogenaamde ‘individuele vakken’.

Voor de personeelsleden die tewerkgesteld zijn in vakken die in de studier i c h ting muziek bekend staan als individuele vakken zijn afwijkende overgangsmaatregelen voorzien die erop neerkomen dat de overgangsmaatregelen niet beperkt zijn tot een welbepaalde graad, maar doorwerken in de 1 e t.e.m. de 4 e graad. Deze afwijkende overgangsmaatregel wil rekening houden met het feit dat lesgevers in individuele vakken meer dan andere leraren in de loop van de jaren heen en weer over de graden schuiven en het toeval dus een grotere rol zou kunnen spelen of iemand al dan niet voor de 4 e graad over een overgangsmaatregel beschikt.

Welke personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel krijgen?

  • personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in
  • KV algemene muziektheorie,
  • KV begeleidingspraktijk,
  • KV instrument,
  • KV instrument jazz en lichte muziek
  • KV instrument volksmuziek
  • KV muziektheorie
  • KV zang
  • KV zang jazz en lichte muziek
  • KV zang volksmuziek

en hetzij een ambtshalve concordantie, hetzij een individuele concordantie verkregen hebben ;

  • personeelsleden die in de loop van een van de schooljaren 20 15 -20 16 , 20 16 -20 17 of 2017 - 2018 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in
  • KV algemene muziektheorie,
  • KV begeleidingspraktijk,
  • KV instrument,
  • KV instrument jazz en lichte muziek
  • KV instrument volksmuziek
  • KV klankleer en klankopname praktijk
  • KV klankleer en klankopname theorie
  • KV muziektheorie
  • KV zang
  • KV zang jazz en lichte muziek
  • KV zang volksmuziek

en hetzij een ambtshalve concordantie, hetzij een individuele concordantie verkregen hebben .

Meer informatie over de ambtshalve en individuele concordanties vindt u in de omzendbrief ambtshalve en individuele concordanties in het deeltijds kunstonderwijs vanaf 1 september 2018 .

De bovenvermelde personeelsleden die een vereist bekwaamheidsbewijs hadden voor een van de hierboven vermelde vakken , organiek of via overgangsmaatregel , en dat niet meer hebben voor het vak of de vakken waarheen ze een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben vanuit de hierboven vermelde vakken , behouden via de overgangsmaatregel een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat vak of die vakken en dat in alle graden (OM/VE).

De bovenvermelde personeelsleden die een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hadden voor een van de hierboven vermelde vakken , organiek of via overgangsmaatregel , en dat niet meer hebben voor het vak of de vakken waarheen ze een ambtshalve of individuele concordantie verkregen hebben vanuit de hierboven vermelde vakken , behouden via de overgangsmaatregel een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat vak of die vakken en dat in alle graden (OM/V O ).

Voorbeeld:

Een tijdelijk personeelslid met een meester in de muziek, muziektheorie/schriftuur en een BPB is in het schooljaar 2017-2018 met een vereist bekwaamheidsbewijs aangesteld in het ‘individueel’ vak Muziektheorie

  • De inrichtende macht kent een individuele concordantie toe van Muziektheorie naar Arrangeren
  • Voor dit vak heeft hij op basis van de organieke wetgeving geen vereist bekwaamheidsbewijs meer.
  • Door de overgangsmaatregelen kan hij verder op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs aangesteld worden in zowel de 3 e als de 4 e graad van het vak Arrangeren

5.5.2. Overgangsmaatregel voor het vak begeleidingspraktijk

Omwille van de andere, ruimere inhoudelijke invulling (stijlverschillen) van het vak begeleidingspraktijk na 1 september 2018 vergeleken met de invulling ervan voordien, worden vanaf 1 september 2018 enkel nog voldoende geachte en andere bekwaamheidsbewijzen aan het vak begeleidingspraktijk toegekend.

Voor sommige personeelsleden die voor 1 september 2018 in dat vak aangesteld waren, wordt eveneens in een overgangsmaatregel voorzien.

Welke personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel krijgen?

- personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 201 8 vastbenoemd zijn in het kunstvak begeleidingspraktijk;

- personeelsleden die in de loop van een van de schooljaren 20 15 -20 16 , 20 16 -20 17 of 2017 - 2018 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het kunstvak begeleidingspraktijk;

De bovenvermelde personeelsleden die een vereist bekwaamheidsbewijs hadden voor het kunstvak begeleidingspraktijk, organiek of via overgangsmaatregel , en dat vanaf 1 september 2018 niet meer hebben, behouden via de overgangsmaatregel een vereist bekwaamheidsbewijs voor het kunstvak begeleidingspraktijk.

De personeelsleden aangesteld in het kunstvak begeleidingspraktijk kunnen aldus zowel van de overgangsmaatregel, vermeld in punt 5.5.1., als de overgangsmaatregel, vermeld in dit punt, genieten.

Voorbeeld:

Een tijdelijk personeelslid met een eerste prijs piano en een BPB is in het schooljaar 2017-2018 aangesteld in het ‘individueel’ vak Begeleidingspraktijk, middelbare graad

  • Dit is een vereist bekwaamheidsbewijs
  • Voor dit vak zijn er vanaf 1 september 2018 geen vereiste bekwaamheidsbewijzen. Op basis van de organieke wetgeving heeft hij een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
  • Door de overgangsmaatregelen kan hij verder op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs aangesteld worden in alle graden van het vak begeleidingspraktijk

5.5.3. Overgangsmaatregel voor het vak dansinitiatie

Naar aanleiding van de aanpassingen aan en de stroomlijning van de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen (zie punt 5.2 hierboven) zijn de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen van het vak dansinitiatie verengd tot HKO 1e graad + BPB, HKO 2e graad + BPB en HKO 3e graad + BPB. Concreet betekent dit dat sommige diploma’s zoals het diploma van (kleuter)onderwijzer, ‘regenten’ en alle masterdiploma’s die niet tot het hoger kunstonderwijs van de derde graad gerekend worden, niet langer in aanmerking komen om met een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aangesteld te kunnen worden. Voor sommige personeelsleden die voor 1 september 2018 in dienst waren, word t echter ook in een overgangsmaatregel voorzien.

Welke personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel krijgen?

- personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 201 8 vastbenoemd zijn in het kunstvak dansinitiatie;

- personeelsleden die in de loop van een van de schooljaren 20 15 -20 16 , 20 16 -20 17 of 2017 - 2018 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het kunstvak dansinitiatie;

De bovenvermelde personeelsleden die een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hadden voor het kunstvak dansinitiatie, organiek of via overgangsmaatregel , en dat vanaf 1 september 2018 niet meer hebben, behouden via de overgangsmaatregel een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het kunstvak dansinitiatie.

Voorbeeld:

Een vast benoemd personeelslid met een diploma van onderwijzer(es) is aangesteld in Dansinitiatie, lagere graad.

  • Hierdoor heeft z ij een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
  • Vanaf 1 september 2018 heeft z ij op basis van de organieke wetgeving geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer voor Dansinitiatie.
  • Door de overgangsmaatregelen kan z ij verder op basis van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aangesteld worden in de overeenstemmende graad nl. Dansinitiatie, eerste graad.

5.6. Overgangsmaatregel voor de salarisschaal hogere graad vak algemene muzikale vorming

Tot en met het schooljaar 2017-2018 kan het vak algemene muzikale vorming zowel in de hogere als in de lagere graad ingericht worden. De opvolger ervan, muzikale en culturele vorming wordt echter niet meer in de 4 e graad ingericht, enkel in de 2 e en 3 e graad. Daarom wordt voorzien in een overgangsmaatregel voor wat betreft de salarisschaal

Welke personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel krijgen?

  • personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 2018 vastbenoemd zijn in de hogere graad van het kunstvak algemene muzikale vorming en een individuele concordantie verkregen hebben naar een of meerdere vakken muzikale en culturele vorming ;
  • personeelsleden die in de loop van een van de schooljaren 20 15 -20 16 , 20 16 -20 17 of 2017 - 2018 tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in de hogere graad van het kunstvak algemene muzikale vorming en een individuele concordantie verkregen hebben naar een of meerdere vakken muzikale en culturele vorming ;

Die personeelsleden behouden in de 2 e en 3 e graad de salarisschaal die hen in de hogere graad in het kunstvak algemene muzikale vorming toegekend werd (dit is hetzij organiek de salarisschaal 501, hetzij de salarisschaal 347, hetzij de salarisschaal 302 , hetzij via de overgangsregeling van 1/09/1990 salarisschaal 346 ) in het of de betrokken vakken muzikale en culturele vorming waarheen ze individueel geconcordeerd zijn.

Voorbeeld:

Een vast benoemd personeelslid met een diploma van laureaat muziekopvoeding is aangesteld in Algemene muzikale vorming, hogere graad.

  • Op basis van zijn diploma wordt hij in de hogere graad betaald aan salarisschaal 347.
  • Het schoolbestuur kent een individuele concordantie toe naar muzikale en culturele vorming
  • Op basis van de organieke wetgeving heeft hij voor muzikale en culturele vorming in de 2 de en 3 de graad recht op salarisschaal 301.
  • Door de overgangsmaatregelen kan hij verder aan salarisschaal 347 betaald worden in de 2 de en 3 de graad Muzikale en culturele vorming.

5.7. Prestatiestelsel

Op zich zijn er geen wijzigingen aan het prestatiestelsel binnen het deeltijds kunstonderwijs. Gezien de benamingen van de graden echter gewijzigd zijn, is ook de regelgeving van het prestatiestelsel op deze nieuwe benamingen afgestemd.

Concreet bedraagt een voltijdse prestatie in het ambt van leraar in de 1e, 2e en 3e graad 22 les uren; een voltijdse prestatie in de 4e graad bedraagt 20 les uren.

5.8. Nieuw ambt van administratief medewerker

Vanaf 1 september 2018 wordt het bestaande ambt van opsteller in het deeltijds kunstonderwijs omgeruild voor het ambt van administratief medewerker. Momenteel hangt daar enkel het bekwaamheidsbewijs ‘ten minste HSO’ met bijhorende salarisschaal 202 aan vast.

6. Aandachtspunten meegedeeld in de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen deeltijds kunstonderwijs

8. Bijlagen