Besluit van de Vlaamse Regering houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    17 DECEMBER 2010
  • publicatiedatum
    B.S.24/06/2011
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

Decr. 17-6-2011 - B.S. 20-7-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 8-7-2011 - B.S. 25-7-2011

Decr. 25-11-2011 - B.S. 23-2-2012

Decr. 1-6-2012 - B.S. 22-6-2012

Decr. 8-6-2012 - B.S. 23-7-2012

Decr. 29-6-2012 - B.S. 27-7-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 5-7-2013 - B.S. 30-7-2013

Decr. 12-7-2013 - B.S. 30-8-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Arr. nr. 37/2014, 27-2-2014 - B.S. 3-3-2014

Arr. nr. 80/2014, 8-5-2014 - B.S. 27-6-2014

Decr. 21-3-2014 - B.S. 28-8-2014

Decr. 4-4-2014 - B.S. 20-8-2014

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

Decr. 3-7-2015 - B.S. 28-7-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 13-11-2015 - B.S. 23-11-2015

Decr. 13-11-2015 - B.S. 23-11-2015

Decr. 18-12-2015 - B.S. 27-1-2016

Decr. 10-6-2016 - B.S. 17-8-2016

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Decr. 15-7-2016 - B.S. 6-9-2016

Decr. 25-11-2016 - B.S. 22-12-2016

Decr. 23-12-2016 - B.S. 29-12-2016

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, artikel X.35, zoals gewijzigd, dat bepaalt :

"Artikel X.35. De Vlaamse Regering kan de bepalingen van volgende decreten coördineren, met inachtneming van de wijzigingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie :

1°het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;

2° de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

3° de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;

4° de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;

5° de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen;

5bis° koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs;

5ter° koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;

5quater° koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

5quinquies° koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs;

5sexies° koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de salarissen, de salaristoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

6° het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;

7° het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Vlaamse Autonome Hogescholen;

8° het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs;

9° het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen;

10° het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

11° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

12° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

13° het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap;

14° het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen;

15° het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;

16° het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;

17° het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

18° het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;

19° het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap; 20° het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;

21° het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing;

22° het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;

22bis° koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

23° het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;

24° het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII;

25° het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool;

26° het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

27° het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX;

28° het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

29° het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs;

30° het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs X;

31° het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;

32° het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;

33° het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII Ensor;

34° het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

35° het decreet van 20 april 2001 houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs;

36° het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII Mozaïek;

36bis° het decreet van 22 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I;

36ter° het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;

36quater° de decretale bepalingen uit het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van opleidingsvorm 3 in het buitengewoon secundair onderwijs;

37° het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

38° het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV;

39° het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;

40° het decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII;

41° het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs;

42° het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;

43° het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft 44° het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende bepalingen voor het deeltijds kunstonderwijs;

45° het decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX;

46° het decreet van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX.

Te dien einde kan de Vlaamse Regering :

1°de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;

2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;

3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde eenheid in de terminologie te brengen, de bepalingen onderling te doen overeenstemmen en ze in overeenstemming te brengen met de actuele stand van de regelgeving, inzonderheid door de afstemming met de bepalingen inzake begrippenkader;

4° in de bepalingen die niet in de coördinatie worden opgenomen, de verwijzingen naar de gecoördineerde bepalingen aanpassen."

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 24 augustus 2009;

Gelet op het advies nummer 47.188/1 van de Raad van State, gegeven op 10 december 2009 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs, met inachtneming van de wijzigingen die ze hebben ondergaan, worden gecoördineerd in een codificatie volgens de bij dit besluit gevoegde tekst.

Art. 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

DEEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1.

De codificatie van de wettelijke en decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs regelt gemeenschapsaangelegenheden.

Art. 2.

§ 1. [De bepalingen van deel III van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs.

In afwijking van het eerste lid :

1° geldt artikel 123/6 niet voor het voltijds gewoon secundair onderwijs en buitengewoon secundair onderwijs;

2° gelden artikel 96 tot en met 99, 110/19 tot en met 110/27, 115/1, 116 tot en met 120, en 123/6 niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

3° gelden artikel 110/1 tot en met 110/18, 111 en 112, [[123/2]]¹ tot en met 123/4, en 123/6 [[tot en met 123/20]]² ook voor de leertijd.]

Decr. 4-4-2014; [[ ]]¹ Decr. 19-6-2015; [[ ]]² Decr. 17-6-2016

[De artikelen 110/1 tot en met 110/18 gelden ook voor de leertijd, vermeld in artikel 26, 1°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming Syntra Vlaanderen. De artikelen 110/19 tot en met 110/27 gelden niet voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.]

Decr. 25-11-2011

[De artikelen 110/1 tot en met 110/27 gelden niet voor het hoger beroepsonderwijs.]

Decr. 19-7-2013

§ 2. De bepalingen van deel IV van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs.

De artikelen 216 en 242 tot en met [251/1] gelden ook voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Decr. 21-12-2012

[§ 2/1. De bepalingen van deel III en deel IV van de codificatie zijn ook van toepassing op de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs die wordt georganiseerd door scholen voor voltijds secundair onderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld en met behoud van toepassing van de bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.]

Decr. 12-7-2013

§ 3. De bepalingen van deel V van de codificatie zijn van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs [, met uitzondering van artikel 357, dat niet van toepassing is op het buitengewoon secundair onderwijs, maar enkel op het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs].

[De artikelen 351 tot en met 356 gelden ook voor het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.]

Decr. 21-3-2014

§ 4. Deel VI bevat een overzicht van de uitwerkingsdatum van de artikelen van de codificatie en deel VII wijzigt de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

§ 5. De codificatie is niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde internaten en semi-internaten. (1)

DEEL II. - BEGRIPPEN

Art. 3.

Voor de toepassing van de bepalingen opgenomen in de codificatie betreffende het secundair onderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :

1°[administratieve groep : entiteit binnen de onderwijsstructuur geïdentificeerd door een uniek administratief groepsnummer;]

Decr. 25-11-2011

[1°/1 afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene school tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere school gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, eenrichtingsverkeer en autosnelwegen;]

Decr. 25-11-2011

2° algemeen vormende component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende persoonsvorming en een maatschappelijk-culturele vorming bij te brengen;

[2°/1 anderstalige nieuwkomer :

a) in het voltijds gewoon secundair onderwijs : een leerling die [[...]]² gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :

1) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar enerzijds minstens twaalf jaar en anderzijds geen achttien jaar geworden is;

2) een nieuwkomer is, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;

3) niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal heeft;

4) onvoldoende de onderwijstaal beheerst om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;

5) maximaal negen maanden ingeschreven is (vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen) in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;

b) in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een leerling zoals gedefinieerd in artikel 3, 1°, het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

[[c) in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs: een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar respectievelijk voor het voltijds gewoon secundair onderwijs minstens twaalf jaar en geen achttien jaar geworden is en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;]]¹ ]

Decr. 25-11-2011; [[ ]]¹ Decr. 25-4-2014; [[ ]]² Decr. 17-6-2016

3° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maakt;

4° basisvorming : de vakken die aan elke leerling van een bepaald leerjaar zonder uitzondering dienen te worden onderwezen;

5° beroepenveld : de combinatie van technische disciplines die onderwezen worden in het beroepsvoorbereidend leerjaar;

6° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;

7° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;

8° bestuurspersoneel : de selectie- en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;

9° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf;

[9° /1 brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;]

Decr. 21-3-2014

10° centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs :

- hetzij een autonome entiteit die deeltijds beroepssecundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd;

- hetzij een aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs verbonden entiteit die deeltijds beroepssecundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd;

[10°/1 CLR : Commissie inzake Leerlingenrechten als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 2, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;]

Decr. 25-11-2011

[10° /2 compenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het gemeenschappelijk curriculum of de doelen die na dispensatie voor de leerling bepaald zijn, bereikt kunnen worden;]

Decr. 21-3-2014

[10° /3 contactonderwijs : onderwijs waarbij er een rechtstreeks en regelmatig contact is tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de leerling, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;]

Decr. 17-6-2016

11° cursist : een regelmatige leerling in het hoger beroepsonderwijs;

12° deeltijds beroepssecundair onderwijs : het onderwijs dat minder weken per jaar of minder lesuren per week omvat dan bepaald is voor het voltijds secundair onderwijs;

[12° /1 differentiërende maatregelen: maatregelen waarbij de school, binnen het gemeenschappelijk curriculum, een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;

12° /2 dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij de school doelen toevoegt aan het gemeenschappelijk curriculum of de leerling vrijstelt van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;

12° /3 disproportionaliteit/disproportioneel: onredelijkheid van aanpassingen aangetoond na een proces van afweging met toepassing van de criteria, als vermeld in artikel 2, § 2 en § 3, van het Protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;]

Decr. 21-3-2014

13° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;

14° extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt wordt;

[14° /1 gemeenschappelijk curriculum: de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven en de schoolgebonden planning voor het nastreven van de vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen;]

Decr. 21-3-2014

15° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de school wordt ondergebracht;

[15° /1 huisonderwijs :

- het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum;

- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van één van volgende regelingen :

1° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;

2° het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;

3° het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;]

Decr. 19-7-2013

[15°/2 individueel aangepast curriculum : een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van het geheel van de leerdoelen van de betrokken opleiding. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs of op de opleidingsprofielen van opleidingsvorm 3. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd, en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Daarnaast beoogt dit curriculum ook ofwel de participatie aan de maatschappij, eventueel in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, ofwel de verdere studies. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen komen niet in aanmerking voor de reguliere studiebewijzen van het gewoon voltijds secundair onderwijs, behoudens wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 115, § 1, derde lid;]

Decr. 16-6-2017

16° inhaallessen : de lessen die facultatief kunnen georganiseerd worden met het oog op een bijkomende gedifferentieerde benadering van de leerling;

[16°/2 kadastraal perceel : een deel van het Belgisch grondgebied dat door een kadastraal perceelnummer wordt geïdentificeerd zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de vergeldingen en de nadere regels voor de afgifte van kadastrale uittreksels en inlichtingen;]

Decr. 25-11-2011

17° Koninklijk besluit nummer 66 : het koninklijk besluit nummer 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten;

[17°/1 [[leefentiteit]] : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;]

Decr. 25-11-2011; [[ ]] Decr. 19-7-2013

[17° /2 leerlingenstage : een vorm van opleiding :

a) buiten een vestigingsplaats van de school;

b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;

c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;

d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht;

e) met de bedoeling beroepservaring op te doen;]4

[17° /3 leertijd : de opleiding, vermeld in artikel 27 tot en met 30 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";]

Decr. 4-4-2014

[17° /4 leerling met specifieke onderwijsbehoeften: leerling met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen :

a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;

b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;

c) persoonlijke en externe factoren;]

Decr. 21-3-2014

18° lesuur : een prestatie van vijftig minuten;

19° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;

[19°/1 LOP : lokaal overlegplatform als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I;]

Decr. 25-11-2011

20° modulair stelsel : een onderwijssysteem waarin leerlingen door de overheid vastgestelde modules verwerven;

21° module : het kleinste deel van een opleiding dat aanleiding geeft tot een certificaat op basis van eindtermen vastgelegd door de Vlaamse overheid;

22°[...]

Decr. 19-7-2013

23°[...]

Decr. 25-4-2014

24° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;

25° [onderwijsnet :

- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs ingericht door publiekrechtelijke rechtspersonen andere dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring van de Vlaamse Gemeenschap;

- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs ingericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;]

Decr. 1-7-2011

26° onderwijsvormen : het algemeen secundair onderwijs, het beroepssecundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het technisch secundair onderwijs;

27° onderwijzend personeel : de wervingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs;

28° opleiding : een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de overheid en bestaande uit één of meer van volgende componenten : een algemeen vormende, een beroepsgerichte en een doorstroomgerichte component;

29° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;

30° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;

31° optie : - een leervak of een groep leervakken die, met uitzondering van de eerste graad, het karakteristieke van de opleiding bepalen en die bestaat uit het fundamenteel gedeelte dat de studierichting bepaalt en eventueel het complementair gedeelte;

- voor het hoger beroepsonderwijs wordt onder optie, de opleiding verpleegkunde verstaan;

32° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in recht of in feite de leerling onder hun bewaring hebben. In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;

33° overheveling : de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van de ene naar de andere school, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling [, in het kader van de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel onderbouwd door een lokaal structuurplan];

Decr. 19-7-2013

[33°/1 pedagogisch project : het geheel van de fundamentele uitgangspunten voor een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, voor wat de opleiding in de leertijd betreft, een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, en haar werking;]

Decr. 25-11-2011

34° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de onderwijsreglementering;

[34° /1 preventorium: medische instelling die onder meer in residentieel verband kuurmogelijkheden biedt aan jongeren waar buitengewoon onderwijs van type 5 gegeven wordt;]

Decr. 21-3-2014

35° programmatie : een [wijziging] van het onderwijsaanbod door middel van :

a) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar niet bestaande school, met de bedoeling die school in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring;

b) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de twee voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel (dat niet onder toepassing van c) valt), met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Voor wat betreft een optie, georganiseerd als Se-n-Se, wordt evenwel 1 oktober en 1 maart van de twee voorafgaande schooljaren als datum vooropgesteld. [De heroprichting van een structuuronderdeel na onderbreking ten gevolge van een tijdelijk project als bedoeld in het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, wordt evenwel niet als programmatie beschouwd;]

c) hetzij de oprichting van een op 1 oktober van de zes voorafgaande schooljaren niet georganiseerd structuuronderdeel met in de benaming de component "topsport", met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring. Opdat de heroprichting van een structuuronderdeel, conform deze definitie, niet als een programmatie wordt beschouwd, moet de betrokken school ten minste één sportdiscipline organiseren die eerder ook al aan die school werd toegewezen;

Decr. 19-7-2013

36° project algemene vakken : de integratie van twee of meer leervakken in het eerste leerjaar B, het beroepsvoorbereidend leerjaar en het beroepssecundair onderwijs;

[36° /1 remediërende maatregelen: maatregelen waarbij de school effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het gemeenschappelijk curriculum;]

Decr. 21-3-2014

37° secundair onderwijs : het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

38°[school : een autonome entiteit die voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs organiseert en die door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend, gefinancierd of gesubsidieerd en daartoe aan de hand van een uniek nummer wordt geïdentificeerd. Voor de toepassing van deel III, titel II, hoofdstuk 1/1, wordt onder school en school voor gewoon secundair onderwijs ook een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat de opleiding in de leertijd betreft ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;]

Decr. 25-11-2011

39° scholengemeenschap : één school of een groep van scholen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;

40°[schoolbestuur : de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen; wat de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, kan het schoolbestuur ook worden vermeld onder de benaming centrumbestuur;]

Decr. 4-4-2014

[40°/1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde of onbetaalde arbeid;]

Decr. 16-6-2017

41° specifiek structuuronderdeel : een structuuronderdeel dat voorbereidt op zeer beperkte en sterk gespecialiseerde beroepen of beroepssectoren en/of dat om redenen van inhoudelijke validiteit slechts in beperkte mate aangeboden kan worden;

42° structuuronderdeel : een onderverdeling in het onderwijsaanbod die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden. Binnen de context van de overhevelingen wordt "structuuronderdeel" echter als een ruimer begrip gehanteerd vermits er ook een eerste graad [en een studiegebied] wordt onder verstaan;

43° studiegebied : een groep van structuuronderdelen op basis van een inhoudelijke verwantschap en, in het technisch en beroepssecundair onderwijs, eveneens op basis van een behoefte aan eenzelfde onderwijsinfrastructuur en een uitweg naar eenzelfde beroepssector;

Decr. 19-7-2013

[43° /1 Syntra Vlaanderen : het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";]

Decr. 4-4-2014

44° trekkende bevolking : de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en Bartiesten en de woonwagenbewoners bedoeld in artikel 2, 3° van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;

[44° /1 uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het centrum voor leerlingenbegeleiding een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het centrum voor leerlingenbegeleiding richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het centrum voor leerlingenbegeleiding bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school, de leerling, al dan niet in zijn context, wense- lijk is alsook de omvang en de duur daarvan;]

Decr. 21-3-2014

45° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;

[45° /1 verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;]

Decr. 21-3-2014

46° vestigingsplaats : alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van de betrokken school gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten;

47°[voltijds secundair onderwijs :

- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van het gewoon secundair onderwijs en van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 28 wekelijkse lesuren gedurende hetzij 40 weken per jaar hetzij 20 weken per jaar in die structuuronderdelen waarvoor de duurtijd in semesters wordt uitgedrukt en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;

- het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen van opleidingsvormen 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van ten minste 32 wekelijkse lesuren gedurende 40 weken per jaar en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;

- het onderwijs dat aan regelmatige cursisten van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt verstrekt gedurende ten minste 36 wekelijkse lesuren en rekening houdende met het maximum aantal wekelijkse lesuren dat voor financiering of subsidiering in aanmerking komt;]

Decr. 21-12-2012

[47° /1 ziekenhuisschool: school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5, opleidingsvorm 4, verbonden aan een universitair ziekenhuis of een residentiële setting of een preventorium;]

Decr. 21-3-2014

[47° /2 zorgcontinuüm: opeenvolging van de fasen in de organisatie van de onderwijsomgeving van brede basiszorg, verhoogde zorg en uitbreiding van zorg;]

Decr. 21-3-2014

48° 1 februari : hetzij 1 februari, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 februari een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd;

49° 1 oktober : hetzij 1 oktober, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 oktober een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd. (2)

DEEL III. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET SECUNDAIR ONDERWIJS

TITEL 1. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN

HOOFDSTUK 1. - Algemeen

Art. 4.

Het secundair onderwijs omvat :

1° het voltijds secundair onderwijs;

2° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. (3)

Art. 5.

In het gewoon, buitengewoon en het deeltijds beroepssecundair onderwijs bestaan er officiële en vrije scholen. Vrije scholen worden opgericht door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon. Officiële scholen worden opgericht door een publiekrechtelijk rechtspersoon. (4)

Art. 6.

§ 1. Krachtens het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt gewoon, buitengewoon, deeltijds secundair onderwijs ingericht en wordt waar daaraan behoefte bestaat, de daartoe nodige scholen of centra en afdelingen van scholen of centra tot stand gebracht.

§ 2. De Vlaamse Gemeenschap financiert en subsidieert, overeenkomstig de decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs, de scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen, die aan de decretale normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen en private personen, zijn tot stand gebracht.

Waar er reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden kunnen geen scholen, afdelingen of structuuronderdelen of andere onderdelen van scholen in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen. Evenmin kunnen scholen en centra of afdelingen ervan nieuw of verder gefinancierd of gesubsidieerd worden indien zij niet beantwoorden aan de gestelde normen.

§ 3. Voor de toepassing van reglementaire programmatie- of rationalisatienormen wordt met karakter van het onderwijs verstrekt door een school of centrum bedoeld, het behoren ervan tot één van de categorieën van officiële of vrije scholen, zoals deze in de artikelen 5 en 110 gedefinieerd werden. (5)

Art. 7.

Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. (6)

Art. 8.

[Er mag in de school geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.

In afwijking van het vorige lid kunnen politieke activiteiten in de school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.] (7)

Decr. 1-7-2011

Art. 9.

Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voorzover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht. (8)

Art. 10.

Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :

1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;

2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;

3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;

4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen. (9)

Art. 11.

De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitwerking op 1 september. (10)

Art. 12.

De Vlaamse Regering bepaalt de verlofregeling en de aanwending van de schooltijd voor het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en voor het deeltijds secundair onderwijs in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen en centra. (11)

HOOFDSTUK 2. - Erkenningsvoorwaarden

Art. 13.

Erkenning is de toekenning van de bevoegdheid aan het schoolbestuur om aan regelmatige leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.

Financiering of subsidiëring impliceert een erkenning. (12)

Art. 14.

§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat alleen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 12°, 17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 20° en 21°, wordt niet gefinancierd of gesubsidieerd maar wel erkend.

§ 2. Uitsluitend voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, [uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan de oprichting], een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten tot erkenning door de Vlaamse Regering. Het structuuronderdeel wordt aan een onderwijsinspectie onderworpen. De eventuele erkenning kan plaatsvinden vanaf het schooljaar van oprichting van het betrokken structuuronderdeel.

§ 3. De in de erkenning opgenomen structuuronderdelen gewoon of buitengewoon secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. (13)

[§ 4. De in de erkenning opgenomen structuuronderdelen kunnen slechts worden ingericht in vestigingsplaatsen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 15, § 1, 2°. De dienstbrief vermeld in § 3 bevat de vestigingsplaatsen waar de erkende structuuronderdelen kunnen worden ingericht.

[[Voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats gelden de bepalingen van artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

De melding van ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag vermeld in § 2, in het geval van een school die wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een herstructurering van bestaande scholen. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.]]

[[...]] ]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK 3. - Financiering en subsidiëring

Afdeling 1. - Voorwaarden

Art. 15.

§ 1. Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op het structuuronderdeel in kwestie [hetzij op de vestigingsplaats van de school]¹ die het organiseert, samen is voldaan :

1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;

2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;

3°[de controle door de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken;]²

4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;

5° bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;

6° een structuur aannemen zoals vastgesteld bij decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van die indelingen;

7° de reglementering betreffende verlofregeling en aanwending van de schooltijd in acht nemen;

8° - voor het voltijds secundair onderwijs : beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen of met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties, leerplannen en handelingsplannen;

- voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

9° een beleidscontract of een beleidsplan hebben met een centrum voor leerlingenbegeleiding;

10° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt;

11° als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;

12° voor wat het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft :

a) een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;

b) de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, of eigen leerplannen volgen die ermee verenigbaar zijn vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

c) een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter vermeld in punt a);

d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

13° voldoen aan de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen;

14° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet vermelde gegevens leveren, en de in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet gemaakte afspraken naleven.

[Dit punt is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.]³

15° wat het gemeenschapsonderwijs betreft : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren;

16° wat het gesubsidieerd onderwijs betreft : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures, vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door het schoolbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;

17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren, ingeschreven in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, zijn aangegaan;

18° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

19° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;

20° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement;

21° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.

§ 2. Uitsluitend voor een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs dat wordt opgericht in het kader van de oprichting van een school die niet het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen, dient het schoolbestuur, [uiterlijk op 30 november voorafgaand aan de oprichting]¹, een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, tot financiering of subsidiëring door de Vlaamse Regering. Het structuuronderdeel wordt aan een onderwijsinspectie onderworpen.

De eventuele financiering of subsidiëring kan plaatsvinden vanaf het schooljaar van oprichting van het betrokken structuuronderdeel.

§ 3. De in de financiering of subsidiëring opgenomen structuuronderdelen secundair onderwijs worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. (14)

[§ 4. De in de financiering of subsidiëring opgenomen structuuronderdelen kunnen slechts worden ingericht in vestigingsplaatsen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in § 1, 2°. De dienstbrief vermeld in § 3 bevat de vestigingsplaatsen waar de gefinancierde of gesubsidieerde structuuronderdelen kunnen worden ingericht.

[[Voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats gelden de bepalingen van artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag vermeld in § 2, in het geval van een school die wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een herstructurering van bestaande scholen. In dat geval gelden de termijnen, vermeld in artikel 35ter en 35quater van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt gevoegd bij de melding vermeld in artikel 175, § 6, voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, en artikel 285/1 voor het buitengewoon secundair onderwijs, in het geval van een school die wordt opgericht als gevolg van een herstructurering van bestaande scholen. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.]]

[[...]] ]¹

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 12-7-2013; [ ]³ Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Afdeling 2. - Financiering en subsidiering van de personeelsleden

Onderafdeling 1. - Salariëring

Art. 16.

De Vlaamse Gemeenschap verleent aan de gesubsidieerde scholen van het secundair onderwijs die aan de bij decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, salaristoelagen en betaalt, overeenkomstig artikel 65, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, de salarissen van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die krachtens de geldende decretale en reglementaire bepalingen in dienst zijn genomen.

De Vlaamse Gemeenschap betaalt aan de betrokken personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd onderwijs, rechtstreeks en maandelijks respectievelijk de salarissen en de salaristoelagen. (15)

Art. 17.

§ 1. De Vlaamse Regering verleent salarissen en salaristoelagen voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten, de leden van het opvoedend hulppersoneel, de leden van het ondersteunend personeel en de leden van het administratief personeel.

§ 2. In het buitengewoon onderwijs worden ook salarissen of salaristoelagen toegekend aan het medisch, paramedisch, psychologisch [, orthopedagogisch] en sociaal personeel, overeenkomstig de normen toepasselijk op de verschillende types van het gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon onderwijs.

§ 3. Elke aanvraag om salaris of salaristoelage voor het personeel moet vergezeld zijn van een verklaring van het schoolbestuur waarvan de tekst, vastgelegd door de Vlaamse Regering, moet bevestigen dat voor de betrokken ambten, noch door een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, noch door enig ander orgaan toelagen worden verleend. (16)

Decr. 25-4-2014

Art. 18.

§ 1. Een school ontvangt slechts financiering of subsidiering voor haar personeelsleden :

1° die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;

2° die de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;

3° die in het bezit zijn van de vereiste, voldoende geachte of de andere door de Vlaamse Regering vastgelegde bekwaamheidsbewijzen;

4° wier gezondheidstoestand geen gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de leerlingen;

5° die aangeworven zijn mits eerbiediging van de reglementering inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling.

§ 2. Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een schoolbestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door het schoolbestuur vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest het schoolbestuur de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang het de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door het schoolbestuur als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer het college van beroep, zoals bedoeld in artikel 47septies decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, één van de evaluaties met eindconclusie 'onvoldoende' die tot het ontslag hebben geleid, zoals bedoeld in hoofdstuk Vter van hetzelfde decreet, van een vastbenoemd personeelslid heeft vernietigd.

Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor het schoolbestuur :

1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door het schoolbestuur is hersteld;

2° ofwel indien hetzelfde of een ander schoolbestuur het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;

3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door hetzelfde schoolbestuur of een ander schoolbestuur aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;

4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.

De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan het schoolbestuur werd toegekend, wordt van dit schoolbestuur teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid.

Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld. (17)

Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel

Art. 19.

§ 1. [ Een schoolbestuur kan van de aan zijn scholen toegekende uren-leraar gewoon onderwijs respectievelijk lesuren buitengewoon onderwijs maximaal twee procent respectievelijk maximaal drie procent herverdelen onder zijn scholen.

Die twee procent voor het gewoon onderwijs en drie procent voor het buitengewoon onderwijs worden berekend op basis van het totaal aantal uren-leraar of lesuren dat gedurende het vorig schooljaar aan het schoolbestuur werd toegekend op basis van de geldende reglementaire normen.

Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als :

1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.

In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.]

§ 2. [Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die niet behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als :

1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden;

3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.

In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité daarmee akkoord gaat.]

§ 3. Bij de in § 1 en § 2 bedoelde herverdeling, mag een schoolbestuur het aantal aan een school toegekende [uren-leraar of lesuren] niet verminderen indien het in dat schooljaar in die school overeenkomstig de geldende reglementering nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

§ 4. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dienen de schoolbesturen een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat ze de bepalingen van § 3 in acht nemen bij deze herverdeling. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.

In de bijkomende [uren-leraar of lesuren] die een school via deze herverdeling verkregen heeft, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het betrokken schoolbestuur dient een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat in de [bedoelde uren-leraar of lesuren] geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid.

§ 5. De herverdeling dient plaats te vinden tegen uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar. (18)

Decr. 25-4-2014

Art. 20.

§ 1. [Binnen dezelfde scholengemeenschap kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar van een school aan een andere school worden overgedragen, als :

1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° er een onderhandeling heeft plaatsgevonden in het lokaal comité. In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

Binnen hetzelfde net kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar worden overgedragen van een school aan een andere school die niet behoort tot dezelfde scholengemeenschap, als :

1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden;

3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.

In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat.]

§ 2. De in dit artikel bedoelde overdracht is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school die [uren-leraar of lesuren] overdraagt op eer verklaart dat het gedurende dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

In de overgedragen [uren-leraar of lesuren] kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

Indien een schoolbestuur van een school het vastbenoemd personeel van deze school op datum van 30 juni van het voorafgaand schooljaar, behoudt, op 1 september bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of indien deze personeelsleden op 1 september gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn in een andere school, is overdracht wel mogelijk.

§ 3. Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dient het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat het de bepalingen van dit artikel in acht neemt bij de overdracht. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid of dat de vaste benoemingen geen uitwerking hebben ten aanzien van de Vlaamse overheid. (19)

Decr. 25-4-2014

Art. 21.

§ 1. [Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet ingerichte uren-leraar overdragen naar het daaropvolgende schooljaar mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden :]

1° het maximum aantal [uren-leraar of lesuren] van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar dient vastgelegd uiterlijk op 1 november van dat schooljaar;

2° het maximum aantal [uren-leraar of lesuren] van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar kan nooit hoger liggen dan twee procent van het aantal aanwendbare uren-leraar van dat bepaald schooljaar;

3° het in 1° en 2° bedoelde maximum aantal overgedragen uren-leraar, of een gedeelte ervan, mag, in afwijking van artikel 20, na 1 november van dat schooljaar zowel gebruikt worden in de eigen school als overgedragen worden naar een andere school binnen hetzelfde net of binnen eenzelfde scholengemeenschap.

§ 2. [De overdracht van uren-leraar of lesuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in paragraaf 1, is alleen mogelijk als het betrokken schoolbestuur van de school op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledig schooljaar. Daarenboven kan een schoolbestuur van een school voor buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag heeft ingediend met het oog op het bekomen van extra lesuren, geen lesuren overdragen.]

§ 3. De niet-naleving van de bepalingen van § 2 heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid.

§ 4. In de overgedragen [uren-leraar of lesuren] kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 5. Met het oog op de controle van § 4 door het Agentschap voor Onderwijsdiensten, dienen de schoolbesturen van de betrokken scholen een verklaring op eer af te leggen die ertoe strekt dat in de bedoelde [uren-leraar of lesuren] geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 6. De niet-naleving van de bepalingen van § 4 en § 5 heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid. (20)

Decr. 25-4-2014

Art. 22.

De uren-leraar die worden berekend voor een erkende godsdienst, voor niet-confessionele zedenleer, voor cultuurbeschouwing respectievelijk voor eigen cultuur en religie, dienen voor de desbetreffende cursus te worden aangewend, hetzij als lesuren hetzij als uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden. Het principe van de aanwending voor de desbetreffende cursus geldt ook indien de uren-leraar het voorwerp uitmaken van herverdeling of overdracht. Uitsluitend indien de voor de betrokken cursus bevoegde onderwijsinspectie zich akkoord verklaart, kunnen de uren-leraar voor aanwending naar een andere levensbeschouwelijke cursus worden overgeheveld. (21)

Onderafdeling 3. - Globale puntenenveloppe

Art. 23.

§ 1. Deze onderafdeling is niet van toepassing op het ambt van bode-kamerbewaarder.

§ 2. [...] (22)

Decr. 25-4-2014

Art. 24.

In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een school doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 29, § 1, door de scholengemeenschap verdeeld over de scholen die ertoe behoren.

De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de school het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de school en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven. (23)

[Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendingspercentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.]

Decr. 3-7-2015

Art. 25.

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een scholengemeenschap is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 12 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt. Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [...]

Decr. 19-7-2013

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [...]

Decr. 19-7-2013

§ 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen :

1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;

2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd;

3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.

§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.

§ 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.

§ 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :

1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar, dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en

2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en

3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. [...]

Decr. 17-6-2011

§ 10. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :

1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en

2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en

3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 11. Een aantal punten wordt toegekend afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen van alle scholen van de scholengemeenschap, met inbegrip van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs,op de gebruikelijke teldatum, meer bepaald :

a) tussen 900 en 3999 leerlingen : 120 punten;

b) tussen 4.000 en 6.499 leerlingen : 180 punten;

c) tussen 6.500 en 7.999 leerlingen : 240 punten;

d) tussen 8.000 en 9.499 leerlingen : 300 punten;

e) tussen 9.000 en 10.999 leerlingen : 360 punten;

f) vanaf 11.000 leerlingen : 420 punten.

Het aantal van 120 punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt.

§ 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

§ 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 14. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 tot en met § 6, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (24)

Art. 26.

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [...]

Decr. 19-7-2013

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen :

1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;

2° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend : 1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en 2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een school die in toepassing van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen recht heeft op extra uren-leraar dan voor een school die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :

1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en

2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de school van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 209, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

§ 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 8. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (25)

Art. 27.

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.

§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten.

§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.

§ 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

§ 7. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (26)

Art. 28.

§ 1. De globale puntenenveloppe toegekend aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat niet tot een scholengemeenschap behoort is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 en § 3 hierna.

§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1.200 en 1.150, 1.800 en 1.750, of 2.400 en 2.350 bedraagt.

Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. [...]

Decr. 19-7-2013

§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.

Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.

§ 4. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (27)

Art. 29.

§ 1. De scholengemeenschap verdeelt jaarlijks haar globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 25, over haar scholen op basis van criteria die worden onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Als in de scholengemeenschap geen akkoord wordt bereikt, verdeelt de scholengemeenschap de punten over haar scholen overeenkomstig de parameters die werden gebruikt voor de toekenning van de puntenenveloppe.

Voordat de scholengemeenschap overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt maximum 10% van de puntenenveloppe.

Een overschrijding van de 10% voorafname is mogelijk :

1° als de voorafname minder bedraagt dan het aantal punten bedoeld in artikel 25, § 11. In dat geval kan de scholengemeenschap de 10% overschrijden tot het aantal punten overeenkomt met de punten die haar volgens artikel 25, § 11, toekomen op basis van het aantal leerlingen van de scholengemeenschap;

2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt bereikt.

De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.

De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.

§ 2. [In afwijking van § 1, eerste lid, kent de scholengemeenschap tot en met het schooljaar 2013-2014 aan elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die op of na 1 september 2011 voor het eerst toetreedt tot een scholengemeenschap, ten minste het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens de parameters vastgelegd in artikel 25, § 9, 3°.] (28)

Decr. 17-6-2011

Art. 30.

§ 1. De school wendt de punten die ze in toepassing van [artikel 29] van de scholengemeenschap ontvangt als volgt aan :

1° in eerste instantie moet ze de punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten :

- van het bestuurspersoneel;

- van het ondersteunend personeel;

- van wervingambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;

2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :

- voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in § 1, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur;

- voor het klasvrij maken van een personeelslid;

- voor taak- en functiedifferentiatie;

- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

[- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]²

De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :

- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;

- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan;

- een betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht. De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten;

[- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.]²

§ 2. De scholengemeenschap kan de punten van de voorafname, bedoeld in artikel 29, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden :

- voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel, en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend, het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;

- voor het school- of klasvrij maken van een personeelslid;

[- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel, vermeld in § 1, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]²

Bij de aanwending van deze puntenenveloppe moet de scholengemeenschap rekening houden met volgende principes :

1° ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;

2° het personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking opgericht met punten van de voorafname wordt steeds als tijdelijk personeelslid aangesteld in een school van de scholengemeenschap en werkt voor de totaliteit van de scholengemeenschap;

[3° als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de scholengemeenschap de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.]²

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :

- de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan echter op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;

- het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

- de betrekking kan niet worden vacant verklaard.

Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

§ 3. In het gemeenschapsonderwijs is de scholengroep verplicht om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken. De scholengroep heeft de keuze om hiervoor punten aan te wenden van de voorafname van de globale puntenenveloppe, bedoeld in [artikel 29]¹ en/of punten van de enveloppe bedoeld in artikelen 125duodecies, § 4, en 153sexies, § 4, van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Als een scholengroep ten minste één netoverschrijdende scholengemeenschap telt, wordt in de overeenkomst van deze scholengemeenschap vastgelegd op welke wijze aan voormelde verplichting wordt voldaan. De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.

De Vlaamse Regering bepaalt eveneens het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (29)

[ ]¹ Decr. 17-6-2011; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 31.

§ 1. De school die niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikelen 26 of 27 als volgt aan :

1° in eerste instantie moet ze haar punten steeds aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden :

- van het bestuurspersoneel;

- van het ondersteunend personeel;

- van wervingsambten van het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiedifferentiatie werden toegewezen;

2° als de school na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :

- voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur, en het ondersteunend personeel;

- voor de oprichting van betrekkingen in wervingsambten van het onderwijzend en het ondersteunend personeel in het kader van taak- en functiedifferentiatie. In een school voor buitengewoon secundair onderwijs kunnen in het kader van taak- en functiedifferentiatie daarenboven ook betrekkingen in wervingsambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel in stand worden gehouden of worden opgericht;

- voor het klasvrij maken van een personeelslid;

- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

[- voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend.]

De school moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :

- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;

- als een school punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50% opvoeders bestaan;

- een betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden opgericht in een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een school voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde scholen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht;

[- als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan de school de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.]

De school verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.

§ 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten bedoeld in artikel 28 als volgt aan :

1° in eerste instantie moet ze de punten aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het bestuurspersoneel;

2° als het centrum na de toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze betrekkingen oprichten in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur.

Het centrum voor deeltijds beroepsonderwijs moet bij de aanwending van zijn punten daarenboven rekening houden met volgende principes :

- ambten van het bestuurspersoneel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;

- er kan slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.

De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. (30)

Decr. 17-6-2016

Onderafdeling 4. - Puntenenveloppe Raad van het Gemeenschapsonderwijs

Art. 32.

§ 1. Aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitaire enveloppe van 5.330 punten toegekend, bestemd voor verdeling over de scholengroepen.

§ 2. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs verdeelt de forfaitaire puntenenveloppe, bedoeld in § 1, over de scholengroepen na onderhandeling in het daartoe bevoegde onderhandelingscomité.

Met deze punten worden in de scholengroepen betrekkingen opgericht in het ambt van administratief medewerker. [De betrekking is onderhevig aan de regelgeving die van kracht is op het ambt van administratief medewerker in het gewoon secundair onderwijs.]

De scholengroep is niet verplicht om op deze betrekkingen de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling, opgenomen in artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, toe te passen.

De scholengroep kan in deze betrekkingen een personeelslid vast benoemen. Op het ogenblik dat de scholengroep waaraan de punten zijn toegekend het personeelslid in dergelijke betrekking vast benoemt, blijven de punten toegekend aan deze scholengroep.

De scholengroep deelt de vacantverklaring van voormelde betrekkingen mee aan de afgevaardigd-bestuurder. Deze toetst de stabiliteit van de vacant verklaarde betrekkingen aan de mogelijke evolutie van de verdelingscriteria. In toepassing van artikel 43, § 1, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs is de afgevaardigd-bestuurder belast met het goedkeuringstoezicht ter zake. (31)

Decr. 17-6-2016

Onderafdeling 5. - Bedrijfsstages

Art. 33 en 34.

[...]

Decr. 21-12-2012

Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van de werking

Onderafdeling 1. - Algemeen

Art. 35.

In het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd.

Na overleg binnen de participatieraad of de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de ouders of aan de meerderjarige leerlingen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. Deze regeling wordt door middel van het school- of centrumreglement aan de ouders of aan de personen die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel aan de meerderjarige leerling meegedeeld. (34)

Art. 36.

De kosten van het onderwijs, verstrekt in scholen en centra of afdelingen voor onderwijs, tot stand gebracht door openbare of private personen, vallen ten laste van de schoolbesturen.

Aan de gefinancierde of gesubsidieerde scholen en die aan de bij de decreet en uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, verleent de Vlaamse Gemeenschap salarissen, salaristoelagen en werkingsbudget. (35)

Art. 37.

Jaarlijks wordt een forfaitair werkingsbudget verleend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school, aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen en aan de uitgaven voor de financiering van de investeringen. (36)

Art. 38.

Wat de overeenkomsten betreft voor aanneming van werken, leveringen en diensten met betrekking tot uitgaven op de dotatie van het Gemeenschapsonderwijs en met betrekking tot uitgaven die geheel of gedeeltelijk ten laste van het werkingsbudget, de uitrustingstoelagen, de bouwtoelagen of de rentetoelagen worden gelegd, zijn de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen ertoe gehouden de overeenkomsten af te sluiten volgens de procedure en onder de voorwaarden die voor de federale overheid gelden met dien verstande dat de bestuursorganen van het Gemeenschapsonderwijs en de schoolbesturen :

- de bevoegdheden uitoefenen die in de federale reglementering aan een Minister zijn toegekend;

- het in dezelfde reglementering bepaald advies niet hoeven in te winnen vooraleer een overeenkomst ingevolge offerteaanvragen of onderhands af te sluiten;

- onderhandse overeenkomsten mogen sluiten voor de aankoop van didactisch materieel, welke ook de prijs hiervan is;

- van de regels betreffende de keuze van een aannemer mogen afwijken bij openbare of beperkte aanbesteding, als de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs zich binnen de dertig dagen na de aanvraag hiertegen niet verzet. (37)

Art. 39.

Aan het Gemeenschapsonderwijs wordt jaarlijks een globale dotatie toegekend, bestemd om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de school en aan het kosteloos verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerplichtige leerlingen. Deze dotatie bestaat uit een forfaitair bedrag per school en een forfaitair bedrag per leerling. Deze bedragen kunnen verschillen per niveau en vorm van onderwijs. (38)

Art. 40.

De Raad van het Gemeenschapsonderwijs, de scholengroepen en de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor de aanschaf van uitrustingsapparatuur leningsovereenkomsten en leasingsovereenkomsten aangaan bij de door de Vlaamse Regering daartoe erkende financiële instellingen. (39)

Art. 41.

Het werkingsbudget wordt uitbetaald aan het schoolbestuur van elke school. Het kan worden aangewend ten behoeve van al de scholen behorende tot hetzelfde schoolbestuur. Bij deze aanwending dient het schoolbestuur rekening te houden met een gelijke behandeling van zijn scholen en van de leerlingen of studenten die tot deze scholen behoren.

De Vlaamse Regering bepaalt :

1° de wijze waarop de school zijn aanvraag tot financiering of subsidiëring indient;

2° de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van het werkingsbudget betreft. Deze controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending. (40)

Art. 42.

In geval van overname van een school door een ander schoolbestuur, wordt het bedrag van het werkingsbudget waarop de overgenomen school recht had volgens de vigerende bepalingen ter zake, voor het eerste schooljaar van de overname, aan het nieuwe schoolbestuur toegekend. (41)

Art. 43.

§ 1. De representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen bepalen, voor de schoolbesturen of schoolbesturen die dit wensen, de boekhoudkundige verplichtingen inzake de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding zoals bepaald in artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Deze boekhoudkundige verplichtingen dienen in bijkomende orde er mee rekening te houden dat de saldi, zoals bepaald conform het Europees Rekening Stelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de terzake geldende Europese verplichtingen.

§ 2. De onder § 1 bedoelde vereenvoudigde boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de schoolbesturen, ten minste alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.

§ 3. De onder § 1 bedoelde regels voor de vereenvoudigde boekhouding omvatten minimaal :

1° basisregels met betrekking tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;

2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;

3° de jaarrekening;

4° de inventaris.

§ 4. De onder § 1 bedoelde dubbele boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de scholen, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de door de subsidiërende overheid verstrekte toelagen en de eigen middelen van elk schoolbestuur.

§ 5. De onder § 1 bedoelde regels voor de economische boekhouding omvatten minimaal :

1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;

2° de waarderingsregels;

3° de structuur van de jaarrekening;

4° het schema van de balans;

5° het schema van de resultatenrekening;

6° de inhoud van de toelichting;

7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;

8° het minimum algemeen rekeningenstelsel.

§ 6. De in § 1 bedoelde regels worden door elke representatieve vereniging van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

§ 7. Voor de eerste maal vervullen de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze bepalingen, de in § 6 bedoelde verplichtingen. (42)

Onderafdeling 2. - [Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn]

Decr. 3-7-2015

Art. 44.

[De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten subsidies verlenen aan organisaties die naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn aanbieden. Deze trajecten kunnen preventief of curatief ingezet worden in functie van leerlingen bij wie schooluitval en/of ongekwalificeerde uitstroom dreigt omwille van pedagogische, juridische, sociale of persoonlijke redenen. De trajecten zijn gericht op het versterken van secundaire onderwijsinstellingen in hun omgang met deze leerlingen of op het bevorderen van de re-integratie van leerlingen in het onderwijs. De trajecten kunnen aangeboden worden binnen de onderwijsinstelling of op een andere locatie. Een traject dient qua duur, methodiek en invulling afgestemd te zijn op de behoeften en leeftijd van de individuele leerling of leerlingengroep.

De Vlaamse Regering bepaalt :

1° de voorwaarden waaronder deze subsidies kunnen worden toegekend;

2° de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van de trajecten;

3° de wijze van toegang tot de trajecten;

4° de datum van inwerkingtreding van dit artikel.]

Decr. 3-7-2015

Onderafdeling 3. - Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs

Art. 45.

De vzw Brussels ondersteuningscentrum secundair onderwijs ontvangt de in deze onderafdeling bedoelde subsidiëring voor zover zij voldoet aan volgende voorwaarden :

1° zij stelt zich tot doel een netoverschrijdende structuur uit te bouwen ter ondersteuning van de Nederlandstalige scholen voor secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Deze structuur is in het bijzonder gericht op het ondersteunen van de taalvaardigheid van de leerlingen, en zal taaltoetsen afnemen bij leerlingen, begeleidingsinitiatieven ontwikkelen en uitvoeren voor het taalvaardigheidsonderricht;

2° zij legt uiterlijk op de eerste dag van de zesde maand na afsluiting van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. (44)

Art. 46.

§ 1. De Vlaamse Regering waarborgt tot en met 31 december 2010 een subsidiëring voor de loonkosten van de personeelsleden en de werkingsmiddelen binnen de door de Vlaamse Gemeenschap voorziene begrotingskredieten.

§ 2. De Vlaamse Regering kan beslissen over de uitvoering van de subsidiëring bedoeld in § 1 een samenwerkingsakkoord te sluiten met de Vlaamse Gemeenschapscommissie. (45)

Onderafdeling 4. - Bijzondere maatregelen voor technisch of beroepsgerichte opleidingen

Art. 47.

§ 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, aan scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen, extra middelen toekennen die bestemd zijn voor investeringen in didactische uitrusting. Onder investering in didactische uitrusting wordt verstaan : de aankoop van didactische uitrusting of de beveiliging van reeds aanwezige didactische uitrusting.

De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van structuuronderdelen die onder de investeringsoperatie vallen.

§ 2. Per regelmatige leerling op de door de Vlaamse Regering te bepalen teldatum worden extra middelen toegekend.

Om voor extra middelen in aanmerking te kunnen komen, moeten de betrokken scholen een investeringsplan opstellen. Het investeringsplan moet voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgelegde, minimale onderdelen.

§ 3. De beoordeling van de ingediende investeringsplannen gebeurt door een commissie die paritair is samengesteld uit drie afgevaardigden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en twee afgevaardigden van de onderwijsinspectie, enerzijds, en één afgevaardigde per onderwijsnet, voorgedragen door het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, en één afgevaardigde van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming-Syntra Vlaanderen, anderzijds.

De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en kan experten toelaten tot de vergadering.

De commissie garandeert dat een aanvankelijk als "onvoldoende" bevonden plan, bijgestuurd kan worden en éénmaal opnieuw mag worden ingediend binnen een door haar vooropgestelde termijn, die evenwel nooit minder kan zijn dan 10 werkdagen te rekenen vanaf de beslissing van de commissie.

§ 4. De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen inzake de toekenning, de uitbetaling en de controle op de aanwending van deze extra middelen. (46)

Art. 48.

De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, voorzien in bijkomende financiering voor scholen met technisch of beroepsgerichte opleidingen die leiden tot de invulling van knelpuntberoepen, ten einde de kost voor leerlingen in voormelde opleidingen te verminderen. Op basis van criteria die verband houden met de kostprijzen van de opleidingen, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van opleidingen die voor deze bijkomende financiering in aanmerking komen en modaliteiten van deze bijkomende financiering. (47)

HOOFDSTUK 4. - Scholengemeenschappen

Afdeling 1. - Algemeen

Art. 49.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 59, 62 en 64 die niet van toepassing zijn op het buitengewoon secundair onderwijs.

Binnen de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder "school" verstaan : een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat eventueel aan deze school is gehecht, een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of een school voor buitengewoon secundair onderwijs. (48)

Afdeling 2. - Vorming van een scholengemeenschap

Art. 50.

Een scholengemeenschap omvat één of meer scholen die al dan niet behoren tot hetzelfde schoolbestuur en/of hetzelfde onderwijsnet. (49)

Art. 51.

[Alle tijdens het schooljaar 2013-2014 bestaande scholengemeenschappen houden van rechtswege op te bestaan op 31 augustus 2014.

Scholengemeenschappen die na die datum worden gevormd, komen vrijwillig tot stand voor een periode vanaf 1 september volgend op de datum van de beslissing of de schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap, en tot en met 31 augustus 2020. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, dan gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, dan gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen.

Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, in die zin dat op 1 september 2015, 2016, 2017, 2018 dan wel 2019 een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen.

Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen :

1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;

2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;

3° indien de school behoort tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken en voor zover de uitstap plaatsvindt op 1 september [[...]] 2018 of 2019. In voorkomend geval genereert desbetreffende school extra middelen voor het betrokken schoolbestuur. De Vlaamse Regering bepaalt :

a) aan welke kenmerken een desbetreffend schoolbestuur moet voldoen, met dien verstande dat een dergelijk schoolbestuur niet tot een scholengemeenschap kan behoren;

b) de vorm, de wijze van berekening, de toekenning en de aanwending van die extra middelen, met dien verstande dat de berekening ervan op lineaire basis gebeurt;

c) de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die middelen, voor zover ze de personeelsomkadering betreffen, betrekkingen kunnen worden ingericht en hoe de omrekening naar gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.

De vorming van een scholengemeenschap en de eventuele wijziging ervan wordt schriftelijk en uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar aan de bevoegde diensten gemeld.

Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.] (50)

Decr. 25-4-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 52.

§ 1. Scholengemeenschappen zijn samenwerkingsverbanden waarvan de werking geregeld wordt in hetzij de beslissing van het enig betrokken schoolbestuur, hetzij de overeenkomst tussen de verschillende betrokken schoolbesturen.

Indien het gaat om samenwerkingsverbanden zonder beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de verantwoordelijkheid en het hiërarchisch toezicht van het betrokken schoolbestuur.

Indien het gaat om samenwerkingsverbanden met beheersoverdracht, vallen de scholengemeenschappen onder de toezichtsvormen bepaald in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs of de organieke regelgeving op de lokale besturen, respectievelijk de toezichtsvormen georganiseerd door het betrokken schoolbestuur.

§ 2. Beheersoverdracht is enkel mogelijk ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in artikel 57, 4°, 6°, 7°, 8° en 9°. (51)

Art. 53.

Een scholengemeenschap is qua inplanting van de hoofdvestigingsplaats van elk van de betrokken scholen gelegen binnen maximaal vijf aangrenzende onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I gevoegd bij de codificatie betreffende het secundair onderwijs. (52)

Art. 54.

Een scholengemeenschap organiseert een multisectoraal onderwijsaanbod, waaronder ten minste wordt verstaan :

1° de eerste graad bestaande uit : een eerste leerjaar A en B, een tweede leerjaar en een beroepsvoorbereidend leerjaar;

2° de tweede graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden; de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn;

3° de derde graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden; de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid :

1° het niet-voldoen aan de voorwaarde van multisectoraliteit houdt in :

a) hetzij het niet of te weinig organiseren van opties in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;

b) hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het technisch secundair onderwijs;

c) hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het beroepssecundair onderwijs; en

2° de scholengemeenschap werkt op het vlak van leerlingenoriëntering samen met één of meer andere aangrenzende scholengemeenschappen die het in de eerstbedoelde scholengemeenschap in het kader van de multisectoraliteit ontbrekend onderwijsaanbod, wèl organiseren.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid.

De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarde de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs te zijn in één der 44 onderwijszones vastgelegd in de bijlage I gevoegd bij de codificatie betreffende het secundair onderwijs, die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt. Bij de toepassing van de voorwaarde "enige school" worden de scholen die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren, én enkel eigen leerplannen van het schoolbestuur hanteren die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, buiten beschouwing gelaten.

Na gemotiveerde aanvraag van het betrokken schoolbestuur, kan de Vlaamse Regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid.

De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde scholen beantwoordt aan de voorwaarden noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie te organiseren, én uitsluitend eigen leerplannen van het schoolbestuur te hanteren die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd. (53)

Art. 55.

§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten :

1° gemeenschapsonderwijs : maximum 40 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;

2° gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 15 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;

3° gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs : maximum 80 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;

4° gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen, waarvan één in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. Een scholengemeenschap bestaande uit scholen die behoren tot verschillende groepen bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die groep waartoe de meeste scholen van de scholengemeenschap behoren.

Is het aantal scholen uit de verschillende groepen evenwel gelijk, dan wordt door het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend.

§ 3. Het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken groep wordt overschreden. (54)

Art. 56.

Een scholengemeenschap die op 1 oktober van twee opeenvolgende schooljaren niet langer voldoet aan de criteria genoemd in dit hoofdstuk, wordt met ingang van het derde schooljaar van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. (55)

Afdeling 3. - Bevoegdheden van een scholengemeenschap

Art. 57.

Een scholengemeenschap :

1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende scholen die de scholengemeenschap vormen;

2°[maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap;]²

3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden;

4° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de extra uren-leraar over haar scholen. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra uren-leraar recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het pakket uren-leraar van elke afzonderlijke school uitmaakt binnen de totaliteit van de pakketten uren-leraar van de diverse scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

5° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar scholen van de puntenenveloppe bedoeld in artikel 23 tot en met 31. Met inachtname van de bepalingen van voormelde onderafdeling worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn;

6° brengt advies uit inzake investeringen in schoolgebouwen en infrastructuur waarbij het schoolbestuur een beroep doet op de investeringsmiddelen van, naargelang van het geval, het Gemeenschapsonderwijs of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs;

7° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met een of meer scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die buiten de desbetreffende scholengemeenschap zijn gebleven; een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan samenwerkingsakkoorden sluiten met verschillende scholengemeenschappen;

8° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met één of meer scholen voor secundair onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoren en/of met één of meer scholen voor basisonderwijs, met één of meer scholen van deeltijds kunstonderwijs en/of één of meer centra voor volwassenenonderwijs;

9° maakt afspraken/beslist over de aanwending van de punten voor ICT-coördinatie;

10° [...]¹

11° kan afspraken maken over de engagementsverklaring vermeld in artikel 111. (56)

[ ]¹ Decr. 17-6-2011; [ ]² Decr. 25-4-2014

Art. 58.

Schoolbesturen kunnen aan de scholengemeenschappen andere bevoegdheden toewijzen dan hier bepaald, tenzij dit bij decretale of reglementaire bepalingen wordt verboden.

Voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs gebeurt deze toewijzing op grond van artikel 4, § 2, van het bijzonder decreet.

Indien bij de scholengemeenschap verschillende schoolbesturen zijn betrokken, dan zullen die de extra bevoegdheden bij schriftelijke overeenkomst vastleggen. (57)

Afdeling 4. - Diverse voordelen voor scholengemeenschappen

Art. 59.

Zoals bepaald in artikel 191 wordt de gewone rationalisatienorm per school met 15 % verminderd voor een school die tot een scholengemeenschap behoort. (58)

Art. 60.

§ 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :

1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° onderhandeling in het lokaal comité.

§ 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, mits :

1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, kan de overdracht evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;

3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (59)

Art. 61.

§ 1. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :

1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° onderhandeling in het lokaal comité.

§ 2. Tot 1 november van het betrokken schooljaar kunnen door het betrokken schoolbestuur uren-leraar worden herverdeeld tussen scholen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits :

1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

2° onderhandeling in het lokaal comité. Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de herverdeling evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité;

3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort. (60)

Art. 62.

De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met :

1° 0,10 : voor de eerste graad;

2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61)

Art. 63.

[...] (62)

Decr. 17-6-2011

Art. 64.

§ 1. Vastbenoemde directeurs en adjunct-directeurs van scholen van een scholengemeenschap, die door een herstructurering van scholen of van het onderwijsaanbod ter beschikking zijn gesteld of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking kunnen op persoonlijke titel worden tewerkgesteld in een niet-organieke personeelsformatie die aan de scholengemeenschap wordt toegevoegd, op voorwaarde dat deze personeelsleden volgens de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, binnen de scholengemeenschap geen reaffectatie als directeur of adjunct-directeur of wedertewerkstelling als adjunct-directeur in een organiek ambt, kunnen bekomen.

De aanstelling in de niet-organieke personeelsformatie schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de scholengemeenschap op. De aanstelling wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling.

§ 2. De personeelsformatie bedoeld in § 1 wordt samengesteld op basis van één personeelslid per schijf van 1.500 regelmatige leerlingen (in het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs) op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de scholengemeenschap, met een maximum van vier personeelsleden per scholengemeenschap.

§ 3. De § 1 en § 2 zijn ook van toepassing op directeurs en adjunct-directeurs die op 30 juni 1999 zijn wedertewerkgesteld in het ambt van directiesecretaris of onderdirecteur van de scholengemeenschap, op voorwaarde dat zij op 1 september 1999 personeelslid worden van een schoolbestuur binnen de scholengemeenschap. (63)

Art. 65.

§ 1. Aan de scholengemeenschappen wordt 20.000 extra wekelijkse uren-leraar toegekend vanaf het schooljaar 2004-2005. Deze extra uren-leraar worden aangewend om :

1° het aantal plage-uren, bedoeld in artikel 216 en 315 te reduceren, en/of

2° de werkdruk te verminderen door aanrekening van klassenraad, klassendirectie, splitsing van klassen, lerarenondersteuning, stagebegeleiding en leerlingenbegeleiding op het pakket uren-leraar.

§ 2. De verdeling van deze extra uren-leraar, die uitsluitend voor de scholen van de scholengemeenschap zijn bestemd, gebeurt trapsgewijs als volgt : het aantal uren-leraar dat elke scholengemeenschap ontvangt is recht evenredig met het aandeel van de som van de pakketten uren-leraar van de scholen die de scholengemeenschap vormen in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen die tot een scholengemeenschap zijn toegetreden. Onder uren-leraar worden de organieke uren-leraar voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs verstaan.

De scholengemeenschap verdeelt de extra uren-leraar op de wijze zoals bepaald in artikel 57, 4°.

§ 3. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de extra wekelijkse uren-leraar. (64)

Art. 66.

Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de school of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan het schoolbestuur deze gebouwen gebruiken voor het eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een ander schoolbestuur van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat.

Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agion) overgaat naar het verkrijgende schoolbestuur of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat het vroeger schoolbestuur bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van Agion. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet van toepassing.

Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. Het oorspronkelijke schoolbestuur blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van Agion voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie.

Indien de infrastructuur waarvoor Agion subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing.

Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van Agion zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet het schoolbestuur het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat. (65)

HOOFDSTUK 5. - Organen

Art. 67 en 68.

[...]

Decr. 21-3-2014

Afdeling 1. - Representatieve vakorganisaties

Art. 69.

§ 1. De vakorganisaties aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens bijzondere opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.

In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de salarissen, salaristoelagen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités.

§ 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van verdeling van de hier bedoelde personeelsleden over de betrokken organisaties en legt de aanvraagprocedure vast. (68)

Afdeling 2. - Overlegorganen inzake fundamentele onderwijshervormingen

Art. 70.

De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. (69)

Afdeling 3. - Lokaal comité op het niveau van de scholengemeenschap

Onderafdeling 1. - Scholengemeenschap gesubsidieerd officieel onderwijs

Art. 71.

Deze onderafdeling is van toepassing op de scholengemeenschappen secundair onderwijs die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot het gesubsidieerd officieel onderwijs. (70)

Art. 72.

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd.

Het vorige lid is niet van toepassing op de scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur. In dat geval worden de bevoegdheden van het OCSG zoals vastgelegd in deze afdeling uitgeoefend door het afzonderlijk bijzonder comité opgericht krachtens artikel 4, § 1, 3° van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. (71)

Art. 73.

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap".

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement.

De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (72)

Art. 74.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. (73)

Art. 75.

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (74)

Art. 76.

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (75)

Art. 77.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (76)

Art. 78.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (77)

Art. 79.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2.Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (78)

Art. 80.

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 79. (79)

Art. 81.

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :

1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 76;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 74;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten van toepassing. (80)

Art. 82.

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (81)

Onderafdeling 2. - Netoverschrijdende scholengemeenschappen

Art. 83.

Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverschrijdende scholengemeenschappen die uitsluitend bestaan uit scholen die secundair onderwijs inrichten. (82)

Art. 84.

In elke scholengemeenschap wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de scholengemeenschap, verder OCSG genoemd. (83)

Art. 85.

§ 1. Elk OCSG is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de schoolbesturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in Sectorcomité X B Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten B Afdeling 2 B Onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" en/of het Overkoepelend Onderhandelingscomité Gesubsidieerd Vrij Onderwijs.

§ 2. De afvaardiging van de schoolbesturen bestaat uit minstens 1 lid van elk schoolbestuur zonder dat zijn totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de schoolbesturen moeten bevoegd zijn om hun respectievelijk schoolbestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal 1 lid per representatieve vakorganisatie per schoolbestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

In afwijking van het vorig lid mag voor de schoolbesturen van de scholengemeenschap die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCSG. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCSG. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.

§ 4. De effectieve leden van het OCSG kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de schoolbesturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde. (84)

Art. 86.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs. (85)

Art. 87.

§ 1. De afgevaardigden van de schoolbesturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCSG waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCSG.

§ 2. Het secretariaat van het OCSG wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCSG kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCSG. (86)

Art. 88.

§ 1. Het OCSG is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de onderliggende scholen en/of van de scholengemeenschap zelf.

§ 2. De leden van het OCSG hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de scholengemeenschap bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling. Deze inlichtingen hebben betrekking op :

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap.

§ 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap.

§ 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de schoolbesturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in de scholengemeenschap. (87)

Art. 89.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCSG. Ook de andere leden van het OCSG kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCSG vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen. (88)

Art. 90.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de schoolbesturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig. (89)

Art. 91.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend :

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de schoolbesturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2.Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de schoolbesturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van een individuele schoolbesturen, noch op het niveau van de individuele scholen beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol. (90)

Art. 92.

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 91. (91)

Art. 93.

§ 1. Het OCSG neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal :

1° de wijze waarop het OCSG wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCSG een punt op de agenda van het OCSG kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden zoals vermeld in artikel 88;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 86;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCSG geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door Sectorcomité X, onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het Overkoepelend Onderhandelingscomité van toepassing. (92)

Art. 94.

De werkingskosten van het OCSG komen ten laste van de schoolbesturen. (93)

Onderafdeling 3. - Inzagerecht lokaal comité

Art. 95.

Het lokaal comité heeft inzagerecht in de administratieve dossiers van de scholengemeenschap met betrekking tot :

1° de aanstellingen voor doorlopende duur;

2° de vaste benoemingen;

3° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en wedertewerkstelling. (94)

HOOFDSTUK 6. - Levensbeschouwelijk onderricht

Art. 96.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op :

1° het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

2° de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs;

3° de vierde graad;

4° het hoger beroepsonderwijs. (95)

Art. 97.

In het officieel voltijds secundair onderwijs omvat het onderwijsaanbod wekelijks ten minste twee lesuren onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lesuren onderwijs in de niet-confessionele zedenleer. (96)

Art. 98.

§ 1. Bij elke inschrijving van de leerling in het officieel voltijds secundair onderwijs bepalen de betrokken personen, bij ondertekende verklaring, of de leerling een cursus in één der erkende godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer volgt. [Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.]

Betrokken personen die op basis van hun religieuze of morele overtuiging bezwaren hebben tegen het volgen van één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bekomen op aanvraag een vrijstelling.

De Vlaamse Regering legt het model van de ondertekende verklaring en de procedure tot het bekomen van de vrijstelling vast en bepaalt op welke wijze de lesuren waarvoor men is vrijgesteld moeten ingevuld worden. De lesuren waarvoor men is vrijgesteld mogen niet worden ingevuld met activiteiten die betrekking hebben op andere onderdelen van het leerprogramma.

§ 2. Is de leerling 12 jaar of ouder, dan gebeurt de keuze voor het onderricht in één der erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer, evenals de eventuele aanvraag tot vrijstelling in samenspraak met de leerling. (97)

Decr. 16-6-2017

Art. 99.

Een openbaar bestuur kan de onderwijsbevoegdheid van een gesubsidieerde officiële school slechts overdragen aan een schoolbestuur uit het vrij onderwijs, indien het in de nodige garanties voorziet opdat de keuze wordt aangeboden tussen onderricht in één der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

De regelen, bepaald in het eerste lid, betreffen de overdracht van onderwijsbevoegdheid die ingang vinden vanaf 1 september 2002. (98)

HOOFDSTUK 7. - Sancties

Art. 100.

Waar er reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden heeft elke nieuwe oprichting van school, vestigingsplaats, niveau, type, opleidingsvorm, cyclus, leerjaar, afdeling, basisoptie, beroepenveld, optie, studierichting, specialisatiejaar of vervolmakingsjaar, in strijd met de regels van de programmatie of rationalisatie tot gevolg, dat de financiering of subsidiëring voor het bedoelde onderdeel wordt ingetrokken.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de hiervoor voorziene sancties. (99)

Art. 101.

§ 1. [Met behoud van de erkenning wordt de financiering of subsidiëring van een school die niet meer voldoet aan alle financierings- of subsidiëringsvoorwaarden of een structuuronderdeel ervan dat niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk ingehouden.]

De inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, 4° en 5°.

De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen met betrekking tot die inhouding en regelt de beroepsprocedure.

§ 2. [Met inachtneming van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, kan de Vlaamse Regering de erkenning van een school of een vestigingsplaats of structuuronderdeel ervan opheffen. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de Vlaamse Regering de opheffing van de erkenning ook beperken tot opheffing van de bevoegdheid om bepaalde eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.] (100)

Decr. 21-12-2012

Art. 102.

[Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het schoolbestuur. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid indien het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de onterechte uitbetaling. De terugvordering van ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het schoolbestuur kan ook gebeuren door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.] (101)

Decr. 19-7-2013

Art. 103.

Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken school medebrengen dat de subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding. De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid. (102)

Art. 104.

[...]

Decr. 19-7-2013

Art. 105.

Indien een personeelslid van het gemeenschaps- of van het gesubsidieerd onderwijs in strijd met het personeelsstatuut of buiten de normen is benoemd, kan de Vlaamse Regering binnen een periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de administratieve diensten van de Vlaamse Regering van de beslissing houdende deze benoeming, het salaris of de salaristoelage terugvorderen met betrekking tot de periode.

In het Gemeenschapsonderwijs zijn de aldus wederrechtelijke benoemde personeelsleden van ambtswege ontslagnemend. In het gesubsidieerd onderwijs is deze benoeming niet tegenstelbaar aan de betalende overheid. Daarenboven wordt in het officieel gesubsidieerd onderwijs het onregelmatig vast benoemd personeelslid in zijnen hoofde geacht aangesteld te zijn in een ambt dat opgeheven werd vanaf het ogenblik dat het schoolbestuur door de bevoegde overheid in kennis wordt gesteld dat de benoeming niet voldoet aan de voorwaarden.

Indien de benoeming wordt bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen, bedraagt de in het eerste lid vermelde termijn 30 jaar. (104)

Art. 106.

Het niet-naleven van de verplichting bedoeld in artikel 123 kan, voor elementen waar de directie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties.

De bedoelde sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximum 5 % bedragen van de werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximum 10 % bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het bedoelde besluit waarborgt het recht op verdediging. (105)

Art. 107.

Het miskennen van het recht op tijdelijk of permanent onderwijs aan huis bedoeld in artikel 117 en 118, is een overtreding die, na aanmaning, aanleiding kan geven tot sancties door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Ze waarborgt de rechten van verdediging. (106)

Art. 108.

§ 1. De overtreding van de regeling inzake verlofregeling en aanwending van de schooltijd, bedoeld in artikel 12, kan aanleiding geven tot sancties. De bedoelde sanctie kan voor het Gemeenschapsonderwijs en voor het gesubsidieerd onderwijs een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de sancties. (107)

Art. 109.

Het niet-naleven van de bepalingen inzake vrijstelling van de keuze inzake levensbeschouwelijk onderricht, bedoeld in artikel 98, kan na aanmaning aanleiding geven tot sancties.

De sanctie voor het in overtreding zijnde schoolbestuur kan een gedeeltelijke terugbetaling zijn van het werkingsbudget van de betrokken school. De terugvordering of inhouding kan echter niet meer bedragen dan 10 procent van het werkingsbudget en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtreding en voor de toepassing van de sanctie en waarborgt de rechten van verdediging. (108)

TITEL 2. - BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN

HOOFDSTUK 1. - Vrije keuze

Art. 110.

§ 1. Het recht van de ouders om de aard van de opvoeding voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in, over een school naar hun keuze op een redelijke afstand te beschikken.

§ 2. Onverminderd het recht van de Vlaamse Gemeenschap om scholen op te richten, is deze verplicht, ten einde de vrije keuze van de ouders te eerbiedigen :

1° op verzoek van ouders die op redelijke afstand geen officiële school vinden die begeleid wordt door een officieel centrum voor leerlingenbegeleidng en waarvan de oudervereniging aangesloten is bij het ondersteuningscentrum van ouderverenigingen van het officieel onderwijs, hetzij in de kosten van het vervoer naar dergelijke officiële school of afdeling tussen te komen; hetzij dergelijke officiële school in de financierings- of subsidieregeling op te nemen;

2° op verzoek van ouders die op een redelijke afstand geen vrije school vinden, een bestaande vrije school in de subsidieregeling op te nemen, hetzij het vervoer te verzekeren naar een dergelijke school of afdeling door middel van een dienst voor leerlingenvervoer. (109)

[HOOFDSTUK 1/1. - Recht op inschrijving

Afdeling 1. - Beginselen

Art. 110/1.

[[§ 1. Elke leerling heeft recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats, gekozen door zijn ouders. Is de leerling twaalf jaar of ouder, dan gebeurt de schoolkeuze in samenspraak met de leerling. Bij de keuze van de vestigingsplaats wordt rekening gehouden met het aanwezige onderwijsaanbod.

De inschrijving wordt genomen na ondertekening voor akkoord van de ouders van het pedagogisch project en school- of centrumreglement.

§ 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten :

1° op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs;

2° op de eerste schooldag na de paasvakantie van het voorafgaande schooljaar in het secundair onderwijs dat niet onder toepassing valt van 1° en in de leertijd.

Een schoolbestuur maakt de start van de inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden. Een schoolbestuur dat deel uitmaakt van een LOP, maakt de start van de inschrijvingen alleszins via het LOP bekend.

§ 3. Behoudens de bij decreet of besluit bepaalde gevallen van uitschrijving, geldt een inschrijving van een leerling in een school voor de duur van de hele schoolloopbaan in die school. Het behoud van de inschrijving geldt over de vestigingsplaatsen en de structuuronderdelen heen, [[[tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9]]]4.

Indien de voortgang van het leerproces, met inachtname van de studiebewijzen waarover de leerling beschikt en met inachtname van de regelgeving betreffende de toelatings- of instapvoorwaarden in het secundair onderwijs, het behoud of de verandering van vestigingsplaats of structuuronderdeel noodzakelijk maakt, dan kan die niet worden gestuit. Indien zich daarbij verschillende keuzemogelijkheden qua structuuronderdeel voordoen, dan kan de leerling niet tot een welbepaald structuuronderdeel worden gedwongen.

[[[Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.]]]4

§ 4. Een schoolbestuur met scholen waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan [[[, afzonderlijk in het gewoon en in het buitengewoon secundair onderwijs,]]]7 ervoor opteren om bij de overgang van een leerling van de ene secundaire school naar de andere secundaire school de inschrijvingen te laten doorlopen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.]]¹

[[§ 5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.]]²

Afdeling 2. Voorrangsregelingen

Art. 110/2.

[[§ 1. [[[Elke inschrijvingsperiode begint met opeenvolgende voorrangsperiodes, waarbij : in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs eerst voorrang wordt verleend aan de leerlingen, vermeld in artikel 110/3, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/4, dan in voorkomend geval aan de leerlingen vermeld in artikel 110/5, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/6 en tot slot aan de leerlingen vermeld in artikel 110/7.]]]4

Op voorwaarde dat geen enkele leerling, gevat door de betrokken voorrangsperiodes, geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde [[[capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9]]]4 kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen genomen worden.

Op voorwaarde dat geen enkele leerling geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de bepaalde [[[capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9]]]4 kunnen twee of meerdere voorrangsperiodes voor de inschrijvingen voor een bepaald schooljaar samen of apart starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. Indien de betrokken scholen gelegen zijn in het werkingsgebied van een LOP, moet de voorrangsperiode voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/7, starten, overeenkomstig artikel 110/1, § 2. [[[Indien de betrokken scholen gelegen zijn buiten het werkingsgebied van een LOP, kunnen de inschrijvingen van de leerlingen die niet gevat worden door een voorrangsperiode, al dan niet samen met de inschrijvingen van de leerlingen gevat door een voorrangsperiode, ook starten vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar op voorwaarde dat geen enkele leerling wordt geweigerd omwille van de overschrijding van de bepaalde [[[[capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9]]]]¹ ]]]¹

[[[In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/3 en artikel 110/4 samen genomen worden.]]]4

Met uitzondering van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/4, duurt elke voorrangsperiode minimaal twee weken. Binnen elke voorrangsperiode gebeuren de inschrijvingen chronologisch.

In afwijking van het eerste lid, punt 1°, zijn scholen voor type 5 niet verplicht de voorrangsperiodes te hanteren.

§ 2. Voor scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, maakt het LOP afspraken over de voorrangsperiodes en worden deze minstens door het LOP bekendgemaakt aan alle belanghebbenden uit het werkingsgebied.

Voor scholen buiten een werkingsgebied van een LOP worden de voorrangsperiodes bepaald in overleg met de schoolbesturen van alle scholen binnen dezelfde gemeente. De schoolbesturen maken de voorrangsperiodes bekend aan alle belanghebbenden.]]¹

Art. 110/3.

[[Elke leerling die tot dezelfde [[[leefentiteit]]]² behoort als een reeds ingeschreven leerling, heeft bij voorrang op alle leerlingen, in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, een recht op inschrijving in de betrokken school of de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4.]]¹

Art. 110/4.

[[Een schoolbestuur verleent, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, voor zijn scholen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs voorrang aan kinderen van personeelsleden van de school of van de scholen die de inschrijvingen van de ene naar de andere school laten doorlopen, als vermeld in artikel 110/1, § 4, op voorwaarde dat er op het ogenblik van de inschrijving sprake is van een lopende tewerkstelling voor meer dan 104 dagen.

Met personeelsleden als vermeld in het eerste lid wordt bedoeld :

1° personeelsleden als vermeld in artikel 2 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leer- lingenbegeleiding, voor zover ze geaffecteerd zijn aan of aangesteld zijn in een school;

2° personeelsleden die via een arbeidsovereenkomst werden aangeworven door een schoolbestuur en tewerkgesteld worden in de school.]]¹

Art. 110/5.

[[§ 1. Een schoolbestuur verleent, in voorkomend geval met behoud van de toepassing van artikel 110/3 en 110/4, voor zijn scholen, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voorrang aan leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

§ 2. Om van de voorrangsregeling, vermeld in paragraaf 1, gebruik te kunnen maken, toont de ouder op één van volgende wijzen aan dat hij het Nederlands in voldoende mate machtig is :

1° door het voorleggen van minstens het Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

2° door het voorleggen van het Nederlandstalig studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs;

3° door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau [[[B2]]]4 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken :

a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

[[[c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;]]]4

[[[...]]]4

4° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen;

[[[5° voor inschrijvingen [[[[die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016 of het schooljaar 2016-2017]]]]³[[[[of het schooljaar 2017-2018]]]]4 door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken :

a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;

c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid.]]]5

§ 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.

Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, kan door een schoolbestuur bepaald worden tot op de niveaus vermeld in [[[artikel 110/9]]]4.

Het LOP maakt het overeengekomen percentage en de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.

[[[Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.]]]4

§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, als vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, als vermeld in artikel 110/7, § 3, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3, bereikt is.]]¹

Art. 110/6.

[[Een schoolbestuur met scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP en waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan, met behoud van de toepassing van artikel 110/3, 110/4, en in voorkomend geval artikel 110/5, voorrang verlenen aan leerlingen bij de overgang van het basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs.

De voorrang, vermeld in het eerste lid, moet bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd na positief advies bij meerderheid van het LOP basisonderwijs of, indien er geen LOP basisonderwijs is, na positief advies bij meerderheid van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.

De dubbele meerderheid te bereiken door het LOP secundair onderwijs is bereikt wanneer de goedkeuring, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door, enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, en anderzijds, meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 4° tot en met 12°, van voormeld decreet. De meerderheid van het LOP basisonderwijs is bereikt wanneer het positief advies, vermeld in het tweede lid, verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van voormeld decreet, en anderzijds meer dan de helft van alle participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, van voormeld decreet, of, in voorkomend geval, door meer dan de helft van de schoolbesturen van de lagere scholen en basisscholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP.]]¹

Art. 110/7.

[[§ 1. Een schoolbestuur bepaalt voor al zijn scholen gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

Een schoolbestuur kan, voor een of meer van zijn scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten als vermeld in het eerste lid bepalen.

De vooropgestelde contingenten zijn gericht op het verkrijgen van een evenredige verdeling van de leerlingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, in de scholen in het werkingsgebied van het LOP of in de betrokken gemeente buiten het werkingsgebied van een LOP.

De twee contingenten vormen samen 100 % en worden door een schoolbestuur bepaald op die niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert. De contingenten worden door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.

De reeds ingeschreven leerlingen worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent.

Leerlingen die in voorkomend geval zijn ingeschreven in toepassing van artikel 110/3, 110/4, 110/5 en 110/6 worden op basis van het voldoen aan één of meer of het niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, opgenomen in hun respectieve contingent, zolang het contingent niet bereikt is.

De inschrijving van leerlingen, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 110/5 die zich aandienen nadat het contingent waartoe zij behoren vol is, wordt uitgesteld. Deze leerlingen worden chronologisch in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, als uitgesteld ingeschreven. Een uitgestelde inschrijving is niet gelijk aan een niet-gerealiseerde inschrijving [[[...]]]4.

Indien beide contingenten, nog voor de voorrangsperiodes afgesloten worden, vol zijn, wordt voor alle leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld de inschrijving geweigerd en wordt de uitgestelde inschrijving in het inschrijvingsregister gewijzigd in een niet-gerealiseerde inschrijving. De ouders van de leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden en alle volgende leerlingen, ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Indien, op het moment dat een voorrangsperiode afgesloten wordt, het andere contingent niet vol is, worden de openstaande plaatsen opgevuld met leerlingen die in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, vermeld staan als uitgesteld, indien de ouders dit nog wensen en met respect voor de in het inschrijvingsregister opgenomen chrono- logie. De leerlingen die op deze wijze niet ingeschreven kunnen worden, worden geweigerd en de ouders ontvangen daarvan, in overeenstemming met artikel 110/13, § 1, een schriftelijke bevestiging.

Het LOP maakt, voor de start van de inschrijvingen, afspraken over :

1° de berekening van de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied of deelgebieden ervan, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied of deelgebieden ervan en dit eventueel tot op de niveaus [[[waarop een capaciteit is vastgelegd]]]4;

2° de berekening van de relatieve aanwezigheid in vestigingsplaatsen en scholen, zijnde de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaatsen en scholen en dit eventueel tot op de niveaus, [[[waarop een capaciteit is vastgelegd]]]4;

3° de niveaus, [[[waarop een capaciteit is vastgelegd]]]4, van de school waarop de contingenten bepaald zullen worden en de verschillen die er eventueel tussen de verschillende deelgebieden gemaakt worden;

4° de wijze waarop de contingenten bepaald zullen worden;

5° de wijze waarop enerzijds andere actoren betrokken zullen worden bij enerzijds de werving, toeleiding en ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van scholen zal gebeuren.

Voor scholen gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP is :

1° de relatieve aanwezigheid in de school of vestigingsplaats de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het aantal leerlingen in een school of vestigingsplaats;

2° de relatieve aanwezigheid in de gemeente de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen de gemeente.

Als een schoolbestuur erom vraagt, stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten gegevens over het al of niet voldoen aan één of meer indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van elk van zijn leerlingen ter beschikking van dat schoolbestuur. Daarnaast stelt het Agentschap voor Onderwijsdiensten, in voorkomend geval, gegevens ter beschikking van het LOP over het al dan niet voldoen aan één of meerdere indicatoren als vermeld in paragraaf 3, van de leerlingen van de scholen gelegen in het werkingsgebied van het LOP. Deze gegevens zijn afkomstig van de meest recente jaarlijkse centraal georganiseerde telling.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een schoolbestuur voor een of meer van zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs gelegen in het werkingsgebied van een LOP, twee contingenten bepalen die worden vooropgesteld voor de gelijktijdige inschrijving van leerlingen die ofwel voldoen aan één of meer ofwel niet voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3.

§ 3. [[[De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn :

1° de leefeenheid, als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;

2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.]]]4

§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.

Voor de indicator, vermeld in § 3, 1°, gelden de inkomensgrenzen van de regeling inzake schooltoelagen als richtinggevend.]]¹

Afdeling 3. Weigeren

Art. 110/8.

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een onderwijszoekende die niet voldoet aan de bij decreet of besluit bepaalde toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden weigeren.

Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar of in het lopende schooljaar vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de onderwijszoekende hetzij bij de effectieve start van de lesbijwoning hetzij bij beslissing van de toelatingsklassenraad, aan desbetreffende toelatings-, overgangs- of instapvoorwaarden voldoet.

§ 2. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een leerling die in de loop van hetzelfde schooljaar van school verandert, als deze inschrijving tot doel heeft of er in de feiten toe leidt dat de betrokken leerling in dat schooljaar afwisselend naar verschillende scholen zal gaan.

Art. 110/9.

[[§ 1. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen met een eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs een capaciteit bepalen op volgend niveau :

a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;

b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;

c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;

d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, moet een school- of centrumbestuur voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus :

a) hetzij per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

b) hetzij per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;

c) hetzij per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

d) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 3. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de scholen met type 5, een capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus :

a) hetzij per school;

b) hetzij per vestigingsplaats;

c) hetzij per opleidingsvorm;

d) hetzij per type;

e) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats;

f) hetzij per pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257.

Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.

§ 4. Een school- of centrumbestuur kan na de start van de inschrijvingen steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van :

a) goedkeuring door het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;

b) mededeling aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 5. Een school- of centrumbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn vastgelegde capaciteiten mee.

Een school- of centrumbestuur bepaalt en communiceert daarenboven ten minste op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, indien van toepassing per contingent :

a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/3;

b) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/5;

c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/6;

d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/7.

§ 6. Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving :

1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die :

a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;

b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;

c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

2° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of het voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het kader van geïntegreerd onderwijs in het gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;

3° voor de toelating van leerlingen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in paragraaf 1 of 2, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit.

§ 7. Een school- of centrumbestuur, dat niet valt onder de toepassing van paragraaf 2, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus :

a) per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;

c) per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

d) per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.

Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen vermeld in paragraaf 6, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.

Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan :

a) het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;

b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.

§ 8. Een schoolbestuur kan ook na volzetverklaring, vermeld in paragraaf 7, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving :

1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die :

a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;

b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;

c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;

2° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of het voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het kader van geïntegreerd onderwijs in het gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;

3° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring.]]²

[[§ 9. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit of volzetverklaring als vermeld in dit artikel.]]5

Art. 110/10.

§ 1. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een school waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Dergelijke weigering van inschrijving kan eveneens in een school waar de inschrijving van de ene naar de andere school doorloopt op basis van artikel 110/1, § 4.

§ 2. Een schoolbestuur van een school voor gewoon secundair onderwijs waarvan de draagkracht onder druk staat, kan slechts na overleg en goedkeuring binnen het LOP de inschrijving in de loop van het schooljaar weigeren van een leerling die elders werd uitgeschreven als gevolg van definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel. Deze weigering moet gebaseerd zijn op en conform zijn aan vooraf door het LOP bepaalde criteria.

Voor het bepalen van deze criteria wordt ten minste rekening gehouden met de volgende elementen :

1° enkel voor het voltijds gewoon secundair onderwijs : het aantal leerlingen dat voldoet aan de indicatoren, vermeld in artikel 110/7, § 3;

2° het aantal leerlingen met een begeleidingsdossier in het kader van problematische afwezigheden;

3° het aantal eerder in de loop van het schooljaar ingeschreven leerlingen die in hetzelfde schooljaar elders werden uitgesloten.

Art. 110/11.

[[§ 1. Het recht op inschrijving, vermeld in artikel 110/1, § 1, geldt onverkort voor leerlingen die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen met toepassing van gepaste maatregelen, zoals remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, die proportioneel zijn. Leerlingen voor wie deze aanpassingen worden toegepast, blijven in aanmerking komen voor de gewone studiebekrachtiging toegekend door de klassenraad.

§ 2. [[[Leerlingen die beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 worden door een school voor gewoon onderwijs onder ontbindende voorwaarde ingeschreven. Dit verslag maakt deel uit van de informatie die ouders bij een vraag tot inschrijving aan de school overmaken. Het ter beschikking stellen van het verslag door de ouders gaat samen met de verbintenis van de school tot het organiseren van overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, [[[[binnen een redelijke termijn na de inschrijving,]]]]5 over de aanpassingen die nodig zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum of om de leerling studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum.]]]6 [[[Ook indien de school pas nadat de inschrijving reeds gerealiseerd werd, kennis neemt van een verslag, ten laatste gedateerd op de dag waarop de leerling in de betreffende school instapt, wordt de inschrijving van de leerling omgezet in een inschrijving onder ontbindende voorwaarde.]]]7

[[[Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.]]]8

Indien na het overleg de school de disproportionaliteit van de aanpassingen die nodig zijn, bevestigt, wordt de inschrijving ontbonden op het moment dat deze leerling in een andere school is ingeschreven en uiterlijk 1 maand, vakantieperioden niet inbegrepen, na de kennisgeving van de bevestiging van de disproportionaliteit.

Wanneer de school de aanpassingen wel proportioneel acht, komen deze leerlingen op dezelfde wijze als leerlingen met een gemotiveerd verslag in aanmerking voor aanvullende financiering of subsidiëring zoals van toepassing in het kader van het geïntegreerd onderwijs.

§ 3. [[[Wanneer tijdens de schoolloopbaan de nood aan aanpassingen voor een leerling wijzigt en de vastgestelde onderwijsbehoeften van die aard zijn dat voor de leerling een verslag dan wel een wijziging van een verslag, als vermeld in artikel 294, nodig is, organiseert de school een overleg met de klassenraad, de ouders en het CLB en beslist op basis daarvan en nadat het verslag of het gewijzigd verslag werd afgeleverd, om de leerling op vraag van de ouders studievoortgang te laten maken op basis van een individueel aangepast curriculum of om de inschrijving van de leerling voor een daaropvolgend schooljaar te ontbinden.]]]7 ]]³

[[§ 4. In afwijking op paragraaf 2 en 3 is studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum niet mogelijk in de leertijd.]]4

Afdeling 4. - Procedure

Art. 110/12.

[[§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, [[[of niveau waarop volzet verklaard wordt]]]4 een inschrijvingsregister waarin het alle gerealiseerde, uitgestelde en niet-gerealiseerde inschrijvingen chronologisch, in voorkomend geval per contingent, noteert, in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen inschrijvingsregister gehanteerd moet worden.

[[[Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 110/5. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 110/5.]]]4

§ 2. Met uitzondering van [[[de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6]]]4, wordt voor inschrijvingen door vrijgekomen plaatsen of door [[[verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 110/9, § 4]]]4, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, in voorkomend geval voor de leerlingen wiens inschrijving tijdens de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/2, § 1, niet gerealiseerd kon worden, per contingent, gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.

[[[Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9, § 7, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.]]]4

[[[Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 110/5, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van paragraaf 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 110/3 en 110/4.]]]4

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt het model van inschrijvingsregister. Het gebruik van dit model geldt vanaf de inschrijvingen met het oog op het schooljaar 2013-2014.

§ 4. Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen kan onderworpen worden aan een controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]]¹

Art. 110/13.

§ 1. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing binnen een termijn van vier kalenderdagen bij aangetekend schrijven of tegen afgiftebewijs mee aan de ouders van de leerling en volgens afspraak aan de voorzitter van het LOP. Indien de school of vestigingsplaats gelegen is buiten het werkingsgebied van een LOP, meldt het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het model waarmee het schoolbestuur de niet-gerealiseerde inschrijving meedeelt aan de ouders en in voorkomend geval het LOP of het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Het model, vermeld in het eerste lid, bevat zowel de feitelijke als de juridische grond van de beslissing tot weigering en bevat de melding dat de ouders voor informatie of bemiddeling een beroep kunnen doen op een LOP of klacht kunnen indienen bij de CLR en de wijze waarop men met één van beide in contact kan treden.

Indien de weigering gebeurde op basis van artikel 110/9 of 110/24, deelt het schoolbestuur mee op welke plaats onder de geweigerde leerlingen opgenomen in het inschrijvingsregister, vermeld in artikel 110/12, § 1, de betrokken leerling staat. [[In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 110/5, de betrokken leerling inneemt.]]²

§ 3. De ouders krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

Art. 110/14.

[[§ 1. Ouders en andere belanghebbenden kunnen naar aanleiding van een nietgerealiseerde inschrijving een schriftelijke klacht indienen bij de CLR. Klachten die na de termijn van dertig kalenderdagen na de vaststelling van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

§ 2. De CLR oordeelt binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen, die ingaat de dag na die van betekening of van poststempel van de schriftelijke klacht, over de gegrondheid van de niet-gerealiseerde inschrijving.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 3. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in.

Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van [[[artikel 110/11]]]7 schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 2, tweede lid. Op vraag van de ouders worden zij bij het zoeken naar een andere school bijgestaan door het LOP, inzonderheid door de CLB die deel uitmaken van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 5. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]]¹

Art. 110/15.

[[§ 1. In geval van een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van [[[artikel 110/10, § 2 [[[[...]]]]² ]]]², start het LOP een bemiddeling om een oplossing voor de geweigerde leerling te zoeken. Het LOP organiseert daartoe een bemiddelingscel, waarvan het de samenstelling en de werkingsprincipes bepaalt. Bij een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van andere bepalingen dan deze van [[[artikel 110/10, § 2 [[[[...]]]]²]]]² start het LOP een bemiddeling wanneer de ouders er uitdrukkelijk om verzoeken.

§ 2. Het LOP bemiddelt binnen een termijn van tien kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening of afgifte, vermeld in artikel 110/13, § 1, tussen de leerling en zijn ouders en de schoolbesturen van de scholen binnen het werkingsgebied, met het oog op een definitieve inschrijving van de leerling in een school. De bemiddeling schort de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in artikel 110/14, § 1, op.

§ 3. Wanneer de bemiddeling van het LOP binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, niet resulteert in een definitieve inschrijving, wordt de CLR gevat om haar oordeel uit te spreken over de gegrondheid van de weigeringsbeslissing. De CLR formuleert dit oordeel binnen een termijn van eenentwintig kalenderdagen die ingaat de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2.

Het oordeel van de CLR wordt uiterlijk binnen een termijn van zeven kalenderdagen bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen en de voorzitter van het LOP.

§ 4. Indien de CLR de weigeringsbeslissing gegrond acht, schrijven de ouders de leerling in een andere school in. Indien het gaat om een niet-gerealiseerde inschrijving op basis van artikel 110/10 schrijven de ouders de leerling in een andere school in uiterlijk vijftien kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van het oordeel van de CLR, vermeld in paragraaf 3, tweede lid. De ouders kunnen bij het zoeken naar een andere school bijgestaan worden door het LOP, inzonderheid door de centra voor leerlingenbegeleiding die deel uitmaken van dat LOP.

§ 5. Indien de CLR de niet-gerealiseerde inschrijving niet of niet afdoende gemotiveerd acht, kan de leerling zijn recht op inschrijving in de school laten gelden.

§ 6. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]]¹

Art. 110/16.

§ 1. De CLR kan in een situatie als vermeld in artikel 110/15, § 5, de Vlaamse Regering adviseren een bedrag op de werkingsmiddelen van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had van de school terug te vorderen of in te houden.

De CLR stelt de Vlaamse Regering onverwijld in kennis van dit advies.

§ 2. Binnen een termijn van veertien kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het advies, beslist de Vlaamse Regering over het opleggen van een financiële sanctie die kan bestaan uit een terugvordering of inhouding op de werkingsmiddelen van de school.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie gaat de Vlaamse Regering na of de betrokken leerling alsnog in de betrokken school werd ingeschreven.

§ 3. De terugvordering of inhouding, vermeld in paragraaf 1 en 2;

1° kan niet meer bedragen dan tien procent van het werkingsbudget van de school;

2° kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou zijn getroffen.

[[§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 1 tot 3, kan de CLR het dossier aanhangig maken bij het orgaan dat in toepassing van artikel 33, § 2, van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de Rechten van Personen met een Handicap en in toepassing van artikel 40 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijke- kansen- en gelijkebehandelingsbeleid het mandaat heeft van onafhankelijk mechanisme.]]³

Art. 110/17.

Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.

Art. 110/18.

Voor de toepassing van artikel 110/14 tot en met artikel 110/17 bepaalt de Vlaamse Regering de nadere procedureregelen. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

[[HOOFDSTUK 1/2. Aanmeldingsprocedures voor het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en voor het buitengewoon secundair onderwijs]]¹

Afdeling 1. - Beginselen

Art. 110/19.

[[§ 1. Aanmelden is het kenbaar maken van een intentie tot inschrijven voor een bepaald schooljaar in één of meerdere scholen of vestigingsplaatsen waarbij een volgorde van keuze wordt aangegeven.

§ 2. De aanmeldingsperiode kan ten vroegste starten op de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar. De aanmeldingsperiode kan bestaan uit meerdere deelperiodes voor de leerlingen, vermeld in artikel 110/3 tot en met artikel 110/7. [[[In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 110/9, § 5.]]]4 Met respect voor de bepaalde volgorde kunnen twee of meerdere deelperiodes tegelijk plaatsvinden.

Voorafgaand aan en tijdens de aanmeldingsperiode kunnen geen inschrijvingen gebeuren. Indien de aanmeldingsperiode uit meerdere deelperiodes bestaat, mogen de betrokken leerlingen na elke deelperiode, overeenkomstig artikel 110/24, ingeschreven worden.

In afwijking van het tweede lid, kan een schoolbestuur voorafgaand aan de deelperiodes, vermeld in het eerste lid, leerlingen, vermeld in artikel 110/3, artikel 110/4 of, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, leerlingen vermeld in artikel 110/6, inschrijven zonder aanmeldingsperiode vanaf de eerste schooldag na de kerstvakantie van het voorafgaande schooljaar onder de voorwaarde dat geen enkele van de betrokken leerlingen geweigerd wordt omwille van de overschrijding van de capaciteit, vermeld in [[[artikel 110/9]]]4.

Na de aanmeldingsperiode gebeuren de inschrijvingen, in afwijking van artikel 110/2, § 1, chronologisch.]]¹

Art. 110/20.

[[Een schoolbestuur kan in één van volgende situaties een aanmeldingsprocedure instellen :

1° voor het optimaliseren van het inschrijvingsproces;

2° voor het streven naar een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.

Een schoolbestuur kan een aanmeldingsprocedure instellen voor één of meerdere niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 110/12, § 1, een inschrijvingsregister hanteert.]]¹

Art. 110/21.

§ 1. In gemeenten waar een LOP aanwezig is, moet de aanmeldingsprocedure bij een dubbele meerderheid door het LOP zijn goedgekeurd.

De dubbele meerderheid is bereikt wanneer de goedkeuring verleend wordt door enerzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, en anderzijds meer dan de helft van de participanten, vermeld in artikel IV.3, § 1, 4° tot en met 12°, van voormeld decreet.

§ 2. In gemeenten zonder LOP kan een schoolbestuur of kunnen meerdere schoolbesturen samen, na kennisgeving aan de schoolbesturen van de andere scholen actief in die gemeente, een aanmeldingsprocedure instellen.

In gemeenten buiten maar grenzend aan het werkingsgebied van een LOP, kan een schoolbestuur, mits akkoord van het betrokken LOP, aansluiten bij de door dat LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure als vermeld in paragraaf 1.

In het geval van aansluiting bij de door het LOP goedgekeurde aanmeldingsprocedure van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, blijven de respectieve ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/22 en 110/23, onverminderd gelden.

§ 3. De Vlaamse Regering kan naar aanleiding van de situatie vermeld in artikel 110/20, 1°, een schoolbestuur of meerdere schoolbesturen samen verplichten tot het instellen van een aanmeldingsprocedure voor hun scholen wanneer de vragen tot inschrijving van onderwijszoekenden de door de schoolbesturen, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde capaciteit, benaderen of overschrijden en er als dusdanig een capaciteitsprobleem dreigt of heerst waardoor het recht op inschrijving, vermeld in hoofdstuk 1/1 van dit deel, niet meer kan worden gegarandeerd.

§ 4. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voorzien ter ondersteuning van het instellen van een aanmeldingsprocedure, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.

Afdeling 2. - Ordeningscriteria

Art. 110/22.

[[§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode of een deelperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het Vlaamse Gewest alle aangemelde leerlingen als volgt :

1° eerst de leerlingen van dezelfde [[[leefentiteit]]]², vermeld in artikel 110/3;

2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;

3° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;

4° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :

a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;

b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);

c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1°, 2° of 3° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in [[[artikel 110/9,]]]4 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1.

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in.

§ 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, vermeld in [[[artikel 110/9,]]]4 bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragrafen 1 en 2 en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.]]¹

Art. 110/23.

[[§ 1. Op het einde van de aanmeldingsperiode ordent het schoolbestuur, of, mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, voor zijn school of voor elk van zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, alle aangemelde leerlingen als volgt :

1° eerst de leerlingen van dezelfde [[[leefentiteit]]]², vermeld in artikel 110/3;

2° dan de kinderen van personeelsleden van de school, vermeld in artikel 110/4;

3° dan de kinderen van ouders die in overeenstemming met artikel 110/5 het Nederlands in voldoende mate machtig zijn;

4° dan, in voorkomend geval, bij overgang van basisonderwijs naar het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs of naar het buitengewoon secundair onderwijs : de leerlingen, vermeld in artikel 110/6;

5° dan de overige leerlingen aan de hand van één of een combinatie van volgende ordeningscriteria :

a) de chronologie van aanmelding, met uitsluiting van fysieke aanmelding;

b) toeval. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of c);

c) de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze gemaakt door de ouders of de leerlingen. Dit ordeningscriterium kan enkel gekozen worden in combinatie met het ordeningscriterium, vermeld in punt a) of b).

Indien leerlingen overeenkomstig artikel 110/19, § 2, derde lid, worden ingeschreven, kunnen schoolbesturen ervoor kiezen om de ordening van de groepen vermeld in 1° of 2° van het eerste lid al dan niet te behouden.

Voor alle betrokken scholen en vestigingsplaatsen geldt hetzelfde ordeningscriterium of dezelfde combinatie van ordeningscriteria. Daarvan kan op school- of vestigingsplaatsniveau, gemotiveerd afgeweken worden.

§ 2. Indien de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in [[[artikel 110/9,]]]4 bereikt wordt in een te ordenen groep, als vermeld in paragraaf 1, dan wordt binnen die groep aangemelde leerlingen geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1. [[[In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde leefentiteit als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.]]]²

Indien slechts één van de vooraf bepaalde contingenten, vermeld in artikel 110/7 bereikt wordt in een te ordenen groep als vermeld in paragraaf 1, dan worden de leerlingen binnen die groep van dat contingent geordend volgens de volgende stappen binnen de procedure, vermeld in paragraaf 1, en nemen ze in die volgorde de openstaande plaatsen in het andere contingent in. [[[In voorkomend geval gelden de aantallen en het percentage, vermeld in artikel 110/5, § 3, niet binnen de groep aangemelde leerlingen van dezelfde leefentiteit als vermeld in artikel 110/3 of de groep aangemelde kinderen van personeelsleden van de school als vermeld in artikel 110/4.]]]²

§ 3. Zodra de vooraf bepaalde capaciteit, als vermeld in [[[artikel 110/9,]]]4 bereikt wordt, worden de resterende aangemelde leerlingen geordend met toepassing van paragraaf 1 en 2, en in het aanmeldingsregister, vermeld in artikel 110/24, § 1, opgenomen.

§ 4. Bij de toepassing van paragraaf 1 tot en met 3, moet een schoolbestuur, desgevallend met uitzondering van zijn scholen voor het buitengewoon secundair onderwijs, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP, betrokken bij een aanmeldingsprocedure de aangemelde leerlingen ordenen met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7.]]¹

Afdeling 3. - Het beëindigen van de aanmeldingsprocedure en het inschrijven van de leerlingen

Art. 110/24.

[[§ 1. Een schoolbestuur hanteert voor elke, overeenkomstig artikel 110/9 bepaalde, capaciteit betrokken bij de aanmeldingsprocedure, een aanmeldingsregister in dien verstande dat voor een door het schoolbestuur bepaalde capaciteit die exact uit andere door het schoolbestuur bepaalde capaciteiten bestaat er geen aanmeldingsregister gehanteerd moet worden.

Een schoolbestuur komt, per aanmeldingsregister, op basis van artikel 110/22 of 110/23, tot een gunstige of niet-gunstige rangschikking van alle aangemelde leerlingen en neemt die rangschikking op in het aanmeldingsregister. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, kan het LOP [[[of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur]]]4 de rangschikking van alle aangemelde leerlingen in het aanmeldingsregister uitvoeren.

§ 2. Van de scholen of vestigingsplaatsen waar de aangemelde leerling een gunstige rangschikking heeft gekregen, wijst het schoolbestuur, of mits akkoord van de betrokken schoolbesturen, het LOP [[[of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur]]]4, de aangemelde leerling toe aan de school of vestigingsplaats van de hoogste keuze die de ouders of de leerling bij de aanmelding opgaven.

Deze leerling wordt vervolgens verwijderd uit het aanmeldingsregister van de verschillende scholen en vestigingsplaatsen waarvoor de ouders of de leerling een lagere keuze gemaakt hebben. De daardoor vrijgekomen plaatsen in de aanmeldingsregisters worden, voor zover mogelijk, ingenomen door de op basis van dezelfde combinatie van ordeningscriteria [[[, en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad met inachtname van artikel 110/5, § 4,]]]² eerstvolgend gerangschikte leerlingen .

Het innemen van vrijgekomen plaatsen in het aanmeldingsregister wordt herhaald totdat er geen toewijzingen als vermeld in het eerste lid meer mogelijk zijn. [[[Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/25, § 2, 9°, c).]]]4

De aangemelde leerling en zijn ouders krijgen binnen vier werkdagen na de aldus bekomen definitieve toewijzing schriftelijk of via elektronische drager melding over de school of vestigingsplaats waaraan de aangemelde leerling is toegewezen en over de periode waarbinnen de ouders de aangemelde leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijftien schooldagen.

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders een hogere keuze gemaakt hadden dan de toegewezen school of vestigingsplaats, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

Indien de aangemelde leerling en zijn ouders binnen de periode, vermeld in het vierde lid, geen gebruikmaken van de mogelijkheid tot inschrijving, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven.

Indien bij de inschrijving blijkt dat de leerling niet voldoet aan door de ouders opgegeven ordeningscriteria die aanleiding gaven tot de gunstige rangschikking en toewijzing, overeenkomstig § 1, dan vervalt het recht op inschrijving dat ze via de aanmeldingsprocedure hebben verworven, tenzij de behandeling van disfuncties en eerstelijnsklachten, vermeld in artikel 110/25, § 2, 10°, b), leidt tot een andere beslissing.

[[[Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.]]]4

[[["Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.]]]4

§ 3.[[[Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats.]]]4

Aan de aangemelde leerling en zijn ouders wordt tevens meegedeeld welke plaats bij de niet-toegewezen leerlingen in het aanmeldingsregister van de verschillende scholen of vestigingsplaatsen waarvoor de aangemelde leerling of zijn ouders hadden gekozen, de aangemelde leerling heeft ingenomen.

§ 4. [[[Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het LOP de schriftelijke meldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, uitvoeren. De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijving, zoals bepaald in artikel 110/13, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe gemandateerde schoolbestuur.]]]4

§ 5. [[[Overeenkomstig artikel 110/12 en artikel 110/25, § 2, 8°, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.]]]4 ]]¹

Afdeling 4. - Goedkeuring aanmeldingsprocedures

Art. 110/25.

[[§ 1. Uiterlijk op [[[15 september]]]4 van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP een voorstel van aanmeldingsprocedure voor aan de CLR.

[[[In afwijking van het eerste lid legt voor het buitengewoon onderwijs een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP dat wenst aan te melden voor type 9 voor de inschrijvingen van het schooljaar 2015-2016, een voorstel van aanmeldingsprocedure uiterlijk op 16 februari 2015 voor aan de CLR.]]]4

§ 2. Het dossier daartoe bevat ten minste de volgende onderdelen :

1° de start en de duur van de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de motivering ervan, overeenkomstig artikel 110/19;

2° het middel of de middelen tot aanmelden;

3° de wijze waarop de capaciteit, [[[het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden,]]]4 het aanmeldingsmiddel, de aanmeldingsperiode of alle deelperiodes en de inschrijvingsperiodes door het betrokken schoolbestuur of de betrokken schoolbesturen worden bekendgemaakt;

4°[[[de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk te kunnen laten aanmelden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;]]]4

5° een regeling waarbij de aanmeldingen van leerlingen uit eenzelfde [[[leefentiteit]]]², vermeld in artikel 110/3, aan elkaar gekoppeld kunnen worden, of een motivering om deze regeling niet te voorzien;

6° een regeling waarbij ouders of leerlingen bij verschillende scholen of vestigingsplaatsen een duidelijke voorkeurorde kunnen opgeven;

7° een regeling voor de communicatie naar de ouders of de leerlingen, vermeld in artikel 110/24;

8° een regeling voor het bijhouden van een aanmeldingsregister per school of vestigingsplaats en de overdracht van de informatie over de aangemelde leerlingen aan het schoolbestuur;

9° de verdere concretisering van de ordeningscriteria. Dit bestaat uit :

a) het hanteren van de plaats van de school of vestigingsplaats binnen de rangorde in keuze, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°, gemaakt door de ouders of de leerling bij de ordening en de toewijzing, vermeld in artikel 110/24;

b) het hanteren van toeval, bedoeld in artikel 110/22, § 1, 4°, en artikel 110/23, § 1, 5°;

c) het bepalen van de verhouding tussen en de volgorde van de verschillende gekozen ordeningscriteria [[[en de ordeningscriteria, in toepassing van de bepaling in artikel 110/24, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen]]]4;

d) het maken van afspraken rond het bepalen van de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, van de scholen en vestigingsplaatsen, met onder meer het bepalen van de geografische omschrijving waarbinnen de toetsing zal gebeuren [[[en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten]]]4;

e) het bepalen van de mate waarin scholen de vrijheid hebben om hun instroom met het oog op de evenredige verdeling, vermeld in artikel 110/7, te sturen;

f) de gemotiveerde afwijking, vermeld in artikel 110/22, § 1, derde lid, en artikel 110/23, § 1, derde lid;

10° beslissingen aangaande de volgende uitvoeringsmodaliteiten :

a) de wijze waarop ouders en schoolbesturen bij de aanmeldingsprocedure ondersteund zullen worden en wie daarbij betrokken zal zijn;

b) de wijze waarop zal omgegaan worden met de behandeling van disfuncties bij en eerstelijnsklachten over het verloop van de aanmeldingsprocedure;

c) de wijze waarop enerzijds de werving, de toeleiding en de ondersteuning van ouders en anderzijds de ondersteuning van de schoolbesturen zal gebeuren met het oog op een evenredige verdeling als vermeld in artikel 110/7;

d) de wijze waarop de aanmeldingsprocedure gemonitord en geëvalueerd zal worden;

11° de wijze waarop over de aanmeldingsprocedure en alle genomen beslissingen daarin gecommuniceerd wordt aan alle belanghebbenden;

[[[12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van :

a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;

b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;

c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.]]]4

§ 3. De CLR toetst het voorstel van aanmeldingsprocedure aan de bepalingen inzake het recht op inschrijving en de aanmeldingsprocedures, vermeld in hoofdstuk 1/1 en 1/2, en de volgende uitgangspunten :

1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen;

2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, daarnaast ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.

§ 4. [[[De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.]]]4 ]]¹

Art. 110/26.

[[§ 1. Bij een negatief besluit van de CLR over het voorstel van aanmeldingsprocedure kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP, uiterlijk op 30 november van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden een van de volgende initiatieven nemen :

1° een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure indienen bij de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De CLR neemt over het aangepaste voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan;

2° het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3. De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake het verloop van de procedure.

§ 2. Bij een negatief besluit van de CLR over het overeenkomstig paragraaf 1, 1° voorgelegde aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit het aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure of het voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, voorleggen aan de Vlaamse Regering. In dat geval toetst de Vlaamse Regering het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.

De Vlaamse Regering neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de procedure.

§ 3. Bij een negatief besluit, van de Vlaamse Regering over het, overeenkomstig paragraaf 1, 2°, voorgelegde voorstel van aanmeldingsprocedure, vermeld in artikel 110/25, kan het betrokken schoolbestuur, de meerdere betrokken schoolbesturen samen of het betrokken LOP uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het negatief besluit een aangepast voorstel van aanmeldingsprocedure voorleggen aan de CLR. In dat geval toetst de CLR het voorstel overeenkomstig artikel 110/25, § 3.

De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk dertig kalenderdagen volgend op de dag van de indiening ervan.

§ 4. Voor de toepassing van de termijnen bepaald in dit artikel worden zaterdagen, zondagen, wettelijke en reglementaire feestdagen en de door de Regering, overeenkomstig artikel 12, bepaalde vakantieperioden niet meegerekend.]]¹

Art. 110/27.

Bij een positief besluit van de CLR of de Vlaamse Regering in hoger beroep, blijft de aanmeldingsprocedure van kracht voor de inschrijvingen voor de schooljaren volgend op het schooljaar waarin het positief besluit werd genomen, totdat de aanmeldingsprocedure gewijzigd wordt tenzij de CLR of de Vlaamse Regering anders beslist, totdat :

1° de betrokken regelgeving gewijzigd wordt;

2° het betrokken schoolbestuur, groep schoolbesturen of het LOP de lopende aanmeldingsprocedure wil wijzigen of stopzetten.]

Decr. 25-11-2011; [[ ]]¹ Decr. 8-6-2012; [[ ]]² Decr. 25-4-2014; [[ ]]³ Decr. 21-3-2014; [[ ]]4 Decr. 17-6-2016; [[ ]]5 Decr. 16-6-2017; [[[ ]]]¹ Decr. 21-12-2012; [[[ ]]]² Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]³ Decr. 21-3-2014; [[[ ]]]4 Decr. 25-4-2014; [[[ ]]]5 Decr. 19-12-2014; [[[ ]]]6 Decr. 19-6-2015; [[[ ]]]7 Decr. 17-6-2016; [[[ ]]]8 Decr. 16-6-2017; [[[[ ]]]]¹ Decr. 25-4-2014; [[[[ ]]]]² Decr. 21-3-2014; [[[[ ]]]]³ Decr. 13-11-2015; [[[[ ]]]]4 Decr. 25-11-2016; [[[[ ]]]]5 Decr. 16-6-2017

[HOOFDSTUK 1/3. - Huisonderwijs

Art 110/28.

Aan de leerplicht kan eveneens worden voldaan door het verstrekken van huisonderwijs.

Ouders die opteren voor huisonderwijs, verbinden zich ertoe onderwijs te verstrekken of te laten verstrekken dat beantwoordt aan de volgende minimumeisen :

1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;

2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.

Art. 110/29.

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Die informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :

1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;

2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;

3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;

4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;

5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;

6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;

7° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

[[In het geval dat voor twee of meerdere leerplichtige kinderen gezamenlijk huisonderwijs wordt georganiseerd en de plaats waar dit huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het adres waar de kinderen gedomicilieerd zijn, dan kan voor deze leerplichtige kinderen één gezamenlijke verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ingediend worden door de organisator van het huisonderwijs. De bijhorende informatie over het huisonderwijs moet naast de elementen vermeld in het tweede lid ook het adres bevatten waarop het huisonderwijs effectief wordt verstrekt.]]

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen in het buitenland [[, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]].

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :

1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.

Art. 110/30.

§ 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs [[uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari]].

Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij [[zestien jaar is geworden voor 1 januari]], via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland [[, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]].

Hiertoe heeft de leerplichtige maximaal twee pogingen. Met maximaal twee pogingen wordt bedoeld dat voor elk onderdeel van het examenprogramma, zijnde een vak of een cluster van vakken, de leerplichtige tweemaal aan het examen mag deelnemen en er bijgevolg één herkansing is.

[[De regeling bedoeld in deze paragraaf wordt voor het eerst van toepassing op de leerlingen die geboren werden in het jaar 2002.]]

(voetnoot 3) (voetnoot 4)

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :

1° indien een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor de examens, vermeld in paragraaf 1;

2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;

3° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :

a) Europese scholen;

b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

d) scholen gelegen in het buitenland [[, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]].

Art. 110/31.

§ 1. De onderwijsinspectie is bevoegd om te controleren of het verstrekte huisonderwijs beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in artikel 110/28. De Vlaamse Regering legt de criteria vast op basis waarvan deze controle gebeurt.

§ 2. De ouders zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de controle op het huisonderwijs.

§ 3. Wanneer de controle van de onderwijsinspectie niet aanvaard wordt of wanneer de onderwijsinspectie bij twee opeenvolgende controles vaststelt dat het verstrekte onderwijs kennelijk niet beantwoordt aan de doelstellingen, vermeld in het artikel 110/28, moeten de ouders de leerling inschrijven in hetzij een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland [[, waar het leerplichtige kind contactonderwijs volgt]].

Het hervatten van huisonderwijs om aan de leerplicht van de betrokken leerling te voldoen, kan uitsluitend mits voorafgaande toestemming van de onderwijsinspectie. Die toestemming wordt verleend als de onderwijsinspectie oordeelt, op basis van elementen die worden aangereikt door de ouders, dat de tekortkomingen die bij de controle destijds aanleiding hebben gegeven tot beëindiging van het huisonderwijs, zijn of worden weggewerkt.

De Vlaamse Regering legt de aanvraagprocedure voor de ouders vast.

Art. 110/32.

De Vlaamse Regering bepaalt de formele voorwaarden die moeten vervuld worden bij het organiseren van huisonderwijs.

Art. 110/33.

De artikelen 110/28 tot en met 110/32 zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat wordt verstrekt in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan, het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 17-6-2016

HOOFDSTUK 2. - School- en centrumreglement

Art. 111.

§ 1. Elk schoolbestuur maakt voor elk van zijn scholen een schoolreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd.

Voor de toepassing van deze bepaling worden onder scholen niet de ziekenhuisscholen verstaan.

[Elk centrumbestuur maakt voor elk van zijn centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, na advies van de centrumraad, een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd. Elk centrumbestuur maakt voor zijn centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen een centrumreglement op waarin de rechten en plichten van elke leerling worden vastgelegd; dit reglement kan per vestigingsplaats verschillen.]²

[§ 1bis. Het school- of centrumbestuur informeert de betrokken personen over het school- of centrumreglement voorafgaand aan de inschrijving van de leerling en bij elke wijziging. Daarbij moeten volgende principes in acht worden genomen :

1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het school- of centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;

2° bij elke wijziging van het school- of centrumreglement informeert het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en de betrokken personen geven opnieuw schriftelijk akkoord. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van de leerling een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar;

3° het school- of centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papierenversie van het school- of centrumreglement wensen te ontvangen;

4° een wijziging van het school- of centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 1ter. Voor materies waarbij de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het school- of centrumreglement geregeld worden.]¹

§ 2 en 3. [...]²

[ ]¹ Decr. 1-7-2011; [ ]² Decr. 4-4-2014

Art. 112.

[In het school- of centrumreglement moeten, voor zover van toepassing, minimaal de volgende onderdelen worden opgenomen :

1° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot volgende leerlinggebonden materies :

a) toelatingen;

b) afwijkingen, vrijstellingen en andere flexibiliseringsmaatregelen binnen het curriculum;

c) aan- en afwezigheden;

d) de opzet en de procedure van de screening en trajectbegeleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd;

2° de lesspreiding en de vakantie- en verlofregeling voor leerlingen;

3° de krachtlijnen inzake extra-murosactiviteiten, leerlingenstages, werkplekleren en school- of centrumvervangende onderwijsprogramma's;

4° de samenwerking met andere onderwijsinstellingen, vormingsinstellingen of organisaties voor zover rechtstreekse impact op leerlingen;

5°[[ het tijdelijk onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs, met vermelding dat de betrokken personen op die onderwijsvoorzieningen zullen worden gewezen in het geval dat de leerling aan de gestelde voorwaarden voldoet om er recht op te hebben;]]

6° de financiële bijdrageregeling voor de betrokken personen, de mogelijke afwijkingen en de contactpersoon binnen de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen voor vragen of opmerkingen dienaangaande;

7° de inspraakmogelijkheden voor de betrokken personen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;

8° de voorwaarden waaronder de betrokken leerling en de betrokken personen inzage kunnen uitoefenen in of een toelichting kunnen vragen bij of een kopie kunnen bekomen van de leerlingengegevens, waaronder de evaluatiegegevens;

9° de organisatie van de leerlingenevaluatie, meer bepaald :

a) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in de loop van het schooljaar op regelmatige basis of tijdig zal communiceren over :

1) de basisprincipes van het school- of centrumbeleid met betrekking tot leerlingenevaluatie, waaronder voor het secundair onderwijs de beslissing van de klassenraad wordt verstaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval;

2) de studievorderingen van de leerling;

3) de voor de leerling noodzakelijke remediëring;

4) de tijdstippen waarop examens en andere evaluatieopdrachten over grotere leerstofonderdelen, waardoor de lessen worden geschorst, plaatsvinden;

5) de vorm waaronder examens en andere evaluatieopdrachten worden georganiseerd;

6) de, met het oog op examens en andere evaluatieopdrachten, te beheersen materies;

7) de regeling als de leerling door overmacht of gewettigd verlet een examen of andere evaluatieopdracht niet kan volbrengen;

b) de vermelding dat de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of Syntra Vlaanderen elke genomen beslissing van, naargelang van het geval, de klassenraad of Syntra Vlaanderen waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, schriftelijk motiveren; de vermelding dat, op vraag van de betrokken personen, binnen een aangeduide termijn een overleg zal plaatsvinden en de vermelding van de mogelijkheid tot beroep na desbetreffend overleg;

c) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing van, naargelang van het geval, de klassenraad of Syntra Vlaanderen waarbij aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;

10° de lokale leefregels op materieel en immaterieel vlak, met inbegrip van :

a) de tucht- of andere maatregelen die ten aanzien van de leerling kunnen worden genomen bij regelschending. Met betrekking tot tuchtmaatregelen moeten eveneens worden vermeld :

1) de regels inherent aan tuchtrechtspleging;

2) de mogelijkheid voor de betrokken personen tot beroep tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting; worden met betrekking tot het beroep eveneens vermeld: de procedure met overeenkomstige redelijke en haalbare termijnen, de vormvereisten, de principes inzake werking, met inbegrip van de stemprocedure, en samenstelling van een beroepscommissie;

3) de opvangregeling;

4) de mogelijke school- of centrumuitschrijving;

b) de plicht voor de leerling om zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag;

c) de afspraken met betrekking tot het decretaal aan scholen en centra opgelegde rookverbod, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding;

11° de eventuele beroepsmogelijkheden voor de betrokken personen ten aanzien van betwiste beslissingen buiten beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie;

12° de basisprincipes van het schoolbeleid met betrekking tot reclame en sponsoring;

13° een engagementsverklaring waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over oudercontact, regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid, vormen van individuele leerlingenbegeleiding en het positieve engagement ten aanzien van de onderwijstaal;

14° de vermelding dat bij schoolverandering leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe school tenzij, en voor zover de regelgeving de overdracht niet verplicht stelt, de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na op hun verzoek deze gegevens te hebben ingezien;

[[15° de mededeling dat de school bij schoolverandering verplicht is een kopie van het eventueel gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs en een kopie van het eventueel verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs over te dragen aan de nieuwe school.]]

Met betrekking tot het positieve engagement van de betrokken personen ten aanzien van de onderwijstaal wordt alleszins vermeld dat leerlingen aangemoedigd worden om Nederlands te leren, maar kunnen andere bepalingen worden toegevoegd mits daarover een akkoord is bereikt in het bevoegde lokaal overlegplatform of, voor scholen en centra gelegen in een gemeente waar geen lokaal overlegplatform is opgericht, mits daarover een akkoord is bereikt met ten minste twee derde van de scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt gewezen op de koppeling aan schooltoelagen en de mogelijkheid tot niet-toekenning of terugvordering ervan. Met betrekking tot regelmatige aanwezigheid en spijbelbeleid wordt bovendien in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd ook vermeld dat de betrokken personen het principe van het voltijds engagement moeten naleven, wat enerzijds impliceert dat de leerling de gekozen opleiding daadwerkelijk en regelmatig volgt, behalve in geval van gewettigde afwezigheid, en anderzijds dat de leerling bereid is zich onvoorwaardelijk te schikken naar alle mogelijke maatregelen die door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of Syntra Vlaanderen worden genomen om de component werkplekleren ononderbroken een zinvolle invulling te geven.]

Decr. 4-4-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 113 en 114.

[...]

Decr. 4-4-2014

HOOFDSTUK 3. - [Toelatingsvoorwaarden, evaluatie en studiebekrachtiging]

Decr. 4-4-2014

Art. 115.

[§ 1.]¹ Voor het secundair onderwijs, erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap bepaalt de Vlaamse Regering, tenzij bij decreet bepaald :

1° de toelatings- en overgangsvoorwaarden;

2° de bekrachtiging van de studie;

3° de studiebewijzen, alsmede de vorm en de vermeldingen erop;

[4° de samenstelling, de werking en de bevoegdheden van de klassenraad.]³

[Aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), worden jaarlijks attesten van verworven bekwaamheden uitgereikt.

Indien aan de leerlingen, vermeld in artikel 252, § 1, b), toch de reguliere studiebewijzen worden gegeven, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen, de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de leerplandoelen van het overeenkomstige structuuronderdeel voorgelegd moeten worden aan de onderwijsinspectie.]²

Aan de vrije leerlingen, vermeld in artikel 252, § 2, worden uitsluitend attesten van lesbijwoning als vrije leerling uitgereikt.

[§ 2. Een welbepaalde bekrachtiging van de studie impliceert dat de betrokken leerling geacht wordt het overeenkomstig studietraject volledig en met vrucht te hebben doorlopen, ongeacht het tijdstip van aansluiting bij dat traject en ongeacht het feit of dat traject uit leerjaren of een ander ordeningscriterium bestaat.]¹ (114)

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 21-3-2014; [ ]³ Decr. 4-4-2014

[Art. 115/1.

Voor leerlingen die houder zijn van studiebewijzen, uitgereikt door andere scholen dan de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen en die :

a) zich ofwel binnen de leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983;

b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van voltijds secundair onderwijs,

geldt, behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toelatingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, zoals die als orgaan door de Vlaamse Regering is bepaald, van een door de betrokken personen gekozen school voor voltijds secundair onderwijs. [[Bij de beslissing houdt de toelatingsklassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.]]

In voorkomend geval en in afwijking op de vigerende regelgeving :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert. [[In het geval het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs als vermeld in artikel 146, § 4, moet in de toelatingsklassenraad raadgevend de persoon worden opgenomen die, op basis van daartoe specifiek toegekende uren-leraar, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van gewezen anderstalige nieuwkomers in de scholengemeenschap waarbinnen de betrokken leerling het onthaaljaar heeft gevolgd;]]

b) moet de beslissing van de toelatingsklassenraad uiterlijk genomen worden 25 lesdagen na aanvang van de regelmatige lesbijwoning.

Voor de leerlingen in kwestie kan de Vlaamse Regering nooit toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de vooropleiding bepalen.]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 25-4-2014

[Art. 115/2.

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, afgeleverd door scholen voor secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :

1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;

2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

3° het diploma van het secundair onderwijs;

4° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

5° het certificaat van Se-n-Se;

6° het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar;

7° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

8° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs;

9° het getuigschrift van een opleiding buitengewoon secundair onderwijs;

10° het getuigschrift van verworven competenties in een opleiding buitengewoon secundair onderwijs.

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]

Decr. 1-7-2011

[Art. 115/3.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 115/2 zijn opgenomen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt door scholen of centra voor secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :

1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;

2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

3° het diploma van het secundair onderwijs;

4° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

5° het certificaat van Se-n-Se;

6° het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar;

7° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

8° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs;

9° het getuigschrift van een opleiding buitengewoon secundair onderwijs;

10° het getuigschrift van verworven competenties in een opleiding buitengewoon secundair onderwijs.

De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen, de doelen, de opleidingsprofielen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

[[De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid met aanduiding van een structuuronderdeel bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 19-7-2013

[Art. 115/4.

[[...]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 4-4-2014

[Art. 115/5.

[[Een beslissing van de delibererende klassenraad waartegen de betrokken personen geen beroep of een niet ontvankelijk beroep hebben ingesteld, kan door het schoolbestuur omstreden worden geacht. In dat geval kan het schoolbestuur de klassenraad opnieuw doen samenkomen om de omstreden beslissing te heroverwegen. Het opnieuw samenkomen dient te gebeuren hetzij uiterlijk op 15 september van het daaropvolgend schooljaar, hetzij uiterlijk op 15 maart van het schooljaar in kwestie als de omstreden beslissing betrekking heeft op een Se-n-Se die eindigt op 31 januari. In het geval de dan genomen beslissing afwijkt van de omstreden beslissing, wordt ze schriftelijk en gemotiveerd onmiddellijk aan de betrokken personen meegedeeld.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 17-6-2016

[Art. 115/6.

§ 1. Leerlingenevaluatie strekt ertoe om, rekening houdend met het pedagogisch project van de school, na te gaan of de leerling in voldoende mate de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens decreet- of regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, naargelang van het geval. De leerlingenevaluatie wordt, gespreid over het schooljaar of over de opleidingsduur, uitgevoerd door de klassenraad en resulteert in een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn. Voor zover het regelmatige leerlingen en door de Vlaamse Gemeenschap erkende structuuronderdelen betreft, kennen, in aansluiting op de beslissingen van de klassenraad, de school- en centrumbesturen de van rechtswege geldende studiebewijzen aan de betrokken leerlingen toe. De toekenning van die studiebewijzen kan om geen enkele reden worden ingehouden, ook niet bij verzuim door de betrokken personen van hun financiële verplichtingen.

§ 2. De school- en centrumbesturen zijn bevoegd voor de regeling van het evaluatiestelsel.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering :

1° de organisatie van specifieke examens of andere evaluatieopdrachten opleggen;

2° de maximumduur bepalen van schorsing van lessen wegens examens, andere evaluatieopdrachten of evaluatiegebonden activiteiten;

3° bepalen onder welke voorwaarden een beslissing over het al dan niet geslaagd zijn, kan worden uitgesteld;

4° het slagen voor een structuuronderdeel afhankelijk stellen van het behalen van externe certificering. Onder externe certificering wordt verstaan: het toekennen aan leerlingen, voor zover ze geslaagd zijn voor bepaalde programmaonderdelen, van studiebewijzen die buiten de onderwijsregelgeving vallen en gerelateerd zijn aan beroepsuitoefeningvoorwaarden.

§ 3. De betrokken personen nemen het evaluatieresultaat in ontvangst op een in het school- of centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Het school- of centrumbestuur wijkt af van die datum voor individuele gevallen als de beslissing tot stand komt na uitstel of na beroep; in voorkomend geval stelt het school- of centrumbestuur de betrokken personen schriftelijk in kennis van de voorziene ontvangstdatum. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt het evaluatieresultaat geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum.

§ 4. Als het evaluatieresultaat inhoudt dat aan de leerling niet de beoogde studiebekrachtiging wordt toegekend, dan is de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs ertoe gehouden :

1° aan de betrokken personen een schriftelijke motivering te geven;

2° de betrokken personen schriftelijk te verwijzen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure doch enkel mits voorafgaandelijk overleg, vermeld in 3°, te hebben gepleegd;

3° met de betrokken personen te overleggen op hun vraag.

Het overleg, bedoeld in 3°, vindt plaats tussen de directeur of zijn afgevaardigde en de betrokken personen binnen een redelijke termijn nadat die laatsten het evaluatieresultaat in ontvangst hebben genomen. Die termijn wordt in het school- of centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Het overleg kan ertoe leiden dat de directeur of zijn afgevaardigde beslist om de klassenraad opnieuw te laten samenkomen. Nadat de klassenraad al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, beslist diezelfde klassenraad om het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen of door een ander evaluatieresultaat te vervangen. De betrokken personen nemen de beslissing om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen, dan wel de beslissing van de klassenraad die opnieuw is samengekomen in ontvangst. Bij het niet in ontvangst nemen op de voorziene datum door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1 kennen de school- en centrumbesturen de van rechtswege geldende studiebewijzen eveneens toe in uitvoering van de beslissingen van beroepscommissies die worden genomen naar aanleiding van beroepen die door betrokken personen zijn ingediend.]

Decr. 4-4-2014

HOOFDSTUK 4. - [Specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen]

Decr. 17-6-2016

Art. 116.

Voor de toepassing van artikel 116 tot en met 120 wordt verstaan onder :

1° secundair onderwijs : het secundair onderwijs met uitzondering van :

a) in het voltijds secundair onderwijs, het derde leerjaar van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs, de vierde graad van het secundair onderwijs, het hoger beroepsonderwijs;

b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs;

2° onderwijs aan huis voor zieke jongeren : onderwijs dat thuis of in een medische instelling verstrekt wordt aan zieke leerlingen of leerlingen met een handicap;

3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in [artikel 291 tot en met 295]. (115)

Decr. 21-3-2014

Art. 117.

[§ 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de Vlaamse Regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren, synchroon internetonderwijs of een combinatie van beiden.

§ 2. Bij langdurige afwezigheid van een leerling is de directie van de school waar deze leerling is ingeschreven, verplicht op vraag van de betrokken personen, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren of synchroon internetonderwijs te organiseren. Die verplichting vervalt voor de periode dat de leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of in een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangen. Tijdens een dergelijk verblijf of opname kan synchroon internetonderwijs wel verder lopen.

§ 3. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren en voor synchroon internetonderwijs, bepaalt hoe het onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en wie synchroon internetonderwijs kan organiseren, onder welke voorwaarden en volgens welke subsidiëringsmodaliteiten.

De Vlaamse Regering bepaalt ook wat onder langdurige afwezigheid moet worden begrepen, met dien verstande dat een afwezigheid van minder dan 21 kalenderdagen geen langdurige afwezigheid is voor de toepassing van dit artikel, tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.

Decr. 25-4-2014

[Art. 117/1.

[[Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval van een leerling is het schoolbestuur verplicht om de betrokken personen te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis en van synchroon internetonderwijs.

De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen verplicht het schoolbestuur er toe om tijdelijk onderwijs aan huis of synchroon internetonderwijs te organiseren.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 25-4-2015

Art. 118.

§ 1. Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de [onderwijsinspectie], recht op permanent onderwijs aan huis.

§ 2. [De ouders kiezen in overleg met het centrum voor leerlingenbegeleiding de dichtstbijzijnde school voor buitengewoon onderwijs van hun vrije keuze om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. Omwille van omstandigheden eigen aan de leerling en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon secundair onderwijs worden gekozen.] (117)

Decr. 21-3-2014

Art. 119.

De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze het permanent onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het permanent onderwijs aan huis te organiseren. (118)

Art. 120.

Een personeelslid dat wordt aangesteld in een betrekking, georganiseerd in het kader van het tijdelijk of permanent onderwijs aan huis, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn van toepassing op deze personeelsleden, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school die de betrekking organiseert, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Voor deze reaffectatie of wedertewerkstelling is steeds de toestemming vereist van het terbeschikking gestelde personeelslid;

2° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking. (119)

Art. 121.

[Voor [[leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften of]] leerlingen die wegens ziekte of ongeval het geheel van de vorming van een schooljaar niet kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma hetzij van een leerjaar over twee schooljaren hetzij van een graad over drie schooljaren toestaan.] (120)

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 122.

Voor leerlingen die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kunnen volgen, kan de klassenraad vrijstellingen toestaan [van doelen van het gemeenschappelijk curriculum en die waar mogelijk vervangen door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende structuuronderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden]. (121)

Decr. 17-6-2016

[Art. 122/1.

Leerlingen hebben recht op moederschapsverlof, naar rata van maximaal één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum en maximaal negen weken na de effectieve bevalling. De schoolvakanties schorten dit verlof niet op. De uitoefening van dit recht doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van regelmatige leerling.

Onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 117, hebben desbetreffende leerlingen recht op tijdelijk onderwijs aan huis [[en synchroon internetonderwijs]].]

Decr. 4-4-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

HOOFDSTUK 5. - [Leerplicht]

Decr. 25-4-2014

Art. 123.

[Leerplicht draagt bij tot de opvoeding van de jongere en tot de voorbereiding op de uitoefening van een beroep. Het begin en het einde van de leerplicht zijn bepaald in artikel 1, § 1, eerste lid, § 3, § 7, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht. De leerplicht is voltijds hetzij tot de leeftijd van vijftien jaar is bereikt, op voorwaarde dat ten minste de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs zijn beëindigd, hetzij tot de leeftijd van zestien jaar is bereikt. De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht. Aan de deeltijdse leerplicht wordt voldaan door het voltijds secundair onderwijs voort te zetten of door deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen.]

Decr. 25-4-2014

[Art. 123/1.

[[...]] ]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

[Art. 123/2.

Een jongere kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie of door Syntra Vlaanderen, naargelang van het geval, op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. Deeltijds beroepssecundair onderwijs of leertijd kan alleen worden gevolgd in combinatie met werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uur per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijdse engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt de activiteitsvormen.]

Decr. 25-4-2014

[Art. 123/3.

§ 1. Behalve in geval van huisonderwijs of indien de jongere valt onder toepassing van artikel 123/5, zijn de betrokken personen verplicht ervoor te zorgen dat de jongere voor de duur van de leerplicht in een school of centrum is ingeschreven, die school of dat centrum geregeld bezoekt en, in voorkomend geval, aan de voorwaarde van werkplekleren voldoet. Zowel voor leerplichtige als voor niet-leerplichtige jongeren, regelt de Vlaamse Regering de controle op de inschrijvingen, op het geregeld schoolbezoek en op het werkplekleren, en bepaalt ze de redenen van afwezigheid die als geldig aanvaard kunnen worden.

§ 2. De school- en centrumdirecties zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan die controle. Het niet-naleven van deze verplichting kan, voor elementen waarbij de school- of centrumdirectie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties. De sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties en waarborgt het recht op verdediging.]

Decr. 25-4-2014

[Art. 123/4.

Inbreuken door de betrokken personen op de leerplichtbepalingen worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.]

Decr. 25-4-2014

[Art. 123/5.

Indien de jongere in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de onderwijsinspectie, op vraag van de betrokken personen, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.]

Decr. 25-4-2014

[HOOFDSTUK 6. - Toegang tot en verwerking van persoonsgegevens

Art. 123/6.

Bij verandering van onderwijsinstelling door een leerling worden tussen de betrokken onderwijsinstellingen leerlingengegevens overgedragen onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :

1° de gegevens hebben enkel betrekking op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan;

2° de overdracht gebeurt enkel in het belang van de persoon op wie de onderwijsloopbaan betrekking heeft;

3° tenzij de regelgeving de overdracht verplicht stelt, gebeurt de overdracht niet indien de betrokken personen er zich expliciet tegen verzetten na, op hun verzoek, de gegevens te hebben ingezien;

[4° een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag van een CLB in het kader van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften dient verplicht te worden overgedragen door de oude school aan de nieuwe school. Tevens zal het CLB dat verbonden was aan de oude school een kopie van het verslag of gemotiveerd verslag verplicht overdragen aan het CLB, dat verbonden is met de nieuwe school. In het belang van de optimale begeleiding van de betrokken leerling en de organisatie van de school kunnen ouders zich tegen deze overdracht niet verzetten.]

Decr. 17-6-2016

Art. 123/7.

De betrokken leerling en de betrokken personen hebben een recht op inzage in en toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die worden verzameld door de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen of Syntra Vlaanderen, naar gelang van het geval.

Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken leerling of de betrokken personen een kopie willen van de leerlingengegevens, in voorkomend geval tegen de door de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gevraagde vergoeding die is voorzien in het onderdeel "financiële bijdrageregeling" van het school- of centrumreglement, heb- ben ze kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de leerling.

Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de betrokken leerling en de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot deze gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.]

Decr. 4-4-2014

[HOOFDSTUK 7. - Maatregelen bij schending van leefregels

Art. 123/8.

Tuchtmaatregelen worden genomen als de handelingen van de leerling de leefregels van de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen zodanig schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijs- of vormingsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de school- of centrumpopulatie of van personen waarmee de leerling in het kader van de component werkplekleren of in het kader van een leerlingenstage in contact komt.

Bij schending van de leefregels die echter niet van aard is om tuchtmaatregelen te nemen, kunnen andere maatregelen worden genomen die de leerling bepaalde voorzieningen ontzeggen of bepaalde verplichtingen opleggen. Die maatregelen doen geen afbreuk aan opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en kunnen niet raken aan het recht op de studiebekrachtiging. Ze kunnen onder meer, wel inhouden dat voor maximum één lesdag, desgevallend herhaald doch niet aansluitend, het bijwonen van de gebruikelijke lessen of gelijkgestelde activiteiten door andere activiteiten wordt vervangen.

Bij het nemen van een maatregel ten aanzien van een leerling die de leefregels heeft geschonden, zal voor de onderwijsinrichter steeds het beginsel voorop staan dat een minder ingrijpende maatregel voorgaat op een meer ingrijpende maatregel indien daardoor redelijkerwijs verondersteld mag worden dezelfde remediërende of corrigerende effecten bij de leerling te bereiken.

Art. 123/9.

Voor een tuchtdossier gelden de volgende regels, inherent aan tuchtrechtspleging :

1° de intentie tot een tuchtmaatregel wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;

2° de betrokken personen evenals de leerling, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon, worden gehoord;

3° elke genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd; bij definitieve uitsluiting wordt schriftelijk verwezen naar de mogelijkheid tot beroep met overeenkomstige procedure;

4° voordat de tuchtmaatregel van kracht wordt, wordt elke beslissing aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht;

5° er is geen mogelijkheid om tot collectieve uitsluitingen over te gaan waarbij in één beslissing meerdere leerlingen worden gevat;

6° de tuchtstraf moet in overeenstemming zijn met de ernst van de feiten;

7° de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling;

8° het tuchtdossier en de tuchtmaatregel zijn niet overdraagbaar naar een andere onderwijsinstelling.

Art. 123/10.

§ 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in het secundair onderwijs zijn :

1° de tijdelijke uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, minimaal één lesdag en maximaal vijftien opeenvolgende lesdagen in de school of minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit. [[Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst;]]

2° de definitieve uitsluiting: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig verder te volgen in de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. [[Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]]

§ 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar het geheel van de vorming werkelijk en regelmatig te volgen en dit gedurende een periode van, naargelang van het geval, maximaal tien opeenvolgende lesdagen in de school of maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Het school- of centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal tien opeenvolgende lesdagen respectievelijk veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. [[Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]]

§ 3. De bevoegdheid tot preventieve schorsing of tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.

Elkeen die daartoe is gemachtigd door het school- of centrumbestuur is bevoegd tot het opleggen aan de leerling van andere maatregelen dan tuchtmaatregelen bij schending van leefregels, waaraan hij ingevolge zijn school- of centrumreglement is onderworpen, op een locatie waar hij toezicht op de leerling uitoefent.

§ 4. Als de school samenwerkt met een andere school voor verstrekking van een deel van de vorming en de schending van leefregels, waaraan de leerling ingevolge zijn schoolreglement is onderworpen, zich in die andere school heeft voorgedaan, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met de andere school, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op die andere school.

Als aan de school een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden, dan moet bij beslissing tot definitieve uitsluiting en na overleg met het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, worden bepaald of die uitsluiting ook betrekking heeft op het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, en vice versa.

§ 5. Bij elke preventieve schorsing of tuchtmaatregel die ingaat vóór de laatste les- of gelijkgestelde dag van het schooljaar, geeft de school of het centrum aan of de leerling al dan niet aanwezig moet zijn op school. Indien de school aangeeft dat de aanwezigheid niet verplicht is, kunnen de betrokken personen een gemotiveerde vraag stellen tot opvang door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Als op die vraag wordt ingegaan, dan maakt de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs afspraken met de betrokken personen en de leerling over de opvangvoorwaarden. Weigering van opvang moet door de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs schriftelijk worden gemotiveerd aan de betrokken personen.

§ 6. Als de tuchtmaatregel de definitieve uitsluiting behelst, dan gaat die in hetzij onmiddellijk, hetzij op 31 augustus van het lopende schooljaar dan wel, voor een opleiding die dan eindigt, op 31 januari van het lopende schooljaar. Een definitieve uitsluiting ingaand op die uiterlijke datum impliceert uitschrijving.

Als de definitieve uitsluiting ingaat vóór de datum, vermeld in het eerste lid, dan blijft de leerling ingeschreven tot op het ogenblik van inschrijving in een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Terwijl de inschrijving doorloopt, heeft de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de leerling wordt uitgesloten de verantwoordelijkheid om, samen met het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding, de leerling actief bij te staan in het zoeken naar een andere school of een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Die zoekinspanningen zullen rekening houden met het criterium afstand ten opzichte van de verblijfplaats van de leerling en zullen zich, in eerste instantie, richten op hetzelfde onderwijsnet en dezelfde opleiding als die waaruit de leerling komt.

In afwijking van het tweede lid, kan de school waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven :

1° vanaf de tiende lesdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;

2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van school in te gaan.

In afwijking van het tweede lid, kan het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar een leerling definitief wordt uitgesloten in de volgende gevallen uitschrijven :

1° vanaf de tiende kalenderdag die volgt op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat, eventueel na uitputting van de mogelijkheid tot beroep, voor zover de leerling op laatstbedoelde dag niet meer leerplichtig is;

2° als de betrokken personen blijk geven van manifeste onwil om op het aanbod van verandering van centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in te gaan.

Art. 123/11.

§ 1. De mogelijke tuchtmaatregelen in de leertijd zijn :

1° de tijdelijke uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van minimaal één kalenderdag en maximaal eenentwintig opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting kan enkel na een nieuw feit. [[Tijdelijke uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst;]]

2° de definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: waarbij de leerling het recht wordt ontnomen om vanaf een bepaalde datum het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. [[Definitieve uitsluiting houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en van zodra blijkt dat ofwel geen ontvankelijk beroep is ingesteld ofwel de uitsluiting in beroep wordt bevestigd, een einde wordt gesteld aan elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd. Definitieve uitsluiting waarvoor een ontvankelijk beroep loopt, houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]]

3°[[...]]

§ 2. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar gedurende een periode van maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen het geheel van de theoretische vorming werkelijk en regelmatig te volgen in een bepaalde vestigingsplaats van het centrum. Het centrumbestuur kan, mits motivering aan de betrokken personen, beslissen om desbetreffende periode eenmalig met maximaal veertien opeenvolgende kalenderdagen te verlengen indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht. [[Preventieve schorsing houdt tevens in dat in voorkomend geval van rechtswege en met onmiddellijke ingang elke overeenkomst, ongeacht zijn vorm, waarop leren op een werkplek voor de betrokken leerling is gebaseerd, wordt geschorst.]]

§ 3. In de leertijd ligt de bevoegdheid tot :

1° preventieve schorsing: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde;

2° tijdelijke of definitieve uitsluiting uit het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen: bij de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde, na overleg met de leertrajectbegeleider van de leerling als vermeld in artikel 39 en 40 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012;

3°[[...]] ]

Decr. 4-4-2014; [[ ]] Decr. 10-6-2016

[HOOFDSTUK 8. - Beroepsmogelijkheden

Afdeling 1. - Beroep tegen beslissing tot definitieve uitsluiting uit een school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen

Art. 123/12.

§ 1. Tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting die door de betrokken personen wordt betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

§ 2. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot :

1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als :

a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;

b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;

2° hetzij de bevestiging van de definitieve uitsluiting, hetzij de vernietiging van de definitieve uitsluiting. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor deze beslissing van de beroepscommissie.

§ 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht binnen de termijn bepaald in het school- of centrumreglement.

Bij overschrijding van deze termijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig.

Art. 123/13.

§ 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.

In de leertijd wordt een beroepscommissie ingesteld door Syntra Vlaanderen.

§ 2. In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het school- of centrumbestuur of van de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen :

a) wordt onder lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;

b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.

In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van de klassenraad die een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;

5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden van het onderwijs;

6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.

§ 3. In de leertijd bepaalt Syntra Vlaanderen de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het centrumbestuur of het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur-afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en het centrum waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen;

3° de voorzitter wordt door Syntra Vlaanderen onder de externe personen aangeduid.

In de leertijd bepaalt Syntra Vlaanderen de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer leden van het begeleidingsteam dat een advies over de definitieve uitsluiting heeft gegeven;

5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

§ 4. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot definitieve uitsluiting niet op [[, onverminderd het in artikel 123/10, § 1, 2°, en artikel 123/11, § 1, 2°, gestelde]].

Afdeling 2. Beroep tegen beslissing tot uitsluiting uit de leertijd

Art. 123/14.

[[...]]

Afdeling 3. Beroep tegen een evaluatiebeslissing

Art. 123/15.

§ 1. Tegen eindbeslissingen inzake leerlingenevaluatie die door de betrokken personen worden betwist, hebben die personen verhaalmogelijkheid overeenkomstig een beroepsprocedure. De beroepsprocedure is vastgelegd in het school- of centrumreglement, met behoud van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

In het secundair onderwijs hebben de betrokken personen slechts verhaalmogelijkheid na een overleg als vermeld in artikel 115/6, § 4.

In de leertijd nemen de betrokken personen een evaluatiebeslissing in ontvangst op een in het centrumreglement vastgelegde datum en wijze. Bij het niet in ontvangst nemen door de betrokken personen wordt de beslissing geacht te zijn ontvangen op de voorziene ontvangstdatum. Slechts na een overleg met Syntra Vlaanderen op vraag van de betrokken personen en binnen een redelijke termijn na ontvangst van een beslissing [[...]], hebben die betrokken personen verhaalmogelijkheid tegen de beslissing. Die termijn wordt in het centrumreglement bepaald. Van het overleg wordt een schriftelijke neerslag gemaakt. Na het overleg wordt het oorspronkelijk evaluatieresultaat bevestigd of door een ander evaluatieresultaat vervangen.

§ 2. De betrokken personen stellen het beroep in bij het school- of centrumbestuur door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift, dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt. Bij deze omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden.

§ 3. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot :

1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als :

a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;

b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school- of centrumreglement;

2° hetzij, nadat de beroepscommissie al dan niet aan de leerling bijkomende proeven of opdrachten heeft opgelegd, de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evaluatieresultaat. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de beslissing van de beroepscommissie.

§ 4. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht hetzij uiterlijk op 15 september, hetzij - doch uitsluitend voor een opleiding die op 31 januari eindigt - uiterlijk op 15 maart daaropvolgend.

Art. 123/16.

[[...]]

Art. 123/17.

§ 1. In het secundair onderwijs wordt een beroepscommissie ingesteld door een school- of centrumbestuur.

In de leertijd wordt een beroepscommissie ingesteld door Syntra Vlaanderen [[...]].

§ 2. In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.

In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen :

a) wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;

b) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

c) wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt b) van toepassing is;

3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.

In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder "stappen" kan onder meer worden verstaan :

a) het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;

b) het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;

c) het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling;

5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden van het onderwijs;

6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het school- of centrumreglement.

§ 3. In de leertijd bepaalt Syntra Vlaanderen de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen;

2° de samenstelling is als volgt: enerzijds "interne leden", zijnde leden van het begeleidingsteam, waaronder alleszins de voorzitter van het begeleidingsteam die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen en eventueel een lid van het centrumbestuur in kwestie; anderzijds "externe leden", zijnde personen die extern zijn aan het centrumbestuur en aan het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;

3° de voorzitter wordt door Syntra Vlaanderen onder de externe personen aangeduid.

In de leertijd bepaalt Syntra Vlaanderen de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen :

1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, met dien verstande dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn; bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend;

2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;

3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie;

4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen;

5° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing alleszins in overeenstemming is met de decretale en reglementaire onderwijsbepalingen en met het centrumreglement.

Art. 123/18.

Zolang een beroepsprocedure als vermeld in deze afdeling lopende is, heeft de leerling het recht om in de school, het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen waar of waarvoor de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, verder onderwijs te volgen alsof er geen nadelige beslissing was genomen.

Afdeling 4. Beroep tegen andere beslissingen

Art. 123/19.

Een school- of centrumbestuur respectievelijk Syntra Vlaanderen is bevoegd om in het secundair onderwijs respectievelijk de leertijd eventuele beroepsmogelijkheden te voorzien ten aanzien van door de betrokken personen betwiste beslissingen andere dan beslissingen in verband met definitieve uitsluiting of leerlingenevaluatie.]

Decr. 4-4-2014; [[ ]] Decr. 10-6-2016

[HOOFDSTUK 9. - Leerlingenstages

Art. 123/20.

Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstageovereenkomst gesloten tussen de school, de stagegever en de betrokken personen. De eindverantwoordelijkheid voor de keuze van de stagegever, de vaststelling van de stageactiviteiten evenals de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ligt bij de school.

Elke leerlingenstage is onbezoldigd.

Indien de leerling-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de leerling-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. [[De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid van het burgerlijk wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.]]

[[De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.]]

[[Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.]]

De Vlaamse Regering kan de praktische organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen.]

Decr. 19-6-2015; [[ ]] Decr. 17-6-2016

DEEL IV. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VOLTIJDS GEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS

TITEL 1. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHOLEN

HOOFDSTUK 1. - Structuur en organisatie

Afdeling 1. - Structuur en organisatie op macro niveau

Art. 124.

Vanaf het schooljaar 2009-2010 bestaat het voltijds secundair onderwijs uit :

1° de eerste graad, opgebouwd uit :

a) een eerste leerjaar A;

b) een eerste leerjaar B, bestemd voor leerlingen die behoefte hebben aan een aangepast onderwijs;

c) een tweede leerjaar van de eerste graad, waarin basisopties worden onderscheiden;

d) een beroepsvoorbereidend leerjaar, waarin beroepenvelden worden onderscheiden;

2° de tweede graad, opgebouwd uit :

a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;

b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;

3° de derde graad, opgebouwd uit :

a) een eerste leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;

b) een tweede leerjaar, waarin onderwijsvormen en opties worden onderscheiden;

c) uitsluitend in het algemeen en het kunstsecundair onderwijs : een derde leerjaar aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, waarin opties worden onderscheiden;

d) uitsluitend in het technisch en het kunstsecundair onderwijs : niet-leerjaar-gebonden opties aangeduid als secundair na secundair, afgekort Se-n-Se;

e) uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs : een derde leerjaar aangeduid als specialisatiejaar, waarin opties worden onderscheiden, en een derde leerjaar aangeduid als naamloos leerjaar;

4° uitsluitend in het beroepssecundair onderwijs :

de vierde graad, waarin de opties modevormgeving en plastische kunsten worden onderscheiden, opgebouwd uit :

a) een eerste leerjaar;

b) een tweede leerjaar.

Uiterlijk met ingang van het schooljaar 2012-2013 zet het betrokken schoolbestuur de optie modevormgeving respectievelijk de optie plastische kunsten progressief, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, om, naar keuze :

a) hetzij naar één optie van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als specialisatiejaar, en naar één optie van de derde graad van het technisch of kunstsecundair onderwijs, aangeduid als Se-n-Se, en bestaande uit twee semesters, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald,

b) hetzij naar twee opties van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als specialisatiejaar, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald,

[c) hetzij naar een derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als naamloos leerjaar, en naar één optie van de derde graad van het technisch of kunstsecundair onderwijs, aangeduid als Se-n-Se, en bestaande uit twee semesters, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald;]¹

zonder dat deze omzetting er mag toe leiden dat in de school een niet-bestaand studiegebied wordt opgericht.

Vanaf het schooljaar 2009-2010 wordt de opleiding verpleegkunde aangeduid als hoger beroepsonderwijs, behorend tot het niveau hoger onderwijs. Ze kan evenwel uitsluitend worden ingericht door scholen voor voltijds secundair onderwijs. [...]³

[Uiterlijk op 1 september 2014 zet het betrokken schoolbestuur het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs aangeduid als naamloos leerjaar om, naar keuze, naar twee opties van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, aangeduid als specialisatiejaar, binnen het geheel van opties zoals door de Vlaamse Regering bepaald en zonder dat deze omzetting er mag toe leiden dat in de school een niet-bestaand studiegebied wordt opgericht. De omzetting is voor het betrokken schoolbestuur geen verplichting indien de basisvorming uit ten minste achtentwintig wekelijkse lesuren algemene vakken bestaat, als vermeld in artikel 157, § 4.]² (123)

[ ]¹ Decr. 1-7-2011; [ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]³ Decr. 12-7-2013

Art. 125.

Teneinde overeenstemming te bereiken met de structuur, zoals vermeld in voorgaande artikel, wordt per 1 september 2009 :

1° de optie verpleegkunde van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs van rechtswege omgezet naar een gelijknamige opleiding van het hoger beroepsonderwijs met een duurtijd van zes semesters;

2° elke tot en met het schooljaar 2008-2009 bestaande optie van het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs aangeduid als specialisatiejaar, van rechtswege omgezet naar een gelijknamige optie aangeduid als Se-n-Se met een duurtijd van twee semesters en gerangschikt als specifiek. (124)

Art. 126.

Het aanbod in het secundair onderwijs, met uitzondering van de eerste graad, wordt ingedeeld in studiegebieden.

De studiegebieden zijn :

1) algemeen secundair onderwijs;

2) sport;

3) auto;

4) bouw;

5) chemie;

6) decoratieve technieken;

7) fotografie;

8) glastechnieken;

9) grafische communicatie en media;

10) handel;

11) hout;

12) juwelen;

13) koeling en warmte;

14) land- en tuinbouw;

15) lichaamsverzorging;

16) maatschappelijke veiligheid;

17) maritieme opleidingen;

18) mechanica-elektriciteit;

19) mode;

20) muziekinstrumentenbouw;

21) optiek;

22) orthopedische technieken;

23) personenzorg;

24) tandtechnieken;

25) textiel;

26) toerisme;

27) voeding;

28) ballet;

29) beeldende kunsten;

30) podiumkunsten.

De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de tweede, derde of vierde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125)

Art. 127.

[...]

Decr. 19-7-2013

Art. 128.

[De Vlaamse Regering kan beslissen om bestaande structuuronderdelen om te zetten. De omzetting houdt in dat het structuuronderdeel hetzij wordt opgeheven, hetzij wordt gewijzigd op één of meer van volgende onderdelen :

a) de benaming;

b) de graad, de onderwijsvorm, het studiegebied of het leerjaarniveau waarin het wordt ondergebracht;

c) de duurtijd, doch uitsluitend wat Se-n-Se betreft;

d) de goedkeuring van leerplannen.]

Decr. 25-4-2014

Art. 129.

§ 1. De Vlaamse Regering kan, afhankelijk van maatschappelijke, onderwijskundige of technologische ontwikkelingen of afhankelijk van arbeidsmarktbehoeften, nieuwe structuuronderdelen vastleggen. Ze kan hiertoe zelf het initiatief nemen of onderbouwde voorstellen in overweging nemen die door onderwijsverstrekkers of derden worden ingediend. Voor die voorstellen bepaalt de Vlaamse Regering de indienings- en adviseringsprocedure.

Als een nieuw structuuronderdeel wordt vastgelegd, dan bepaalt de Vlaamse Regering :

1°[...]

2° in welk studiegebied dit structuuronderdeel, voor zover het de tweede of de derde graad betreft, wordt gerangschikt;

3° voor wat betreft de Se-n-Se : de duurtijd uitgedrukt in semesters.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse Regering bepalen dat tijdens het eerste schooljaar waarin een geprogrammeerd structuuronderdeel wordt georganiseerd de telling van regelmatige leerlingen of cursisten van dat structuuronderdeel, voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën enerzijds en de bepaling van de werkingsmiddelen anderzijds, vastgesteld wordt op een bepaalde datum of data in de loop van het betrokken schooljaar. Onder uitzonderlijke gevallen worden programmaties van structuuronderdelen verstaan die :

a) rechtstreeks en onmiddellijk tegemoetkomen aan dringende of onvoorziene lokale of regionale ontwikkelingen op socio-economisch, maatschappelijk of onderwijskundig vlak, waarbij de betrokken schoolbesturen tot een ingreep in het studieaanbod genoodzaakt zijn; en

b) in de aanvangsperiode van effectieve organisatie de inzet van een groter aantal personele en materiële middelen vereisen dan in het gewone financierings- en subsidiëringssysteem is voorzien.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdelen bedoeld : basisopties, beroepenvelden, opties van de tweede of derde graad. (128)

Decr. 19-7-2013

Art. 130.

§ 1. Se-n-Se van de derde graad van het technisch en kunstsecundair onderwijs hebben een duurtijd van een semester, twee aansluitende semesters of drie aansluitende semesters. Se-n-Se kunnen voor de leerlingen starten hetzij op 1 september hetzij op 1 februari.

Se-n-Se zijn sterk beroepsgericht, leiden tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 4 die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 4, en worden bekrachtigd met een certificaat. Ze bevatten een relevant aandeel werkplekleren, zijnde leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene en/of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is. Onder eenzelfde benaming van een optie kan een Se-n-Se slechts aan één welbepaalde duurtijd worden gekoppeld.

§ 2. [Voor de organisatie van een Se-n-Se kan een school voor voltijds secundair onderwijs samenwerken met :

1°één of meer andere scholen voor secundair onderwijs, centra voor volwassenenonderwijs of hogescholen;

2°één of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;

3° andere organisaties of bedrijven uit de publieke of private sector.

Binnen dat samenwerkingsverband is de eerst vermelde school voor voltijds secundair onderwijs altijd de coördinerende school. Uitsluitend de coördinerende school is bevoegd en verantwoordelijk voor de inschrijving van leerlingen voor het geheel van de Se-n-Se, de programmatie, de evaluatie, de studiebekrachtiging en de kwaliteitszorg, terwijl op het vlak van de financiering of subsidiëring de vigerende decretale en regelgevende bepalingen enkel van toepassing zijn op de coördinerende school.

De samenwerking wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin ten minste de volgende elementen worden opgenomen :

1° de partners waarmee wordt samengewerkt;

2° de coördinerende school;

3° de invulling van de samenwerking;

4° de looptijd van de samenwerking;

5° de afspraken over de evaluatie en de kwaliteitszorg;

6° de afspraken over het inzetten van personeel. Het protocol van de onderhandelingen hierover in de lokale comités wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd.

Een coördinerende school kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen aan een partner waarmee wordt samengewerkt. Tenzij die overdracht plaats vindt naar een andere school voor secundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs, worden de betrokken uren-leraar beschouwd als uren-leraar aangewend voor voordrachtgevers en gelden de bepalingen van artikel 211, § 3.]

§ 3. [...]¹ (129)

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 131.

[...]

Decr. 25-4-2014

Art. 132.

Hoger beroepsonderwijs, bestaande uit de opleiding verpleegkunde, is beroepsgericht onderwijs, leidt tot een erkende onderwijskwalificatie van kwalificatieniveau 5 die bestaat uit minstens één erkende beroepskwalificatie van kwalificatieniveau 5, en wordt bekrachtigd met een diploma van gegradueerde. Het hoger beroepsonderwijs heeft een duurtijd van zes semesters. Bij modulaire organisatie kan het hoger beroepsonderwijs voor de cursisten starten hetzij op 1 september hetzij op 1 februari, bij niet-modulaire organisatie enkel op 1 september.

Het hoger beroepsonderwijs wordt georganiseerd enerzijds overeenkomstig de codificatie van de bepalingen betreffende het secundair onderwijs en anderzijds overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Met inachtname van de voorwaarde inzake studieomvang zoals bepaald in de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad, dient de school, buiten de wekelijkse lessentabel, aan de cursisten verpleegkunde gedurende de volledige duur van de opleiding en naar rata van ten minste 4 wekelijkse lestijden, opleidingsgebonden persoonlijke activiteiten op te leggen. De klassenraad beslist autonoom over de vorm en inhoud van deze activiteiten. De resultaten van de door de cursist uitgevoerde activiteiten worden in aanmerking genomen bij zijn of haar evaluatie door de klassenraad. (131)

Art. 133.

De opties "elektronica militaire wapensystemen", "militaire en sociale wetenschappen" en "militaire bewapeningstechnieken" van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs zijn voorbehouden voor de instellingen van de Krijgsmacht. Op deze opties zijn de bepalingen van artikelen 126, 127 en 128 niet van toepassing. (132)

Afdeling 2. - Structuur en organisatie op schoolniveau

Art. 134.

Het onderwijsaanbod van een school voor voltijds secundair onderwijs bestaat uit één van volgende mogelijkheden :

1° de eerste graad;

2° de eerste en de tweede graad;

3° de tweede en de derde graad;

4° de eerste, de tweede en de derde graad;

5° de tweede, de derde en de vierde graad;

6° de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde;

7° de eerste, de tweede, de derde en de vierde graad;

8° de eerste, de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde;

9° het hoger beroepsonderwijs, opleiding verpleegkunde, doch enkel in scholen die tijdens het schooljaar 2008-2009 uitsluitend de opleiding verpleegkunde organiseerden.

De mogelijkheden vermeld in 5° en 7° gelden slechts tot en met het schooljaar 2012-2013. (133)

Art. 135.

Naast het in artikel 134 gestelde, kan een school onthaalonderwijs organiseren. Onthaalonderwijs, dat niet in een graad of in het hoger beroepsonderwijs wordt gerangschikt en dat uit één onthaaljaar bestaat, is een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers in staat stelt om Nederlands te leren en nadien in te stromen in het Nederlandstalig onderwijs. Het is gericht op taalvaardigheid Nederlands en inburgering.

De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria "leeftijd", "taalkennis Nederlands" en « duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied" van de anderstalige nieuwkomers.

In aansluiting op eventuele decretale bepalingen ter zake, kan de Vlaamse Regering voorwaarden opleggen inzake samenstelling van het wekelijks lessenrooster voor onthaalonderwijs teneinde het bereiken van de doelstellingen voor onthaalonderwijs maximaal te waarborgen. De Vlaamse Regering kan ten slotte aanvullende organisatiebepalingen vastleggen.

[...] (134)

Decr. 1-7-2011

Art. 136.

Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige of organisatorische argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of een leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de modaliteiten vermeld in 1°, 2° of 3° hierna.

1° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel, mits enerzijds de leerling al geslaagd is voor diezelfde onderdelen binnen het secundair onderwijs en anderzijds de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt na kennisname van het advies van de delibererende klassenraad van het voorafgaand schooljaar.

In voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) worden de vrijgekomen uren besteed aan een door de toelatingsklassenraad samengesteld individueel lesprogramma.

2° Het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een optie, aangeduid als Se-n-Se, mits de toelatingsklassenraad een gunstige beslissing neemt op basis van elders verworven competenties of kwalificaties.

3° Het spreiden van de vorming van een optie, aangeduid als Se-n-Se, over het dubbele van de gebruikelijke studieduur. In voorkomend geval wordt enerzijds bij het einde van de gebruikelijke studieduur slechts een attest van regelmatige lesbijwoning uitgereikt en anderzijds voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van de werkingsmiddelen en de toepassing van het programmatie- of rationalisatieplan, de regelmatige leerling niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke studieduur. (135)

[Art. 136/1.

[[ [[[De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het voltijds secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven voor voltijds gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :]]]²

1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;

2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;

3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;

4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven :

a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;

6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen :

a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;

b) de invulling van de samenwerking;

c) de looptijd van de samenwerking;

d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg;

[[[7°[[[[als het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs, kan die maximaal op schooljaarbasis gemiddeld halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, maximaal op schooljaarbasis gemiddeld gedurende de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waarvoor hij is ingeschreven;]]]]

8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 260/1 is opgenomen.]]]¹

De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 19-6-2015; [[[ ]]]¹ Decr. 17-6-2016; [[[ ]]]² Decr. 16-6-2017; [[[[ ]]]] Decr. 16-6-2017

[Art. 136/2.

[[De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), houdt ook in dat in het bijzonder voor een leerling met specifieke onderwijsbehoeften op grond van specifieke onderwijskundige argumenten de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar aangepast wordt door het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de leerling.

De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders. De specifieke onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]]³ ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 21-3-2014

[Art. 136/3.

[[ § 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :

1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met [[[topkunstenstatuut]]] teneinde, tijdens die vrijgestelde periodes, zijn artistieke talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen;

2° in voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) moet voorafgaandelijk een selectiecommissie aan de leerling het [[[topkunstenstatuut]]] A, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het kunstsecundair onderwijs, of het [[[topkunstenstatuut]]] B, indien de leerling opteert voor een structuuronderdeel van het algemeen, het technisch of het beroepssecundair onderwijs, hebben toegekend;

c) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;

d) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;

e) vindt de talentontwikkeling plaats :

- bij [[[topkunstenstatuut]]] A : via individueel onderricht binnen de school of in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel fungeert in het stelsel van voordrachtgever of onderwijs;

- bij [[[topkunstenstatuut]]] B : via individueel onderricht in een artistieke leercontext buiten de school, verstrekt door een aan de school externe deskundige lesgever die eventueel personeelslid is van een instelling voor hoger kunstonderwijs of deeltijds kunstonderwijs.

§ 2. Met het oog op de samenstelling van de selectiecommissie leggen de ministers, bevoegd voor onderwijs en cultuur, een pool aan van specialisten uit het hoger kunstonderwijs en het professionele kunstenlandschap.

De selectiecommissie stelt een intern werkreglement op en bepaalt de selectiecriteria die ze hanteert, waaronder alleszins het talentenprofiel van de leerling en het kwalitatief niveau van de externe lesgever of van de context.

De selectiecommissie komt eenmaal per jaar samen om te beslissen over alle ingediende schriftelijke en gemotiveerde aanvragen van de betrokken personen tot toekenning van het [[[topkunstenstatuut]]]. Daartoe moeten de aanvragen uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar worden ingediend. Onverminderd het in het eerste lid gestelde, gebeurt de effectieve samenstelling van de selectiecommissie in functie van de aard van de te beoordelen artistieke talenten van de leerling in kwestie.

§ 3. De selectiecommissie kan bijkomend het recht verlenen aan de leerling om maximaal 90 halve lesdagen per schooljaar gewettigd afwezig te zijn op school, teneinde deel te nemen aan wedstrijden, stages, masterclasses of andere school-extramurale activiteiten die rechtstreeks aanleunen bij de artistieke discipline van de leerling.

§ 4. Het topcultuurstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 21-12-2012; [[[ ]]] Decr. 25-4-2014

[Art. 136/4

§ 1. Een schoolbestuur kan voor leerlingen in het voltijds gewoon secundair onderwijs die door een onvoldoende kennis van de onderwijstaal niet in staat zijn om de lessen in voldoende mate te volgen en al of niet uit het onthaalonderwijs, vermeld in artikel 135, komen, tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week organiseren. Deze extra taallessen Nederlands komen bovenop het leerprogramma van het structuuronderdeel waarin de leerling is ingeschreven en beogen de taalachterstand op een zo kort mogelijke termijn weg te werken.

De toelatingsklassenraad of de begeleidende klassenraad, al naargelang het geval, beslist om een leerling te verplichten tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week. In afwijking op de geldende regelgeving is die klassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft, ten minste samengesteld uit de leraars belast met de basisvorming.

§ 2. Voor de leerlingen die verplicht worden tot maximaal drie uren extra taallessen Nederlands per week voorziet de school in een doelgericht aanbod. De school kan dat aanbod zelf organiseren of daarvoor samenwerken met andere scholen waarbij leerlingen van verschillende scholen kunnen worden samengebracht.

De duur van de extra taallessen Nederlands tijdens een schooljaar is afhankelijk van de evaluatie door de begeleidende klassenraad van de studievoortgang van de betrokken leerling.

§ 3. De Vlaamse Regering kan verdere voorwaarden bepalen waaronder leerlingen de extra taallessen Nederlands, vermeld in paragraaf 1, moeten volgen alsook verdere voorwaarden voor de praktische organisatie van deze extra taallessen.]

Decr. 19-7-2013

[Art. 136/5.

§ 1. Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :

1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar voor een leerling met topsportstatuut, toegekend overeenkomstig het topsportconvenant dat is gesloten tussen de onderwijs- en de sportsector, teneinde tijdens die vrijgestelde periodes zijn sportieve talenten verder te ontwikkelen, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt en mits akkoord van de betrokken personen;

2° in voorkomend geval :

a) moet het topsportstatuut zijn toegekend in een sporttak die in aanmerking komt voor de toepassing van dit artikel zoals bepaald door de Vlaamse Regering;

b) moet, vermits de talentontwikkeling plaats vindt via onderricht door een schoolexterne lesgever binnen de school of in een sportieve leercontext buiten de school, de betrokken unisportfederatie desbetreffende context of lesgever als voldoende kwalitatief beschouwen;

c) is het structuuronderdeel in kwestie geen structuuronderdeel met in de benaming de component "topsport";

d) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

e) worden individuele vrijstellingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;

f) doen individuele vrijstellingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging;

g) kan na overleg met, in voorkomend geval, de externe lesgever en met de betrokken personen, het individueel leertraject door de begeleidende klassenraad worden bij gestuurd of eventueel zelfs beëindigd indien de schoolresultaten negatief evolueren.

§ 2. Het topsportstatuut geldt voor één schooljaar en is, na aanvraag, hernieuwbaar.]

Decr. 19-7-2013

[Art. 136/6.

Het schoolbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een leerling of leerlingengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in artikel 252, § 1, a), 2), onder de volgende modaliteiten :

1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de vorming van een bepaald structuuronderdeel gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van het structuuronderdeel niet aantasten, mits de toelatings- of begeleidende klassenraad, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een leerling die onderwijsbehoeften heeft omwille van :

a) hetzij hoogbegaafdheid, zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding;

b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor een of meer vakken, die niet vallen onder de toepassing van artikel 136/2;

2° in voorkomend geval :

a) bestaat de toelatingsklassenraad, voor wat het onderwijzend personeel betreft en in afwijking op de vigerende regelgeving, uit alle leden van het structuuronderdeel waarvoor de leerling opteert;

b) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van een vak, tenzij laatstbedoeld vak wordt vervangen door het vak Nederlands;

c) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;

d) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging.]

Decr. 21-3-2014

Art. 137.

[...]

Decr. 21-12-2012

Afdeling 3. - Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en leerplannen

Art. 138.

Deze afdeling is van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs met uitzondering van het hoger beroepsonderwijs.

De Vlaamse Regering kan de schoolbesturen die deelnemen aan een experiment inzake onderwijsorganisatie voor de duur van dit experiment en uitsluitend voor de bij het experiment betrokken structuuronderdelen uitsluiten van de bepalingen van deze afdeling inzake specifieke eindtermen. (137)

Art. 139.

De eindtermen, de specifieke eindtermen en de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.

Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op godsdienst berustende zedenleer, de niet-confessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald.

De Vlaamse Regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement.

De eindtermen, de specifieke eindtermen en de ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft.

De eindtermen en specifieke eindtermen worden ontwikkeld gebruik makend van [...] descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. (138)

Decr. 1-7-2011

Art. 140.

§ 1. De eindtermen zijn minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie in het gewoon secundair onderwijs. Met minimumdoelen wordt bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie.

Eindtermen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.

§ 2. Er worden, per graad en per onderwijsvorm met uitsluiting van het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar, vakgebonden eindtermen vastgelegd voor de basisvorming, zoals bepaald in de codificatie betreffende het secundair onderwijs. Voor wat evenwel de derde graad beroepssecundair onderwijs betreft, worden die eindtermen afzonderlijk vastgelegd voor het eerste en tweede leerjaar enerzijds en het derde leerjaar anderzijds.

Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de vakgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden bij de leerlingen te bereiken. Het bereiken van de eindtermen zal worden afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

De vakgebonden eindtermen met betrekking tot attitudes dienen door elke school bij de leerlingen te worden nagestreefd.

§ 3. Vakoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meerdere vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht de vakoverschrijdende eindtermen bij de leerlingen na te streven. De school toont aan dat ze met een eigen planning aan de vakoverschrijdende eindtermen werkt.

De vakoverschrijdende eindtermen worden vastgelegd per graad of globaal voor het secundair onderwijs. Deze vakoverschrijdende eindtermen zijn uitsluitend van toepassing op structuuronderdelen waarvoor vakgebonden eindtermen gelden. Indien ze evenwel worden vastgelegd voor of toegepast in het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad, dan worden ze vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen genoemd. (139)

Art. 141.

§ 1. Ontwikkelingsdoelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie en die de school bij haar leerlingen moet nastreven.

Ontwikkelingsdoelen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.

§ 2. Er worden vakgebonden ontwikkelingsdoelen vastgelegd voor de basisvorming in het eerste leerjaar B, in het beroepsvoorbereidend leerjaar en in het onthaaljaar, zoals bepaald in de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

Vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen zijn minimumdoelen die niet behoren tot een specifiek vakgebied, maar onder meer door middel van meer vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. (140)

Art. 142.

De specifieke eindtermen en de erkende beroepskwalificaties worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een opleiding. Het specifieke gedeelte van de opleiding wordt gedefinieerd als het gedeelte dat niet behoort tot de basisvorming of tot het complementaire gedeelte. (141)

Art. 143.

Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.

Specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad van het ASO, KSO en TSO en worden ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein. (142)

Art. 144.

Erkende beroepskwalificaties waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties om als beginnend beroepsbeoefenaar een beroep uit te oefenen. De competenties van de beginnende beroepsbeoefenaar zijn vervat in de beroepskwalificaties die erkend zijn volgens de procedure bepaald in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. (143)

Art. 145.

Voor die specifieke gedeelten van opleidingen die gericht zijn op beroepsuitoefening waarvoor geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de competenties, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt deze competenties op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van [...] descriptorelementen.

De tekst van het eerste lid wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt :

Voor die specifieke gedeelten van opleidingen, die gericht zijn op beroepsuitoefening, waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan en tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruik makend van [...] descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening dit zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn.

De VLOR en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen (144)

Decr. 1-7-2011

Art. 146.

§ 1. Met de inachtneming van het door of krachtens het decreet bepaalde minimumlessenrooster en met inachtneming van de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen, beschikt elk schoolbestuur voor elk van zijn scholen over de vrijheid de lessenroosters en de leerplannen vast te stellen en kiest het vrij zijn pedagogische methodes.

De tekst van § 1 wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt :

Met de inachtneming van het door of krachtens het decreet bepaalde minimumlessenrooster en met inachtneming van de ontwikkelingsdoelen en de erkende onderwijskwalificaties, beschikt elk schoolbestuur voor elk van zijn scholen over de vrijheid de lessenroosters en de leerplannen vast te stellen en kiest het vrij zijn pedagogische methodes.

§ 2. De leerplannen bevatten desgewenst de doelen die het schoolbestuur uitdrukkelijk formuleert voor zijn leerlingen vanuit het eigen opvoedingsproject in het algemeen of de eigen visie op het vak in het bijzonder. Wat het gewoon voltijds secundair onderwijs betreft, worden in de leerplannen opgenomen, op herkenbare wijze :

- vakgebonden eindtermen en ontwikkelingsdoelen, voorzover ze bepaald zijn,

- de specifieke eindtermen, voorzover ze bepaald zijn.

- op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum, de erkende beroepskwalificaties of de in de plaats daarvan vastgelegde competenties.

Het leerplan moet voldoende ruimte laten voor de inbreng van scholen, leraren, lerarenteams of leerlingen.

§ 3. [Met het oog op het waarborgen van het studiepeil keurt de Vlaamse Regering volgens de vooraf door haar bepaalde criteria en op advies van de onderwijsinspectie, de leerplannen goed.

De leerplannen voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie dienen niet door de Vlaamse Regering goedgekeurd te worden. De leerplannen voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de bekrachtigde eindtermen en ontwikkelingsdoelen.]

§ 4. Met inachtneming van alle ontwikkelingsdoelen wordt in het onthaaljaar per leerling op basis van zijn onderwijsbehoeften een individueel leertraject uitgewerkt waarin het aspiratieniveau voor deze leerling doorheen het jaar wordt bijgesteld. Dit traject bevat onder meer de beginsituatie, de taaldoelen als leidraad en het advies van de klassenraad voor wat betreft de overstap naar vervolgonderwijs of arbeidsmarkt. (145)

Decr. 19-7-2013

Art. 147.

§ 1. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en/of de specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom ontwikkelingsdoelen, eindtermen en/of specifieke eindtermen voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten, en/of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn; het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende ontwikkelingsdoelen, eindtermen en/of specifieke eindtermen voor.

§ 2. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist, in voorkomend geval, of de vervangende eindtermen, ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke conform de codificatie betreffende het secundair onderwijs werden vastgelegd en toelaten gelijkwaardige studiebewijzen en diploma's af te leveren.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :

1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;

2° de vereiste inhoud : het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar, en het onthaaljaar en het onderwijsaanbod in de eindtermen en specifieke eindtermen voor het gewoon secundair onderwijs omvat minstens inhouden voor de overeenstemmende vakken en attitudes. Deze inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor conform deze afdeling eindtermen, ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen werden vastgelegd;

3° de vervangende ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen zijn geformuleerd in termen van wat van leerlingen verwacht kan worden;

4° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;

5° de vervangende specifieke eindtermen slaan op vaardigheden, specifieke kennis, inzichten en attitudes die de leerlingen moeten toelaten vervolgonderwijs aan te vatten;

6° de vervangende eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen zijn zo geformuleerd dat nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen deze verwerven of de scholen deze nastreven bij de leerlingen;

7° aangegeven wordt welke eindtermen vakgebonden, vakoverschrijdend of attitudinaal zijn.

De Vlaamse Regering wint voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid, het gemotiveerd advies in van de onderwijsinspectie en van een commissie van deskundigen.

Voor de samenstelling van deze laatste commissie stelt de Vlaamse Regering een lijst op van onafhankelijke deskundigen. Deze lijst geldt voor een periode van vier jaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels van deze procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.

§ 3. Het schoolbestuur dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De Vlaamse Regering legt een besluit betreffende een afwijkingsaanvraag in verband met ontwikkelingsdoelen, eindtermen of decretale specifieke eindtermen binnen een termijn van zes maanden ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.

§ 4. In afwijking op wat bepaald is in § 3, kan het schoolbestuur een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van 1 maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, indien deze publicatie gebeurt na 1 september van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding.

In de gevallen, bedoeld in het vorige lid, is het schoolbestuur gebonden door de eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen vanaf 1 september volgend op de publicatie van het decreet dat de gelijkwaardige eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen erkent of op de beslissing van de Vlaamse Regering dat de afwijkingsaanvraag afwijst. (146)

Afdeling 4. - Lessenrooster

Art. 148.

Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden. (147)

Art. 149.

Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden dat op 32 is vastgesteld, met uitzondering van het onderwijs in :

1° het tweede leerjaar van de eerste graad met tenminste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken en het beroepsvoorbereidend leerjaar, waarvoor dit maximum 34 bedraagt;

2° de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met tenminste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en tenminste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica, waarvoor dit maximum 33 bedraagt;

3° het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt.

De hiervoor vermelde maxima kunnen worden overschreden door inhaallessen [...]. (148)

Decr. 21-12-2012

Art. 150.

[Een school kan in elk structuuronderdeel inhaallessen organiseren.] (149)

Decr. 21-12-2012

Art. 151.

De toepassing van de bepalingen van deze afdeling mag niet tot gevolg hebben dat de school gedurende minder dan negen halve dagen per week zou open zijn. (150)

Art. 152.

Onverminderd de bepalingen inzake minimum lessenrooster stelt de Vlaamse Regering de benamingen van de vakken vast en bepaalt ze de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken. (151)

[Zijn ook algemene vakken : alle levende talen.]

Decr. 19-7-2013

Art. 153.

§ 1. Zowel in het eerste leerjaar A als in het eerste leerjaar B worden ten minste zevenentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.

§ 2. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd, kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn, op de aan de betrokken scholen, eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.

§ 3. Voor het eerste leerjaar A bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit de volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- Frans;

- wiskunde;

- geschiedenis;

- aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen;

- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;

- lichamelijke opvoeding;

- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek;

- eventueel Engels.

Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.

§ 4. Voor het eerste leerjaar B bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- wiskunde;

- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen;

- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;

- lichamelijke opvoeding; - technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek;

- eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2010 door Frans.

Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school, van het eerste leerjaar B dient gevolgd te worden.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste leerjaar B.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 3 en § 4 :

"- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (152)

Art. 154.

§ 1. In het tweede leerjaar van de eerste graad worden ten minste vierentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.

§ 2. De basisvorming, bedoeld in § 1, bestaat uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- Frans;

- Engels;

- wiskunde;

- geschiedenis;

- aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen;

- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;

- lichamelijke opvoeding;

- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek.

Deze basisvorming dient voor ten minste veertien wekelijkse lesuren georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.

§ 3. In het beroepsvoorbereidend leerjaar worden ten minste zestien wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming die bestaat uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- wiskunde;

- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen;

- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;

- lichamelijke opvoeding;

- eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2011 door Frans.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2011 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het beroepsvoorbereidende leerjaar.

§ 4. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 en § 3 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn op de aan de betrokken scholen eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 2 en § 3 als volgt :

"- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (153)

Art. 155.

§ 1. In het onthaaljaar bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

1° godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

2° Nederlands voor nieuwkomers.

§ 2. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie. (154)

Art. 156.

§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- Frans;

- Engels;

- wiskunde;

- geschiedenis;

- aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm;

- lichamelijke opvoeding.

§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2012 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de tweede graad;

- wiskunde;

- geschiedenis;

- aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm;

- lichamelijke opvoeding.

§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm;

- [maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;]

(voetnoot 1)

- lichamelijke opvoeding;

- Frans of Engels vanaf 1 september 2010 in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2011 in het tweede leerjaar van de tweede graad;

[...]

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs.

§ 4. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 3 :

"- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (155)

Decr. 21-12-2012

Art. 157.

§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- Frans;

- Engels of Duits;

- wiskunde;

- geschiedenis;

- aardrijkskunde;

- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie;

- lichamelijke opvoeding.

§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2014 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2015 in het tweede leerjaar van de derde graad;

- wiskunde;

- geschiedenis;

- aardrijkskunde;

- lichamelijke opvoeding;

[- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm, vanaf 1 september 2017 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2018 in het tweede leerjaar van de derde graad.]³

§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- [maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;]¹

(voetnoot 2)

- lichamelijke opvoeding;

- Frans of Engels vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad;

[...]¹

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken vanaf 1 september 2012 in het eerste leerjaar en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

§ 4. In een derde leerjaar in de derde graad van het beroepssecundair onderwijs [bestaat de basisvorming]¹ uit algemene vakken, waaronder alleszins :

- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;

- Nederlands;

- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;

- lichamelijke opvoeding;

- Frans of Engels vanaf 1 september 2014 in het derde leerjaar van de derde graad.

Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd als "project algemene vakken".

De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord vanaf 1 september 2014 van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs.

[Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar worden ten minste twaalf wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming. Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een naamloos leerjaar worden ten minste achtentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.]¹

Indien dit leerjaar wordt ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar worden ten minste veertien wekelijkse lesuren besteed aan het onderricht in technische en/of praktische vakken.

§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 4 :

"- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;".

[§ 6. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 tot en met paragraaf 5, omvat het lessenrooster van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs en het eerste, het tweede en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs een aantal uren aangeduid als "leerlingenstage", gevolgd door een of meer vakbenamingen.

De uren leerlingenstage komen, omgerekend naar schooljaarbasis, overeen met minimaal achttien halve dagen. Die halve dagen zijn al dan niet opeenvolgend.

[[...]]²

Indien geen of onvoldoende stageplaatsen, moet de school ten aanzien van de onderwijsinspectie kunnen aantonen dat dit het gevolg is van factoren buiten haar wil om.

[[...]]²

De Vlaamse Regering bepaalt de datum van de inwerkingtreding van deze paragraaf, met toepassing van de bepalingen van artikel 70. Deze datum kan verschillen naargelang van de onderwijsvorm, het studiegebied [[, het structuuronderdeel of het leerjaar]]¹.]² (156)

[ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 19-7-2013; [ ]³ Decr. 25-4-2014; [[ ]]¹ Decr. 25-4-2014; [[ ]]² Decr. 19-6-2015

[Art. 157/1.

In het voltijds secundair onderwijs kan de wekelijkse lessentabel, de vakken moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20 % worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits.

Het aanbod, vermeld in het eerste lid, kan worden georganiseerd op voorwaarde dat :

1° de leerlingen de mogelijkheid hebben om alle niet-taalvakken in het Nederlands in de school te volgen;

2° een leerling slechts CLIL kan volgen, indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en na positief advies van de toelatingsklassenraad dat ten minste is gebaseerd op voldoende kennis en beheersing door de leerling van de onderwijstaal;

3° het aanbod voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde kwaliteitsstandaard [[die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014]]. De kwaliteitsstandaard omvat enkel voorwaarden op het vlak van :

a) de competenties en vorming van het personeel dat deze lessen zal geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot het vak zelf;

b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;

c) tijdige communicatie met ouders en leerlingen met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;

d) de inpassing van dit aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;

e) monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in het vak/onderwerp, in de doeltaal en in het Standaardnederlands;

f) de te volgen stappen die een school moet ondernemen die een CLIL-project wil organiseren (beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren);

4° de school kan het aanbod slechts effectief organiseren, als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van 3°, a) en b). Daarbij moet ze rekening houden met de rechten van de personeelsleden die vast benoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden, in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren, mag de school een personeelslid dat vast benoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking voor dat vak. De school mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden voor dat vak, niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dit laatste geldt niet als het tijdelijk personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden van 3°, a) en b), maar het aanbod weigert om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven;

5° de school ervoor zorgt dat de kennis van de onderwijstaal bij de leerlingen prioritair blijft en dat het Nederlandstalige karakter van de school behouden blijft;

6° voorafgaand een plan wordt opgemaakt dat door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is goedgekeurd.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Afdeling 5. - Experimenteel modulair onderwijs

Art. 158.

Tot en met [de datum voor omvorming, vermeld in artikel 161, § 2, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs] voor wat het hoger beroepsonderwijs betreft en tot het tijdstip waarop de decreetgever globale hervormingsmaatregelen voor de overige structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs in werking laat treden, kan als experiment in door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs, modulair onderwijs worden georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. In voorkomend geval zijn decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van deze afdeling, niet van toepassing.

Het experiment heeft enkel betrekking op het beroepssecundair onderwijs en op het hoger beroepsonderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en kan enkel worden ingericht door scholen die gedurende het schooljaar 2007-2008 modulair onderwijs organiseerden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel. Laatst vermelde voorwaarde geldt niet voor de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.

Het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs is niet van toepassing op dit experiment. (157)

Decr. 12-7-2013

Art. 159.

§ 1. Modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied zonder opdeling in graden of leerjaren. De betrokken studiegebieden zijn : auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel, voeding. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen.

§ 2. Elke opleiding omvat algemene vorming, beroepsgerichte vorming en gedifferentieerde onderwijsactiviteiten. In afwijking op deze bepaling is in de opleiding verpleegkunde de algemene vorming facultatief.

De algemene vorming, waaronder de basisvorming bedoeld in de artikelen 156, § 3, en 157, § 3 en § 4, wordt hetzij niet-modulair hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd.

De beroepsgerichte vorming wordt modulair georganiseerd. In elke opleiding komen een of meer modules voor. Een module is het kleinste te certificeren deel van een opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud. In modules komen geen afzonderlijke vakken voor. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.

Gedifferentieerde onderwijsactiviteiten omvatten individuele begeleiding, ondersteuning of remediëring, afgestemd op de specifieke noden van de leerling.

§ 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :

1° het geheel van de opleidingen per studiegebied;

2° de modules per opleiding;

3° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week en uitgedrukt in weken per schooljaar;

4° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd;

5° het minimum of de minima inzake aantal uren per week voorbehouden voor gedifferentieerde onderwijsactiviteiten.

Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

§ 4. Programmatie respectievelijk opname in de erkennings-, financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt per studiegebied.

In een school kan een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden georganiseerd, tenzij tijdens het geleidelijke omzettingsproces van de ene naar de andere structuur.

§ 5. Het modulair onderwijsaanbod van een school moet waarborgen dat te minste één van volgende studiebewijzen kan worden behaald : een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, een diploma van gegradueerde, doch uitsluitend in de HBO5-opleiding verpleegkunde.

§ 6. Een school kan de door de Vlaamse Regering vastgestelde duurtijd van een module van de opleiding verpleegkunde, uitgedrukt in weken per schooljaar als vermeld in § 3, 3°, verdubbelen om aan de specifieke opleidingsbehoeften van een bepaalde doelgroep tegemoet te komen. In afwijking van artikel 169, § 2, worden in voorkomend geval de cursisten niet meer in aanmerking genomen op de tellingsdata die vallen buiten de gebruikelijke duurtijd. (158)

Art. 160.

Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald.

De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit [erkende beroepskwalificaties]. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren.

Voor zover de competenties afwijken van die, bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

Competenties kunnen ook door middel van stages worden gerealiseerd. (159)

Decr. 21-12-2012

Art. 161.

Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren.

In afwijking op deze bepaling kan de HBO5-opleiding verpleegkunde slechts starten hetzij op 1 september hetzij op 1 februari van een lopend schooljaar. (160)

Art. 162.

§ 1. In het modulair onderwijs, met uitzondering van de HBO5-opleiding verpleegkunde, gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor regelmatige leerlingen :

1° de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot het eerste leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;

2° de volgorde waarin modules dienen gevolgd zoals bepaald in de opleidingenstructuur;

3° eventueel : de specifieke toelatingsvoorwaarden tot een module zoals vastgelegd door de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° en 2° gestelde;

4° eventueel : de vrijstelling van toelatingsvoorwaarden tot een module op grond van een geattesteerde beslissing van de toelatingsklassenraad, onverminderd het in 1° gestelde.

Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.

§ 2. De overstap van een leerling van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, tenzij een leerling aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden voldoet op basis van het bezit van een eindstudiebewijs. (161)

Art. 163.

§ 1. In het modulair onderwijs, HBO5-opleiding verpleegkunde, gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor cursisten :

1° het voldaan hebben aan de leerplicht;

2° het bezit van een van de volgende studiebewijzen :

a) een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

b) een diploma van secundair onderwijs;

c) een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;

d) een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;

e) een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

f) een certificaat van het hoger beroepsonderwijs;

g) een diploma van het hoger beroepsonderwijs;

h) een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;

i) een diploma van bachelor of master;

j) een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met een van de studiebewijzen, vermeld in a) tot en met i). Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan de toelatingsklassenraad personen die in een land buiten de Europese Unie een studiebewijs hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de opleiding.

§ 2. In afwijking van § 1 worden in het schoolreglement van de betrokken school afwijkende toelatingsvoorwaarden tot de HBO5-opleiding verpleegkunde opgenomen. De afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met de volgende elementen :

1° humanitaire redenen;

2° medische, psychische of sociale redenen;

3° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een toelatingsproef die wordt georganiseerd binnen de vijf lesdagen nadat de cursist met de opleiding is gestart. De organisatie van een toelatingsproef, op verzoek van de cursist, kan niet worden geweigerd. De proef wordt beoordeeld door de toelatingsklassenraad, die nagaat of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Van de beoordeling wordt een schriftelijk verslag gemaakt, dat wordt opgenomen in het dossier van de cursist.

§ 3. Behoudens de toelatingsvoorwaarden als vermeld in § 1 en § 2, geldt voor toelating tot een sequentieel geordend onderdeel van de HBO5-opleiding verpleegkunde het voldoen aan een van de volgende voorwaarden :

1° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaand onderdeel;

2° het bezit van een studiebewijs van een andere opleidings- of vormingsinstelling. De toelatingsklassenraad bepaalt welke studiebewijzen toegang geven tot sequentieel geordende onderdelen;

3° het bezit van een titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid en in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid. De Vlaamse Regering bepaalt welke titels van beroepsbekwaamheid toegang geven tot sequentieel geordende onderdelen;

4° de toelatingsklassenraad oordeelt dat de cursist beschikt over een studiebewijs uit het onderwijs of uit een andere opleidings- of vormingsinstelling waaruit blijkt dat hij over voldoende kennis, vaardigheden en attitudes beschikt om het onderdeel aan te vangen;

5° de toelatingsklassenraad oordeelt op basis van een toelatingsproef dat de cursist de nodige ervaring heeft verworven die hem toelaat het onderdeel te volgen.

§ 4. Een cursist kan slechts één module tezelfdertijd volgen.

§ 5. De overstap van een cursist van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, tenzij wordt voldaan aan de reglementaire toelatingsvoorwaarden op basis van het bezit van een eindstudiebewijs.

§ 6. De bepalingen van § 1 en § 2 gelden eveneens bij niet-modulaire organisatie van de HBO5-opleiding verpleegkunde. (162)

Art. 164.

§ 1. De delibererende klassenraad beslist of een regelmatige leerling hetzij geslaagd is zonder beperkingen hetzij niet geslaagd is. Deze beslissing wordt genomen :

1° op het ogenblik dat de leerling een module heeft beëindigd. In voorkomend geval wordt, voor wat betreft het onderwijzend personeel, de klassenraad beperkt tot die leden die effectief aan de leerling in de desbetreffende module onderricht hebben verstrekt;

2° op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden voldoet die toelaten een beslissing te nemen over de toekenning van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, een diploma van secundair onderwijs of een diploma van gegradueerde, doch uitsluitend in de HBO5-opleiding verpleegkunde.

In het modulair onderwijs worden geen geïntegreerde proeven ingericht.

§ 2. Tegen beslissingen van delibererende klassenraden die door de betrokken personen worden betwist, kan beroep worden ingesteld overeenkomstig de procedure van toepassing in het niet-modulair onderwijs, met dien verstande dat het schoolbestuur van de betrokken school, rekening houdend met het principe van de redelijkheid, de termijnen bepaalt die inherent zijn aan deze procedure. (163)

Art. 165.

De studiebekrachtiging, al dan niet op het einde van het schooljaar, wordt als volgt vastgesteld.

1° Attest van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding [, met uitzondering van de opleiding verpleegkunde,] niet met vrucht heeft gevolgd; het attest vermeldt die competenties die de jongere wel heeft bereikt.

2° Deelcertificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding met vrucht heeft gevolgd.

3° Certificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding met vrucht heeft gevolgd.

4° Getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die :

a) ten minste twee schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en

b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de tweede graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.

5° Studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :

a) ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en

b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het tweede leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van de eerste twee leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.

6° Studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar : wordt, voor zover de leerling niet in aanmerking komt voor het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt aan de regelmatige leerling die :

a) ten minste vijf schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en

b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het derde leerjaar van de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.

7° Diploma van secundair onderwijs (derde graad) : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :

a) na het behalen van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs ten minste drie schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en

b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor de derde graad wordt beschouwd, wat enerzijds het bereiken van de eindtermen van het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en anderzijds het met vrucht gevolgd hebben van de beroepsgerichte vorming impliceert.

8° Diploma van secundair onderwijs (hoger beroepsonderwijs) : wordt uitgereikt aan de cursist die :

a) houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs; en

b) door de delibererende klassenraad als geslaagd voor het hoger beroepsonderwijs wordt beschouwd, wat het geslaagd zijn voor alle modules van de HBO5-opleiding verpleegkunde impliceert.

9° Diploma van gegradueerde : wordt uitgereikt aan de cursist die geslaagd is voor alle modules van de opleiding verpleegkunde en derhalve houder is van de deelcertificaten van alle modules van die opleiding.

Bij het diploma wordt een diplomasupplement uitgereikt. Dit is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt. De Vlaamse Regering bepaalt het model van het diplomasupplement en de nadere modaliteiten met betrekking tot de uitreiking ervan.

10° Getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer : wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling die :

a) met uitzondering van de eerste graad, ten minste vier schooljaren secundair onderwijs heeft gevolgd, en

b) voldaan heeft aan de voorwaarden opgenomen in de federale wet- en regelgeving inzake de basiskennis van het bedrijfsbeheer.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt een module waarvoor de leerling bij beslissing van de toelatingsklassenraad is vrijgesteld, geacht met vrucht gevolgd te zijn.

Diegene aan wie overeenkomstig de codificatie betreffende het secundair onderwijs het diploma van gegradueerde (in het Engels vertaald als associate degree) is verleend met of zonder nadere specificatie, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van gegradueerde met of zonder nadere specificatie.

De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen van de hiervoor vermelde studiebewijzen vast.

Ook bij niet-modulaire organisatie van de HBO5-opleiding verpleegkunde wordt aan de cursist die geslaagd is voor de opleiding een diploma van gegradueerde, met diplomasupplement, toegekend, en is betrokkene gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel. Indien betrokkene daarenboven houder is van het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, dan wordt bij het slagen voor de opleiding ook het diploma van secundair onderwijs toegekend. (164)

Decr. 1-7-2011

Art. 166.

§ 1. In het modulair onderwijs geldt als coëfficiënt uren-leraar per leerling voor een bepaalde opleiding, de reglementair vastgestelde coëfficiënt voor de inhoudelijk overeenkomstige opleiding van het niet-modulair onderwijs.

De Vlaamse Regering legt de inhoudelijk overeenkomstige opleidingen vast.

§ 2. Modulair onderwijs wordt georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald onder vorm van bijzondere pedagogische taken. De gelijkstelling vindt plaats met een opdracht in de tweede graad of in de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs of, doch uitsluitend voor wat betreft de HBO5-opleiding verpleegkunde, met een opdracht in het hoger beroepsonderwijs.

De organisatie van modulair onderwijs mag er niet toe leiden dat de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken kennelijk onredelijk verschilt van de verhouding tussen praktische vakken en niet-praktische vakken zoals die zich, onmiddellijk voorafgaand aan de organieke invoering van modulair onderwijs, in het betrokken studiegebied en de betrokken school voordoet.

Met praktische vakken gelijkgestelde uren komen in aanmerking voor de vaststelling van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur. (165)

Art. 167.

In zover het de vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen met het oog op financiering, subsidiëring of normering betreft, worden voor de opleiding verpleegkunde twee teldata gehanteerd in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar : enerzijds 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien voornoemde datum op een vrije dag valt en anderzijds 1 juni of de eerstvolgende lesdag erna indien voornoemde datum op een vrije dag valt. Op elke teldatum wordt een regelmatige leerling voor 2 leerling in aanmerking genomen. (166)

Art. 168.

De onderwijsinspectie is belast met de evaluatie van het experiment. De scholen die aan het experiment deelnemen, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de evaluatie. De evaluatie moet, inzonderheid wat de timing betreft, derwijze worden georganiseerd dat ze toelaat om beleidsconclusies te trekken met het oog op de geplande hervormingsmaatregelen voor het secundair onderwijs waarvan sprake in artikel 158. (167)

[Afdeling 6. - Projecten

Art. 168/1.

§ 1. De instellingen voor secundair onderwijs die in toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 4 juli 2008, gedurende het schooljaar 2009-2010 een dergelijk project organiseren, mogen gedurende het schooljaar 2010-2011 dit project verder zetten, overeenkomstig de bepalingen van het besluit in kwestie, met dien verstande dat de organisatie :

1° op één leerlingencohorte betrekking heeft;

2° zowel in het eerste als in het tweede leerjaar van een graad mag plaatsvinden;

3° niet aan een leerlingennorm is onderworpen;

4° geen extra middelen genereert.

§ 2. De scholen voor secundair onderwijs die gedurende het schooljaar 2010-2011 een CLIL-project organiseren, behouden [[tot aan een datum te bepalen door de Vlaamse Regering]] de mogelijkheid tot het aanbieden van CLIL, onder de volgende voorwaarden :

1° CLIL wordt georganiseerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, maar met dien verstande dat het niet aan een leerlingennorm is onderworpen en geen extra middelen genereert;

2° over het behoud van de mogelijkheid tot organisatie van CLIL werd vooraf onderhandeld in het bevoegde lokale comité van de betrokken school.

Art. 168/2.

De scholen die gedurende het schooljaar 2010-2011 deelnemen aan één van de tijdelijke projecten, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs, kunnen gedurende de schooljaren 2011-2012 en 2012-2013 :

1° structuuronderdelen organiseren die ze zonder normering hebben geprogrammeerd, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :

a) het structuuronderdeel komt niet voor in het regulier voltijds gewoon secundair onderwijs;

b) het structuuronderdeel werd door de betrokken school al georganiseerd tijdens het schooljaar 2010-2011;

c) het structuuronderdeel werd, na kennisname van een positieve evaluatie door de onderwijsinspectie en een expertenpanel, positief geadviseerd door de stuurgroep, vermeld in hetzelfde besluit van 23 juni 2006;

2° leerplannen hanteren die geen overheidsgoedkeuring behoeven, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :

a) de leerplannen worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen;

b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats;

3° aspecten van modulaire onderwijsinrichting invoeren, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :

a) de aspecten van modulaire onderwijsinrichting worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen;

b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats.]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 29-6-2012

HOOFDSTUK 2. - Teldata

Art. 169.

§ 1. De datum voor de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds onderwijs wordt vastgesteld op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor :

- de vaststelling van de omkaderingsnormen van het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel;

- de norm vastgelegd in de sectoren en niveaus waarvoor reglementaire programmatie- of rationalisatienormen gelden;

- het bepalen van het werkingsbudget en/of uitrustingskredieten en -toelagen.

§ 2. In afwijking van § 1 worden voor de telling per school voor voltijds secundair onderwijs van het aantal regelmatige leerlingen van de opties van de derde graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs aangeduid als secundair na secundair en van het aantal cursisten van het hoger beroepsonderwijs, twee data vastgesteld in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar :

- namelijk 15 januari of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt,

- en 1 juni of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt.

Op elke datum wordt een regelmatige leerling of cursist voor een halve eenheid in aanmerking genomen. (168)

[§ 3. In afwijking van paragraaf 1, geldt 1 juni of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, als tellingsdatum voor vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen van het onthaalonderwijs dat na 1 februari of, indien een vrije dag, de eerste lesdag erna, wordt opgericht op basis van artikel 179/3, derde lid, en dit met het oog op de financiering of subsidiëring van het daaropvolgend schooljaar. Vanaf het schooljaar daarna wordt de regeling als vermeld in paragraaf 1 van toepassing.]

Decr. 13-11-2015

Art. 170.

Voor de toepassing van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën, de bepaling van het werkingsbudget en de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake programmatie of rationalisatie, wordt, voor wat betreft een optie aangeduid als Se-n-Se, het hoogste aantal regelmatige leerlingen dat wordt geteld op één van beide teldata zoals bepaald in artikel 169, geacht ook het aantal regelmatige leerlingen te zijn op de andere teldatum. Deze bepaling geldt evenwel niet indien op laatstgenoemde datum geen regelmatige leerlingen kunnen worden geteld omdat de school ervoor heeft gekozen in het lopende semester de betrokken optie niet in het studieaanbod te voorzien, waardoor er geen inschrijvingen konden worden gerealiseerd. (169)

Art. 171.

Voor de scholen die worden opgericht of voor het eerst in de financiering of subsidiering worden opgenomen of die in opbouw zijn, is de teldatum vastgesteld op 1 oktober van het schooljaar van oprichting of opname in de financiering of subsidiëring of opbouw.

[Onder scholen in opbouw wordt verstaan scholen die tijdens aaneensluitende schooljaren hun onderwijsaanbod uitbreiden hetzij leerjaar per leerjaar, hetzij met meer leerjaren gelijktijdig.]

Decr. 16-6-2017

Art. 172.

§ 1. De teldatum voor scholen die ingevolge de reglementaire rationalisatienormen verplicht zijn tot geleidelijke opheffing leerjaar na leerjaar, wordt vanaf het schooljaar waarin de geleidelijke opheffing een aanvang neemt, bepaald op 1 oktober van het lopende schooljaar.

§ 2. Een fusie of afsplitsing van scholen of een toetreding van een school tot of een uittreding van een school uit een scholengemeenschap op 1 september van een schooljaar, wordt geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna indien voormelde datum op een vrije dag valt, te hebben plaats gevonden voor wat de telling per school van het aantal leerlingen in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs betreft. (171)

Art. 173.

Voor cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer geldt een eigen regeling inzake teldatum.

De datum voor de telling is vastgesteld op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, voor een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan, waarvoor op deze datum leerlingen zijn ingeschreven, doch waarvoor op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen hebben gekozen.

De cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer die kunnen worden georganiseerd in een bepaald leerjaar en volgens bepaald leerplan op basis van de telling van 1 februari van het voorafgaand schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, maar waarvoor op 1 oktober van het lopend schooljaar of op de eerstvolgende lesdag indien voormelde datum op een vrije dag valt, geen leerlingen zijn ingeschreven, worden niet langer georganiseerd of gesubsidieerd.

Voor een nog niet ingerichte cursus godsdienst of niet confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgens een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs, die wordt opgericht na 1 oktober van het lopend schooljaar, wordt de datum voor telling vastgesteld op de eerste lesdag waarop deze cursus wordt ingericht.

Een cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer, onderwezen in een bepaald leerjaar en volgend een bepaald leerplan in het officieel voltijds secundair onderwijs waarvoor vanaf een bepaalde datum, nà 1 oktober van het lopend schooljaar, geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt vanaf die bepaalde datum niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. (172)

HOOFDSTUK 3. - Programmatie

Afdeling 1. - Toepassingsgebied

Art. 174.

[...]

Decr. 19-7-2013

Afdeling 2. - [Programmatie van scholen]

Decr. 19-7-2013

Art. 175.

§ 1. Een school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm wordt bereikt.

§ 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm te worden bereikt voor :

1° de enige school van het gemeenschapsonderwijs in één der 44 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage I;

2° de enige school van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;

3° de enige school van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;

4° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :

a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en

b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd.

Bij de toepassing van 3° worden de scholen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een schoolbestuur in één der bedoelde onderwijszones meer dan één school organiseert, dan kunnen desbetreffende scholen nooit onder toepassing van 4° vallen.

§ 3. [Scholen kunnen ook door splitsing van bestaande scholen ontstaan voor zover de volgende gezamenlijke voorwaarden zijn vervuld :

[[de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;]]²

2° alle bij de splitsing betrokken scholen moeten, in afwijking van § 1 en § 2, na de splitsing 100 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm;

3° de splitsing kan slechts één van de volgende vormen aannemen :

a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad;

b) hetzij een afsplitsing van een of meer studiegebieden;

c) hetzij een combinatie van beide voorgaande;

4° de splitsing moet, voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod.]

§ 4. Onder toepasbare rationalisatienorm, vermeld in § 1, § 2 en § 3, wordt verstaan :

a) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191, 2° en 195 : voor de scholen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven;

b) hetzij, afhankelijk van de door de school georganiseerde graden, de norm vermeld in artikel 191,1° en 195 : voor de scholen die niet onder toepassing van a) vallen.

§ 5. [De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op scholen met uitsluitend de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.]

§ 6. [ [[De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld [[[uiterlijk 1 april]]] van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing.]]¹

Indien de school ontstaat door splitsing van een bestaande school, dan gaan bij die melding, per betrokken school, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, in het geval de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]]¹ Decr. 25-4-2014; [[ ]]² Decr. 16-6-2017; [[[ ]]] Decr. 17-6-2016

Afdeling 3. - [Programmatie van structuuronderdelen]

Decr. 19-7-2013

Art. 176.

[Bij programmatie van structuuronderdelen, zoals bepaald in deze afdeling, wordt volgend onderscheid gemaakt :

1° het structuuronderdeel is niet programmeerbaar;

2° het structuuronderdeel is vrij programmeerbaar;

3° het structuuronderdeel is programmeerbaar mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan;

4° het structuuronderdeel is programmeerbaar mits goedkeuring door de Vlaamse Regering.

De programmatie van een structuuronderdeel voor een school die tot een scholengemeenschap behoort, moet in overeenstemming zijn met de afspraken die de scholengemeenschap maakt met het oog op een rationeel geordend onderwijsaanbod.

De programmatiebepalingen zijn niet van toepassing op de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs.] (175)

Decr. 19-7-2013

Art. 177.

[De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die niet programmeerbaar zijn met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met volgende criteria :

1° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op de arbeidsmarkt op basis van tewerkstellingscijfers van schoolverlaters of door het ontbreken van een erkende beroepskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur;

2° het niet of in onvoldoende mate aansluiten op het hoger onderwijs op basis van slaagcijfers in het hoger onderwijs.

Met het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geevalueerd.]

Decr. 17-6-2016

Art. 178.

[De Vlaamse Regering legt de lijst van structuuronderdelen vast die vrij programmeerbaar zijn, met toepassing van het in artikel 70, eerste en tweede lid, gestelde. Ze houdt daarbij rekening met beleidsontwikkelingen of -prioriteiten. De Vlaamse Regering kan aan de programmatie van een dergelijk structuuronderdeel de voorwaarde koppelen van een reeds bestaand onderwijsaanbod in de school of scholengemeenschap in kwestie. [[De Vlaamse Regering kan voor een individuele school de voorwaarde opheffen die aan de programmatie van een dergelijk structuuronderdeel is gekoppeld als het een school betreft die in oprichting is zonder dat dat het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen.]]²

Met het oog op eventuele actualisering wordt bedoelde lijst jaarlijks geëvalueerd.

De programmatie wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld [[uiterlijk 1 april]]¹ van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 november van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Bij die melding gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]]¹ Decr. 17-6-2016; [[ ]]² Decr. 16-6-2017

[Art. 178/1.

In afwijking van artikel 177 is een niet programmeerbaar structuuronderdeel alsnog programmeerbaar indien noodzakelijk om, na verleende programmatie van een structuuronderdeel van de tweede graad of - doch enkel voor het BSO - de derde graad, de studiecontinuïteit van de leerlingen te garanderen binnen de school of scholengemeenschap vanaf het schooljaar dat onmiddellijk volgt op de volledige uitbouw van het eerder geprogrammeerd structuuronderdeel. De studiecontinuïteit betreft dan het eerste en tweede leerjaar van de derde graad of - doch enkel voor het BSO - het derde leerjaar van de derde graad, met het oog op het verwerven van het diploma van secundair onderwijs. In voorkomend geval wordt de programmatie van het structuuronderdeel door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.

Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. Bij de aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]

Decr. 17-6-2016

Art. 179.

[De programmatie van een niet vrij programmeerbaar structuuronderdeel is toegelaten onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :

[[in de school of in een andere school van de scholengemeenschap wordt tegelijkertijd een ander structuuronderdeel opgeheven. Dat ander structuuronderdeel kan noch een vrij programmeerbaar structuuronderdeel noch het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn;]]

2° de programmatie beantwoordt aan eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie.

Indien de programmatie niet leidt tot een voor de school nieuw studiegebied en geen afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk gemeld uiterlijk 1 april van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 november van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend.

Indien de programmatie leidt tot een voor de school nieuw studiegebied of een afwijking inhoudt van artikel 177, wordt ze door het schoolbestuur bij AgODI schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar.

Voor de programmatie per 1 september 2016 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 maart 2016 als uiterlijke aanvraagdatum. Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en AgODI, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.

Bij de melding of de aanvraag, naargelang van het geval, gaan per betrokken school het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]

Decr. 17-6-2016; [[ ]] Decr. 16-6-2017

[Art. 179/1.

De programmatie van een structuuronderdeel dat niet onder toepassing valt van [[artikel 177 tot en met 179]] wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk 30 november van het voorafgaand schooljaar en uiterlijk 30 september van het lopende schooljaar indien het een Se-n-Se betreft die van start gaat op 1 februari daaropvolgend. Bij die aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie. De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met de volgende gezamenlijke criteria :

1° de eventueel vigerende regelgeving met betrekking tot frequentie, inplanting of andere organisatievoorwaarden van het structuuronderdeel in kwestie;

2° het beantwoorden van de programmatie aan het kwantitatief en kwalitatief aantoonbaar niet-behoeftedekkend onderwijsaanbod binnen de betrokken onderwijszone en met respect voor de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;

3° a) de aanwezigheid van een convenant, of;

b) de inhoudelijke aansluiting en de objectief vastgestelde nood op de arbeidsmarkt, of;

c) de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 17-6-2016

[Art. 179/2.

Een dossier houdende voorstel van nieuw structuuronderdeel dat door een schoolbestuur in toepassing van artikel 129 wordt ingediend, kan tevens expliciet de intentie bevatten tot programmatie van het structuuronderdeel in één of meer aangeduide scholen van dat schoolbestuur. Het gemotiveerd dossier wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap ingediend uiterlijk 30 september van het voorafgaand schooljaar. Bij het dossier gaan, per school, het protocol van de onderhandeling in het bevoegd lokaal comité met betrekking tot de programmatie en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Uitsluitend in het geval de Vlaamse Regering een positieve beslissing neemt over het voorstel van nieuw structuuronderdeel, neemt zij tevens een beslissing over de programmatie met in acht name van de bepalingen van artikel 178, 179 en 179/1.]

Decr. 19-7-2013

[Art. 179/3.

De bepalingen van artikel 176 tot en met 179/2 zijn niet van toepassing op het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers.

Voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers gelden de volgende bepalingen :

1° de programmatie wordt per scholengemeenschap bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;

2° na advies binnen tien werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.]¹

[Vanaf 1 november 2015 en tot op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum worden de bepalingen van het tweede lid buiten werking gesteld en gelden voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers de volgende bepalingen :

1° [[de programmatie wordt voorafgaand bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd :

a) hetzij per scholengemeenschap; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;

b) hetzij door het schoolbestuur per school die niet tot een scholengemeenschap behoort; in dat geval wordt bij de aanvraag het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;]]

2° binnen tien werkdagen wordt een advies gegeven enerzijds door de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds door de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap;

3° uiterlijk twee maanden na indiening van de aanvraag neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Die beslissing is gebaseerd op de verwachte instroom van anderstalige nieuwkomers versus het al dan niet behoeftedekkend bestaande aanbod van onthaalonderwijs. Bij gunstige beslissing wordt tevens bepaald vanaf welk tijdstip het onthaaljaar kan worden opgericht.]²

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 13-11-2015; [[ ]] Decr. 17-6-2016

[...]

Decr. 19-7-2013

HOOFDSTUK 4. - Rationalisatie en fusie

Afdeling 1. - Rationalisatienormen

Art. 189.

Voor de toepassing van de rationalisatienorm worden niet in aanmerking genomen :

1° de leerlingen van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers;

2° de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

3° de leerlingen van de Se-n-Se. (188)

Art. 190.

§ 1.Voor elke school geldt een rationalisatienorm.

§ 2. De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de school, als volgt vastgesteld :

1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :

a) met enkel een eerste graad : 111;

b) met een eerste + tweede graad : 200;

c) met een tweede + derde graad : 150;

d) met een eerste + tweede + derde graad : 261;

2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :

a) met enkel een eerste graad : 83;

b) met een eerste + tweede graad : 150;

c) met een tweede + derde graad : 113;

d) met een eerste + tweede + derde graad : 196. (189)

Art. 191.

In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die tot een scholengemeenschap behoort met 15 % verminderd zoals hierna bepaald :

1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :

a) met enkel een eerste graad : 94;

b) met een eerste + tweede graad : 170;

c) met een tweede + derde graad : 129;

d) met een eerste + tweede + derde graad : 223;

2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :

a) met enkel een eerste graad : 71;

b) met een eerste + tweede graad : 128;

c) met een tweede + derde graad : 97;

d) met een eerste + tweede + derde graad : 168. (190)

Art. 192.

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 4 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :

1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :

a) met enkel een eerste graad : 74;

b) met een eerste + tweede graad : 133;

2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :

a) met enkel een eerste graad : 55;

b) met een eerste + tweede graad : 99.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 6 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald :

1° voor de scholen die niet ressorteren onder 2° :

a) met een tweede + derde graad : 100;

b) met een eerste + tweede + derde graad : 174;

2° voor de scholen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de scholen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven :

a) met een tweede + derde graad : 75;

b) met een eerste + tweede + derde graad : 130.

§ 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met :

1° een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt; voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met :

a) uniek : per onderwijsnet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad;

b) structuuronderdeel :

- een basisoptie;

- een beroepenveld;

- een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;

- het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet georganiseerd als een specialisatiejaar;

- een opleiding van het hoger beroepsonderwijs;

2° een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :

a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en

b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd; en

c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert. (191)

Art. 193.

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 8 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :

1° met enkel een eerste graad : 37;

2° met een eerste + tweede graad : 67.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 12 km van een andere school van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald :

1° met een tweede + derde graad : 50;

2° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

§ 3. Voor de vaststelling of een school binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met scholen, bedoeld in artikel 192, § 3. (192)

Art. 194.

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt zoals bedoeld in artikel 192, § 3, 1°, als volgt vastgesteld :

1° met enkel een eerste graad : 37;

2° met een eerste + tweede graad : 67;

3° met een tweede + derde graad : 50;

4° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

§ 2. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt de rationalisatienorm voor een school van het gesubsidieerd vrij onderwijs :

a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert; en

b) waarvoor het schoolbestuur uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd; en

c) die ressorteert onder een schoolbestuur dat in de betrokken gemeente slechts één school organiseert, als volgt vastgesteld :

1° met enkel een eerste graad : 37;

2° met een eerste + tweede graad : 67;

3° met een tweede + derde graad : 50;

4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. (193)

Art. 195.

§ 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel de vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100.

§ 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens een vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert. (194)

Art. 196.

§ 1. In afwijking van artikel 190, § 2, wordt per graad de rationalisatienorm voor een school die uitsluitend zeevisserijonderwijs organiseert als volgt vastgesteld :

1° eerste graad : 37;

2° tweede graad : 30;

3° derde graad : 20.

§ 2. [De rationalisatienormen vermeld in § 1 zijn niet vereist indien de school de enige is die in het betrokken onderwijsnet zeevisserijonderwijs en, eventueel, inhoudelijk naar zeevisserijonderwijs gerichte structuuronderdelen "wetenschappen" (tweede graad aso) en "wetenschappen-wiskunde" (derde graad aso) organiseert.] (195)

Decr. 19-6-2015

Art. 197.

In afwijking van artikel 190, § 1, geldt geen rationalisatienorm voor een school die, behoudens een eventuele eerste graad, enkel het studiegebied ballet organiseert. (196)

[Art. 197/1.

§ 1. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 51, 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid :

1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;

2° de rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;

3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet.

De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze :

1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijft :

a) met alleen een eerste graad: 55;

b) met een eerste en tweede graad: 99;

c) met een tweede en derde graad: 75;

d) met een eerste, tweede en derde graad: 130;

2° voor een instelling die niet ressorteert onder punt 1° :

a) met alleen een eerste graad: 74;

b) met een eerste en tweede graad: 133;

c) met een tweede en derde graad: 100;

d) met een eerste, tweede en derde graad: 174.

§ 2. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid :

1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 23 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;

2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;

3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 51 van het voormelde decreet.

De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze :

a) met alleen een eerste graad: 37;

b) met een eerste en tweede graad: 67;

c) met een tweede en derde graad: 50;

d) met een eerste, tweede en derde graad: 87.

§ 3. Voor een instelling die :

1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder toepassing valt van artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 539 van 31 maart 1987;

2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt;

3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, niet onder toepassing valt van artikel 52, § 1, van hetzelfde decreet, wordt, tenzij de instelling onder toepassing valt van artikel 51 of 52, § 2, van hetzelfde decreet, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld :

a) met alleen een eerste graad: 37;

b) met een eerste en tweede graad: 67;

c) met een tweede en derde graad: 50;

d) met een eerste en tweede en derde graad: 87.]

Decr. 25-4-2014

Art. 198.

Elke school die de rationalisatienorm niet bereikt op 1 februari [van de twee voorafgaande schooljaren, dient op 1 september] :

1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste, van de af te bouwen graad of graden of tot geleidelijke afbouw van het hoger beroepsonderwijs, onverminderd het in artikel 134 gestelde;

2° hetzij te fusioneren met een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs. (197)

Decr. 21-12-2012

Art. 199.

[...]

Decr. 21-12-2012

Afdeling 2. - Fusie van scholen

Art. 200.

Een fusie van scholen, al dan niet ingevolge het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm door één of meer scholen :

1° houdt het ontstaan in van een school die niet als nieuw wordt beschouwd en die alle voorheen bestaande vestigingsplaatsen mag omvatten waaronder één hoofdvestigingsplaats;

2° wordt in een keer tot stand gebracht, wat impliceert dat er nog slechts één schoolbestuur en één directeur is;

3° vindt plaats :

a) hetzij door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;

b) hetzij door samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één blijft bestaan die de andere opslorpt;

4° kan betrekking hebben op één of meer scholen die in geleidelijke afbouw zijn;

[5° wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie uiterlijk op 1 mei van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]

[Ook een afbouw van een school, al dan niet als gevolg van het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, wordt door het schoolbestuur in kwestie [[uiterlijk op 1april]] van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 201.

[...]

Decr. 19-7-2013

Art. 202.

[...]

Decr. 19-7-2013

HOOFDSTUK 5. - [Overheveling]

Decr. 19-7-2013

[...]

Decr. 19-7-2013

Art. 206.

[§ 1. De volledige eerste graad of een volledig studiegebied zoals georganiseerd door een school kan door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd blijven indien het in één keer wordt overgeheveld naar een andere school van hetzelfde schoolbestuur die gelegen is in dezelfde gemeente of naar een andere school die behoort tot dezelfde scholengemeenschap. [[De school waarnaar wordt overgeheveld mag geen school zijn die moet fuseren of afbouwen omdat de toepasbare rationalisatienorm niet wordt bereikt.]]²

Indien de overheveling betrekking heeft op alle door de school georganiseerde studiegebieden van het beroepssecundair onderwijs, moet het derde leerjaar van de derde graad, ingericht onder de vorm van een naamloos leerjaar, mee worden overgeheveld; indien de overheveling betrekking heeft op slechts enkele studiegebieden, kan het mee worden overgeheveld.

§ 2. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van het werkingsbudget, wordt de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaats gevonden.

§ 3. De overheveling wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld [[uiterlijk 1 april]]¹ van het voorafgaand schooljaar. Bij die melding gaan, per school die bij de overheveling is betrokken, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de overheveling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]]¹ Decr. 17-6-2016; [[ ]]² Decr. 16-6-2017

HOOFDSTUK 6. - Financiering en subsidiëring

Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden

Onderafdeling 1. - Directeur

Art. 207.

In het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 83 regelmatige leerlingen op de voorziene teldatum.

In afwijking hierop wordt aan een school die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de school ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de voorziene teldatum.

Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar of met een halftijdse opdracht van beheerder van het internaat verbonden aan een school voor zeevisserijonderwijs. De uren-leraar vallen binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage. (206)

Art. 208.

Van zodra de titularis van het ambt van directeur van een ingebouwde middenschool, bedoeld in het tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde instellingen voor secundair onderwijs, ontslag neemt, met pensioen gaat, een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt, muteert of overlijdt, wordt de betrokken school niet meer als een ingebouwde middenschool beschouwd. (207)

Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel

Art. 209.

§ 1. Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, is opgebouwd uit :

1° een aantal uren-leraar voor het onderwijzen van vakken, zonder rekening te houden met de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie, alsook een aantal uren-leraar die geen lesuren zijn, bestemd voor andere prestaties dan voor het onderwijzen van vakken en aangeduid als "pedagogische ondersteuning", niet inbegrepen.

Het aantal uren-leraar kan worden verhoogd voor de scholen gelegen in de gemeenten met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners/km2, voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het arrondissement Brussel - Hoofdstad, voor de scholen die toepassing maken van de bepalingen van artikel 192 tot en met 195 inzake rationalisatienormen en voor de op basis van objectieve criteria aangeduide categorieën leerlingen of scholen;

2° een aantal uren-leraar, voorbehouden voor het onderwijzen van de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie.

Deze bepaling is niet van toepassing op :

1° het derde leerjaar van de derde graad van het algemeen en het kunstsecundair onderwijs, aangeduid als voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;

2° de Se-n-Se van het technisch en het kunstsecundair onderwijs;

3° de vierde graad;

4° het hoger beroepsonderwijs.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de berekeningswijze van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan een school kan worden toegekend.

De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden een aanwendingspercentage vastleggen van het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school toegekend wordt. (208)

Art. 210.

Voor scholen die niet tot een scholengemeenschap zijn toegetreden, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar, na toepassing van de reglementair voorziene berekeningswijze en aanwendingspercentage, verhoogd met 1 %.

Deze bijkomende uren-leraar worden door de betrokken scholen aangewend op de wijze zoals bepaald in artikel 65. (209)

Art. 211.

§ 1. De aanwending van het aantal wekelijks aantal uren-leraar dat elke school verkrijgt, is vrij, onverminderd de beperkingen gesteld door of krachtens een decreet.

Het wekelijks aantal uren-leraar kan eveneens worden aangewend binnen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan de school waaraan de uren-leraar worden toegekend.

Onder aantal uren-leraar worden verstaan de uren verkregen in toepassing van artikel 209, evenals de uren-leraar waarover een school kan beschikken na herverdeling van uren-leraar door zijn schoolbestuur, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap.

§ 2. De aanwending van het wekelijkse aantal uren-leraar vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn.

Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan :

1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald "interne pedagogische begeleiding", "bijzondere pedagogische taken", "nascholing", "inhaallessen", "klassenraad" en "klassendirectie". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met beroepssecundair onderwijs;

2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald "seminaries". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, het beroepenveld, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast.

§ 3. [De aanwending van uren-leraar kan in volgende structuuronderdelen ook plaatsvinden onder vorm van het inzetten van voordrachtgevers :

1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso;

2° alle structuuronderdelen van de derde graad tso;

3° alle structuuronderdelen van de derde graad bso;

4° hbo-verpleegkunde.

Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een voordrachtgever geeft, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bedrijfswereld.

Het aantal lesuren van de wekelijkse lessentabel van het betrokken structuuronderdeel dat, omgerekend naar schooljaarbasis, aan voordrachtgevers kan worden besteed, bedraagt maximum 2, uitgezonderd in de structuuronderdelen van het studiegebied Ballet en Integrale veiligheid, waar het maximum 6 bedraagt.

Bij deze vorm van aanwending worden uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan de bevoegde dienst, de grootte van het krediet per uur-leraar dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.

De regeling in kwestie is dezelfde voor het voltijds secundair onderwijs en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs.]

Decr. 17-6-2016

Art. 212.

Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend en dat aangewend wordt voor het voltijds secundair onderwijs dat niet georganiseerd is volgens een modulair stelsel, kan slechts ten belope van 3 % gebruikt worden voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken.

Dit maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (211)

Art. 213.

Wanneer de onderwijsinspectie in een school een kennelijk onverantwoord gebruik van de vrije aanwending vaststelt ten nadele van volgende groepen :

1° het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar, en/of

2° de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs, en/of

3° de derde graad van het beroepssecundair onderwijs,

formuleert zij een omstandig en gemotiveerd advies ten behoeve van de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering kan de elementen van toetsing bepalen waarmee het advies dient rekening te houden. De Vlaamse Regering kan op basis van dit advies ten aanzien van de betrokken school een norm bepalen, boven dewelke de wekelijkse uren-leraar die aan elke school worden toegekend, gegenereerd door de in het eerste lid bedoelde groepen, niet kunnen worden aangewend voor andere groepen. Zij kan daarbij evenwel bepalen dat deze norm kan worden overschreden binnen hetzelfde studiegebied.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedurele regelen terzake, rekening houdend met de hoorplicht. (212)

Art. 214.

Het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend is bestemd voor de toewijzing van de opdrachten aan de titularissen van het onderwijzend personeel.

Onder titularis wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt.

Bovenstaande bepaling impliceert dat de prestaties, geleverd door tijdelijke vervangers van voornoemde titularissen, onafhankelijk van het voor de school beschikbare pakket uren-leraar gefinancierd of gesubsidieerd worden.(213)

Art. 215.

Bij toewijzing aan titularissen van het onderwijzend personeel of aan hun tijdelijke vervangers van opdrachten die niet gebaseerd zijn op het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend, op andere gefinancierde of gesubsidieerde uren-leraar of op uren, bedoeld in de bepalingen betreffende de plage-uren, valt de bezoldiging ten laste van het schoolbestuur. (214)

Art. 216.

§ 1. Het aantal organiseerbare plage-uren wordt gereduceerd volgens het hierna bepaalde.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :

a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap;

b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a).

§ 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2004-2005 : ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen mogen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 % plage-uren worden georganiseerd.

[Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd.]

§ 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2002-2003 mag het maximum % niet hoger liggen dan het % van het schooljaar 2001-2002.

[Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt.]

§ 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren.

§ 5. Personeelsleden kunnen slechts met plage-uren worden belast als die plage-uren om organisatorische redenen noodzakelijk zijn en op een billijke en transparante wijze georganiseerd worden. Over de algemene regels die het schoolbestuur hierbij zal hanteren, wordt bij de voorbereiding van het schooljaar in elke school onderhandeld in de bevoegde organen. (215)

Decr. 1-7-2011

Onderafdeling 3. - Scholen met optie Rijn- en binnenvaart

Art. 217.

Deze onderafdeling is van toepassing op een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school die binnen het studiegebied Maritieme opleidingen de optie Rijn- en binnenvaart organiseert. (216)

Art. 218.

Een school met de optie Rijn- en binnenvaart heeft jaarlijks recht op een forfaitaire puntenenveloppe van 605 punten.

De Vlaamse Regering kan deze puntenenveloppe aanpassen in functie van de beschikbare begrotingskredieten. Zij houdt daarbij rekening met het aantal leerlingen dat is ingeschreven in de studierichting Rijn- en binnenvaart. (217)

Art. 219.

De betrokken school wendt de puntenenveloppe, vermeld in deze onderafdeling, aan om betrekkingen op te richten in de personeelscategorie van het varend personeel en om 1 betrekking op te richten in een ambt van het ondersteunend personeel.

De oprichting van betrekkingen in de personeelscategorie van het varend personeel is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.

De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal. (218)

Art. 220.

Het personeelslid dat in een betrekking in een ambt van het varend personeel wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Die aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;

2° de bepalingen van artikelen 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn niet van toepassing;

3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking in een ambt van het varend personeel. (219)

Onderafdeling 4. - Topsportscholen

Art. 221.

§ 1. Aan elke topsportschool met tweede en derde graad voltijds secundair onderwijs die onder toepassing valt van het tussen de Vlaamse Regering, de sportinstanties en de onderwijsverstrekkers gesloten topsportconvenant, wordt een betrekking van topsportschoolcoördinator toegekend.

Deze bijkomende betrekking is niet opdeelbaar; ze kan slechts door één personeelslid, dat exclusief en voltijds met topsportschoolcoördinatie is belast, worden uitgeoefend. De betrekking wordt ingericht in één van de volgende ambten, naar keuze van het betrokken schoolbestuur : adjunct-directeur, technisch adviseur-coördinator, technisch adviseur, leraar.

§ 2. In geval de betrekking wordt ingericht in het ambt van leraar, dan wordt de opdracht uitgeoefend onder vorm van uren die geen lesuren zijn, meer bepaald als bijzondere pedagogische taken.

In voorkomend geval worden de desbetreffende uren niet verrekend bij toepassing van de bepaling dat maximum 3 % van het aantal uren-leraar van een school gebruikt kan worden voor bijzondere pedagogische taken, zoals vermeld in artikel 212. (220)

Onderafdeling 5. - Onthaalonderwijs

Art. 222.

[...] Naast de basisfinanciering of -subsidiëring, inherent aan het voltijds secundair onderwijs, vindt een specifieke financiering of subsidiëring tijdens het lopende schooljaar plaats die fluctueert met bepaalde schommelingen van het aantal anderstalige nieuwkomers. Daarenboven vindt ook een specifieke financiering of subsidiëring plaats teneinde gewezen anderstalige nieuwkomers verder te ondersteunen, op te volgen en te begeleiden.

De Vlaamse Regering bepaalt de omvang en de duur van die financiering of subsidiëring en de data voor telling van het aantal anderstalige nieuwkomers. (221)

Decr. 21-12-2012

Onderafdeling 6. - Kunstsecundaire scholen

Art. 223.

De Vlaamse Regering kan aan scholen die voltijds gewoon kunstsecundair onderwijs organiseren en die betrokken zijn bij een convenant dat zij heeft afgesloten met de betrokken schoolbesturen en/of representatieve verenigingen ervan en met de partners uit een culturele sector, een bijkomende financiering of subsidiëring toekennen. Zij bepaalt de voorwaarden waaraan de leerlingen, die deze bijkomende financiering of subsidiëring genereren, moeten voldoen evenals de vorm waaronder deze middelen worden toegekend. (222)

Onderafdeling 7. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, eerste graad

Art. 224.

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en op het structuuronderdeel anderstalige nieuwkomers. (223)

Art. 225.

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :

1° het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelagen zoals bedoeld in artikel 5, 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;

2° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake de bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;

3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;

4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Voor de eerste graad van het secundair onderwijs bepaalt zij tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren. De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (224)

Art. 226.

Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren extra uren-leraar krijgen, voorzover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :

1° op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste 10 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en

2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 227 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en [, voor alle graden samen,] ten minste zes extra uren-leraar genereren.

Wanneer een school op 1 januari van het voorgaande schooljaar vestigingsplaatsen heeft die niet in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn, worden de verschillende vestigingsplaatsen voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid en van artikel 227 als school beschouwd. (225)

Decr. 21-12-2012

Art. 227.

§ 1. De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt :

1° de in artikel 226 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatig leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 225, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absoluut aantal van deze leerlingen gerangschikt;

2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;

3° het aantal punten van scholen met [ten minste 55 %] leerlingen die aan één of meer van de in artikel 225, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;

4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar een punt vertegenwoordigt.

De Vlaamse Regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende extra uren-leraar. (226)

Decr. 1-7-2011

Art. 228.

§ 1. Een school die extra uren-leraar krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :

1° welke concrete doelstelling zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden, respectievelijk van school wil bereiken. De Vlaamse Regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen volgende themata :

a) de preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerachterstanden,

b) taalvaardigheidsonderwijs,

c) intercultureel onderwijs,

d) doorstroming en oriëntering,

e) socio-emotionele ontwikkeling,

f) leerlingen- en ouderparticipatie; en

2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken; en

3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert. De Vlaamse Regering kan een model van zelfevaluatie vastleggen.

§ 2. De extra uren-leraar kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken. (227)

Art. 229.

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 227, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij worden begeleid. (228)

Art. 230.

De scholen werken mee aan driejaarlijkse evaluaties aan de hand van steekproeven die het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitvoert. De evaluaties meten de doelmatigheid, op macroniveau, van het geïntegreerd ondersteuningsaanbod. (229)

Art. 231.

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het derde schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren extra uren-leraar krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 226 voldaan is.

Bij negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 226 bedoelde extra uren-leraar voor de volgende periode van drie schooljaren tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgen ze de helft van het aantal extra uren-leraar waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zouden hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan volgende voorwaarden voldoen :

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat voldoet aan de volgende criteria :

a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;

b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen zoals geformuleerd in artikel 228, § 1, 1°;

c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;

d) het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie aan de onderwijsinspectie bezorgd;

e) de doelstellingen dienen gerealiseerd te zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie zal de school vanaf het tweede schooljaar terug een beroep kunnen doen op het volledige aantal in artikel 226 bedoelde uren-leraar.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 226 bedoelde extra uren-leraar voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen volgens dewelke de controle door de onderwijsinspectie geschiedt, vast. Zij voorziet in een beroepsmogelijkheid voor de school tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van onderwijsinspecteurs. (230)

[Art. 231/1.

In afwijking van de bepalingen van de artikelen 226, 227, § 1, en 231, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, eerste graad, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra uren-leraar.]

Decr. 16-6-2017

Onderafdeling 8. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad

Art. 232.

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de tweede en derde graad van het gewoon secundair onderwijs. (231)

Art. 233.

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden volgende indicatoren, verder genoemd "gelijkekansenindicatoren" :

1° het gezin ontvangt één of meerdere schooltoelage(n) zoals bedoeld in artikel 5, 34°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;

2° de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;

3° de ouders behoren tot de trekkende bevolking;

4° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

5° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1, 4° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het beantwoorden aan de in § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen beantwoorden aan één of meer van de gelijkekansenindicatoren worden ten minste vijf jaar bewaard in de school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Zij bepaalt tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. De hoogste gewichten worden toegekend aan de in § 1, 2° en 3°, bedoelde gelijkekansenindicatoren.

De in § 1, 5°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met andere gelijkekansenindicatoren. (232)

Art. 234.

Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren extra uren-leraar/puntenwaarden krijgen, voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :

1° op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste 25 % regelmatige leerlingen tellen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1; en

2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 235 batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde scholen en [, voor alle graden samen,] ten minste zes extra uren-leraar genereren.

De schoolbesturen bepalen of de extra ondersteuning uren-leraar en/of puntenwaarden betreft. (233)

Decr. 21-12-2012

Art. 235.

§ 1. De toekenning van de extra uren leraar/puntenwaarden gebeurt voor de tweede en derde graad van het gewoon voltijds secundair onderwijs driejaarlijks als volgt :

1° de in artikel 234 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren, waarbij het aantal regelmatige leerlingen die enkel en alleen beantwoorden aan de in artikel 233, § 1, 1° of 1° en 5°, bedoelde gelijkekansenindicatoren wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering bepaalde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 0,1 en ten hoogste gelijk is aan 1. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;

2° de leerlingen genereren op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn een aantal punten;

3° het aantal punten van scholen met [ten minste 55 %] leerlingen die aan één of meer van de in artikel 233, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde gelijkekansenindicatoren beantwoorden, wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5;

4° het aantal punten van scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering vastgelegde coëfficiënt, die ten minste gelijk is aan 1 en ten hoogste gelijk is aan 1,5.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra uren-leraar of puntenwaarden een punt vertegenwoordigt.

De Vlaamse Regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende extra uren-leraar of puntenwaarden. (234)

Decr. 1-7-2011

Art. 236.

De extra uren-leraar worden uitgeoefend in het ambt van leraar of van godsdienstleraar. Met de puntenwaarden worden halftijdse of voltijdse betrekkingen opgericht in het ambt van opvoeder. (235)

Art. 237.

§ 1. Een school die extra uren-leraar of puntenwaarden krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :

1° welke concrete doelstelling zij op het vlak van leerlingen, van personeelsleden, respectievelijk van school wil bereiken. De Vlaamse Regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen volgende themata :

a) de preventie en remediëring van studie- en gedragsproblemen,

b) taalvaardigheidsonderwijs,

c) intercultureel onderwijs,

d) de oriëntering bij instroom en uitstroom,

e) leerlingen- en ouderparticipatie; en

2° op welke manier zij deze doelstellingen wil bereiken, en

3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert. De Vlaamse Regering kan een model van zelfevaluatie vastleggen.

§ 2. De extra uren-leraar of puntenwaarden kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken. (236)

Art. 238.

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 237, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor zij worden begeleid. (237)

Art. 239.

De scholen werken mee aan driejaarlijkse evaluaties aan de hand van steekproeven die het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming uitvoert. De evaluaties meten de doelmatigheid, op macroniveau, van het geïntegreerd ondersteuningsaanbod. (238)

Art. 240.

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het derde schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren extra uren-leraar of puntenwaarden krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 234 voldaan is.

Bij negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 235 bedoelde extra uren-leraar of puntenwaarden voor de volgende periode van drie schooljaren tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgen ze de helft van het aantal extra uren-leraar of puntenwaarden waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zouden hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan volgende voorwaarden voldoen :

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat voldoet aan de volgende criteria :

a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;

b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen zoals geformuleerd in artikel 237, § 1, 1°;

c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;

d) het stappenplan moet vóór 1 mei van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie aan de onderwijsinspectie bezorgd worden;

e) de doelstellingen dienen gerealiseerd te zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie zal de school vanaf het tweede schooljaar terug een beroep kunnen doen op het volledige aantal in artikel 235 bedoelde extra uren-leraar ofpuntenwaarden.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 235 bedoelde extra uren-leraar of puntenwaarden voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen volgens dewelke de controle door de onderwijsinspectie geschiedt vast.

Zij voorziet in een beroepsmogelijkheid voor de school tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van onderwijsinspecteurs. (239)

Art. 241.

De Vlaamse Regering voorziet voor het schooljaar 2008-2009, 2009-2010 en 2010-2011 in overgangsmaatregelen.

In functie van deze overgangsmaatregelen wordt het aantal extra uren-leraar of puntenwaarden gelijke onderwijskansen dat een school in het schooljaar 2007-2008 kreeg vergeleken met het aantal uren-leraar verkregen in toepassing van artikelen 234 en 235. Het verlies van een vastgelegd aantal uren-leraar wordt beperkt tot nul. (240)

[Art. 241/1.

In afwijking van de bepalingen van de artikelen 234, 235, § 1, en 240, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra uren-leraar/puntenwaarden.]

Decr. 16-6-2017

Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking

Onderafdeling 1. - Leerlingen- en schoolkenmerken

Art. 242.

§ 1.Voor de toepassing van deze afdeling gelden de volgende kenmerken :

1° leerlingenkenmerken :

a) het opleidingsniveau van de moeder : de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs, hierna leerlingenkenmerk 1 te noemen;

b) het krijgen van een schooltoelage : er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling, als vermeld in betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die in toepassing van voornoemd decreet enkel omwille van ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, eveneens meegerekend;

c) de taal die de leerling in het gezin spreekt en die verschilt van de onderwijstaal : daaronder wordt de taal verstaan die de leerling meestal spreekt met moeder, vader of broers en zussen, hierna leerlingenkenmerk 3 te noemen. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal, indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd;

d) de leerling heeft zijn woonplaats in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd, hierna leerlingenkenmerk 4 te noemen. Onder schoolse vertraging wordt het aantal leerjaren vertraging verstaan die een leerling oploopt ten aanzien van het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij normaal zou vorderen. Voor leerlingen woonachtig in het Vlaamse Gewest wordt onder "buurt" de statistische sector verstaan. De statistische sector is de territoriale basiseenheid zoals vastgelegd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor leerlingen woonachtig in het Brussels Gewest wordt onder "buurt" de gemeente waar zij wonen verstaan;

2° schoolkenmerken :

a) het studiegebied en de onderwijsvorm in het gewoon onderwijs;

b) het type in het buitengewoon onderwijs;

c) de begeleiding door een school voor buitengewoon secundair onderwijs van een of meer leerlingen in het geïntegreerd secundair onderwijs, hierna SK_Gon te noemen;

d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;

e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.

§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :

1° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;

2° in een tweede fase wordt voor elke leerling vastgesteld wat het percentage schoolse vertraging is van de buurt. Leerlingen die behoren tot de trekkende bevolking en thuislozen worden geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Onder trekkende bevolking worden de binnenschippers, de kermis- en circusexploitanten en -artiesten en woonwagenbewoners verstaan, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden. Onder thuislozen worden de leerlingen verstaan die tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen zijn door een gezin of persoon, een voorziening of sociale dienst, vermeld in het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, met uitzondering van de internaten, gefinancierd of gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Leerlingen die hun woonplaats hebben in dunbevolkte buurten worden niet geacht te wonen in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd.

Voor alle leerlingen uit het gewoon secundair onderwijs wordt het 75ste percentiel van de buurtscores bepaald. Leerlingen die hun woonplaats hebben in een buurt met een score hoger dan of gelijk aan het 75ste percentiel, beantwoorden aan de indicator « woonplaats hebben in een buurt met een hoog percentage leerlingen met minstens twee jaar schoolse vertraging op vijftienjarige leeftijd".

Leerlingenkenmerk 4 is enkel van toepassing voor leerlingen die in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad wonen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leerlingenkenmerken worden vastgesteld en legt de procedure vast volgens dewelke de gegevens door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming worden verzameld. Voor leerlingenkenmerk 4 bepaalt de Vlaamse Regering de wijze waarop de buurten worden afgebakend. (241)

Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en van de voorafnamen

Art. 243.

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs 394.419.000 euro.

§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds beroepssecundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.

2° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.

3° Voor het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.

4° Vanaf 2018 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 394.419.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :

1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :

a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 245, voor de leerlingen van het gewoon secundair onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = Cx-1/(Cx-2), waarbij :

a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht;

3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1;

[4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;]¹

[5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;]²

[6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;

7° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 17.127.000 euro verminderd.]³

§ 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.

Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (242)

[ ]¹ Decr. 1-6-2012; [ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]³ Decr. 19-12-2014

Art. 244.

§ 1. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 3 procent voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln-Neu * 3 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget, verkregen na de toepassing van artikel 243;

2° lln-Neu = leerlingen van het secundair Gemeenschapsonderwijs;

3° lln-tot = het totale aantal leerlingen in het gewoon secundair onderwijs;

4° lln-LB = leerlingen van het officieel secundair onderwijs.

§ 2. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln-LB * 4,5 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %).

§ 3. Van het werkingsbudget gewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 243 en artikel 244, § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule :

(B - V1 - V2) * Pjaarx = B-lli, waarbij :

1°[Pjaarx = percentage voor het begrotingsjaar in kwestie. Dat percentage bedraagt 10,375 % voor het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 stijgt dit percentage jaarlijks met 0,125 % tot 11 % vanaf het begrotingsjaar 2020;]

2° B-lli = werkingbudget dat verdeeld zal worden op basis van leerlingenkenmerken.

Het werkingsbudget voor de leerlingenkenmerken 1, 2 en 3 wordt als volgt bepaald :

B-lli x 30 %,

en voor leerlingenkenmerk 4 als volgt :

B-lli x 10 %,

respectievelijk : B-lliOpl, B-lliSt, B-lliTa, B-lliBu, met :

a) B-lliOpl= werkingsbudget leerlingenkenmerk 1;

b) B-lliSt= werkingsbudget leerlingenkenmerk 2;

c) B-lliTa= werkingsbudget leerlingenkenmerk 3;

d) B-lliBu= werkingsbudget leerlingenkenmerk 4.

§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B-SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :

B-SchK= B-V1-V2-B-lli.

In afwijking van het eerste lid wordt voor het begrotingsjaar 2010 het B-SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B-SchK = GPP-SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 245, 1° en 2°, waarbij : GPP-SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. (243)

Decr. 19-12-2014

Onderafdeling 3. - Verdeling van het krediet voor schoolkenmerken en leerlingenkenmerken

Art. 245.

B-SchK, vermeld in artikel 244, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken zoals bedoeld in artikel 242, § 1, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2 en SK-Gon :

1° voor de leerlingen van het secundair onderwijs worden de puntengewichten als volgt vastgesteld :

Eerste graad

16 punten

Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs, de studiegebieden decoratieve technieken, fotografie, handel, mode, lichaamsverzorging, personenzorg, sport, toerisme en voeding

18 punten

Tweede en derde graad technisch en beroepssecundair onderwijs, de studiegebieden auto, bouw, chemie, glastechnieken, grafische communicatie en media, hout, juwelen, koeling en warmte, land- en tuinbouw, maritieme opleidingen, maatschappelijke veiligheid, mechanica-elektriciteit, muziekinstrumentenbouw, optiek, orthopedische technieken, tandtechnieken en textiel

22 punten

Tweede en derde graad algemeen secundair onderwijs (inclusief de aso-studierichtingen die tot het studiegebied sport behoren)

16 punten

Tweede en derde graad kunstonderwijs, de studiegebieden ballet en podiumkunsten

20 punten

Tweede en derde graad kunstonderwijs, het studiegebied beeldende kunsten

18 punten

Hoger beroepsonderwijs en Vierde graad

20 punten

Deeltijds beroepssecundair onderwijs

10 punten

2° voor alle scholen wordt per categorie, vermeld in 1°, het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in 172, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;

3° het B-SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP-SchK te noemen. (244)

Art. 246.

§ 1. Het budget V1, vermeld in artikel 244, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW-V1 te noemen.

§ 2. Het budget V2, vermeld in artikel 244, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het officieel gewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW-V2 te noemen. (245)

Art. 247.

§ 1. Het budget leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 244, § 3, wordt verdeeld in een bedrag per leerling geteld op de teldatum, vermeld in 172, per kenmerk volgens de volgende formules :

1° B-ClliOpl= B-lliOpl/ClliOpl;

2° B-ClliSt= B-lliSt/ClliSt;

3° B-ClliTa= B-lliTa/ClliTa;

4° B-ClliBu= B-lliBu/ ClliBu;

met :

a) B-ClliOpl= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 1;

b) B-ClliSt= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 2;

c) B-ClliTa= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 3;

d) B-ClliBu= bedrag per gecorrigeerd leerlingenaantal leerlingenkenmerk 4;

e) ClliOpl= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

f) ClliSt= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

g) ClliTa= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

h) ClliBu= het gecorrigeerde aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4.

§ 2. ClliOpl, ClliSt, ClliTa en ClliBu, vermeld in § 1, worden respectievelijk via de volgende formules berekend :

1° berekening van ClliOpl : ClliOpl= sigmalle scholen ClliOpl-school, waarbij :

ClliOpl-school = MIN (Proc-school-iOpl;

Gemid-tot-iOpl + (2 x Stdev-tot-iOpl)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliOpl-school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 1;

b) Proc-school-iOpl = het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

c) Gemid-tot-iOpl = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1;

d) Stdev-tot-iOpl = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 1 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 1;

2° berekening van ClliSt : ClliSt= sigmalle scholen ClliSt-school, waarbij :

ClliSt-school = MIN (Proc-school-iSt; Gemid-tot-iSt + (2 x Stdev-tot-iSt)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliSt-school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 2;

b) Proc-school-iSt = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

c) Gemid-tot-iSt = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2;

d) Stdev-tot-iSt = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

e) MIN= de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 2 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 2;

3° berekening van ClliTa : ClliTa= sigmalle scholenClliTa-school, waarbij :

ClliTa-school= MIN (Proc-school-iTa; Gemid-tot-iTa + (2 x Stdev-tot-iTa)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliTa-school = het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 3;

b) Proc-school-iTa = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

c) Gemid-tot-iTa = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen per school dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3;

d) Stdev-tot-iTa = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 3 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 3;

4° berekening van ClliBu : ClliBu= sigma alle scholenClliBu-school, waarbij :

ClliBu= MIN (Proc-school-iBu; Gemid-tot-iBu + (2 x Stdev-tot-iBu)) x aantal leerlingen in de school, waarbij :

a) ClliBu= het gecorrigeerde leerlingenaantal per school voor leerlingenkenmerk 4;

b) Proc-school-iBu = het procentueel aantal leerlingen per school dat in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

c) Gemid-tot-iBu = het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4;

d) Stdev-tot-iBu = de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4;

e) MIN = de laagste waarde van de twee : het procentueel aantal leerlingen dat per school in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 of het gemiddelde van het procentueel aantal leerlingen dat voor alle scholen samen in aanmerking komt voor leerlingenkenmerk 4 vermeerderd met twee keer de standaarddeviatie berekend op de totale procentuele leerlingenpopulatie voor leerlingenkenmerk 4. (246)

Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school

Art. 248.

Het werkingsbudget per school wordt voor een deel berekend op basis van schoolkenmerken en voor een deel op basis van leerlingenkenmerken. (247)

Art. 249.

§ 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in 172, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2 en SK-Gon.

§ 2. Het werkingsbudget per school van het gewoon secundair onderwijs is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP-SchK, vermeld in artikel 245, 3°;

2° het bedrag, verkregen door het resultaat van de volgende vermenigvuldigingen :

a) B-ClliOpl x ClliOpl-school;

b) B-ClliSt x ClliSt-school;

c) B-ClliTa x ClliTa-school;

d) B-ClliBu x ClliBu-school;

3° GW-V1, vermeld in artikel 246, § 1, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

4° GW-V2, vermeld in artikel 246, § 2, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school.

§ 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en [vanaf 2017]² met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 851.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dit bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243;

3° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, vermeerderd wordt met een transitiefonds dat in 2009 1.250.000 euro bedraagt en jaarlijks verminderd wordt met 125.000 euro.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na toepassing van § 2 wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs. Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 4.768.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 243. Die cao-middelen worden verdeeld naar rata van het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. (248)

[§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.]¹

[ ]¹ Decr. 8-7-2011; [ ]² Decr. 23-12-2016

Onderafdeling 5. - Evaluatie

Art. 250.

De Vlaamse Regering ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs. (249)

Art. 251.

In [2013 en 2014] wordt het nieuwe financieringssysteem door de Vlaamse Regering geëvalueerd. Deze evaluatie zal de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen beoordelen.

Uitgangspunten van deze evaluatie zijn :

- de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden;

- gelijke middelen voor elke school in eenzelfde situatie;

- het voeren van een gelijkekansenbeleid;

- transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit van het mechanisme;

- evolutie van de schoolloopbanen, met bijzondere aandacht voor gelijke kansen en talentontwikkeling. (250)

Decr. 25-4-2014

[Onderafdeling 6. Personeel ten laste van het werkingsbudget

Art. 251/1.

Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 249 of van de Vlaamse Ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het gewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.]

Decr. 21-12-2012

TITEL 2. - BEPALINGEN BETREFFENDE LEERLINGEN

HOOFDSTUK 1. - Regelmatige versus vrije leerling

Art. 252.

§ 1. Met regelmatige leerling wordt bedoeld de leerling die :

a) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :

1) beantwoorden aan de toelatingsvoorwaarden tot het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven;

2) [van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van dit leerjaar volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid;]¹

b) hetzij aan alle onderstaande voorwaarden voldoet :

1) voldoen aan de toelatingsvoorwaarden tot een eerste leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs, zoals bepaald in Hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

2) [beschikken over een verslag, als bepaald in artikel 294, en het individueel aangepast curriculum dat voor hem of haar is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]²

3) [...]²

§ 2. Leerlingen die niet beantwoorden aan het onder a) of b) gestelde, worden beschouwd als vrije leerlingen. (251)

[ ]¹ Decr. 25-11-2011; [ ]² Decr. 21-3-2014

[Art. 252/1.

Onverminderd de door de Vlaamse Regering bepaalde toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 252, is het voltijds gewoon secundair onderwijs toegankelijk voor leerlingen die de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Het kan worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin de leerlingen de leeftijd van 25 jaar bereiken.

Deze maximumleeftijd is evenwel niet van toepassing op :

1° leerlingen die tijdens het schooljaar 2013-2014 voltijds gewoon secundair onderwijs hebben gevolgd en vanaf het schooljaar 2014-2015 hun secundaire studie verder zetten;

2° de voorbereidende jaren op het hoger onderwijs, de Se-n-Se, de specialisatiejaren en het naamloos leerjaar van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

[[3° andere dan in 2° vermelde structuuronderdelen die door de Vlaamse Regering kunnen worden vastgelegd en voor zover het betrokken schoolbestuur beslist om in een of meer van zijn scholen onderhavige bepaling voor alle leerlingen van het betrokken structuuronderdeel toe te passen.]]

Voor de hbo5-opleiding Verpleegkunde geldt evenmin een maximumleeftijd.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 253.

Een leerling blijft in de volgende gevallen beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school :

- [...]

- een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs die op de datum van de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt.

Hij is daarenboven regelmatige leerling :

- [in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis of aan een residentiële setting], voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;

- in [de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium]. (252)

Decr. 21-3-2014

HOOFDSTUK 2. - [Diploma van secundair onderwijs]

Decr. 4-4-2014

Art. 254 en 255.

[...]

Decr. 4-4-2014

Art. 256.

§ 1. Het diploma van secundair onderwijs wordt uitgereikt aan de leerlingen van het secundair onderwijs :

1° die hun studies volbracht hebben overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;

2° die houder zijn van :

a) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school [, door Syntra Vlaanderen in de leertijd], of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs en het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;

b) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school [, door Syntra Vlaanderen in de leertijd], of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap en die het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen, technisch, kunst- of beroepssecundair onderwijs en het tweede en het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;

c) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school [, door Syntra Vlaanderen in de leertijd], of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het eerste en tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;

d) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school [, door Syntra Vlaanderen in de leertijd], of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs en het eerste leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben;

e) een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school [, door Syntra Vlaanderen in de leertijd], of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, en die het hoger beroepsonderwijs van het secundair onderwijs met vrucht volbracht hebben.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het diploma van secundair onderwijs gelijkgesteld :

1° het getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs;

2° het diploma van hoger secundair technisch onderwijs;

3° het diploma van hoger secundair kunstonderwijs;

4° de bekwaamheidsbewijzen, die vóór 1 september 1975 gelijkgesteld waren met die vermeld onder punt 1°, 2° of 3°;

5° het getuigschrift van hoger secundair onderwijs.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs gelijkgesteld :

1° het getuigschrift van lager secundair onderwijs;

2° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in de schooljaren 1996-1997 tot en met 1998-1999. (255)

Decr. 1-7-2011

[HOOFDSTUK 3. - Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs

Art. 256/1.

Bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt een "examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het secundair onderwijs" opgericht, hierna de "examencommissie" genoemd, die samengesteld wordt door en onder de leiding valt van de leidend ambtenaar van de instantie aan wie de organisatie van de examencommissie is opgedragen.

De examencommissie stelt een [[examenreglement]]¹ op en maakt dit bekend.

Art. 256/2.

De examencommissie is bevoegd voor uitreiking van de hiernavolgende, van rechtswege geldende, studiebewijzen :

1° het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs;

2° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

3° het diploma van secundair onderwijs [[...]]¹.

De examencommissie organiseert daartoe op permanente basis examens.

Art. 256/3.

§ 1. De examencommissie bepaalt over welke structuuronderdelen van het voltijds secundaironderwijsaanbod, zoals dat door de Vlaamse Regering is vastgelegd, examens kunnen worden afgelegd. De examencommissie houdt daarbij per structuuronderdeel ten minste rekening met de hiernavolgende criteria :

1° de technische en praktische haalbaarheid van de organisatie van de examens;

2° de financiële kost van de organisatie van de examens;

3° het te verwachten aantal inschrijvingen van kandidaten;

4° de mate waarin een doorsnee kandidaat er zelfstandig in slaagt om zich afdoende op het examenprogramma voor te bereiden.

§ 2. Het examenprogramma voor een structuuronderdeel is opgebouwd uit vakken. Het wordt ontwikkeld door de examencommissie, rekening houdend met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden als referentiekader voor de ontwikkeling van een examenprogramma, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die zijn bepaald in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving, gehanteerd.

Elk examenprogramma dient, voorafgaand aan de invoering, door de onderwijsinspectie te worden goedgekeurd. De onderwijsinspectie kan de goedkeuring van een examenprogramma intrekken op grond van onvoldoende actualiteitswaarde.

§ 3. Bij wijze van overgangsmaatregel kan, in afwijking van paragraaf 2, tot uiterlijk 30 september 2014 een kandidaat examens afleggen op basis van een schoolleerplan om een getuigschrift of diploma te behalen in een bepaald structuuronderdeel, als hij aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet :

1° de kandidaat is met het afleggen van de examens gestart vóór 1 oktober 2012;

2° de kandidaat is voor ten minste één vak ingeschreven in de twee jaar voorafgaand aan de nieuwe inschrijving.

Art. 256/4.

§ 1. Een inschrijving voor deelname aan de examens is rechtsgeldig als de kandidaat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet :

1° de kandidaat schrijft zich elektronisch in;

2° de kandidaat betaalt het inschrijvingsgeld, vastgesteld op 30 euro;

3° de kandidaat neemt deel aan een voorafgaande informatiesessie, behalve als de examencommissie daarvoor een vrijstelling verleend heeft.

De examencommissie regelt de praktische uitvoeringsbepalingen met betrekking tot die voorwaarden.

Het bedrag, vermeld in 2°, wordt [[jaarlijks vanaf 1 november]]² als volgt aangepast : het bedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.

§ 2. Het inschrijvingsgeld geldt voor het geheel van de examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen.

§ 3. Onwettige afwezigheid op examens wordt van rechtswege gelijkgesteld met uitschrijving. De resterende examens kunnen pas worden afgelegd als opnieuw voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

§ 4. Voor een examen over hetzelfde vak kan een kandidaat zich per jaar maximaal drie keer inschrijven.

§ 5. Zolang niet alle examens om een getuigschrift of diploma in een bepaald structuuronderdeel te behalen, zijn afgelegd, blijft het resultaat voor een afgelegd examen geldig gedurende zeven kalenderjaren, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het resultaat.

[[§ 6. De examencommissie kan de volgorde bepalen waarin vakken van een examenprogramma of onderdelen van eenzelfde vak van een examenprogramma moeten worden afgelegd.]]²

Art. 256/5.

De examencommissie stelt intern een subcommissie samen die bevoegd is voor het verlenen van vrijstelling van examen over bepaalde vakken aan een kandidaat die het bewijs levert van kennis van de desbetreffende leerinhouden.

Art. 256/6.

De examencommissie beslist autonoom over de vorm waaronder examens worden georganiseerd en over de cijfermatige normen per structuuronderdeel om als geslaagd te worden beschouwd. Deze normen zijn uniform voor alle kandidaten.

De examencommissie voorziet in een interne beroepsmogelijkheid voor de kandidaat tegen een omstreden beslissing "niet geslaagd". Het beroepsorgaan heeft volheid van bevoegdheid. Bij mededeling aan de kandidaat van de beslissing "niet geslaagd" wordt op de mogelijkheid tot beroep en op de overeenkomstige procedure gewezen.

Art. 256/7.

Voor de samenstelling van de examencommissie door de leidend ambtenaar van de instantie aan wie de organisatie van de examencommissie is opgedragen, gelden de hiernavolgende voorwaarden :

1° de betrokken instantie stelt competentieprofielen op die variëren naargelang van de aard van de prestaties van de medewerkers. Hoe dan ook bepaalt elk competentieprofiel, met uitzondering van dat van toezichter, dat de medewerker moet beschikken over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, zoals door de Vlaamse Regering bepaald voor het onderwijzend personeel van het gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs;

2° de oproep tot kandidaat-medewerkers wordt ten minste via de website van de betrokken instantie bekendgemaakt telkens er plaatsen te begeven zijn;

3° de betrokken instantie selecteert de medewerkers door toetsing van het individuele profiel aan het competentieprofiel ten minste op basis van interviews;

4° de lijst van de geselecteerde medewerkers wordt via de website van de betrokken instantie gepubliceerd.

Art. 256/8.

Aan de medewerkers van de examencommissie, uitgezonderd zij die met een verlof wegens bijzondere opdracht bij de examencommissie zijn tewerkgesteld zoals vermeld in het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeel Gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeel gesubsidieerd onderwijs, worden de volgende vergoedingen toegekend :

1°[[...]]¹

2° examinator, belast met het afnemen van examens : 15 euro per uur;

3° corrector, belast met het verbeteren van schriftelijke examens : 15 euro per uur;

4° toezichter, belast met het toezicht op het verloop van schriftelijke examens : 10 euro per uur.

Deze bedragen worden [[jaarlijks vanaf 1 november]]² als volgt aangepast : de bedragen worden vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het kalenderjaar in kwestie en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2012. Het resultaat van die berekening wordt afgerond naar de lagere eenheid bij een cijfer van minder dan vijf na de komma en afgerond naar de hogere eenheid bij een cijfer van vijf of meer na de komma.

Art. 256/9.

De examencommissie stelt een jaarverslag op dat wordt ingediend bij de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement.

Art. 256/10.

De examencommissie wordt om de vijf jaar geëvalueerd door de onderwijsinspectie. Het evaluatieverslag, met eventuele voorstellen tot bijsturing, wordt bezorgd aan de Vlaamse Regering.]

Decr. 29-6-2012; [[ ]]¹ Decr. 19-7-2013; [[ ]]² Decr. 25-4-2014

[HOOFDSTUK 4. - Screening niveau onderwijstaal

Art. 256/11

[[§ 1.]] Voor elke leerling die voor het eerst in het voltijds gewoon secundair onderwijs instroomt, voert de school een verplichte screening uit die nagaat wat het niveau van de leerling inzake de onderwijstaal is. Deze screening kan nooit voor de inschrijving van de leerling uitgevoerd worden en gebeurt met een valide en betrouwbaar screeningsinstrument.

Indien de resultaten van deze screening daar aanleiding toe geven, treft de school maatregelen die aansluiten bij de beginsituatie en de specifieke noden van de betrokken leerling inzake de onderwijstaal.

[[§ 2. In afwijking van paragraaf 1, is de screening niet verplicht voor een anderstalige nieuwkomer zoals bepaald in artikel 3, 2° /1. Voor deze leerling treft de school in elk geval maatregelen die aansluiten bij zijn beginsituatie en zijn specifieke noden inzake de onderwijstaal.]] ]

Decr. 19-7-2013; [[]] Decr. 17-6-2016

DEEL V. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS

TITEL 1. - [BEGRIPPEN]

Decr. 21-3-2014

Art. 257.

[Voor de toepassing van dit deel V wordt verstaan onder :

1° klassenraad: geheel van leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het medisch, paramedisch, psychologisch, orthopedagogisch en sociaal personeel die voorzien in het onderwijs en de opvoeding van de leerlingen en de verantwoordelijkheid dragen voor de klas. De klassenraad wordt voorgezeten door de directeur of zijn afgevaardigde;

2° pedagogische eenheid: leerlingen, behorende tot eenzelfde of tot verschillende types van buitengewoon onderwijs, tijdelijk of permanent gegroepeerd om opvoeding en onderwijs te krijgen aangepast aan hun onderwijsbehoeften.]

Decr. 21-3-2014

Art. 258.

[...]

Decr. 21-3-2014

TITEL 2. - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2, 3 EN 4

HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende scholen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4

Afdeling 1. - Structuur en organisatie

Art. 259.

[§ 1. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende types :

1° type basisaanbod, voor jongeren voor wie de onderwijsbehoeften dermate zijn en aantoonbaar blijkt dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn om de leerling te kunnen blijven meenemen binnen een gemeenschappelijk curriculum in een school voor gewoon onderwijs;

2° type 2, voor jongeren met een verstandelijke beperking.

Jongeren met een verstandelijke beperking voldoen aan alle onderstaande criteria :

a) ze hebben significante beperkingen in het intellectueel functioneren, wat op basis van een psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een totaal intelligentiequotiënt op een gestandaardiseerde en genormeerde intelligentietest kleiner of gelijk aan 60, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

b) ze hebben significante beperkingen in het sociale aanpassingsgedrag, wat op basis van psychodiagnostisch onderzoek tot uiting komt in een uitslag op een gestandaardiseerde en genormeerde schaal voor sociaal aanpassingsgedrag, die minstens drie standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten, rekening houdend met het betrouwbaarheidsinterval;

c) de functioneringsproblemen zijn ontstaan vóór de leeftijd van 18 jaar;

d) het besluit "verstandelijke beperking" wordt genomen na een periode van procesdiagnostiek;

3° type 3, voor jongeren met een emotionele of gedragsstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.

Jongeren met een emotionele of gedragsstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit;

b) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis;

c) de gedragsstoornis in enge zin, `conduct disorder';

d) een angststoornis; e) een stemmingsstoornis;

f) een hechtingsstoornis;

4° type 4, voor jongeren met een motorische beperking.

Jongeren met een motorische beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke medische diagnostiek, een uitval wordt vastgesteld in de neuromusculoskeletale en beweginggerelateerde functies, meer bepaald :

a) de functies van gewrichten en beenderen;

b) de spierfuncties, meer bepaald de spierkracht, de tonus en het uithoudingsvermogen, met gedeeltelijke of volledige uitval van :

1) een van de of beide bovenste of onderste ledematen;

2) de linkerzijde, de rechterzijde of beide zijden;

3) de romp;

4) overige;

c) de bewegingsfuncties;

d) een door medische diagnostiek geobjectiveerde problematiek met weerslag op het beweginggerelateerd functioneren die niet terug te brengen is tot criterium a) tot en met c) maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

5° type 5, voor jongeren die opgenomen zijn in een universitair ziekenhuis, een residentiele setting of verblijven in een preventorium.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de residentiële setting moet voldoen opdat er een school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, aan verbonden kan zijn.

Jongeren in type 5 beantwoorden aan alle onderstaande voorwaarden :

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding laat het niet toe dat de jongeren voltijds in een school aanwezig zijn;

b) de jongeren hebben behoefte aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in de residentiële omgeving verstrekt wordt;

6° type 6, voor jongeren met een visuele beperking.

Jongeren met een visuele beperking zijn jongeren bij wie op basis van specifieke oogheelkundige diagnostiek een gezichtsstoornis werd vastgesteld die beantwoordt aan minstens een van de volgende criteria :

a) een optimaal gecorrigeerde gezichtsscherpte die kleiner dan of gelijk aan 3/10 voor het beste oog is;

b) een of meer gezichtsvelddefecten die meer dan 50% van de centrale zone van 30° beslaan of die het gezichtsveld concentrisch tot minder dan 20° verkleinen;

c) een volledige altitudinale hemianopsie, een oftalmoplegie, een oculomotorische apraxie of een oscillopsie.

Onder altitudinale hemianopsie wordt verstaan : halfzijdige blindheid of blindheid in de helft van het gezichtsveld met verschillende varianten die door hersenbeschadiging veroorzaakt is.

Onder oculomotorische apraxie wordt verstaan : het niet kunnen fixeren van de ogen op één voorwerp en het niet kunnen volgen van bewegende voorwerpen. Onder oftalmoplegie wordt verstaan : verlamming van de oogspieren.

Onder oscillopsie wordt verstaan : subjectieve instabiliteit van het gezichtsveld of het symptoom waarbij het beeld dat iemand van de omgeving heeft, beweegt zodra het hoofd wordt bewogen;

d) een ernstige gezichtsstoornis die uit een geobjectiveerde cerebrale pathologie voortvloeit, zoals cerebrale visuele inperking;

e) een door een oogarts geobjectiveerde visuele problematiek die niet tot criterium a) tot en met d) terug te brengen is, maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten;

7° type 7, voor jongeren met een auditieve beperking of een spraak- of taalstoornis.

Jongeren met een auditieve beperking zijn jongeren die, op basis van een audiologisch onderzoek door een neus-, keel- en oorarts, beantwoorden aan een van de onderstaande criteria :

a) volgens de Fletcher-index een gemiddeld gehoorverlies hebben voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz van 40 dB of meer voor het beste oor zonder correctie;

b) als de Fletcher-index minder dan 40 dB bedraagt: een foneemscore van 80% of minder hebben bij de spraakaudiometrie met woorden met een medeklinker-klinker- medeklinker-samenstelling bij 70 dB geluidsterkte;

c) een door een neus-, keel- en oorarts geobjectiveerde auditieve problematiek hebben die niet terug te brengen is tot criterium a) of b), maar met een duidelijke impact op schoolse activiteiten.

Jongeren met een spraak- of taalstoornis zijn jongeren zonder een verstandelijke beperking, zoals bepaald in 2°, waarvoor, op basis van een multidisciplinair onderzoek door een erkend gespecialiseerd team, met minstens een logopedist, audioloog en neus-, keel- en oorarts, een diagnose ontwikkelingsdysfasie of kinderafasie wordt vastgesteld;

8° type 9, voor jongeren met een autismespectrumstoornis en die geen verstandelijke beperking hebben zoals bepaald in 2°.

Jongeren met een autismespectrumstoornis zijn jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld :

a) de autistische stoornis;

b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.

§ 2. Het buitengewoon secundair onderwijs wordt onderscheiden in de volgende opleidingsvormen, waarin telkens bepaalde types afzonderlijk of gezamenlijk kunnen worden georganiseerd :

1° opleidingsvorm 1, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en in voorkomend geval op arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 1;

2° opleidingsvorm 2, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is en op tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is. Jongeren met een verslag voor type 2, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 2;

3° opleidingsvorm 3, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren en op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu. Jongeren met een verslag voor type basisaanbod, 3, 4, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 3;

4° opleidingsvorm 4, gericht op maatschappelijk functioneren en participeren, al dan niet in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, en op het aanvatten, binnen de context van het gemeenschappelijk curriculum, van vervolgonderwijs of op tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, al dan niet met ondersteuning. Jongeren met een verslag voor type 3, 4, 5, 6, 7 en 9 kunnen inschrijven in opleidingsvorm 4.

§ 3. De Vlaamse Regering legt diagnostische protocollen vast voor de oriëntering naar de types als vermeld in § 1, 2° tot 8°.

§ 4. Een inschrijving in het type basisaanbod buitengewoon onderwijs is maximaal geldig tot het einde van de opleidingsfase. Op dit moment volgt een evaluatie door de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding.

Wanneer de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van deze evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zullen zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs en een verder verblijf in het basisaanbod nodig is, bevestigt het centrum voor leerlingenbegeleiding dit door de opmaak van een nieuw verslag, als vermeld in artikel 294, dat de inschrijving verlengt tot het einde van de kwalificatiefase en ook de inschrijving mogelijk maakt in de facultatieve integratiefase.

Wanneer de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding op basis van de evaluatie beslissen dat de aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen wel proportioneel of voldoende zullen zijn om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs dan :

1° ondersteunen de school voor buitengewoon onderwijs en het centrum voor leerlingenbegeleiding de ouders bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling kan ingeschreven worden;

2° maken de betrokken scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding en de ouders afspraken in functie van een vlotte overgang van de leerling van de school voor buitengewoon onderwijs naar de school voor gewoon onderwijs;

3° ontvangt de leerling een [[studieadvies]] van de klassenraad van de school voor buitengewoon secundair onderwijs.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 260.

[De klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, brengt voor iedere leerling gemotiveerd advies uit bij de overgang van de ene opleidingsvorm naar de andere, maar het centrum voor leerlingenbegeleiding beslist over een eventuele wijziging van het verslag.

De klasvorming en de vorming van de pedagogische eenheden gebeurt eveneens door de klassenraad, bijgestaan door het centrum voor leerlingenbegeleiding, rekening houdend met de mogelijkheden en de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerlingen.]

Decr. 21-3-2014

[Art. 260/1.

[[De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behalve in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling. Regelmatige leerling zijn in een bepaalde school,]] sluit niet uit dat een deel van de vorming van de opleidingsvorm en in voorkomend geval ook opleiding of studierichting waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school in dezelfde opleidingsvorm en in dezelfde administratieve groep voor buitengewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :

1° de regeling wordt in het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven opgenomen;

2° het schoolreglement van de school waar de leerling is ingeschreven, blijft onverkort van toepassing;

3° de regeling wordt voorafgaand onderhandeld in de lokale comités, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden, van de betrokken scholen;

4° de leraars van de andere school die aan de leerling vorming geven :

a) maken stemgerechtigd deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

b) maken raadgevend deel uit van de bevoegde klassenraden in het geval het scholen betreft die niet tot hetzelfde schoolbestuur behoren;

5° uitsluitend de school waar de leerling is ingeschreven, is bevoegd en verantwoordelijk voor evaluatie, studiebekrachtiging en kwaliteitszorg;

6° de samenwerking tussen de scholen wordt vastgelegd in een overeenkomst waarin alleszins volgende elementen worden opgenomen :

a) de samenwerkende scholen, met vermelding van de school van inschrijving;

b) de invulling van de samenwerking;

c) de looptijd van de samenwerking;

d) de afspraken over de evaluatie en kwaliteitszorg.

De samenwerkingsovereenkomst ligt steeds in de scholen ter inzage met het oog op administratieve controle en externe kwaliteitscontrole;

7° de leerling kan maximaal halftijds een deel van de vorming bijwonen in de andere school van het buitengewoon secundair onderwijs, dit wil zeggen maximaal voor de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waar hij is ingeschreven;

8° deze regeling is in hoofde van een leerling gedurende hetzelfde schooljaar niet combineerbaar met hetgeen in artikel 136/1 is opgenomen.]

Decr. 17-6-2016; [[ ]] Decr. 16-6-2017

Afdeling 2. - Eindtermen, ontwikkelingsdoelen, leerplan en handelingsplan

Art. 261.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. 262.

De ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.

Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op godsdienst berustende zedenleer, de niet-confessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald.

De Vlaamse Regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement.

De ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft.

De eindtermen en specifieke eindtermen worden ontwikkeld gebruik makend van [...] descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. (161)

Decr. 1-7-2011

Art. 263.

§ 1. Ontwikkelingsdoelen voor het voltijds buitengewoon secundair onderwijs zijn doelen op het vlak van kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes die de overheid wenselijk acht voor zoveel mogelijk leerlingen van de leerlingenpopulatie. In samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in [samenspraak] met de ouders [en de leerling] en eventueel andere betrokkenen, kiest de klassenraad de ontwikkelingsdoelen die aan individuele leerlingen of groepen worden aangeboden en uitdrukkelijk nagestreefd.

[De ontwikkelingsdoelen worden bepaald enerzijds voor opleidingsvorm 1 en 2 en anderzijds voor opleidingsvorm 3.]

§ 2. In de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs gelden de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs respectievelijk als eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties. Voor andere opleidingsvormen of types kan de klassenraad de eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen en/of erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs, van andere types van het buitengewoon secundair onderwijs, of van het gewoon of buitengewoon basisonderwijs overnemen als ontwikkelingsdoelen. In beide gevallen kan de klassenraad, rekening houdend met de kenmerken eigen aan de leerling, de gelijkwaardigheid beoordelen van prestaties in het betrokken type of de betrokken opleidingsvorm met de prestaties die door de eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen en/of erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs worden vereist. (262)

Decr. 21-3-2014

Art. 264.

Erkende beroepskwalificaties waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties om als beginnend beroepsbeoefenaar een beroep uit te oefenen. De competenties van de beginnend beroepsbeoefenaar zijn vervat in de beroepskwalificaties die erkend zijn volgens de procedure bepaald in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. (263)

Art. 265.

Voor die specifieke gedeelten van opleidingen die gericht zijn op beroepsuitoefening waarvoor geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de competenties, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt deze competenties op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van [...] descriptorelementen.

De tekst van het eerste lid wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt :

Voor die specifieke gedeelten van opleidingen, die gericht zijn op beroepsuitoefening, waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan en tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruik makend van [...] descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening dit zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn.

De VLOR en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen. (264)

Decr. 1-7-2011

Art. 266.

§ 1. Met de inachtneming van het door of krachtens het decreet bepaalde minimumlessenrooster en met inachtneming van de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen, beschikt elk schoolbestuur voor elk van zijn scholen over de vrijheid de lessenroosters en de leerplannen vast te stellen en kiest het vrij zijn pedagogische methodes.

De tekst van § 1 wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door wat volgt :

Met de inachtneming van het door of krachtens het decreet bepaalde minimumlessenrooster en met inachtneming van de ontwikkelingsdoelen en de erkende onderwijskwalificaties, beschikt elk voor elk van zijn scholen over de vrijheid de lessenroosters en de leerplannen vast te stellen en kiest het vrij zijn pedagogische methodes.

§ 2. Met inachtneming van de ontwikkelingsdoelen wordt in het buitengewoon onderwijs voor één of meer leerlingen samen op basis van zijn (hun) opvoedings- en onderwijsbehoeften, een handelingsplan opgemaakt. Dit plan bevat voor een bepaalde periode de pedagogisch-didactische planning voor bedoelde leerling(en) en legt onder meer de keuze aan ontwikkelingsdoelen vast, die de klassenraad in opdracht van het schoolbestuur voor hem (hen) wil nastreven.

Het handelingsplan geeft in voorkomend geval weer hoe het multidisciplinair teamwerk wordt gepland en hoe de sociale, psychologische, orthopedagogische, medische en paramedische hulpverlening in het opvoedings- en onderwijsaanbod wordt geïntegreerd.

In voorkomend geval kunnen bepaalde eindtermen, ontwikkelingsdoelen, of specifieke eindtermen van het [gewoon of buitengewoon secundair onderwijs]²[...]² of van het gewoon of buitengewoon basisonderwijs door een beslissing van de klassenraad in een handelingsplan worden opgenomen.

De tekst van dit lid wordt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum vervangen door het hier volgende lid :

In voorkomend geval kunnen bepaalde eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen of erkende beroepskwalificaties van het [gewoon of buitengewoon secundair onderwijs]²[...]² of van het gewoon of buitengewoon basisonderwijs door een beslissing van de klassenraad in een handelingsplan worden opgenomen.

Het handelingsplan wordt opgemaakt door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en [zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling].

[In het handelingsplan opgenomen ontwikkelingsdoelen met betrekking tot godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie zijn gebaseerd op de overeenkomstige leerplannen en zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder.]¹

[ ]¹ Decr. 19-7-2013; [ ]² Decr. 21-3-2014

§ 3. De leerplannen bevatten desgewenst de doelen die het schoolbestuur uitdrukkelijk formuleert voor zijn leerlingen vanuit het eigen opvoedingsproject in het algemeen of de eigen visie op het vak in het bijzonder.

Het leerplan moet voldoende ruimte laten voor de inbreng van scholen, leraren, lerarenteams of leerlingen.

§ 4. [Met het oog op het waarborgen van het studiepeil keurt de Vlaamse Regering volgens de vooraf door haar bepaalde criteria en op advies van de onderwijsinspectie, de leerplannen goed.

De leerplannen voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie dienen niet door de Vlaamse Regering goedgekeurd te worden. De leerplannen voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie zijn in overeenstemming met de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder en respecteren de bekrachtigde eindtermen en ontwikkelingsdoelen.] (265)

Decr. 19-7-2013

Art. 267.

§ 1. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en/of de specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom ontwikkelingsdoelen, eindtermen en/of specifieke eindtermen voor haar eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten, en/of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn; het schoolbestuur stelt in dezelfde aanvraag vervangende ontwikkelingsdoelen, eindtermen en/of specifieke eindtermen voor.

§ 2. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist, in voorkomend geval, of de vervangende eindtermen, ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke conform de codificatie betreffende het secundair onderwijs werden vastgelegd en toelaten gelijkwaardige studiebewijzen en diploma's af te leveren.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :

1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;

2° de vereiste inhoud : het onderwijsaanbod in de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs, voor het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar en het onthaaljaar, en het onderwijsaanbod in de eindtermen en specifieke eindtermen voor het gewoon secundair onderwijs omvat minstens inhouden voor de overeenstemmende vakken en attitudes.

Deze inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor conform deze afdeling eindtermen, ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen werden vastgelegd;

3° de vervangende ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen zijn geformuleerd in termen van wat van leerlingen verwacht kan worden;

4° de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;

5° de vervangende specifieke eindtermen slaan op, vaardigheden, specifieke kennis, inzichten en attitudes die de leerlingen moeten toelaten vervolgonderwijs aan te vatten;

6° de vervangende eindtermen, ontwikkelingsdoelen, en specifieke eindtermen zijn zo geformuleerd dat, nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen deze verwerven of de scholen deze nastreven bij de leerlingen;

7° aangegeven wordt welke eindtermen vakgebonden, vakoverschrijdend of attitudinaal zijn.

De Vlaamse Regering wint voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid, het gemotiveerd advies in van de onderwijsinspectie en van een commissie van deskundigen.

Voor de samenstelling van deze laatste commissie stelt de Vlaamse Regering een lijst op van onafhankelijke deskundigen. Deze lijst geldt voor een periode van vier jaar.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels van deze procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.

§ 3. Het schoolbestuur dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de ontwikkelingsdoelen, eindtermen en specifieke eindtermen zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De Vlaamse Regering legt een besluit betreffende een afwijkingsaanvraag in verband met ontwikkelingsdoelen, eindtermen of decretale specifieke eindtermen binnen een termijn van zes maanden ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.

§ 4. In afwijking op wat bepaald is in § 3, kan het schoolbestuur een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van 1 maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, indien deze publicatie gebeurt na 1 september van het schooljaar voorafgaand aan de inwerkingtreding.

In de gevallen, bedoeld in het vorige lid, is het schoolbestuur gebonden door de eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen vanaf 1 september volgend op de publicatie van het decreet dat de gelijkwaardige eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen erkent of op de beslissing van de Vlaamse Regering dat de afwijkingsaanvraag afwijst. (266)

Afdeling 3. - Programmatie en rationalisatie

Onderafdeling 1. - Begrippen en inleidende bepalingen

Art. 268.

§ 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :

[...]

1° Regelmatige leerling : de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden en, waar het voorzien is, aan de overgangsvoorwaarden en die regelmatig de activiteiten volgt [, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid];

[...]

2° Bevolkingsdichtheid van een arrondissement : de bevolking per bestuurlijk arrondissement, zoals die berekend werd ten gevolge van de laatst uitgevoerde volkstelling en vastgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gedeeld door de totale oppervlakte van het arrondissement, uitgedrukt in km2.

De bevolkingsdichtheid, in aanmerking te nemen voor een school die vestigingsplaatsen heeft in verschillende arrondissementen, wordt vastgesteld op basis van volgende berekening : de totale bevolking van deze arrondissementen worden gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km2.

[...]

§ 2. De scholen van het buitengewoon onderwijs worden, naargelang van het schoolbestuur waarvan zij afhangen, voor de toepassing van [deze afdeling] ingedeeld in de volgende groepen :

- scholen van het gemeenschapsonderwijs;

- gesubsidieerde officiële scholen;

- gesubsidieerde vrije katholieke scholen;

- gesubsidieerde vrije protestantse scholen;

- gesubsidieerde vrije israëlitische scholen;

- gesubsidieerde vrije islamitische scholen;

- gesubsidieerde vrije orthodoxe scholen;

- gesubsidieerde vrije anglicaanse scholen;

- gesubsidieerde vrije niet-confessionele scholen.

§ 3. In geval van overmacht wordt de tijdelijke overbrenging van een school of vestigingsplaats niet gelijkgesteld met een nieuwe oprichting.

In geval van definitieve ontruiming mag het verlaten schoolgebouw niet meer geheel of gedeeltelijk in gebruik genomen blijven. (267)

Decr. 21-3-2014

Art. 269.

Aan de rationalisatie of programmatie wordt per taalstelsel uitvoering gegeven. (268)

Art. 270.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt bij de rekenkundige bewerkingen op de schoolbevolkingsminima het eindresultaat afgerond tot de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma 5 of meer is. (269)

Art. 271.

Zonder afbreuk te doen aan artikel 286 worden voor de toepassing van de bevolkingsminima de regelmatige leerlingen in aanmerking genomen, die op 1 oktober voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 291 tot en met 295 [...]. (270)

Decr. 21-3-2014

Art. 272 en 273.

[...]

Decr. 21-3-2014

Onderafdeling 2. - Fusie

Art. 274.

§ 1. De fusie van scholen kan worden doorgevoerd onder volgende voorwaarden :

1. De fusie geschiedt :

- ofwel door samenvoeging tot één school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft;

- ofwel door de samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één van de betrokken scholen blijft bestaan die de andere school of scholen opslorpt.

2. De fusie wordt zowel uit oogpunt van de administratieve, als van pedagogische organisatie in éénmaal tot stand gebracht.

Zij sluit in dat er nog slechts één schoolbestuur en één schooldirectie is.

3. De fusie moet ingaan uiterlijk op 1 oktober van het lopende schooljaar.

[4. De fusie wordt door het schoolbestuur of de schoolbesturen in kwestie [[uiterlijk op 1 april]] van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]¹

§ 2. De scholen gefinancierd of gesubsidieerd in functie van artikel 286 kunnen in de periode van programmatie geen beroep doen op de bepalingen van § 1 van dit artikel.

§ 3. De school ontstaan uit een fusie wordt niet beschouwd als een oprichting van een nieuwe school. (273)

[§ 4. Voorafgaand aan de vrijwillige fusie per 1 september, dient het schoolbestuur [[uiterlijk op 1 april]], een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Bij een gedwongen fusie dient het schoolbestuur uiterlijk op 30 september voorafgaand aan de gedwongen fusie per 1 oktober een melding in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]²

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 275.

[Een school die ontstaat uit fusie kan verschillende vestigingsplaatsen hebben.]

Decr. 21-3-2014

Onderafdeling 3. - Rationalisatie

Art. 276.

Elke school voor buitengewoon secundair onderwijs moet op de datum bepaald in artikel 271 ten minste 15 leerlingen tellen.

[Deze bepaling is niet van toepassing op ziekenhuisscholen.] (275)

Decr. 21-3-2014

Art. 277.

§ 1. Elke school voor buitengewoon secundair onderwijs moet op de datum bepaald in artikel 271 aan de bevolkingsminima voldoen bepaald in [§ 4]² van dit artikel.

[Voor de ziekenhuisscholen wordt de datum bepaald in artikel 271 gelijkgesteld aan de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 oktober van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt en de berekeningswijze gebaseerd op de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen.]¹

§ 2. In de scholen voor secundair onderwijs met meer dan één opleidingsvorm wordt het bevolkingsminimum bepaald door de som te maken van de bevolkingsminima, zoals bepaald in [§ 4]² van dit artikel, van de opleidingsvormen die in de school gefinancierd of gesubsidieerd zijn.

§ 3. De rationalisatienormen, zoals bepaald in [§ 4]² van dit artikel, worden toegepast op de globale bevolking van al de vestigingsplaatsen. Het hoofdgebouw wordt daarbij in aanmerking genomen als vestigingsplaats.

§ 4. De minima worden voor de verschillende opleidingsvormen afzonderlijk vastgesteld als volgt :

Opleidingsvorm

Bevolkingsminimum

1

7

2

12

3

24

4

12

§ 5. [Het aantal leerlingen van type 6 in alle opleidingsvormen, van type 7 in opleidingsvorm 1 en 4, en van type 3, opleidingsvorm 3 wordt met 2 vermenigvuldigd om de norm te bereiken bepaald in paragraaf 4 van dit artikel.]²

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 278.

In afwijking van artikel 277 worden de minima verminderd met één vierde :

- voor de scholen, gelegen in arrondissementen met een bevolkingsdichtheid van minder dan 75 inwoners/km2;

- voor de scholen met het Nederlands als onderwijstaal, die gelegen zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. (277)

Art. 279.

§ 1. In afwijking van de artikelen 277 en 281, § 1, kan, indien in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad geen enkele school van een bepaalde groep met het Nederlands als onderwijstaal, de rationalisatienormen voorzien in deze afdeling bereikt, één school van deze groep in dit arrondissement de georganiseerde opleidingsvormen en haar volledige structuur behouden op voorwaarde dat ze ten minste 15 leerlingen telt, ongeacht de bevolking per opleidingsvorm.

§ 2. Indien meerdere scholen hiervoor in aanmerking komen dan blijft de school met het grootste aantal regelmatige leerlingen op 1 oktober verder bestaan. (278)

Art. 280.

§ 1. Elke school met verschillende opleidingsvormen, die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 277 [...] en 278, maar waarvan de bevolking van één of meer opleidingsvormen beneden de normen gesteld bij dezelfde artikelen ligt, mag deze opleidingsvormen behouden wanneer de bevolking van elke opleidingsvorm afzonderlijk niet minder bedraagt dan 2/3 van deze norm.

§ 2. Elke school bestaande uit verschillende opleidingsvormen die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 277 [...] en 278, maar waarvan de bevolking van één of meer opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm gesteld in § 1 van dit artikel niet bereikt, moet de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) met ingang van 1 oktober van dit tweede schooljaar afschaffen of de school moet vanaf dezelfde datum fusioneren.

§ 3. Elke school bestaande uit verschillende opleidingsvormen, die gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet het totaal van de norm bereikt met toepassing van de artikelen 277 [...] en 278, maar waarvan elke opleidingsvorm de norm bereikt gesteld in § 1, van dit artikel, moet uiterlijk met ingang van 1 oktober van het tweede schooljaar de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) afschaffen, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van artikel 276 moet elke school die slechts opleidingsvorm 3 inricht, en die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van de artikelen 277 [...] en 278, niet bereikt maar waarvan de bevolking niet minder bedraagt dan 2/3 van de norm die daarop toepasselijk is, uiterlijk met ingang van 1 oktober van het tweede schooljaar afgeschaft worden ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren.

[In afwijking van het voorgaande lid kan de school verder voortbestaan, na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. Het schoolbestuur moet hiertoe een gemotiveerde afwijkingsaanvraag indienen, met daarin een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid aantoont, rekening houdend met het lokale aanbod, en dit ten laatste op 1 september van het tweede schooljaar.]

§ 5. In een school met verschillende opleidingsvormen, waar opleidingsvorm 3 afgeschaft moet worden krachtens deze afdeling en waar binnen deze opleidingsvorm slechts één opleiding bestond, mag deze opleiding geleidelijk opgeheven worden, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, op voorwaarde dat binnen een afstand van 20 km geen enkele school van dezelfde groep deze opleiding organiseert. (279)

Decr. 17-6-2016

Art. 281.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 276 dient de bevolking in de opleidingsvorm 3 van een school voor buitengewoon secundair onderwijs, om het hieronder bepaald aantal [opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen] te behouden, aan volgende minima te voldoen :

[opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]

Bevolkingsminimum

2

32

3

48

4

64

en één bijkomende [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen] per reeks van 16 leerlingen.

§ 2. Bij deze berekening worden de in aanmerking komende leerlingen van de [types 3, 6 en 7]² vermenigvuldigd met 2.

§ 3. Voor de scholen bedoeld in artikel 278, die opleidingsvorm 3 organiseren, wordt de minimum schoolbevolking vereist voor 2 [opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen] bepaald op 24.

[§ 4. Gedurende de periode van omvorming van de in de vroegere structuur georganiseerde opleidingen naar de nieuwe structuur van opleidingen en de samenhangende gehelen van opleidingen worden de bevolkingsminima van de opleidingen berekend door de leerlingen van de oude opleidingen samen te tellen met die van de correspon- derende nieuwe opleidingen of het nieuwe samenhangend geheel van opleidingen.]¹ (280)

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 282.

In afwijking van artikel 276 moet de school die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van artikel 281 niet bereikt, uiterlijk met ingang van 1 oktober van dit tweede schooljaar, de niet meer te financieren of te subsidiëren [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen] geleidelijk opheffen, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, ofwel moet de school fusioneren. (281)

Decr. 21-3-2014

Art. 283.

Indien voor een bepaalde opleidingsvorm in een bepaalde provincie [of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad] en per taalstelsel geen enkele school van een bepaalde groep de rationalisatienorm voorzien in deze afdeling bereikt, dan mag één school van deze groep in deze provincie [of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad] en dit taalstelsel de opleidingsvorm behouden op voorwaarde dat de totale schoolbevolking van 15 leerlingen bereikt wordt. (282)

Decr. 21-3-2014

Art. 284.

Indien op de datum bepaald in artikel 271 de rationalisatienormen voorzien in de artikelen 276 tot en met 279 niet bereikt worden, dan moet(en) ofwel de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) uiterlijk met ingang van 1 oktober van het lopende schooljaar afgeschaft worden ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fusioneren. (283)

Art. 285.

In een vestigingsplaats ontstaan door fusie met toepassing van artikel 275 kunnen alleen de opleidingsvormen en [opleidingen of samenhangend geheel van opleidingen] die er bestonden vóór de fusie verder georganiseerd blijven. (284)

Decr. 21-3-2014

Onderafdeling 4. - Programmatie

[Art. 285/1.

De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld [[uiterlijk 1 april]] van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, en de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing.]

Decr. 25-4-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 286.

§ 1. Per 1 september kan een school worden opgenomen in de financiering of subsdiëring indien op de datum bepaald in artikel 271 aan de drie volgende voorwaarden wordt voldaan :

1° ten minste 2 opleidingsvormen organiseren;

2° voor elke opleidingsvorm afzonderlijk 150 % van de rationalisatienorm, bepaald in de artikelen 277, 278 en 281 van deze afdeling bereiken;

3° ten minste : het eerste jaar 200 %, het tweede jaar 250 %, en het derde jaar 300 %, van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278, voor elke gefinancierde of gesubsidieerde opleidingsvorm bereiken.

§ 2. Worden deze minima niet bereikt, dan moet(en) hetzij de in gebreke blijvende opleidingsvorm(en) hetzij de school met ingang van 1 september daaropvolgend worden opgeheven.

§ 3. Met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen van de rationalisatie van toepassing. (285)

[§ 4. In afwijking van paragraaf 1 kan een schoolbestuur die een nieuwe school wil oprichten met enkel opleidingsvorm 4 dit eveneens doen.]

[§ 5. In aanvulling op paragraaf 1 tot en met paragraaf 4 moet een schoolbestuur dat een nieuwe school wil oprichten een oprichtingsdossier indienen. Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier;

2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de nieuwe school. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs.

Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1;

3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe school; 4° de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot de nieuwe school worden in het dossier weergegeven.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 6. De oprichting vanaf 1 september van een nieuwe school kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.]

Decr. 21-3-2014

Art. 287.

[§ 1. Elke school die voldoet aan de rationalisatienormen, bepaald bij de artikelen 276 tot en met 278 mag één of meer vestigingsplaatsen oprichten.

§ 2. In de vestigingsplaatsen bedoeld in paragraaf 1 kunnen uitsluitend al in de school georganiseerde of in de toelageregeling opgenomen opleidingsvormen, opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen en types worden opgericht, tenzij er nieuwe opleidingsvormen, opleidingen of samenhangende gehelen van opleidingen en types worden opgericht.

§ 3. Onverminderd de bepalingen in paragraaf 1 en paragraaf 2 kan een school van opleidingsvorm 4, type 5, pas een nieuwe vestigingsplaats oprichten na goedkeuring door de Vlaamse Regering.]

Decr. 21-3-2014

Art. 288.

[In afwijking van artikel 286 is de financiering of subsidiering van een school voor buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, op 1 september 2014 mogelijk, zonder een bijkomende programmatie of programmatienorm, op voorwaarde dat deze school van opleidingsvorm 4, type 5 :

1° ofwel gehecht is aan een universitair ziekenhuis, en daar tot 31 augustus 2014 een secundaire afdeling was van een school voor buitengewoon basisonderwijs type 5;

2° ofwel gehecht is aan een residentiële setting, die valt onder toepassing van artikel 289/1.]

Decr. 21-3-2014

Art. 289.

§ 1. Bij beslissing van het schoolbestuur kan een bestaande school die voldoet aan de rationalisatienorm per 1 september :

1° een bestaande opleidingsvorm 1 of 2 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm volledig en gelijktijdig wordt opgeheven en dat, op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;

2° een bestaande opleidingsvorm 3 of 4 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm, op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, wordt opgeheven en dat op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;

3° een bestaande [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen] in opleidingsvorm 3 die beantwoordt aan de rationalisatienorm omvormen tot een andere [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹, op voorwaarde dat de bestaande [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het [laagste]¹, wordt opgeheven en dat op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, voldaan wordt aan de normen voorzien in artikel 281.

Tijdens de periode van omvorming kunnen in de opleidingsvorm of de opleiding, die opgeheven wordt, geen nieuwe leerlingen ingeschreven worden, nochtans mogen de leerlingen die deze opleidingsvorm of deze opleiding in deze school volgen hun opleiding daarin beëindigen. De leerlingen van de opleidingsvorm of de opleiding, die opgeheven wordt, komen evenwel niet in aanmerking voor de berekening van de rationalisatienormen zoals bepaald in deze afdeling;

4° deze omvormingen voorzien in de punten 1°, 2° en 3° van deze paragraaf moeten doorgevoerd worden in al de vestigingsplaatsen van de school waar deze opleidingsvorm of deze [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ wordt georganiseerd.

[Omvormingen van een bestaande opleidingsvorm naar opleidingsvorm 4, zoals voorzien in de punten 1° en 2° van deze paragraaf zijn slechts mogelijk indien een school een samenwerkingsovereenkomst kan voorleggen met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)len van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1;]¹

5° een opleidingsvorm 1, 2 of 3 oprichten op voorwaarde dat, op de datum bepaald in artikel 271 :

- het vorig schooljaar ten minste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;

- 250 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277 en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing;

6° een opleidingsvorm 4 oprichten, op voorwaarde dat op de datum bepaald in artikel 271 :

- het vorig schooljaar tenminste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;

- 125 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277, § 5, en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

§ 2. Per provincie [of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad]¹ en per groep en per taalstelsel kan in een bestaande school een opleidingsvorm gefinancierd of gesubsidieerd worden op voorwaarde dat op de datum die in artikel 271 wordt bepaald aan volgende voorwaarden wordt voldaan :

[- dit de enige opleidingsvorm is in die provincie per groep en per taalstelstel of maximaal de tweede opleidingsvorm is in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad per groep en per taalstelsel;]²

- het vorig schooljaar tenminste het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;

- voor elk van de nieuw georganiseerde opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 bereiken.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van § 1, 1°, 2° en 3° van dit artikel zijn tijdens de periode van programmatie niet van toepassing voor de opleidingsvormen opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig deze paragraaf.

§ 3. In een bestaande school die een opleidingsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan :

- een tweede [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ worden opgericht wanneer de opleidingsvorm [24]² leerlingen telt;

- een derde [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ indien hij 90 leerlingen telt;

- een vierde [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ wanneer hij 140 leerlingen telt.

Vervolgens mag een bijkomende [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ opgericht worden per bijkomende schijf van [25]² leerlingen.

Elke nieuwe [opleiding of samenhangend geheel van opleidingen]¹ dient gedurende twee opeenvolgende schooljaren op de datum vermeld in artikel 271 te voldoen aan de overeenkomstige norm.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen van de rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van § 1, 3°, van dit artikel zijn niet van toepassing tijdens de periode van programmatie van de [opleidingen of samenhangend geheel van opleidingen]² gefinancierd of gesubsidieerd overeenkomstig deze paragraaf.

§ 4. [In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragraaf 2, moet een schoolbestuur dat één of meer nieuwe opleidingsvormen wil oprichten een oprichtingsdossier indienen.

Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

1° het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;

2° het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de school met de nieuwe opleidingsvorm 4. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1.

Dit punt is niet van toepassing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2. Voor een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, onder toepassing van paragraaf 2, is een samenwerkingsovereenkomst, zoals hierboven vermeld, wel verplicht;

3° de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe opleidingsvorm(en);

4° de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe opleidingsvorm(en) worden in het dossier weergegeven.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.]¹

[§ 5. De oprichting vanaf 1 september van één of meer nieuwe opleidingsvormen kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Dit advies wordt niet gevraagd aan de Vlaamse Onderwijsraad indien het pro- grammatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad is geen element in deze beslissing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.]¹ (288)

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 17-6-2016

[Art. 289/1.

In afwijking van artikel 289 kan een op 31 augustus 2014 bestaande school van buitengewoon secundair met opleidingsvorm 1, type 4, die verbonden is aan een revalidatiecentrum, per 1 september 2014 de gehele opleidingsvorm 1, type 4, omvormen tot een opleidingsvorm 4, type 5. Het schoolbestuur meldt dit uiterlijk op 1 juli 2014 aan AgODi.]

Decr. 21-3-2014

Art. 290.

In afwijking van de artikelen 286 en 289, § 1, 5° en 6°, en § 2 kan in een school of opleidingsvorm het type 7 niet opgericht worden in het schooljaar 2009-2010 [, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 [[, 2013-2014 en 2014-2015]] ]. In het schooljaar 2009-2010 [, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 [[, 2013-2014 en 2014-2015]] ] wordt de oprichting van type 7 beschouwd als een programmatie, voor de scholen en opleidingsvormen die op de teldatum van het schooljaar 2008-2009 geen leerlingen van dat type hadden. (289)

Decr. 5-7-2013; [[ ]] Decr. 21-3-2014

[Art. 290/1.

§ 1. In afwijking van de artikelen 286 en 289 wordt de oprichting van een nieuwe type ook als een programmatie beschouwd.

De school hertelt op de datum, vermeld in artikel 271, indien er effectief leerlingen van het nieuwe type zijn op die datum en voldaan is aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2.

Indien simultaan een nieuwe school wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de school voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 286.

Indien simultaan een nieuwe opleidingsvorm of een nieuwe opleiding wordt opgericht met dit nieuwe type, moet voor de oprichting van dit nieuwe type voldaan zijn aan de voorwaarden, bepaald in paragraaf 2 van dit artikel en voor de oprichting van de opleidingsvorm en de opleiding voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 289.

§ 2. In een school of opleidingsvorm kan een nieuw type worden opgericht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

1° het schoolbestuur dient een programmatiedossier in dat ten minste voldoet aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden :

a) het schoolbestuur dient het dossier in na overleg binnen de schoolraad en in de wettelijk voorziene overlegorganen met het personeel;

b) het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste verblijfmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmo- gelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld;

c) de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor het nieuwe type;

d) de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe type worden in het dossier weergegeven.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het programmatiedossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld;

2° de oprichting vanaf 1 september van het nieuwe type kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het programmatiedossier aan AgODi, dat de aanvraag voor advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.

§ 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.

[[De oprichting van een type in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering.]] ]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende leerlingen van de opleidingsvormen 1, 2, 3 en 4

Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden

Onderafdeling 1. - Leeftijd

Art. 291.

Voor de toelating tot het buitengewoon secundair onderwijs komen in aanmerking personen met een handicap vanaf 13 jaar tot 21 jaar. Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen [vroeger] worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292, 1°, 2°. (290)

Decr. 25-4-2014

Art. 292.

Kinderen en adolescenten kunnen als regelmatige leerling in een school voor buitengewoon secundair onderwijs worden toegelaten op basis van een [verslag]¹ dat opgesteld is zoals bepaald in artikel 294 :

1° na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van dertien jaar bereiken;

2° op gemotiveerd advies, [opgenomen in]³ het [verslag]¹, na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van twaalf jaar bereiken;

3° als ze meer dan eenentwintig jaar zijn en [voldoen aan de bepalingen van één van de paragrafen van artikel 293]¹;

[4° als ze beschikken over een getuigschrift basisonderwijs.]² (291)

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 25-4-2014; [ ]³ Decr. 17-6-2016

Art. 293.

[§ 1. Een klassenraad van een leerling aangewezen op opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2, kan, indien zij hiertoe een schriftelijke verlengingsaanvraag krijgt van de betrokken personen, een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt telkens voor één schooljaar verder laten genieten van het buitengewoon onderwijs in functie van het behalen van het attest. Dit is mogelijk indien [[deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap]], niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Dit is eveneens mogelijk indien er geen plaats is voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 in de post-schoolse opvangmogelijkheden op gebied van tewerkstelling, en deze opvang geweigerd is, niettegenstaande een expliciete vraag hiertoe door de betrokken personen en dit blijkt uit de verlengingsaanvraag van de betrokken personen. Deze verlengingsaanvraag moet uiterlijk op 1 september voorgelegd worden aan de klassenraad. De klassenraad dient uitspraak te doen over deze aanvraag ten laatste op 15 september van het schooljaar waarop de verlenging van toepassing is.

[[Een klassenraad kan de verlengingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, ofwel accepteren ofwel weigeren. De klassenraad kan daarbij ofwel voorrang geven aan leerlingen met een eerste aanvraag tot verlenging op leerlingen met een tweede of een nog verdere verlengingsaanvraag, ofwel voorrang geven aan leerlingen met een context die meer ondersteuning noodzaakt boven leerlingen die een context hebben die minder ondersteuning noodzaakt. Leerlingen over wie de klassenraad een positieve beslissing neemt, voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inzake de leeftijd. Leerlingen over wie een negatieve beslissing wordt genomen, voldoen niet aan de toelatingsvoorwaarden inzake leeftijd. Een leerling voor wie de gewenste ondersteuning in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap effectief opgestart is, komt niet in aanmerking voor verlengingen. Als de verlenging al aangevangen was voor de gewenste ondersteuning kon opstarten, kan de leerling ook verder ingeschreven blijven en zijn schooljaar afwerken, na de opstart van de gewenste ondersteuning, als de betrokken personen beoordelen dat het haalbaar is.]]

[[Een klassenraad kan ook beslissen om nooit verlengingen zoals hiervoor vermeld toe te staan. Als dit het geval is, neemt de school dat op in het schoolreglement.]]

§ 2. In afwijking van de voorgaande paragraaf worden de personen die voldoen aan één van de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, door de klassenraad van rechtswege toegelaten tot het buitengewoon secundair onderwijs na de leeftijd van eenentwintig jaar :

1° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 3 of 4, die nog ten hoogste twee schooljaren nodig heeft na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, voor het behalen van een getuigschrift van opleidingsvorm 3 of het diploma van secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of het getuigschrift van alternerende beroepsoplei- ding;

2° een leerling, aangewezen op opleidingsvorm 1, 2, 3 of 4, die ingevolge ziekte of ongeval in de loop van het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs een handicap of een bijkomende handicap heeft opgelopen als gevolg waarvan zich een ernstige regressie heeft voorgedaan en waarvoor de termijn waarbinnen de studie zal beëindigd zijn duidelijk is aangegeven;

3° een persoon met een handicap van meer dan eenentwintig jaar die voor het eerst [[of opnieuw]] in het buitengewoon secundair onderwijs wenst ingeschreven te worden, als deze persoon door een ongeval of ziekte hem overkomen in aanmerking kan komen voor een beroepsopleiding of training in compenserende vaardigheden in het buitengewoon secundair onderwijs.

§ 3. In afwijking van de voorgaande paragrafen kunnen de leerlingen, die toegelaten worden tot het geïntegreerd onderwijs [[...]], ook na de leeftijd van eenentwintig jaar van rechtswege genieten van de voordelen van het geïntegreerd onderwijs.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 16-6-2017

[Onderafdeling 2. - Verslag en attest

Art. 294.

[§ 1. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, is een attest vereist, dat uitgereikt is ofwel door de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening ofwel door de directeur van de residentiële set- ting. De Vlaamse Regering bepaalt wat het attest moet inhouden.

§ 2. Voor de toelating van een leerling tot een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde school voor buitengewoon secundair onderwijs is een verslag van centrum voor leerlingenbegeleiding vereist, opgesteld met inachtname van artikel 37 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt :

1° voor een inschrijving in opleidingsvorm 1, 2 of 3 :

a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven meenemen, ofwel disproportioneel, ofwel onvoldoende zijn;

c) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;

d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling als bepaald in artikel 225, § 1, 1°, 4° en 5°;

e) welk type en welke opleidingsvorm voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 259, § 1, 1° tot 8°, en § 2, 1° tot 3°;

2° voor een inschrijving in opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5 :

a) dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de betreffende leerling werden doorlopen, tenzij de school in uitzonderlijke omstandigheden kan motiveren dat het doorlopen van een bepaalde fase niet relevant is;

b) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, die nodig zijn om de leerling binnen een gemeenschappelijk curriculum te blijven mee- nemen binnen de context van een gewone school disproportioneel zijn;

c) dat de inzet van paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch of orthopedagogisch personeel in een gespecialiseerde onderwijsomgeving noodzakelijk is om de onderwijsdoelen te bereiken;

d) dat de onderwijsbehoeften van de leerling werden omschreven met toepassing van een classificatiesysteem dat wetenschappelijk onderbouwd is en gebaseerd is op een interactionele visie en een sociaal model van handicap;

e) dat de onderwijsbehoeften van de leerling niet louter toe te schrijven zijn aan een gelijkekansenindicator van de leerling als bepaald in artikel 225, § 1, 1°, 4° en 5°;

f) welk type voor de leerling van toepassing is, als bepaald in artikel 259, § 1, 3° tot 8°, met uitzondering van 5°.

§ 3. Voor een leerling die overgaat van het buitengewoon basisonderwijs naar het buitengewoon secundair onderwijs of die voor het eerst naar school gaat en wil starten in het buitengewoon secundair onderwijs moet in afwijking van [[§ 2, 1°, a) en b), en § 2, 2°, a) en b)]] worden aangetoond dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende en dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zullen zijn om de leerling mee te nemen in een gemeenschappelijk curriculum in een school voor gewoon onderwijs.

§ 4. Het verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording. De Vlaamse Regering bepaalt wat het verslag moet inhouden. [[Het protocol ter verantwoording bevat de verantwoording van de elementen vermeld in paragraaf 2 en, in voorkomend geval, in paragraaf 3.]]

§ 5. Een leerling kan alleen het buitengewoon onderwijs volgen van de opleidingsvorm en het type waarnaar hij in het verslag georiënteerd wordt, met uitzondering van de leerlingen van opleidingsvorm 4, type 5.

§ 6. Voor leerlingen die tijdens het schooljaar 2014-2015 ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs geldt [[paragraaf 2]] alleen bij wijziging van onderwijsniveau, van type of van opleidingsvorm.

§ 7. Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van [[§ 2, 1°, b) en c), of § 2, 2°, b), c) en d)]] kan het centrum voor leerlingenbegeleiding op eigen initiatief, op vraag van de ouders of op vraag van de school het verslag opheffen.

§ 8. Bij onenigheid tussen ouders, school en centrum voor leerlingenbegeleiding over het afleveren van het verslag kan, op initiatief van een van de betrokken partijen, een beroep gedaan worden op een Vlaamse Bemiddelingscommissie. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werkingsprincipes van deze commissie.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Onderafdeling 3. - Type 5

Art. 295.

Een leerling blijft in de volgende gevallen beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school :

[...]

- een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs die op de datum van de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgen in een school van type 5 of een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt.

Hij is daarenboven regelmatige leerling :

- [in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis of aan een residentiële setting], voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;

- in [de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een preventorium]. (294)

Decr. 21-3-2014

HOOFDSTUK 3. - [Financiering, subsidiëring en waarborgregeling]

Decr. 15-7-2016

Afdeling 1. - Financiering en subsidiëring van de personeelsleden

Onderafdeling 1. - Directeur

Art. 296.

In het buitengewoon secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een school met ten minste 72 regelmatige leerlingen op de gebruikelijke teldatum.

Indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht pro rata van 2 lesuren per volledige reeks van 9 leerlingen die ontbreken. De lesuren vallen binnen het lesurenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op het overeenstemmende salaris of salaristoelage.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden enerzijds de regelmatige leerlingen van de opleidingsvormen 1 en 2 vermenigvuldigd met 1,33 en anderzijds in scholen die minimaal 10 regelmatige leerlingen in het geïntegreerd onderwijs begeleiden, de leerlingen die op de eerste schooldag van oktober van het voorafgaande schooljaar in het kader van geïntegreerd onderwijs begeleid werden, in aanmerking genomen. (295)

Onderafdeling 2. - Onderwijzend personeel

Art. 297.

§ 1. Het volume van de gefinancierde en gesubsidieerde betrekkingen wordt voor elk schooljaar en per school bepaald volgens de in deze onderafdeling vermelde normen.

§ 2. In aanmerking komende leerlingen zijn die welke als regelmatige leerlingen dienen beschouwd te worden overeenkomstig [de artikelen 291 tot en met 295]. (296)

Decr. 21-3-2014

Art. 298.

§ 1. Het volume van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde betrekkingen in de wervingsambten van het onderwijzend personeel van het buitengewoon secundair niveau wordt vastgesteld binnen de lesurenpakketten die aan iedere school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt toegewezen.

§ 2. Een lesurenpakket wordt berekend door het aantal in aanmerking komende leerlingen per type te vermenigvuldigen met het aantal wekelijks ingerichte lesuren en te delen door een richtgetal per type.

§ 3. De lesurenpakketten worden samengesteld uit het totaal aantal periodes van 50 minuten, waarover de school op niveau van het secundair onderwijs, beschikt om haar onderwijs te verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 296, artikel 306 en artikel 307 worden deze lesurenpakketten elk jaar opnieuw bepaald per school en aangewend voor de effectieve prestaties van het onderwijzend personeel in die school. (297)

Art. 299.

In uitvoering van artikel 297, § 2 komen in aanmerking :

1°[types basisaanbod, 2, 3, 4, 6, 7 en 9 het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar.

In afwijking hiervan wordt 1 oktober van het lopende schooljaar de teldatum :

- voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of de subsidiëring;

- voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm.

Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren.

In geval van oprichting van een nieuw type, met uitzondering van het schooljaar 2015-2016, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.

Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel.]²

2° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen :

[a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was, of indien de school valt onder toepassing van artikel 288;

b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering.]¹

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 19-6-2015

Art. 300.

Een cursus in één van de erkende godsdiensten of in de niet-confessionele zedenleer die niet gefinancierd of gesubsidieerd kan worden op basis van de schoolbevolking van 1 februari van het voorafgaande schooljaar, mag toch onmiddellijk worden gefinancierd of gesubsidieerd als een leerling zich voor één van deze cursussen inschrijft.

Een cursus in één van de erkende godsdiensten of in de niet-confessionele zedenleer die kan worden gefinancierd of gesubsidieerd op basis van de schoolbevolking van 1 februari van het voorafgaande schooljaar, maar waarvoor geen leerlingen meer zijn ingeschreven, kan niet langer worden gefinancierd of gesubsidieerd. (299)

Art. 301.

§ 1. Binnen elke opleidingsvorm wordt het lesurenpakket per type berekend. Het lesurenpakket per school is de som van de bekomen quotiënten per opleidingsvorm. Slechts de som wordt tot de hogere eenheid afgerond.

§ 2. Indien het aantal ingerichte lesuren per week niet in alle leerjaren van opleidingsvorm 4 gelijk is, wordt het lesurenpakket eerst per leerjaar berekend en daarna samengeteld voor de opleidingsvorm.

[§ 3. De leerlingen van type 5 worden voor wat het richtgetal en de personeelsomkadering betreft, gelijkgesteld met opleidingvorm 4, ongeacht welke opleidingsvorm er op hun attest vermeld wordt.] (300)

Decr. 1-7-2011

Art. 302.

De richtgetallen worden per opleidingsvorm volgens het type als volgt vastgesteld :

1° Opleidingsvorm 1 :

Type 2 : richtgetal 6

Type 3 : richtgetal 6

Type 4 : richtgetal 6

Type 6 : richtgetal 5

Type 7 : richtgetal 5

[Type 9: richtgetal 6]

2° Opleidingsvorm 2 :

Type 2 : richtgetal 7

Type 3 : richtgetal 7

Type 4 : richtgetal 6

Type 6 : richtgetal 5

Type 7 : richtgetal 5

[Type 9: richtgetal 7]

3° Opleidingsvorm 3 :

[Type basisaanbod] : richtgetal 7

Type 3 : richtgetal 7

Type 4 : richtgetal 6

Type 6 : richtgetal 5

Type 7 : richtgetal 5

[Type 9: richtgetal 7]

4° Opleidingsvorm 4 :

Type 3 : richtgetal 4,75

Type 4 : richtgetal 4,25

Type 5 : richtgetal 5

Type 6 : richtgetal 3

Type 7 : richtgetal [4,75];

[Type 9: richtgetal 4,75.] (301)

Decr. 21-3-2014

Art. 303.

Op het lesurenpakket dat wordt bekomen in toepassing van de in deze onderafdeling bepaalde normen, wordt voor de opleidingsvormen 1, 2 en 3 een aanwendingspercentage toegepast van 93,9 %. (302)

Art. 304.

§ 1. In afwijking op de bepalingen vermeld in deze onderafdeling en met het oog op bijzondere omstandigheden kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, met ingang van 1 september 1982 extra lesuren of uren toekennen aan de scholen.

§ 2. Met ingang van 1 september 1989 kan het aantal lesuren of uren globaal niet meer bedragen dan 0,5 % van het totaal aantal lesuren en uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het vrij gesubsidieerd onderwijs. Voor de berekening van het aantal extra lesuren of -uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lesuren of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.

§ 3. De Vlaamse Regering zal het salarisequivalent van vijf procent van het totaal van deze extra lesuren en/of uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd onderwijs aan te passen.

§ 4. In het kader van het geïntegreerd onderwijs gericht op de begeleiding van leerlingen met een autismespectrumstoornis en in afwijking van de bepalingen van deze onderafdeling kan de Vlaamse Regering op vraag van het schoolbestuur in het buitengewoon onderwijs [voor het schooljaar 2015-2016], extra lesuren toekennen voor het onderwijzend personeel.

Het aantal extra lesuren bedraagt voor het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs samen maximaal 748 extra lesuren. In geen geval kan het schoolbestuur personeelsleden affecteren, muteren en/of vast benoemen in de extra lesuren. (303)

Decr. 19-6-2015

Art. 305.

[...]

Decr. 25-4-2014

Art. 306.

Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket, bedoeld in artikel 311, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (305)

Art. 307.

§ 1. De uren klassenraad en klassendirectie en de lesuren van de minderheidscursussen in de godsdienst of de zedenleer vallen buiten het lesurenpakket.

§ 2. Bij het lesurenpakket kunnen de uren klassendirectie worden gevoegd voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn en de administratieve en geldelijke gevolgen voor de personeelsleden die hiermee belast worden.

§ 3. Voor de personeelsleden die hun opdracht ten minste voor 60% van de lestijden presteren in het buitengewoon secundair onderwijs kan één lestijd worden besteed aan bijscholing en begeleiding. Dit uur wordt niet aangerekend op het lesurenpakket. (306)

Art. 308.

Het aantal uren klassendirectie dat buiten het lesurenpakket kan worden toegekend, wordt bepaald door het totaal aantal regelmatig ingeschreven leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te delen door 12.

In afwijking hiervan is voor de gefinancierde of gesubsidieerde scholen, de teldatum 1 oktober voor de eerste drie schooljaren.

Als een bestaande school bij een herstructurering betrokken is, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of subsidiëring, de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.

Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. (307)

[Art. 308/1.

§ 1. Onverminderd het reglementair voorziene lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die de opleiding tuinbouwarbeider organiseert of die binnen het studiegebied land- en tuinbouw ten minste een van de structuuronderdelen landbouw, tuinbouw, landbouwtechnieken, tuinbouwtechnieken en paardrijden en -verzorgen organiseert, een specifiek aantal lesuren toegekend.

Dat specifieke aantal lesuren, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3 moet de instelling toestaan :

1° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uit te baten en te onderhouden;

2° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied land- en tuinbouw illustratieve demonstraties te geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel worden alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleiding tuinbouwarbeider van opleidingsvorm 3 en alle structuuronderdelen van het studiegebied land- en tuinbouw van opleidingsvorm 4, dat zich over de tweede en derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs uitstrekt, in aanmerking genomen, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat.]

Decr. 1-7-2011

[Art. 308/2.

§ 1. Voor de toepassing van artikel 308/1 worden 24 lesuren toegekend aan de instelling met opleidingvorm 3, wat overeenkomt met één voltijdse betrekking, als de instelling op de gebruikelijke tellingsdatum de norm van 40 regelmatige leerlingen, die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 308/1, § 2, bereikt.

§ 2. Voor de toepassing van artikel 308/1 worden 29 lesuren toegekend aan de instelling met opleidingvorm 4, wat overeenkomt met één voltijdse betrekking, als de instelling op de gebruikelijke tellingsdatum de norm van 40 regelmatige leerlingen, die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 308/1, § 2, bereikt.

§ 3. Het desbetreffende aantal lesuren blijft toegekend gedurende twee opeenvolgende schooljaren waarin de behoudsnorm niet wordt bereikt. Vanaf het daaropvolgende schooljaar wordt de toekenning stopgezet tot de oprichtingsnorm opnieuw wordt bereikt. ]

Decr. 1-7-2011

Onderafdeling 3. - Paramedisch, sociaal, medisch, psychologisch en orthopedagogisch personeel

Art. 309.

§ 1. In de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs bevat :

1° de categorie van het paramedisch personeel de ambten van verpleger, kinesitherapeut, logopedist, kinderverzorger en ergotherapeut;

2° de categorie van het sociaal personeel het ambt van maatschappelijk werker;

3° de categorie van het medisch personeel het ambt van arts;

4° de categorie van het psychologisch personeel het ambt van psycholoog;

5° de categorie van het orthopedagogisch personeel het ambt van orthopedagoog.

§ 2. Het volume van het aantal betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in het buitengewoon secundair onderwijs wordt bepaald volgens de in deze onderafdeling vermelde normen.

§ 3. De leerlingen die in aanmerking komen zijn regelmatige leerlingen overeenkomstig [de artikelen 291 tot en met 295]¹ en die als regelmatige leerlingen ingeschreven waren op 1 februari van het voorafgaande schooljaar.

In afwijking hiervan is 1 oktober van het lopende schooljaar de teldatum :

- voor nieuwe scholen die worden opgenomen in de financiering of subsidiëring;

- voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm.

[Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren.

In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar.]²

Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel. (308)

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 310.

In afwijking op artikel 309, § 3, komen niet in aanmerking de leerlingen, die hetzij :

a) [...]

b) huisonderwijs volgen;

c) in een medische instelling of ziekenhuis verblijven en buitengewoon onderwijs van type 5 volgen;

d) tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. (309)

Decr. 17-6-2016

Art. 311.

§ 1. Het volume van de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs wordt vastgelegd door een urenpakket.

§ 2. De uren volgens de richtgetallen worden bepaald door het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op 1 februari van het voorgaande schooljaar, met uitzondering van de leerlingen die vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982, per type te vermenigvuldigen met de volgende richtgetallen :

- [type basisaanbod] : 0,5

- type 2 : 1,5

- type 3 : 1,3

- type 4 : 3,5

- type 6 : 1,5

- type 7 : [1,6]

[- type 9: 1,3.] (310)

Decr. 21-3-2014

Art. 312.

§ 1. In afwijking op de bepalingen van deze onderafdeling en met het oog op bijzondere omstandigheden kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, extra lesuren of uren toekennen aan de scholen.

§ 2. Met ingang van 1 september 1989 kan het aantal lesuren of uren globaal niet meer bedragen dan 0,5 % van het totaal aantal lesuren en uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het gemeenschapsonderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het vrij gesubsidieerd onderwijs. Voor de berekening van het aantal extra lesuren of -uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lesuren of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.

§ 3. De Vlaamse Regering zal het salarisequivalent van vijf procent van het totaal van deze extra lesuren en/of uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd onderwijs aan te passen.

§ 4. In het kader van het geïntegreerd onderwijs gericht op de begeleiding van leerlingen met een autismespectrumstoornis en in afwijking van de bepalingen van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, kan de Vlaamse Regering op vraag van het schoolbestuur in het buitengewoon onderwijs [voor het schooljaar 2015-2016], extra uren toekennen voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Het aantal extra uren bedraagt voor het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs samen maximaal 132 extra uren. In geen geval kan het schoolbestuur personeelsleden affecteren, muteren en/of vast benoemen in de extra uren. (311)

Decr. 19-6-2015

Art. 313.

§ 1. Een school voor buitengewoon secundair onderwijs kan het gedeelte van het urenpakket dat zij niet aanwendt overdragen naar het daaropvolgend schooljaar, mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden :

1° de overdracht wordt beperkt tot twee procent van het aanwendbare urenpakket van dat bepaalde schooljaar;

2° de niet georganiseerde uren moeten uiterlijk 1 november van het lopende schooljaar worden vastgelegd met het oog op overdracht naar het daaropvolgende schooljaar;

3° de overgedragen uren kunnen enkel in het daaropvolgend schooljaar worden aangewend;

4° voor het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, geen aanvraag hebben ingediend met het oog op het bekomen van extra uren.

De overdracht van uren naar een volgend schooljaar is bovendien slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school op eer verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking moet uitspreken. Het niet naleven van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

In de naar een volgend schooljaar overgedragen uren kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten moet het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer afleggen die ertoe strekt dat in bedoelde uren geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het niet naleven van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten opzichte van de overheid.

§ 2. Binnen hetzelfde net kunnen [...] tot uiterlijk 1 november uren van een school naar een andere school worden overgedragen.

Deze overdracht is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school die de uren overdraagt, op eer verklaart dat het gedurende dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het medisch, paramedisch, psychologisch, maatschappelijk of orthopedagogisch personeel moet uitspreken.

Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten moet het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer afleggen die ertoe strekt dat zij deze bepalingen in acht neemt bij de overdracht. De niet-naleving ervan heeft tot gevolg dat nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het medisch, paramedisch, psychologisch, maatschappelijk of orthopedagogisch personeel geen uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.

In de overgedragen uren kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten moet het betrokken schoolbestuur een verklaring op eer afleggen die ertoe strekt dat in bedoelde lesuren geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving ervan heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid.

Indien een schoolbestuur van een school haar vastbenoemd personeel van deze school op datum van 30 juni van het voorgaande schooljaar behoudt op 1 september bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of indien personeelsleden op 1 september gereaffecteerd of werdertewerkgesteld zijn in een andere school, is overdracht wel mogelijk. (312)

Decr. 25-4-2014

Art. 314.

Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. (313)

[Onderafdeling 3/1. - Omzetten van lesuren en uren naar middelen

Art. 314/1.

§ 1. [[...]]²

[[Er wordt [[[gedurende de schooljaren 2013-2014, [[[[2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018]]]] ]]]¹ aan de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze onderafdeling toegestaan dat, in afwijking van het [[[artikel 20]]]² maximum [[[61]]]¹ lesuren, die deel uitmaken van het lesurenpakket, vermeld in de artikelen 298, 301, 302 en 303, toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs overgedragen kunnen worden aan een centrum voor deeltijdse vorming of aan een andere instelling met ervaring in het begeleiden van de doelgroep vermeld in artikel III.314/2 en omgezet kunnen worden in kredieten. In voorkomend geval beslist het schoolbestuur, na onderhandeling in het lokale comité, over de overdracht van maximum [[[61]]]¹ lesuren naar een centrum voor deeltijdse vorming of een andere instelling voor realisatie van leerlinggebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in artikel III.314/2.

[[[...]]]¹ ]]¹

§ 2. De omzetting van lesuren en uren van een school voor buitengewoon secundair onderwijs in een krediet voor een centrum voor deeltijdse vorming of voor een andere instelling, bestemd voor de organisatie van leerlinggebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in artikel 314/2 wordt als volgt vastgesteld :

1° het aantal lesuren en uren dat wordt omgezet in kredieten, wordt vermenigvuldigd met veertig, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaarlesuren en een aantal jaaruren wordt verkregen. Dat resultaat, dat in de loop van het schooljaar niet meer kan worden gewijzigd, wordt vóór 1 oktober van het schooljaar in kwestie aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming meegedeeld;

2° het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting van lesuren, wordt vastgesteld op 31,72 euro, het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting van uren wordt vastgelegd op 22,46 euro. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat bedrag wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar gebeuren, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;

3° het product van het aantal jaarlesuren en jaaruren dat wordt overgedragen met het geïndexeerd bedrag vormt het krediet dat voorbehouden is voor de organisatie van leerlinggebonden activiteiten door het centrum voor deeltijdse vorming of door een andere instelling.

Indien het krediet wordt toegekend aan een centrum voor deeltijdse vorming, wordt dit krediet toegekend, samen met de eerste schijf van de uitbetaling van de persoonlijke ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 95 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

Indien het krediet wordt toegekend aan een andere instelling, wordt dit krediet toegekend in de loop van de maand februari van het schooljaar in kwestie.

Art. 314/2.

§ 1. In de scholen van buitengewoon secundair onderwijs, bedoeld in deze onderafdeling wordt buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, type 3 georganiseerd.

De jongeren in de opleidingsvorm en het type vermeld in het vorig lid hebben ernstige gedrags- of emotionele stoornissen, vastgesteld door een psychiater. Deze jongeren functioneren daarenboven op het niveau van licht verstandelijke beperking. Door de complexiteit van hun problematiek zijn deze leerlingen niet in staat om voltijds onderwijs te lopen in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs en hebben zij een problematisch schoolverloop.

§ 2. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, stellen zich open voor de doelgroep vermeld in paragraaf 1, en dit voor minimum 6 en maximum [[24]]³ leerlingen.

§ 3. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met andere scholen van voltijds of centra van deeltijds gewoon secundair onderwijs voor de opvang van de doelgroep vermeld in paragraaf 1.

§ 4. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met internaten met een werking gericht op de ambulante begeleiding of opvang van de doelgroep vermeld in paragraaf 1.

§ 5. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met CLB's, voor de inschaling van de doelgroep vermeld in paragraaf 1.

§ 6. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met een centrum voor deeltijdse vorming of met een andere instelling met ervaring in het begeleiden van de doelgroep vermeld in paragraaf 1, die bereid zijn ondersteuning te bieden voor leerling-gebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in paragraaf 1.

Art. 314/3.

§ 1. [[Een stuurgroep volgt de scholen, bedoeld in deze onderafdeling, op en evalueert hen. Deze stuurgroep bestaat uit ten minste één lid van de onderwijsinspectie, ten minste één afgevaardigde van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, en ten minste één afgevaardigde per representatieve vakorganisatie en eveneens, naargelang de school, ten minste één afgevaardigde van ofwel het gemeenschapsonderwijs, ofwel de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd officieel onderwijs ofwel van het gesubsidieerd vrij onderwijs.]]²

§ 2. Steeds vanuit de optiek om het onderwijs voor de doelgroep van gedragsmoeilijke leerlingen te bevorderen, moet de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, resulteren in beleidsbeslissingen over eventuele decretale, reglementaire of andere maatregelen of acties op het vlak van optimalisering van het buitengewoon en gewoon secundair onderwijs voor leerlingen met ernstige gedrags- of emotionele stoornissen of een verlenging van deze maatregel.

§ 3. De betrokken schoolbesturen, scholen, internaten, CLB's, centra en instellingen verlenen hun volledige medewerking aan de opvolging en evaluatie vermeld in paragraaf 1.

[[De betrokken scholen brengen jaarlijks verslag uit bij de stuurgroep. Na de bespreking van het verslag op de stuurgroep, zijn er bijsturingen mogelijk. De inhoud van het verslag wordt bepaald door de stuurgroep. Dit verslag wordt uiterlijk op 30 juni ingediend bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap.]]²

Art. 314/4.

De bepalingen van deze onderafdeling treden in werking op 1 september 2011 en houden op van kracht te zijn op 31 augustus [[2018]]4.]

Decr. 1-7-2011; [[ ]]¹ Decr. 29-6-2012; [[ ]]² Decr. 19-7-2013; [[ ]]³ Decr. 19-6-2015; [[ ]]4 Decr. 16-6-2017; [[[ ]]]¹ Decr. 19-7-2013; [[[ ]]]² Decr. 19-6-2015; [[[[ ]]]] Decr. 16-6-2017

[Onderafdeling 3/2. Waarborgregeling bij daling van het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs

Art. 314/5.

§ 1. Bij het realiseren van een relatieve minderkost in het buitengewoon secundair onderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar [[2014-2015]], worden per schooljaar de vrijgekomen middelen, via enveloppefinanciering, ingezet voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de berekening van de enveloppe en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en over de scholen minstens rekening met de volgende principes :

1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon secundair onderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon secundair onderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;

2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag als vermeld in artikel 352 of 294 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon secundair onderwijs;

3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de opleidingsvormen en types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt tevens de wijze waarop en de ambten waarin de middelen uit de enveloppe kunnen worden ingezet voor uitbreiding van zorg in de scholen voor gewoon secundair onderwijs of voor versterking van het onderwijs en de zorg in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en voor welke leerlingen deze middelen kunnen worden aangewend.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

[Onderafdeling 3/3. Project voor opvang van de effecten van de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het schooljaar 2016-2017

Art. 314/6.

§ 1. Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon secundair onderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2016 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2015, kent de Vlaamse Regering voor het schooljaar 2016-2017 lesuren en uren toe aan het buitengewoon secundair onderwijs ten belope van 686 lesuren onderwijzend personeel en 765 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Deze lesuren of uren worden beschouwd als extra lesuren of extra uren.

§ 2. De lesuren en uren worden ingericht in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs en aangewend om leraren en lerarenteams voor gewoon secundair onderwijs te ondersteunen in het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in het bijzonder leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag voor type 1, type basisaanbod, type 2 of type 3 in de B-stroom en in het beroepssecundair onderwijs.

§ 3. De lesuren en uren worden proportioneel verdeeld tussen het gesubsidieerd vrij onderwijs enerzijds en het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap anderzijds op basis van het aandeel van de in paragraaf 1 bedoelde effecten in de scholen van de betrokken onderwijsnetten.

§ 4. Voor beide groepen wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen in het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.

De Vlaamse Regering beslist, op voorstel van deze twee commissies, over de toewijzing van de in paragraaf 3 bedoelde lesuren en uren aan de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs van de betrokken onderwijsnetten. De commissie houdt bij het uitwerken van het voorstel van toewijzing ten minste rekening met de volgende criteria :

1° de effecten van de leerlingendaling, vermeld in paragraaf 1, op niveau van de individuele scholen;

2° de organiseerbaarheid van de ondersteuning van de scholen zoals bedoeld in paragraaf 2;

3° de aanwezige expertise in de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs in functie van de aanwending voor de ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon secundair onderwijs zoals vermeld in paragraaf 2.

De commissie begeleidt de samenwerkende scholen bij de aanstelling en de inzetbaarheid van personeelsleden in betrekkingen in deze lesuren en uren.

§ 5. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van deze lesuren of uren, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;

2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;

3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.

§ 6. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

§ 7. Onverminderd paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om voor de duur van het project, zoals bepaald in paragraaf 1, af te wijken van de bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, voor de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking die in een school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt ingericht met lesuren en uren, bedoeld in paragraaf 1. Deze afwijkingen betreffen de uitwerking van een aangepaste prestatieregeling, van bijkomende aanstellingsvoorwaarden en van aanvullende secundaire arbeidsvoorwaarden.

De Vlaamse Regering wordt gemachtigd de wijze vast te leggen waarop de lesuren en uren kunnen worden omgezet in ambten en betrekkingen.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing op basis van een voorstel van een gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs.

Een personeelslid kan enkel aangesteld worden in een betrekking die in een school voor buitengewoon secundair onderwijs wordt ingericht met lesuren of uren, bedoeld in paragraaf 3, als het instemt met de afwijkingen die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd.

§ 8. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering, zoals bepaald in paragraaf 7, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de uitvoering van dit tijdelijk project. De onderwijsinspectie zal, in het kader van de reguliere schooldoorlichting, toezicht houden op de correcte aanwending van deze middelen.]

Decr. 17-6-2016

[Art. 314/7.

Werkingsmiddelen die vrijgekomen zijn ten gevolge van de relatieve daling van de werkingsmiddelen in het buitengewoon secundair onderwijs ten opzichte van het referentieschooljaar 2014-2015, worden voor het schooljaar 2016-2017 toegekend aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs voor de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon secundair onderwijs of voor het ter beschikking stellen van speciale onderwijsleermiddelen als bedoeld in artikel 357, § 1.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de berekening van de hoogte van deze werkingsmiddelen en houdt voor de verdeling van de enveloppe over het buitengewoon secundair onderwijs en over de speciale onderwijsleermiddelen in het gewoon onderwijs minstens rekening met de volgende principes :

1° de vastgestelde verschuivingen van leerlingen van het buitengewoon naar het gewoon secundair onderwijs als gevolg van effectieve terugkeer uit of verminderde instroom in het buitengewoon secundair onderwijs voor de verdeling van de enveloppe over het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De Vlaamse Regering houdt hierbij ook rekening met de demografie;

2° de relatieve aanwezigheid van leerlingen met een verslag of een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 352 of 294 voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor gewoon secundair onderwijs;

3° de vastgestelde verschuivingen in de leerlingenpopulaties van de opleidingsvormen en types voor de verdeling van de enveloppe over de scholen voor buitengewoon secundair onderwijs;

4° de vastgestelde noden aan speciale onderwijsleermiddelen zoals bedoeld in artikel 357, § 1.]

Decr. 15-7-2016

[Onderafdeling 3/4. Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs

Art. 314/8.

§ 1. Met het oog op de invoering van ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs kent de Vlaamse Regering jaarlijks binnen de beschikbare budgettaire ruimte personeelsomkadering onder de vorm van begeleidingseenheden, lestijden, lesuren en uren toe aan het buitengewoon onderwijs. Het betreft :

1° 32.587 begeleidingseenheden, waarvan 21.029 voor basisonderwijs en 11.558 voor het secundair onderwijs;

2° enerzijds de lestijden en uren, in toepassing van artikel 173septies van het decreet basisonderwijs en anderzijds de lesuren en uren in toepassing van artikel 314/5 van deze codex;

3° het extra budget ten belope van 2120 lestijden voor het basisonderwijs en 1410 lesuren voor het secundair onderwijs en 2168 uren, waarvan 1302 voor het basisonderwijs en 886 voor het secundair onderwijs.

Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren.

De lestijden, respectievelijk de lesuren, en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van het decreet basisonderwijs, en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.

§ 2. Op het totaal van de middelen, vermeld in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, wordt jaarlijks een pakket aan begeleidingseenheden afgehouden voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van het decreet basisonderwijs of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van deze codex en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, 4° en 6°, van het decreet basisonderwijs, en artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van het voormelde decreet wat betreft een auditieve beperking of artikel 259, § 1, 2°, 4° en 6°, van deze codex, en artikel 259, § 1, 7°, van dezelfde codex, wat betreft een auditieve beperking.

De voorafname gebeurt naar rato van de procentuele toename of afname van het aantal leerlingen van de in het vorige lid vermelde types, die op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar zijn ingeschreven in een school voor gewoon onderwijs, in vergelijking met deze op de eerste schooldag van oktober 2016, voor wie in het schooljaar 2017-2018 in een pakket ten belope van 14.804 begeleidingseenheden wordt voorzien.

De begeleidingseenheden worden door de Vlaamse Regering toegewezen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs, en worden aangewend om netoverstijgend de ondersteuningsvragen van scholen en centra gewoon onderwijs met betrekking tot leerlingen type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking te beantwoorden.

§ 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, verminderd met de jaarlijkse voorafname vermeld in paragraaf 2, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van het decreet basisonderwijs of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van deze codex en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3, 9 of 7 spraak- of taalstoornis, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van het decreet basisonderwijs, en artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van het voormelde decreet wat betreft een spraak- of taalstoornis of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van deze codex, en artikel 259, § 1, 7°, van dezelfde codex, wat betreft een spraak- of taalstoornis, waarbij :

1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;

2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;

3° in afwijking van punt 2° gelden als teldata :

a) voor het schooljaar 2017-2018 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;

b) voor het schooljaar 2018-2019 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;

c) voor het schooljaar 2019-2020 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.

Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.

Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar worden meegedeeld.

Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen :

a) scholen kunnen indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net;

b) het versterken van de internettensamenwerking.

Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap maken de inrichtende machten tegen 1 januari 2018 sluitende afspraken over logische regionale gebieden waarbinnen er slechts een ondersteuningsnetwerk actief is en waarbij binnen de regio alle officiële scholen zich aansluiten en die over ondersteuning en begeleiding in het kader van ondersteuning van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, afspraken kunnen maken met eender welk ander ondersteuningsnetwerk.

In het kader van deze afspraken kunnen scholen van buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet.

§ 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in paragraaf 2, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de drie schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet.

De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.

§ 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in § 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met de volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. De Vlaamse Regering wijst de omkadering, vermeld in paragraaf 3 en paragraaf 4, toe aan de ondersteuningsnetwerken op voorstel van de commissies, vermeld in het eerste lid, en kent de omkadering toe aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies houden bij hun voorstellen tijdens de transitieperiode rekening met de beoogde ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken, zoals bepaald overeenkomstig paragraaf 3.

In afwijking hiervan worden van de in paragraaf 1, 1°, vermelde 32.587 begeleidingseenheden 17.783 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van :

1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;

2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;

3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.

Het aandeel begeleidingseenheden waarover de commissies in de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 bevoegd worden, worden uitgedrukt in lestijden, lesuren en uren.

§ 6. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van de lestijden, lesuren of uren als vermeld in het laatste lid van paragraaf 1, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;

2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;

3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.

§ 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.

§ 8. In afwijking van artikel 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 en 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs en in afwijking van artikel 3, eerste lid, voor wat betreft het prestatiestelsel van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 geldt tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met schooljaar 2019-2020 een aangepaste prestatieregeling voor het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon secundair onderwijs.

De wekelijkse prestaties in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel, en een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

De opdracht van 22 lesuren of 22 uren, vermeld in het tweede lid, bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van de jongere die de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs.

De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen, maakt deel uit van de opdracht van 26 klokuren, vermeld in het tweede lid.

De deelname aan oudercontacten en aan personeelsvergaderingen vallen buiten de wekelijkse opdracht van 26 klokuren. Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

Middelen binnen een ondersteuningsnetwerk die niet rechtstreeks worden aangewend voor leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning moeten worden verantwoord en goedgekeurd door alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.

In het kader van de uitwerking van dit decreet zullen de competentiebegeleiders, vermeld in artikel VI.1 van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in hun taakstelling bijzondere aandacht besteden aan de opdracht, vermeld in paragraaf 2, 4°, door hen effectief in te zetten om in de ondersteuningsnetwerken te werken aan expertiseontwikkeling.

§ 9. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van ondersteuningsnetwerken. De onderwijsinspectie en administratie zullen toezicht houden op de toekenning en aanwending van de middelen voor personeelsomkadering, vermeld in paragraaf 1, op de werking van de ondersteuningsnetwerken, de coördinatie en de aansturing van de teams en op de kwaliteit van de ondersteuning op niveau van het effect voor leraren, lerarenteams en leerlingen.

§ 10. De overheid zal een grondige evaluatie en monitoring doorvoeren waarvan de resultaten op 1 september 2019 beschikbaar zijn. Deze evaluatie zal uitgevoerd worden in samenspraak met de stuurgroep, vermeld in paragraaf 9, door een onafhankelijke commissie van experten en academici en heeft onder meer betrekking op :

1° het gehanteerde verdelingsmechanisme;

2° de personeelseffecten;

3° de ondersteuning in de klas voor de leerling en de leerkracht en de leerlingenbewegingen;

4° de doelmatige aanwending van de middelen.]

Decr. 16-6-2017

Onderafdeling 4. - Plage uren

Art. 315.

Artikel 216, § 5, is eveneens van toepassing in de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs. (314)

Onderafdeling 5. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod, gelijke onderwijskansen

Art. 316.

[...]

Decr. 21-12-2012

Art. 317.

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende indicatoren, verder genoemd « gelijkekansenindicatoren" :

1° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

2° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximaal één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.

§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1 vermelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen aan de hand van een verklaring op eer door de ouders. De Vlaamse Regering legt de procedure vast waarmee de gegevens worden gemeld aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De documenten of verklaringen die aantonen dat leerlingen aan een of meer van de gelijkekansindicatoren beantwoorden, worden ten minste vijf jaar bewaard op school.

§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Het hoogste gewicht wordt toegekend aan de in § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. De in § 1, 2°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met de andere gelijkekansenindicator. (316)

Art. 318.

§ 1. Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren extra lesuren krijgen voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :

1° op 1 februari van het voorafgaande schooljaar ten minste 40% externe en semi-interne regelmatige leerlingen [type basisaanbod]² en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel 317, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator;

2° overeenkomstig de bepalingen van artikel 319 batig gerangschikt zijn onder de in punt 1°, bedoelde scholen en ten minste 6 extra lesuren genereren.

[...]¹ (317)

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 21-3-2014

Art. 319.

§ 1. De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt :

1° de in artikel 318 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan de in artikel 317, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen volgens het absolute aantal van die leerlingen gerangschikt;

2° de leerlingen genereren een aantal punten op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel extra lesuren een punt vertegenwoordigt.

De Vlaamse Regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de extra lesuren betrekkingen kunnen worden ingericht.

De Vlaamse Regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling, tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende extra lesuren.

[...] (318)

Decr. 21-12-2012

Art. 320.

§ 1. Een school die extra lesuren krijgt, werkt in het eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft de school aan :

1° welke concrete doelstellingen ze op het vlak van de leerlingen, van de personeelsleden en de school wil bereiken. De Vlaamse Regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen de volgende thema's :

a) een gericht aanbod rond taalvaardigheid;

b) het aanbieden van onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aan ouders;

c) het opnemen van de (laagdrempelige) sociale functie in een netwerk met partners uit andere sectoren;

2° op welke manier zij die doelstellingen wil bereiken;

3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.

§ 2. De extra lesuren kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken. (319)

Art. 321.

De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 320, § 1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor ze worden begeleid. (320)

Art. 322.

§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het laatste schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren extra lesuren krijgen indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 318 voldaan is.

Bij een negatieve evaluatie verliest de school elk recht op de in artikel 318 bedoelde extra lesuren voor de volgende periode van drie schooljaren, tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgt ze de helft van het aantal extra lesuren waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zou hebben.

Een engagement tot remediëring moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat aan de volgende criteria voldoet :

a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;

b) de geformuleerde doelstellingen tot remediering in het stappenplan passen binnen de doelstellingen van artikel 320, § 1, 1°;

c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;

d) het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt, aan de onderwijsinspectie bezorgd; e) de doelstellingen moeten gerealiseerd zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;

2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.

De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt, opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.

Bij een positieve evaluatie kan de school vanaf het tweede schooljaar weer een beroep doen op het volledige aantal van de in artikel 318 bedoelde extra lesuren begeleidingseenheden. Bij een negatieve evaluatie verliest de school het recht op de in artikel 318 bedoelde extra lesuren voor de volgende twee schooljaren.

§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen, waarmee de onderwijsinspectie de controle uitvoert, vast.

Ze voorziet voor de school in een beroepsmogelijkheid tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van onderwijsinspecteurs. (321)

[Art. 322/1.

In afwijking van de bepalingen van de artikelen 318, 319, § 1, en 322, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra lesuren.]

Decr. 16-6-2016

Afdeling 2. - Financiering en subsidiëring van de werking

Onderafdeling 1. - Schoolkenmerken

Art. 323.

Voor de toepassing van deze afdeling gelden volgende schoolkenmerken :

a) het studiegebied en de onderwijsvorm in het gewoon onderwijs;

b) het type in het buitengewoon onderwijs;

c) de begeleiding door een school voor buitengewoon secundair onderwijs van een of meer leerlingen in het geïntegreerd secundair onderwijs, hierna SK-Gon te noemen;

d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;

e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen. (322)

Onderafdeling 2. - Vaststelling van het totale werkingsbudget en de voorafnamen

Art. 324.

§ 1.Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon secundair onderwijs 23.865.000 euro.

§ 2. De berekening van het werkingsbudget vanaf begrotingsjaar 2010 gebeurt als volgt :

1° vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar;

2° voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar;

3° voor het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar;

4° vanaf 2018 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 23.865.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.

De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :

1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :

a) punten 1 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 326, voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;

b) punten 0 = het totale aantal punten voor schoolkenmerken, zoals berekend na de toepassing van artikel 326, voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;

2° A2 = Cx-1/(Cx-2), waarbij :

a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht;

3° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1;

[4° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;]¹

[5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;]²

[6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;

7° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 1.119.000 euro verminderd.]³

§ 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.

Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (323)

[ ]¹ Decr. 1-6-2012; [ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]³ Decr. 19-12-2014

Art. 325.

§ 1. Van het werkingsbudget buitengewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 324, wordt een budget van 3 percent voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V1 = B * lln-Neu * 3 % / (lln-tot+ lln-Neu * 3 %+ lln-LB * 4,5 %), waarbij :

1° B = werkingsbudget, verkregen na de toepassing van artikel 324;

2° lln-Neu = leerlingen van het buitengewoon secundair Gemeenschapsonderwijs;

3° lln-tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs;

4° lln-LB = leerlingen van het officieel buitengewoon secundair onderwijs.

§ 2. Van het werkingsbudget buitengewoon secundair onderwijs, verkregen na de toepassing van artikel 324, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule :

V2 = B * lln-LB * 4,5 % / (lln-tot + lln-Neu * 3 % + lln-LB * 4,5 %).

§ 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B-SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :

B-SchK= B-V1-V2.

In afwijking van het eerste lid wordt voor het begrotingsjaar 2010 het B-SchK bepaald door toepassing van volgende formule :

B-SchK = GPP-SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 326, 1° en 2°, waarbij : GPP-SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009. (324)

Onderafdeling 3. - Verdeling van het werkingsbudget voor schoolkenmerken

Art. 326.

B-SchK, vermeld in artikel 325, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken, vermeld in artikel 323, met uitzondering van schoolkenmerk V1 en V2 :

1° voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs en van het geïntegreerd secundair onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld :

Buitengewoon secundair onderwijs niet type 4

34 punten

Buitengewoon secundair onderwijs wel type 4

39 punten

Geïntegreerd onderwijs - gedeeltelijke en permanente integratie

2 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie voor leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs [type basisaanbod]

2 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs [type 4, 6 of 7] met een bijkomende mentale handicap

2 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs [type 3 of 9]

7 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 4 of 7

9 punten

Geïntegreerd onderwijs - volledige en permanente integratie van normaal begaafde leerlingen met een attest van het buitengewoon onderwijs type 6

14 punten

2° voor alle scholen wordt per categorie, vermeld in 1°, het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht;

3° het B-SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP-SchK te noemen. (325)

Decr. 21-3-2014

Art. 327.

Het budget V1, vermeld in artikel 325, § 1, wordt als volgt verdeeld : V1 wordt gedeeld door alle leerlingen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V1, hierna GW-V1 te noemen.

Het budget V2, vermeld in artikel 325, § 2, wordt als volgt verdeeld : V2 wordt gedeeld door alle leerlingen van het buitengewoon officieel secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per leerling voor schoolkenmerk V2, hierna GW-V2 te noemen. (326)

Onderafdeling 4. - Berekening van het werkingsbudget per school

Art. 328.

Het werkingsbudget per school wordt berekend op basis van schoolkenmerken. (327)

Art. 329.

§ 1. Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal leerlingen, geteld op de teldatum, vermeld in artikel 169 tot en met 172 [voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs, en op 1 oktober voor de leerlingen van het geïntegreerd onderwijs]³, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht voor schoolkenmerken, met uitzondering van schoolkenmerk V1, V2 en SchK-Gon.

§ 2. Het werkingsbudget per school van het buitengewoon secundair onderwijs is de som van :

1° het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school met de GPP-SchK, vermeld in artikel 326, 3°;

2° GW-V1, vermeld in artikel 327, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school;

3° GW-V2, vermeld in artikel 327, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen in de school.

§ 3. Het budget, verkregen na de toepassing van § 1 en § 2, wordt voor het gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, waarbij :

1° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs tot en met 2015 verminderd wordt met 30 percent van de loonkosten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs, in 2016 met 60 percent en [vanaf 2017]² met 100 percent van die loonkosten;

2° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, voor het geheel van de scholen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs verhoogd wordt met de middelen, vastgelegd voor het optrekken van het vakantiegeld tot 92 % voor het contractuele meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de betreffende onderwijs-cao. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 68.000 euro.

Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 324;

3° de som van het bedrag dat met toepassing van § 2 verkregen is, vermeerderd wordt met een transitiefonds dat in 2009 56.000 euro bedraagt en in 2010 19.000 euro.

§ 4. Het werkingsbudget verkregen na de toepassing van § 2, wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs.

Daarbij worden de middelen voor de schoolbesturen van het vrij gesubsidieerd onderwijs verhoogd met de middelen tot harmonisering van de lonen tussen het meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en dat personeel van het gemeenschapsonderwijs, toegekend via de respectieve onderwijs-cao's. Voor het begrotingsjaar 2009 is dat bedrag 267.000 euro. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt dat bedrag jaarlijks geïndexeerd door de toepassing van de A2-coëfficiënt, vermeld in artikel 324. Die cao-middelen worden verdeeld naar rata van het aantal punten per school van het vrij gesubsidieerd onderwijs, dat verkregen is na de toepassing van § 1.

§ 5. De werkingsbudgetten van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

[§ 6. Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het Gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.]¹

[ ]¹ Decr. 8-7-2011; [ ]² Decr. 23-12-2016; [ ]³ Decr. 16-6-2017

Onderafdeling 5. - Berekening van de integratietoelage per school

Art. 330.

Per school wordt het totale aantal punten berekend door het aantal GON-leerlingen die begeleid worden vanuit de school voor buitengewoon secundair onderwijs, te vermenigvuldigen met hun puntengewicht zoals bepaald in artikel 326.

De integratietoelage per school van het buitengewoon secundair onderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekend in het eerste lid met de GPP-SchK, vermeld in artikel 326, 3°.

[De integratietoelagen van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 procent van de integratietoelagen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de integratietoelagen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.] (329)

Decr. 25-4-2014

[Art. 330/1.

Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien :

1° afwijking op artikelen 324 en 325 van de Codex Secundair Onderwijs :

Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 1.432.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen;

2° afwijking op artikel 326, 2° en 3°, van de Codex Secundair Onderwijs :

Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 326, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht.

Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon secundair onderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.

Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen;

3° afwijking op artikel 330, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs :

De integratietoelage per school van het buitengewoon secundair onderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°.]

Decr. 23-12-2016

Onderafdeling 6. - Evaluatie

Art. 331.

De Vlaamse Regering ontwikkelt een methode die jaarlijks toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs. (330)

Art. 332.

In [2013 en 2014] wordt het nieuwe financieringssysteem door de Vlaamse Regering geëvalueerd. Deze evaluatie zal de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen beoordelen. Uitgangspunten van deze evaluatie zijn :

- de gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden;

- gelijke middelen voor elke school in eenzelfde situatie;

- het voeren van een gelijkekansenbeleid;

- transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit van het mechanisme;

- evolutie van de schoolloopbanen, met bijzondere aandacht voor gelijke kansen en talentontwikkeling. (331)

Decr. 25-4-2014

[Onderafdeling 7. Personeel ten laste van het werkingsbudget

Artikel 332/1.

Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget vermeld in artikel 329 of van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het buitengewoon secundair onderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.]

Decr. 21-12-2012

TITEL 3. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORMEN 1, 2 EN 3

HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvormen 1, 2 en 3

Afdeling 1. - Structuur en organisatie

Art. 333.

[Het buitengewoon secundair onderwijs in deze opleidingsvormen wordt verstrekt naar rata van minimum 32 lesuren en maximum 36 lesuren van 50 minuten per week, gespreid over 9 halve dagen.]

Decr. 21-3-2014

Art. 334.

In het buitengewoon secundair onderwijs kunnen twee of meer vakken van de algemene en sociale vorming geïntegreerd worden gegeven.

De Vlaamse Regering bepaalt welke vakken hiervoor niet in aanmerking komen en de administratieve en financiële gevolgen voor de personeelsleden die belast worden met het geven van geïntegreerde vakken. (333)

[HOOFDSTUK 1/1. - Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 1

Afdeling 1. Structuur en organisatie

Art. 334/1.

§ 1. In opleidingsvorm 1 beogen de activiteiten vooral het ontwikkelen van de zelfredzaamheid, de communicatiemogelijkheden, de sensomotoriek en de sociale vorming van de leerlingen in de contexten wonen, werken en vrije tijd.

§ 2. Opleidingsvorm 1 omvat minstens vier leerjaren. Voor iedere leerling wordt de duur ervan bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding.

§ 3. In deze opleidingsvorm kunnen sociaal maatschappelijke trainingen of leerlingenstages worden ingericht voor leerlingen vanaf 16 jaar, gedurende een beperkt aantal dagen. De duur en het doel ervan wordt bepaald door de klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling. Uitzonderlijk kunnen deze sociaal maatschappelijke trainingen of leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties.

§ 4. Iedere leerling die de school verlaat na de duur zoals bepaald in paragraaf 2, heeft recht op een attest, waarvan het model wordt bepaald door de Vlaamse Regering, uitgereikt door de directeur op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar.]

Decr. 21-3-2014

[HOOFDSTUK 1/2. - Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 2

Afdeling 1. Structuur en organisatie

Art. 334/2.

§ 1. Opleidingsvorm 2 omvat twee fasen, elke fase duurt ten minste twee leerjaren :

1° de eerste fase geeft voorrang aan de algemene en sociale vorming en waarborgt tevens de arbeidsgerichte vorming. Ten minste vijftien van de wekelijkse lesuren worden voorbehouden aan de algemene en sociale vorming;

2° de tweede fase geeft voorrang aan de arbeidsgerichte vorming. Ten minste negen van de wekelijkse lesuren worden voorbehouden aan de algemene en sociale vorming.

§ 2. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de respectieve duur van elke fase.

§ 3. In deze opleidingsvorm kunnen leerlingenstages worden ingericht, gedurende een beperkt aantal dagen. Deze worden georganiseerd gedurende de tweede fase, tijdens het schooljaar. Uitzonderlijk kunnen deze leerlingenstages georganiseerd worden tijdens de vakanties. Een leerling kan tijdens het laatste jaar van de tweede fase op basis van individuele handelingsplanning, na beslissing van de klassenraad, en zo mogelijk in samenspraak met de ouders en de leerling, een leerlingenstage volgen onder een alternerende vorm van leerlingenstage en vorming op school op weekbasis.

§ 4. Iedere leerling die de school verlaat na de duur zoals bepaald in paragraaf 2, heeft recht op een attest, waarvan het model wordt bepaald door de Vlaamse Regering, uitgereikt door de directeur op het einde van het schooljaar of in de loop van het schooljaar.]

Decr. 21-3-2014

HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 3

Afdeling 1. - Structuur en organisatie

Art. 335.

De Vlaamse Regering deelt de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair beroepsonderwijs op in opleidingen die tevens worden ingericht in het voltijds beroeps- en technisch secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het secundair volwassenenonderwijs.

Voor elk van deze opleidingen worden de competenties, de nodige algemene en sociale vaardigheden en de sleutelvaardigheden vastgelegd in opleidingsprofielen. (334)

Art. 336.

[§ 1. Opleidingsvorm 3 omvat 4 fases: de observatiefase, de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de facultatieve integratiefase :

1° de observatiefase duurt één volledig schooljaar. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, kan hier door middel van een gemotiveerde beslissing voor individuele leerlingen van afwijken;

2° de opleidingsfase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleidingg, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase;

3° de kwalificatiefase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase en kan voor individuele leerlingen het traject ook verkorten naar één schooljaar. Op het einde van deze kwalificatiefase is er voor de leerlingen die toegelaten worden door de klassenraad een kwalificatieproef voor de kwalificatiecommissie. Er kunnen bijkomende opleidingen binnen eenzelfde samenhangend geheel van opleidingen worden georganiseerd voor dezelfde leerling, indien deze reeds een studiebekrachtiging van een opleiding behaald heeft en de klassenraad de leerling toelaat tot bijkomende opleidingen;

4° de facultatieve integratiefase omvat één volledig schooljaar, in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf, onder de vorm van leerlingenstage. Er kan geen tweede schooljaar alternerende beroepsopleiding worden georganiseerd voor één leerling. Deze facultatieve integratiefase van één schooljaar kan bij wijze van uitzondering door de klassenraad wel verlengd worden tot een tweede schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze verlenging mogelijk is.

§ 2. [[In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage.]]

§ 3. Op het einde van de opleidingsfase kan de leerling een [[studieadvies]] krijgen van de klassenraad. Op het einde van de kwalificatiefase en op het einde van de integratiefase moet de leerling een studiebekrachtiging van de klassenraad ontvangen. Bij wijze van uitzondering kan de klassenraad in de integratiefase ook een leerling voor het einde van het schooljaar een studiebekrachtiging geven, indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de bekrachtiging van de studie door de klassenraad en de modellen van de studiebewijzen.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake de organisatie en inhoud van opleidingsvorm 3, de mogelijke opleidingen en samenhangende gehelen van opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3 en hun opleidingsprofielen, de verdere bevoegdheden van de klassenraad en de samenstelling en de bevoegdheden van de kwalificatiecommissie.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Art. 337 t.e.m. 340.

[...]

Decr. 21-3-2014

Afdeling 2. - Experimenteel modulair onderwijs

Art. 341.

Vanaf het schooljaar 2008-2009 en tot zolang bedoeld experiment in het voltijds gewoon secundair onderwijs loopt, kan als experiment in door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, modulair onderwijs worden georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling. In voorkomend geval zijn wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk, niet van toepassing.

Het experiment heeft betrekking op opleidingsvorm 3, met uitzondering van de observatiefase, en kan enkel worden ingericht door scholen die gedurende het schooljaar 2007-2008 modulair onderwijs organiseren overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel.

Het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs is niet van toepassing op dit experiment. (340)

Art. 342.

§ 1. Modulair onderwijs wordt georganiseerd per studiegebied zonder opdeling in fasen of leerjaren. De betrokken studiegebieden zijn : auto, bouw, grafische communicatie en media, handel, hout, koeling en warmte, lichaamsverzorging, mechanica-elektriciteit, personenzorg, textiel, voeding. Elk studiegebied bundelt een reeks opleidingen. Eenzelfde opleiding kan in verschillende studiegebieden voorkomen.

§ 2. Elke opleiding omvat algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming.

De algemene en sociale vorming wordt hetzij niet-modulair hetzij gedeeltelijk modulair georganiseerd.

De beroepsgerichte vorming wordt modulair georganiseerd. In elke opleiding komen een of meer modules voor. Een module is het kleinste te certificeren deel van een opleiding, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud. In modules komen geen afzonderlijke vakken voor. Eenzelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.

§ 3. De Vlaamse Regering legt de opleidingenstructuur vast. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :

1° het geheel van de opleidingen per studiegebied;

2° de modules per opleiding;

3° de duurtijd per module uitgedrukt in uren per week;

4° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden; als de modules in een sequentieel verband staan, moeten zij in een eveneens vastgelegde volgorde worden gevolgd.

Voor zover de opleidingenstructuur afwijkt van die, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende opleidingenstructuur ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

§ 4. Programmatie respectievelijk opname in de erkennings-, financierings- of subsidiëringsregeling gebeurt per studiegebied.

In een school kan een studiegebied niet gelijktijdig modulair en niet-modulair worden georganiseerd, tenzij tijdens het geleidelijke omzettingsproces van de ene naar de andere structuur.

§ 5. Het modulair onderwijsaanbod van een school moet waarborgen dat een certificaat of een getuigschrift van een opleiding kan worden behaald.(341)

Art. 343.

Voor de modulair georganiseerde leerinhouden van een opleiding worden competenties door de Vlaamse Regering bepaald. Die leerinhouden zijn niet onderworpen aan de voorwaarde van door de Vlaamse Regering vastgestelde opleidingsprofielen.

De Vlaamse Regering leidt de competenties af uit [erkende beroepskwalificaties]. Als die er niet zijn, leidt de Vlaamse Regering de competenties af uit een referentiekader in nauw overleg met de beroepssectoren.

Voor zover de competenties afwijken van die bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, legt de Vlaamse Regering desbetreffende competenties ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor.

Competenties kunnen ook door middel van stages of werkervaring worden gerealiseerd. (342)

Decr. 21-12-2012

Art. 344.

Een opleiding kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. (343)

Art. 345.

§ 1. In het modulair onderwijs gelden als gezamenlijke toelatingsvoorwaarden voor regelmatige leerlingen :

1° de reglementaire toelatingsvoorwaarden tot de opleidingsfase van opleidingsvorm 3;

2° de volgorde waarin modules dienen gevolgd zoals bepaald in de opleidingenstructuur;

3° eventueel : de specifieke toelatingsvoorwaarden tot een module zoals vastgelegd door de klassenraad, onverminderd het in 1° en 2° gestelde;

4° eventueel : de vrijstelling van toelatingsvoorwaarden tot een module op grond van een geattesteerde beslissing van de klassenraad, onverminderd het in 1° gestelde.

Een leerling kan slechts één module tezelfdertijd volgen.

§ 2. De overstap van een leerling van het modulair naar het niet-modulair onderwijs vindt plaats op basis van een beslissing van de klassenraad. (344)

Art. 346.

De klassenraad beslist of een regelmatige leerling hetzij geslaagd is zonder beperkingen hetzij niet geslaagd is. Deze beslissing wordt genomen :

1° op het ogenblik dat de leerling een module heeft beëindigd. In voorkomend geval wordt, voor wat betreft het onderwijzend personeel, de klassenraad beperkt tot die leden die effectief aan de leerling in de desbetreffende module onderricht hebben verstrekt;

2° op het ogenblik dat de leerling aan alle opleidingsvoorwaarden voldoet die toelaten een beslissing te nemen over de toekenning van een attest van verworven competenties, een getuigschrift van verworven competenties, een getuigschrift van een opleiding of een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding.

In het modulair onderwijs worden geen kwalificatieproeven ingericht. (345)

Art. 347.

De studiebekrachtiging, al dan niet op het einde van het schooljaar, wordt als volgt vastgesteld :

1° attest van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding niet met vrucht heeft gevolgd; het attest vermeldt die competenties die de jongere wel heeft bereikt;

2° deelcertificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een module van een opleiding met vrucht heeft gevolgd;

3° getuigschrift van verworven competenties : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een afgerond geheel binnen een opleiding met vrucht heeft gevolgd;

4° certificaat : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding met vrucht heeft gevolgd;

5° getuigschrift van een opleiding : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die een opleiding van assistentniveau met vrucht heeft gevolgd;

6° getuigschrift van alternerende beroepsopleiding : wordt uitgereikt aan een regelmatige leerling die de integratiefase met vrucht heeft gevolgd.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt een module waarvoor de leerling bij beslissing van de klassenraad is vrijgesteld, geacht met vrucht gevolgd te zijn.

De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen van de hiervoor vermelde studiebewijzen vast. (346)

Art. 348.

§ 1. In het modulair onderwijs gelden als richtgetallen de reglementair vastgestelde richtgetallen van de overeenkomstige types van opleidingsvorm 3.

Het lesurenpakket dat op basis van het voorgaande wordt berekend, wordt voor wat betreft de schooljaren 2008-2009 en 2009-2010 als volgt netto verhoogd :

a) per studiegebied dat tijdens het betrokken schooljaar volledig modulair wordt georganiseerd, worden 4 lesuren toegekend;

b) per leerling in het experiment die op de gebruikelijke teldatum in aanmerking wordt genomen voor financiering of subsidiëring worden 0,10 lesuren toegekend.

§ 2. Modulair onderwijs wordt georganiseerd op basis van uren die geen lesuren zijn doch ermee gelijkgesteld worden, meer bepaald onder vorm van bijzondere pedagogische taken.

Met beroepsgerichte vorming gelijkgestelde uren komen in aanmerking voor de vaststelling van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur. (347)

Art. 349.

De onderwijsinspectie is belast met de evaluatie van het experiment. De scholen die aan het experiment deelnemen, zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de evaluatie. De evaluatie moet, inzonderheid wat de timing betreft, derwijze worden georganiseerd dat ze toelaat om beleidsconclusies te trekken met het oog op een vlotte, eventuele, organieke implementatie. (348)

TITEL 4. - SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPLEIDINGSVORM 4

HOOFDSTUK 1. - Bepalingen betreffende de scholen van de opleidingsvorm 4, met uitzondering van de ziekenhuisscholen

Afdeling 1. - Structuur en organisatie

Art. 350.

De artikelen 124, [...]³ 126, 127, 128, [...]³ 134, [...]³ 136, [136/1,]¹[...]³ 148, 149, [...]³ 151, 152, 153, 154, [...]³ 156, [157 en 157/1 [[...]] ]² zijn eveneens van toepassing in de scholen met opleidingsvorm 4 [, behalve voor het onthaalonderwijs, Se-n-Se, de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, en de vierde graad, die niet kunnen ingericht worden]³.

[In opleidingsvorm 4 moet een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd worden en moeten er eveneens, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders.]³ (349)

[ ]¹ Decr. 1-7-2011; [ ]² Decr. 19-7-2013; [ ]³ Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 21-3-2014

[HOOFDSTUK 2. - Bepalingen betreffende de scholen van opleidingsvorm 4, in de ziekenhuisscholen

Art. 350/1.

§ 1. In de scholen van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan een universitair ziekenhuis en verbonden aan een residentiële setting werken de leerlingen verder aan het curriculum van de oorspronkelijke school en worden hieromtrent eveneens afspraken gemaakt met de oorspronkelijke school. De oorspronkelijke school staat in voor de studiebekrachtiging.

§ 2. In ziekenhuisscholen moeten er, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De ziekenhuisschool werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders en de oorspronkelijke school, tenzij de leerling voor het verblijf in de ziekenhuisschool niet in een school ingeschreven was.

§ 3. Op basis van de behoeften van de leerlingen mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het preventorium, op ieder tijdstip van het schooljaar een structuuronderdeel van het gewoon voltijds secundair onderwijs [[en buitengewoon secundair onderwijs]] inrichten, ook indien de onderliggende structuuronderdelen niet ingericht zijn. De school kan op die wijze onderdelen van het volledig studieaanbod van het gewoon voltijds secundair onderwijs inrichten, met inbegrip van het onthaalonderwijs, Se-n-Se, de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, en de vierde graad. [[Naargelang de keuze van de ouders mag men in de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium verschillende leerplannen aanbieden.]]

§ 4. In de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het preventorium worden dezelfde studiebewijzen uitgereikt als in het [[gewoon voltijds secundair onderwijs en buitengewoon secundair onderwijs]]. De school van opleidingsvorm 4, type 5, bij het preventorium staat zelf in voor de studiebekrachtiging.

[[§ 5. Voor zover de school van opleidingsvorm 4, type 5, verbonden aan het Zeepreventorium, die behoort tot het gemeenschapsonderwijs, leerplannen aanbiedt van het vrij onderwijs, gebeurt dit in afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 15, § 1, 12°, b).]] ]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 17-6-2016

TITEL 5. - [Specifieke bepalingen over het geïntegreerd onderwijs en de speciale onderwijsleermiddelen]

Decr. 16-6-2017

HOOFDSTUK 1. - Het geïntegreerd onderwijs

Art. 351.

§ 1. Geïntegreerd secundair onderwijs is een samenwerking tussen het gefinancierd of gesubsidieerd gewoon secundair en het gefinancierd of gesubsidieerd buitengewoon onderwijs. Het is bedoeld om leerlingen met een handicap of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon secundair onderwijs met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs die daartoe aanvullende lestijden of lesuren of aanvullende uren en een integratietoelage of -krediet krijgt.

Geïntegreerd secundair onderwijs bestaat zowel op het niveau secundair onderwijs als op het niveau hoger onderwijs. Het geïntegreerd secundair onderwijs in de opleiding verpleegkunde behoort tot het niveau hoger onderwijs, het geïntegreerd secundair onderwijs in de overige structuuronderdelen van het secundair onderwijs behoort tot het niveau secundair onderwijs.

§ 2. De integratie is permanent als de leerling ten minste vanaf de laatste schooldag van september van het lopende schooljaar tot het einde van dat schooljaar de lessen en activiteiten in het gewoon secundair onderwijs volgt. Als die periode korter is, is de integratie tijdelijk.

§ 3. Als de geïntegreerde leerling alle lessen of activiteiten in het gewoon secundair onderwijs volgt, is de integratie volledig. Bij gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon secundair onderwijs. (350)

Art. 352

[§ 1. Om toegelaten te worden tot het geïntegreerd secundair onderwijs [[en om in aanmerking te komen voor aanvullende financiering of subsidiëring]] is het volgende vereist :

1° de leerling moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het gewoon secundair onderwijs;

2° een gemotiveerd verslag, opgesteld door het centrum voor leerlingenbegeleiding, waaruit blijkt :

a) dat met toepassing van de principes van artikel 136/2 het inzetten van de ondersteuning in het kader van het geïntegreerd onderwijs, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen nodig en voldoende geacht wordt om de leerling een gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;

b) dat de leerling voldoet aan de criteria van een van de punten van artikel 259, § 1, 1° tot 8°, met uitzondering van 5°;

c) dat de leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon basisonderwijs of buitengewoon secundair onderwijs in het betreffende type heeft gevolgd, onmiddellijk voorafgaand aan zijn toelating tot het geïntegreerd secundair onderwijs, indien blijkt dat hij voldoet aan de criteria van artikel 259, § 1, 1°.

De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het gemotiveerd verslag en kan in uitvoering van artikel 314/5 de bepaling van artikel 352, § 1, 2°, c), opheffen.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor een leerling die toegelaten werd tot het geïntegreerd secundair onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag slechts een gemotiveerd verslag opgemaakt bij wijziging van het onderwijsniveau, de aard van de integratie, of de aard en de ernst van de handicap.

§ 3. [[Bij de wijziging van de aard van de integratie, de aard en de ernst van de handicap of het onderwijsniveau, wordt een nieuw gemotiveerd verslag opgesteld.]]

§ 4. Wanneer voor een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 294 een gemotiveerd verslag wordt opgemaakt, vervalt het verslag als vermeld in artikel 294.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 353.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. 354.

§ 1. Leerlingen die geïntegreerd secundair onderwijs volgen, zijn, afhankelijk van de aard van de integratie zoals bepaald in artikel 351, § 2 en § 3, regelmatige leerling in de school voor buitengewoon secundair onderwijs of in de school voor gewoon secundair onderwijs.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop een regelmatige leerling in het geïntegreerd secundair onderwijs hetzij in de school voor gewoon secundair onderwijs, hetzij in de school voor buitengewoon secundair onderwijs, hetzij in beide in aanmerking komt als regelmatige leerling. (353)

Art. 355.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. 356.

De school voor buitengewoon onderwijs die een leerling geïntegreerd onderwijs begeleidt, krijgt daartoe aanvullende lestijden of lesuren of uren en een integratietoelage of -krediet.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen van de aanvullende lestijden of lesuren of uren, alsook het aantal en de wijze van de berekening ervan.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen van de integratietoelage of -krediet, alsook de vaststelling ervan. (355)

HOOFDSTUK 2. - [De speciale onderwijsleermiddelen]

Decr. 16-6-2017

Art. 357.

[§ 1. Aan regelmatige leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die gewoon gefinancierd of gesubsidieerd secundair onderwijs volgen, en voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het gewoon secundair onderwijs, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld.

[[§ 2.]] Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering :

[[1°]] de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal bij het Agodi, het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien;

[[2°]] de diplomavoorwaarden voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en schrijftolken;

[[3°]] de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken;

[[4° de definitie van de doelgroep.]]

[[§ 3.]] [[Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsmiddelen voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.]]

[[§ 4.]] De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau worden om de drie jaar geëvalueerd, de eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd.

[[§ 5.]] Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met [[4]], dan bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen.] (356)

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 17-6-2016

DEEL VI. - UITWERKINGSDATA

Art. 358.

De oorspronkelijke bepalingen van de artikelen opgenomen in de codificatie hebben uitwerking met ingang van de ernaast vermelde datum :

1° artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

2° artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

3° artikel 4 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

4° artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

5° artikel 6 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

6° artikel 7 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

7° artikel 8 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

8° artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

9° artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

10° artikel 11 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997;

11° artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

12° artikel 13 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

13° artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

14° artikel 15 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

15° artikel 16 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

16° artikel 17 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

17° artikel 18 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

18° artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 25 augustus 1989;

19° artikel 20 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1984;

20° artikel 21, § 1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991, § 2 - § 6 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1993 en 1 september 1993;

21° artikel 22 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

22° artikel 23 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

23° artikel 24 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

24° artikel 25 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

25° artikel 26 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

26° artikel 27 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

27° artikel 28 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

28° artikel 29 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

29° artikel 30 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

30° artikel 31 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

31° artikel 32 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

32° artikel 33 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

33° artikel 34 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

34° artikel 35, eerste lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

artikel 35, tweede lid, heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

35° artikel 36 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

36° artikel 37 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

37° artikel 38 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1973;

38° artikel 39 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

39° artikel 40 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991;

40° artikel 41 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

41° artikel 42 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991;

42° artikel 43 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

43° artikel 44 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

44° artikel 45 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

45° artikel 46 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

46° artikel 47 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

47° artikel 48 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010;

48° artikel 49 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

49° artikel 50 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

50° artikel 51 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

51° artikel 52 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

52° artikel 53 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

53° artikel 54 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

54° artikel 55 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

55° artikel 56 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

56° artikel 57 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

57° artikel 58 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

58° artikel 59 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

59° artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

60° artikel 61 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

61° artikel 62 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

62° artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

63° artikel 64 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

64° artikel 65 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

65° artikel 66 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

66° artikel 67 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

67° artikel 68 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

68° artikel 69 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

69° artikel 70 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

70° artikel 71 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

71° artikel 72 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

72° artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

73° artikel 74 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

74° artikel 75 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

75° artikel 76 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

76° artikel 77 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

77° artikel 78 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

78° artikel 79 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

79° artikel 80 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

80° artikel 81 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

81° artikel 82 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

82° artikel 83 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

83° artikel 84 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

84° artikel 85 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

85° artikel 86 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

86° artikel 87 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

87° artikel 88 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

88° artikel 89 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

89° artikel 90 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

90° artikel 91 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

91° artikel 92 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

92° artikel 93 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

93° artikel 94 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2008;

94° artikel 95 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

95° artikel 96 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

96° artikel 97 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

97° artikel 98 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

98° artikel 99 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

99° artikel 100 heeft uitwerking met ingang van 25 oktober 1981;

100° artikel 101 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

101° artikel 102 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

102° artikel 103 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

103° artikel 104 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

104° artikel 105 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990.

105° artikel 106 heeft uitwerking met ingang van 5 september 1996;

106° artikel 107 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

107° artikel 108 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

108° artikel 109 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

109° artikel 110 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1958;

110° artikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006

111° artikel 112 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

112° artikel 113 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

113° artikel 114 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

114° artikel 115 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989 en 1 oktober 1991;

115° artikel 116 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

116° artikel 117 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005; behalve in § 3 de woorden "tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte", die in werking treden op een door de VR te bepalen datum;

117° artikel 118 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

118° artikel 119 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

119° artikel 120 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

120° artikel 121 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

121° artikel 122 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

122° artikel 123 heeft uitwerking met ingang van 5 september 1996;

123° artikel 124 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

124° artikel 125 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

125° artikel 126 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

126° artikel 127 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

127° artikel 128 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

128° artikel 129 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

129° artikel 130 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

130° artikel 131 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

131° artikel 132 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

132° artikel 133 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

133° artikel 134 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

134° artikel 135 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

135° artikel 136 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010;

136° artikel 137 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

137° artikel 138 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

138° artikel 139 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

139° artikel 140 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

140° artikel 141 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

141° artikel 142 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

142° artikel 143 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

143° artikel 144 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;

144° artikel 145 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;

145° artikel 146 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

146° artikel 147 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

147° artikel 148 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;

148° artikel 149 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;

149° artikel 150 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996;

150° artikel 151 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1978;

151° artikel 152 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

152° artikel 153 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

153° artikel 154 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

154° artikel 155 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

155° artikel 156 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

156° artikel 157 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

157° artikel 158 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

158° artikel 159 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

159° artikel 160 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

160° artikel 161 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

161° artikel 162 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

162° artikel 163 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

163° artikel 164 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

164° artikel 165 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

165° artikel 166 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

166° artikel 167 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

167° artikel 168 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

168° artikel 169 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

169° artikel 170 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

170° artikel 171 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

171° artikel 172 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

172° artikel 173 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1992;

173° artikel 174, § 1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998; artikel 174, § 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994; 174° artikel 175 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

175° artikel 176 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

176° artikel 177 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

177° artikel 178 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

178° artikel 179 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

179° artikel 180 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

180° artikel 181 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

181° artikel 182 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

182° artikel 183 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

183° artikel 184 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

184° artikel 185 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

185° artikel 186 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

186° artikel 187 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

187° artikel 188 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

188° artikel 189 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

189° artikel 190 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

190° artikel 191 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

191° artikel 192 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

192° artikel 193 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

193° artikel 194 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

194° artikel 195 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

195° artikel 196 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

196° artikel 197 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

197° artikel 198 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

198° artikel 199 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2000;

199° artikel 200 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

200° artikel 201 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;

201° artikel 202 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

202° artikel 203 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

203° artikel 204 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

204° artikel 205 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

205° artikel 206 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

206° artikel 207 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

207° artikel 208 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

208° artikel 209 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

209° artikel 210 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

210° artikel 211 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

211° artikel 212 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

212° artikel 213 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

213° artikel 214 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990;

214° artikel 215 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

215° artikel 216 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

216° artikel 217 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;

217° artikel 218 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;

218° artikel 219 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;

219° artikel 220 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007;

220° artikel 221 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2007;

221° artikel 222 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

222° artikel 223 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999;

223° artikel 224 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

224° artikel 225 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

225° artikel 226 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

226° artikel 227 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

227° artikel 228 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

228° artikel 229 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

229° artikel 230 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

230° artikel 231 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

231° artikel 232 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

232° artikel 233 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

233° artikel 234 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

234° artikel 235 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

235° artikel 236 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

236° artikel 237 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

237° artikel 238 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

238° artikel 239 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

239° artikel 240 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002;

240° artikel 241 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

241° artikel 242 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

242° artikel 243 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

243° artikel 244 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

244° artikel 245 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

245° artikel 246 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

246° artikel 247 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

247° artikel 248 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

248° artikel 249 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

249° artikel 250 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

250° artikel 251 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

251° artikel 252 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1989;

252° artikel 253 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

253° artikel 254 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991;

254° artikel 255 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;

255° artikel 256 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;

256° artikel 257 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

257° artikel 258 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

258° artikel 259 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

259° artikel 260 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

260° artikel 261 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

261° artikel 262 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

262° artikel 263 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

263° artikel 264 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;

264° artikel 265 heeft uitwerking met ingang van 26 juli 2009;

265° artikel 266 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

266° artikel 267 heeft uitwerking met ingang van 18 februari 2002;

267° artikel 268 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

268° artikel 269 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

269° artikel 270 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

270° artikel 271 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

271° artikel 272 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

272° artikel 273 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

273° artikel 274 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

274° artikel 275 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

275° artikel 276 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

276° artikel 277 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

277° artikel 278 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

278° artikel 289 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

279° artikel 280 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

280° artikel 281 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

281° artikel 282 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

282° artikel 283 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

283° artikel 284 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

284° artikel 285 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

285° artikel 286 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

286° artikel 287 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

287° artikel 288 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

288° artikel 289 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1986;

289° artikel 290 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

290° artikel 291 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

291° artikel 292 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

292° artikel 293 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

293° artikel 294 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1970;

294° artikel 295 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

295° artikel 296 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

296° artikel 297 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

297° artikel 298 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

298° artikel 299 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

299° artikel 300 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

300° artikel 301 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

301° artikel 302 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

302° artikel 303 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

303° artikel 304 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

304° artikel 305 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

305° artikel 306 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

306° artikel 307, § 1, § 2 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982; artikel 307, § 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1984;

307° artikel 308 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

308° artikel 309 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

309° artikel 310 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

310° artikel 311 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

311° artikel 312 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

312° artikel 313 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

313° artikel 314 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982;

314° artikel 315 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005;

315° artikel 316 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

316° artikel 317 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

317° artikel 318 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

318° artikel 319 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

319° artikel 320 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

320° artikel 321 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

321° artikel 322 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009;

322° artikel 323 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

323° artikel 324 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

324° artikel 325 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

325° artikel 326 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

326° artikel 327 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

327° artikel 328 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

328° artikel 329 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

329° artikel 330 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

330° artikel 331 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

331° artikel 332 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2008;

332° artikel 333 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

333° artikel 334 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997;

334° artikel 335 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001;

335° artikel 336 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

336° artikel 337 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

337° artikel 338 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

338° artikel 339 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

339° artikel 340 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

340° artikel 341 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

341° artikel 342 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

342° artikel 343 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

343° artikel 344 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

344° artikel 345 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

345° artikel 346 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

346° artikel 347 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

347° artikel 348 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

348° artikel 349 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008;

349° artikel 350 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998;

350° artikel 351 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1986;

351° artikel 352 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

352° artikel 353 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

353° artikel 354 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

354° artikel 355 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

355° artikel 356 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2006;

356° artikel 357 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.

DEEL VII. - AANPASSINGEN VAN DE VERWIJZINGEN NAAR ARTIKELEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE

Art. 359.

In de hierna vermelde wetten, decreten en besluiten worden de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de codificatie betreffende het secundair onderwijs, aangepast door schrappingen door te voeren of een verwijzing op te nemen naar een artikel uit de codificatie : ...

Nota's

(1) Artikel 1, eerste lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 6/7/1970. In de codificatie is artikel 1, tweede lid, inzake muziekscholen niet opgenomen.

- Artikel 47, 1°, 2,° 3° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II.Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 31/7/2001, met ingang van 1/1/2002 en 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009.

- Artikel 64 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008.

- Artikel 2bis ; Artikel 3 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Artikel 2bis is ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006.

In de codificatie zijn de artikelen grondig herwerkt in overeenstemming met de indeling van de codificatie, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(2) Artikel 46, § 2, eerste zin; § 2, tweede lid en § 3 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008.

- Artikel 48 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 30/4/2009.

- Artikel 2 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010.

In de codificatie zijn de definities uit de drie voormelde artikelen samengebracht in alfabetische volgorde, behalve de definitie « regelmatige leerling" die is opgenomen in een afzonderlijk artikel 252, bij de definitie scholengemeenschap is de zin rond het gemeenschapsonderwijs niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter en in de definitie voltijds secundair onderwijs (47°) is de verwijzing naar koninklijk besluit nr.2 van 21/8/1978 geschrapt, het begrip centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs is toegevoegd, het begrip "school" is aangepast en vervangt in de volledige codificatie gelijkaardige begrippen als instelling, onderwijsinstelling, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

Het begrip "schoolbestuur" (40°) is toegevoegd in de lijst in overeenstemming met het decreet basisonderwijs en komt in alle betrokken artikelen van de codificatie in de plaats van het begrip "inrichtende macht".

(3) Artikel 46, § 1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1995 door het decreet van 9/12/2005; met ingang van 1/9/2008 door decreet van 10/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(4) Artikel 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973, met ingang van 1/9/1975 door de wet van 14/7/1975; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(5) Artikel 3, § 1, eerste, derde, vierde lid en § 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 6/7/1970; met ingang van 1/9/1981 door de wet van 18/9/1981; met ingang van 1/1/1986 door het koninklijk besluit nr. 411 van 25/4/1986, met ingang van 1/1/1989 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 438 van 11/8/1986; met ingang 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 456 van 10/9/1986; met ingang van 1/9/1987 door de wet van 30/7/1987; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 25/10/1981 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 25/10/1981 en 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 25/10/1981, 1/9/1982 en 1/9/1984 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 16/4/1996; met ingang van 1/9/2000 door het decreet van 20/10/2000.

In de codificatie is de zinsnede "worden jaarlijks bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgelegd " geschrapt; de volgende begrippen zijn vervangen, nl. « inrichtingen, instellingen" door "scholen en centra", "toelageregeling" door "financiering of subsidiëring ", "wet" door "de decretale bepalingen betreffende het secundair onderwijs", "Staat" door "krachtens het bijzonder decreet betreffende het gemeenschapsonderwijs", « rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13" door « de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen"," niet-confessioneel of confessioneel" door "officiële of vrije scholen". De § 4 in het oorspronkelijke artikel is niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter en het tweede lid van § 1 is opgenomen in artikel 39. De codificatie brengt geen inhoudelijke wijzigingen aan.

(6) Artikel V.9 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(7) Artikel V.10 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(8) Artikel V.11 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(9) Artikel V.12 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(10) Artikel 71 : Decreet van 15/7/1997 betreffende het onderwijs VIII. In de codificatie is de term "Vlaamse Ministerie van Onderwijs en Vorming" ingeschreven, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(11) Artikel 7, § 1 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 23/10/1991; met ingang van 28/5/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen inzake basisonderwijs, sociale promotie en deeltijds kunstonderwijs niet opgenomen, "georganiseerd" is vervangen door "gefinancierd", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(12) Artikel 24bis, § 4 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(13) Artikel 24ter : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007, met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 6/6/2008, met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is "Agodi" ingevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(14) Artikel 24bis, § 1, § 2 en § 3 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 6/6/2008; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie zijn in punt 1° de woorden "zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon" geschrapt omwille van de definitie in artikel 3; in punt 7° is de verwijzing naar artikel 7 geschrapt; de zinsnede "rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13" is vervangen door "de reglementaire programmatie- en rationalisatienormen"; "Agodi" is toegevoegd; het tweede deel van het tweede lid van § 2 is niet opgenomen omwille van een recente regeling in het decreet van 8/5/2009 betreffende de kwaliteit, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(15) Artikel 26 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990. In de codificatie is het artikel volledig herwerkt door de Raad van State in het advies van 10/12/2009, de verwijzing naar artikel 38 geschrapt, de verwijzing naar artikel 27 aangepast, het begrip "gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerde personeelsleden" is toegevoegd, het begrip « wedde" is vervangen door "salaris", "wetten" door "decreten", "Staat" door "Vlaamse Gemeenschap", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

- Artikel 36, § 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr.413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr.447 van 20/8/1986; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 31/7/1990. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(16) Artikel 27, § 1, eerste, tweede lid en § 2 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 20/2/1970 en de wet van 6/7/1970; met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 1/9/85 door de wet van 1/8/1985; met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de bevoegdheid van de Vlaamse Regering toegevoegd, het begrip "wedde" vervangen door "salaris ", "Ministerraad" door "Vlaamse Regering", "door de Staat georganiseerd of niet door de Staat georganiseerd" door "gefinancierd of gesubsidieerd", zijn de bepalingen rond internaten (§ 1) niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(17) Artikel 28 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 1/9/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 27/3/1991; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 13/7/2007. In de codificatie zijn in § 1 de begrippen « financiering en subsidiëring" opgenomen, is de verwijzing naar artikel 29 vervangen door "vereiste, voldoende en andere bekwaamheidsbewijzen", de verwijzing naar 12bis door "de reglementering inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling", het begrip "inrichting" is vervangen door "scholen en centra", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(18) Artikel 3, § 5 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 15/12/1993; met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is een indeling in paragrafen toegevoegd, is eenvormig de term "uren-leraar"gebruikt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(19) Artikel 3, § 6 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/84 door het decreet van 5/7/1989; gewijzigd met ingang van 1/1/1993 en 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 15/12/1993; met ingang van 1/9/1984, 1/9/1994 en 1/9/1993 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de tekst herschikt en een indeling in paragrafen aangebracht, het tweede lid van het oorspronkelijk artikel 3,§ 6, b) inzake studiekeuze voor meisjes en voor migranten is niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is eenvormig de term « uren-leraar"gebruikt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(20) § 1 : Artikel 59bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 28/4/1993; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

- § 2 tot en met § 6 : Artikel 59ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/1/1993 en 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; gewijzigd met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 15/12/1993; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is de nummering van de paragrafen aangepast en is de verwijzing naar artikel 59bis geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(21) Artikel 59quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(22) Artikel 93, § 2, § 3 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(23) Artikel 94 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(24) Artikel 95 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 57 en naar het decreet van 28/6/2002 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(25) Artikel 96 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/1/2005 door het decreet van 24/12/2004; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 57 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(26) Artikel 97 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/98 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(27) Artikel 98 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(28) Artikel 99 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 en 1/9/2001 door het decreet van 142/2003; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 7/5/2004; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 95 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(29) Artikel 99bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/6/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 99 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(30) Artikel 99ter : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 96 en 97 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(31) Artikel 99quater : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is artikel 36 opgenomen omwille van de opheffing van artikel 36bis, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(32) Artikel 99duodecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen rond vervangingen van korte afwezigheden niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(33) Artikel 99ter decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 8/5/2009, gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. In de codificatie zijn de bepalingen rond vervangingen van korte afwezigheden (§ 1, 1°; § 2, eerste lid) niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(34) Artikel V.13 : Decreet van 13/7/2001 betreffende het onderwijs XIII. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(35) Artikel 25 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 24 vervangen door "gefinancierd of gesubsidieerd ", het begrip "Staat" is vervangen door "Vlaamse Gemeenschap", "inrichtingen" is vervangen door « scholen", "wedde" is vervangen door "salaris ", "toelagen" door "budget", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(36) Artikel 32, § 1 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1970 door de wet van 6/7/1970 en de wet van 25/5/1971; met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 11/4/1974 door de wet van 17/1/1974; met ingang van 1/9/1972 en 1/9/1975 door de wet van 8/7/1976; met ingang van 1/9/1976 door de wet van 22/12/1977; met ingang van 1/9/1977 door de wet van 5/8/1978; met ingang van 1/9/1979 door de wet van 8/8/1980; met ingang van 1/9/1980 door de wet van 2/7/1981; met ingang van 1/9/1981 door het koninklijk besluit nr. 47 van 10/6/1982; met ingang van 1/9/1982 door het koninklijk besluit nr.154 van 30/12/1982; met ingang van 1/9/1983 door het koninklijk besluit nr. 233 van 22/12/1983; met ingang van 1/1/1986 en 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1984 door de wet van 1/8/1985; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 456 van 10/9/1986; met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 538 van 31/3/1987; met ingang van 1/9/1986, 1/1/1987 en 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 1/9/1989 door het decreet van 20/12/1989; met ingang van 1/9/1989 en 1/1/1991 door het decreet van 31/07/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/1/1999 door het decreet van 19/12/1998; met ingang van 1/1/1989 en 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989; met ingang van 1/1/2002 door het decreet van 14/02/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is het begrip "werkingstoelagen" vervangen door "werkingsbudget", zijn de bepalingen in § 1 en van § 2 inzake internaten niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(37) Artikel 36bis : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1973 door de wet van 11/7/1973; gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 31/7/1990. In de codificatie is het begrip "Argo" vervangen door "Gemeenschapsonderwijs" en "Rijk" door"federale", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(38) Artikel 3, § 1, tweede lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr.456 van 10/9/1986; gewijzigd met ingang van 1/1/1989 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang 1/1/1987 door de wet van 1/8/1988. In de codificatie is het begrip "staatsdiensten met afzonderlijk beheer in het Rijksonderwijs" vervangen door "het Gemeenschapsonderwijs ", zijn de bepalingen inzake internaten niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(39) Artikel 5 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. In de codificatie is de tekst in overeenstemming gebracht met de bepalingen van het bijzonder decreet van 14 juli 1998, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(40) Artikel 36, § 1 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 413 van 29/4/1986; met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 447 van 20/8/1986; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/1/1991 door het decreet van 28/4/1993. In de codificatie is het begrip "wedde"vervangen door "salaris ", "werkingstoelage" door "werkingsbudget, is § 3 van het oorspronkelijke artikel 36 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, zijn de bepalingen inzake internaten niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(41) Artikel 3, § 8, 1°, achtste lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992. In de codificatie is het begrip "werkingstoelage" vervangen door "werkingsbudget", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(42) Artikel X.5 : Decreet van 15/7/2005 betreffende het onderwijs XV. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(43) Artikel X.3 : Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(44) Artikel X.6 : Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(45) Artikel X.7 : Decreet van 22/6/2007 betreffende het onderwijs XVII. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 21/11/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(46) Artikel 103 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 22/12/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(47) Artikel 103bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(48) Artikel 62 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(49) Artikel 63 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(50) Artikel 64 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(51) Artikel 65 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar de vervangingspool (10° van het oorspronkelijk artikel 71) niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzingen zijn verder aangepast aan de hernummering binnen artikel 57, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(52) Artikel 66 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/91999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(53) Artikel 67 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(54) Artikel 68 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/6/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de "Autonome Raad" vervangen door "Gemeenschapsonderwijs", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(55) Artikel 70 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(56) Artikel 71 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/6/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 15/12/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 20/3/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is het oorspronkelijke punt 10° inzake de vervangingspool niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is de opsomming hernummerd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(57) Artikel 72 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/6/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 71 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(58) Artikel 73 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(59) Artikel 74 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 88 geschrapt, een nieuwe indeling in paragrafen is toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(60) Artikel 75 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 87 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(61) Artikel 76 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 89 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(62) Artikel 77 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie is de indeling in paragrafen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(63) Artikel 78 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(64) Artikel 80 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 15/12/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie zijn de tijdelijke bepalingen voorafgaand 2004 niet opgenomen, is een indeling in paragrafen toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(65) Artikel 81 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is het "PMS" niet meer opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(66) Artikel 6 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993. In de codificatie is « inspecteur-coördinator of een inspecteur van het basisonderwijs" vervangen door "een inspecteur van de onderwijsinspectie", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(67) Artikel 7; Artikel 11 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1993 door de wet van 28/4/1993. In de codificatie is « Minister bevoegd voor Nationale Opvoeding" vervangen door « Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(68) - § 1 - § 2 : Artikel 156 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

- § 3 : Artikel 158 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzingen naar de artikelen 156 en 157 geschrapt, het begrip « wedde" is vervangen door "salaris", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(69) Artikel 46bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(70) Artikel 81bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(71) Artikel 81ter : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(72) Artikel 81quater : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(73) Artikel 81quinquies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(74) Artikel 81sexies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(75) Artikel 81septies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(76) Artikel 81octies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(77) Artikel 81novies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(78) Artikel 81decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet het basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(79) Artikel 81undecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(80) Artikel 81duodecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(81) Artikel 81terdecies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(82) Artikel 81quater decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(83) Artikel 81quinquies decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(84) Artikel 81sexies decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(85) Artikel 81septies decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(86) Artikel 81duodevicies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(87) Artikel 81undevicies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(88) Artikel 81vicies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(89) Artikel 81vicies semel : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(90) Artikel 81vicies bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(91) Artikel 81vicies ter : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(92) Artikel 81vicies quater : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(93) Artikel 81vicies quinquies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/4/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(94) Artikel 159 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(95) Artikel 52sexies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(96) Artikel 52septies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(97) Artikel 52octies : Decreet van 31/7/1990 betreffende onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(98) Artikel 24quinquies : Wet van 29/5/1959 tot wijziging sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(99) Artikel 3, § 9 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 25/10/1981 door het decreet van 31/7/1990. In de codificatie is de zinsnede "rationalisatie Ben programmatieplan overeenkomstig artikel 13" vervangen door "de reglementaire programmatie- en rationalisatienormen", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(100) Artikel 24quater : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 24bis aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen. - Artikel 6quater, derde lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is artikel 6quater, derde lid, niet meer afzonderlijk opgenomen omdat de bepaling is opgenomen in artikel 24quater, § 2 (artikel 101 codificatie), en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(101) Artikel 192 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. In de codificatie is het begrip "wedden " vervangen door "salaris", het begrip « werkingsmiddelen" door "werkingsbudget", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(102) Artikel 35 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992. In de codificatie is het begrip "koninklijk besluit" vervangen door "besluit van de Vlaamse Regering", het begrip "werkingstoelage" door "werkingsbudget" en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(103) Artikel 198 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 14/12/2001; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is het begrip "wedden " vervangen door "salarissen", "« werkingsmiddelen" door "werkingsbudget", is § 2 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(104) Artikel 199 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/6/1991 door het decreet van 27/3/1991. In de codificatie is de laatste zin van het tweede lid oorspronkelijk artikel 199 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen..

(105) Artikel 71, § 2 : Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII. In de codificatie zijn de begrippen "werkingsbudgettoelagen of werkingsmiddelen" vervangen door de term "werkingsbudget", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(106) Artikel 74quinquies 2 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(107) Artikel 7, § 2, § 3 : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 23/10/1991; met ingang van 28/5/1993 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen inzake basisonderwijs, sociale promotie en deeltijds kunstonderwijs niet opgenomen, is de verwijzing naar artikel 32 geschrapt, is het begrip "werkingsbudget" gebruikt, is het begrip "ARGO" vervangen door het "Gemeenschapsonderwijs", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(108) Artikel 52novies : Decreet van 31/7/1990 betreffende onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar een artikel 52octies aangepast, de term "werkingsmiddelen" is vervangen door "werkingsbudget", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(109) Artikel 4, eerste, tweede lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Gewijzigd met ingang van 30/8/1973 door de wet van 11/7/1973; met ingang van 1/1/1987 door het koninklijk besluit nr. 468 van 9/10/1986; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie wordt enkel het eerste en tweede lid opgenomen, de overige leden blijven in de oorspronkelijke wet behouden, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(110) Artikel 74octies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 20/3/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(111) Artikel 74novies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(112) Artikel 74decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(113) Artikel 74undecies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(114) Artikel 84quater, 1° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is punt 2° van het oorspronkelijke artikel 84quater opgenomen in artikel 254, § 2, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

- Artikel 48, 2°, laatste zin : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

De toelatingsvoorwaarden zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 19/7/2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs.

(115) Artikel 74bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is de definitie "betrokken personen" opgenomen in artikel 3, de omschrijving CABO is opgenomen in artikel 67, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(116) Artikel 74ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie is "Dienst met onderwijsbehoeften" vervangen door "dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangen", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(117) Artikel 74quater : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(118) Artikel 74quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(119) Artikel 74quinquies /1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan

(120) Artikel 74sexies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie zijn de woorden "van het secundair onderwijs" geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(121) Artikel 74septies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie zijn de woorden "van het secundair onderwijs" weggelaten, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(122) Artikel 71, § 1, § 2, eerste lid : Decreet van 8/7/1996 betreffende het onderwijs VII. In de codificatie is het begrip "studenten" vervangen door "cursisten", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(123) Artikel 49 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(124) Artikel 50 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(125) Artikel 4 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(126) Artikel 5 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(127) Artikel 6 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(128) Artikel 7 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 16/5/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(129) Artikel 52bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(130) Artikel 51 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(131) Artikel 52ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(132) Artikel 8 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 9/12/2005; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(133) Artikel 52 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(134) Artikel 52quater, § 1, eerste, tweede, vierde lid; § 2 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(135) Artikel 52quinquies /1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(136) Artikel 52quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(137) Artikel 2, eerste lid : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs is opgenomen in deel V, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(138) Artikel 3 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs is opgenomen in deel V, het tweede lid is opgenomen in het decreet van 10/7/2008, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(139) Artikel 4 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar het decreet van 31/7/1990 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(140) Artikel 5, § 1, § 2 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs (§ 3) is opgenomen in deel V, is de verwijzing naar het decreet van 31/7/1970 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(141) Artikel 6 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar het decreet van 31/7/1990 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(142) Artikel 7 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(143) Artikel 7bis : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(144) Artikel 7ter : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009; gewijzigd met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(145) Artikel 8, § 1, § 3-§ 5 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs (§ 2) is opgenomen in deel V, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(146) Artikel 9 : Decreet van 18/01/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in deel IV de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs is opgenomen in deel V, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(147) Artikel 1 : koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1982 door het koninklijk besluit nr. 79 van 21/7/1982; met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995. In de codificatie is de term "gefinancierd en gesubsidieerd "ingevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(148) Artikel 2 : koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(149) Artikel 46, § 2, tweede zin : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 8/7/1996; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(150) Artikel 5 : koninklijk besluit nr. 2 van 21/8/1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(151) Artikel 55bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1989 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen 53-55 vervangen door de zinsnede "bepalingen inzake minimum lessenrooster", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(152) Artikel 53 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(153) Artikel 54 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 en 1/9/2011 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(154) Artikel 54bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(155) Artikel 55, § 1-§ 3, § 8 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010, 1/9/2011, 1/9/2012, 1/9/2013 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen betreffende de tweede graad in een afzonderlijk artikel opgenomen, waardoor de § 8 uit het oorspronkelijke artikel 55, hier hernomen wordt als § 4, en zonder inhoudelijke wijzingen.

(156) Artikel 55, § 4-§ 8 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2012, 1/9/2013, 1/9/2014, 1/9/2015 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de nummering van de paragrafen aangepast, in § 4 is de verwijzing naar artikel 50 vervangen door de zinsnede "derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(157) Artikel 74duodecies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(158) Artikel 74ter decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009 en door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(159) Artikel 74quater decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(160) Artikel 74quinquies decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(161) Artikel 74sexies decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(162) Artikel 74sexies decies bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009.De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(163) Artikel 74septies decies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(164) Artikel 74duodevicies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(165) Artikel 74undevicies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In codificatie is het tweede lid van § 1 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen..

(166) Artikel 74vicies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(167) Artikel 74vicies semel : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie wordt eenvormig de term "onderwijsinspectie" gehanteerd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(168) Artikel 3, § 8, 1°, eerste en tweede lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is het onderwijs voor sociale promotie niet opgenomen, zijn het zesde en zevende lid over de Belgische Scholen in Duitsland en het aanvullend secundair beroepsonderwijs niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, is de zinsnede "een rationalisatie- en programmatieplan volgens artikel 13" vervangen door "de reglementaire rationalisatie- en programmatienormen", het « administratief en opvoedend hulppersoneel" is vervangen door « ondersteunend personeel", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(169) Artikel 7bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de verwijzing naar een "programmatie- en rationalisatieplan" vervangen door de "reglementaire bepalingen inzake programmatie of rationalisatie", "werkingsmiddelen" door "werkingsbudget", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(170) Artikel 3, § 8, 1°, derde en vierde lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 25/6/1992. In de codificatie is het begrip "toelageregeling" vervangen door "financiering en subsidiering", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(171) Artikel 3, § 8, 1°, vijfde en negende lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie wordt de zinsnede "rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13" vervangen door "reglementaire rationalisatienormen", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(172) Artikel 3, § 8, 2° : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; gewijzigd met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 15/7/1997. In de codificatie is de eerste zin toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(173) § 1 : Artikel 9 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

- § 2 : Artikel 75 : Decreet van 21/12/1994 betreffende het onderwijs VI. In codificatie is de verwijzing naar artikel 13 van de wet van 29/5/1959 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(174) Artikel 25 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2008 door het decreet 4/7/2008. In de codificatie is de nummering in paragrafen en verwijzingen met artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(175) Artikel 26 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(176) Artikel 27 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(177) Artikel 28 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(178) Artikel 29 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 7/7/2010. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 23 geschrapt omdat het een tijdelijk maatregel betreft, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(179) Artikel 31 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de nummering van de paragrafen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(180) Artikel 32 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(181) Artikel 33 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is de nummering aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(182) Artikel 34 : Decreet van 14/07/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de nummering in § 1 aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen

(183) Artikel 35 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(184) Artikel 36 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(185) Artikel 38 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet 7/7/2006; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(186) Artikel 40 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(187) Artikel 41 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzing naar het opgeheven artikel 5 vervangen door "specifiek", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(188) Artikel 47, tweede lid : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(189) Artikel 47, eerste lid; Artikel 48 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(190) Artikel 49 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(191) Artikel 50 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(192) Artikel 51 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(193) Artikel 52 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(194) Artikel 53 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 18/5/1999; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(195) Artikel 54 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(196) Artikel 54bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 18/5/1999. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(197) Artikel 55 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(198) Artikel 56bis : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2000 door het decreet van 20/10/2000. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(199) Artikel 56 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet betreffende het basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 24, § 2, 8° geschrapt omdat de bepaling is opgeheven, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(200) § 1, § 2 : Artikel 58bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1994 door het decreet van 21/12/1994; gewijzigd met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 15/5/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in § 1 de verwijzing naar artikel 56 vervangen door de woorden "na fusie", in punt 3° is de tweede zin geschrapt omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

- § 3 : Artikel 56, 3° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1994 dor het decreet van 21/12/1994; gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(201) § 1, § 2 : Artikel 61 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 58bis aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

- § 3 : Artikel 58, tweede lid : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(202) Artikel 42; Artikel 168, 4° : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 18/12/2009; met ingang van 1/9/2011 enkel voor de datum van 30 november, door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(203) Artikel 43 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(204) Artikel 44 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie zijn de bepalingen in het oorspronkelijke artikel 44 over vorige schooljaren bij § 1, 2°, a) en bij § 1, 5°, a) niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(205) Artikel 45 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. In de codificatie is § 4 van artikel 44 niet opgenomen omdat artikel 3, § 3 van de wet van 29/5/1959 reeds is opgeheven en dus een tijdelijke maatregel betreft, het begrip "werkingsbudget" is ingeschreven, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(206) Artikel 83 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(207) Artikel 104 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(208) § 1 : Artikel 57, § 1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 8/7/1996; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is in § 1 de verwijzing naar artikel 56 geschrapt, de verwijzing naar scholen van de Belgische Strijdkrachten is niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzing naar artikel 52sexies is vervangen door de tekst van het betrokken artikel, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

- § 2 : Artikel 59 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 21/12/1994; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 8/7/1996; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 58 geschrapt, de verwijzing naar artikel 56 en 57 is vervangen door "aantal wekelijkse uren-leraar", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(209) Artikel 59quater : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen 59 vervangen door "berekeningswijze en aanwendingspercentage", de verwijzing naar artikel 57 is vervangen door "aantal wekelijkse uren-leraar", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(210) Artikel 57, § 3 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is een indeling in paragrafen toegevoegd, is de verwijzing naar paragraaf 1 vervangen door een verwijzing naar een artikel, de verwijzing naar artikel 48 is geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(211) Artikel 57, § 3bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar paragraaf 3 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(212) Artikel 57, § 3ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar paragraaf 3 geschrapt en de verwijzingt naar een artikel 56 vervangen door "aantal wekelijkse uren-leraar die elke school wordt toegekend", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(213) Artikel 57, § 4 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 8/7/1996. Gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie is de verwijzing naar paragraaf 3 geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(214) Artikel 57ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen 57 en 57bis vervangen door "het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend « respectievelijk door "bedoeld in de bepalingen betreffende de plage-uren ", en zonder inhoudelijke wijzigingen

(215) Artikel 57bis : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 57 vervangen door "het aantal wekelijkse uren-leraar dat aan elke school wordt toegekend", de verwijzing naar artikelen 71-74 is vervangen door "de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs", een indeling in paragrafen is toegevoegd, de punten a) tot en met c) van § 1, tweede lid en het punt a) van § 1, derde lid en verder de beschrijving van een scenario zijn niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(216) Artikel 99sexies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(217) Artikel 99septies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen vervangen door de zinsnede "vermeld in deze onderafdeling ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(218) Artikel 99octies : Decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen vervangen door de zinsnede « vermeld in deze onderafdeling", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(219) Artikel 99novies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/1/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(220) Artikel 99decies : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2007 door het decreet van 22/6/2007. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(221) Artikel 52quater, § 1, derde lid : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(222) Artikel 157 : Decreet van 18/5/1999 betreffende het onderwijs XI. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(223) Artikel VI.1 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(224) Artikel VI.2 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is in § 1, 2° verwezen naar de nieuwe regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(225) Artikel VI.3 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 7/7/2006, met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(226) Artikel VI.4 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(227) Artikel VI.5 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(228) Artikel VI.6 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie is de verwijzing naar artikel VI.21 extra begeleiding geschrapt omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzing naar een artikel is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(229) Artikel VI.7 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(230) Artikel VI.8 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(231) Artikel VI.10 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(232) Artikel VI.11 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie wordt in § 1, 2°, verwezen naar de nieuwe regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(233) Artikel VI.12 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(234) Artikel VI.13 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(235) Artikel VI.14 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(236) Artikel VI.15 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(237) Artikel VI.16 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. In de codificatie is de verwijzing naar artikel VI.21-Extra begeleiding, geschrapt omwille van het tijdelijk karakter, de verwijzing naar artikelen is aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(238) Artikel VI.17 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(239) Artikel VI.18 : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(240) Artikel VI.19bis : Decreet van 28/6/2002 betreffende de gelijke onderwijskansen-I. Ingevoegd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008. In de codificatie is de verwijzing naar artikelen aangepast, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(241- Artikel 5, § 1, § 2 en § 3 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. In de codificatie (§ 2, 2°) is verwezen naar de nieuw regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(242) Artikel 6 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 19/12/2008; met ingang van 1/1/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(243) Artikel 7 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/1/2010 door het decreet van 18/12/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(244) Artikel 8 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(245) Artikel 9 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(246) Artikel 10 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(247) Artikel 11 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(248) Artikel 12 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. Gewijzigd met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 21/11/2008; met ingang van 1/1/2009 door het decreet van 19/12/2008. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(249) Artikel 5, § 4 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(250) Artikel 21 : Decreet van 4/7/2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs wat de werkingsbudgetten betreft. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(251) Artikel 48, 2° : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijsdecreet II. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(252) Artikel 3, § 8, 5° : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003.

In de codificatie is de verwijzing naar artikel X.1, 2° van het decreet van 14/2/2003 vervangen door de zinsnede "een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangt", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(253) Artikel 6quater, eerste, tweede, zesde lid : Wet van 29/5/1959 tot wijziging sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 17/7/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 24/7/1996; met ingang van 1/9/1997 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 18/1/2002; met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 28/6/2002; met ingang van 1/9/2003 door het decreet van 14/2/2003; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de bepalingen inzake OSP en DKO niet opgenomen, is de verwijzing naar artikel 24ter vervangen door "de voorwaarden inzake financiering of subsidiering", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(254) Artikel 84quinquies : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 84quater vervangen door "van de Vlaamse Gemeenschap", is de overgangsregeling voor het lerarenkorps niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(255) § 1 : Artikel 84bis, § 1 : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/1996 door het decreet van 19/4/1995; met ingang van 1/1/1996 door het decreet van 15/7/1997; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 20/10/2000, met ingang van 1/6/2002 door het decreet van 19/7/2002; met ingang van 1/9/2008 door het decreet van 4/7/2008 en door het decreet van 10/7/2008; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009 en door het decreet van 9/7/2010. In de codificatie is § 2 niet opgenomen omwille van tijdelijke karakter, is er een nummering toegevoegd, is het begrip "georganiseerd" vervangen door "gefinancierd", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

- § 2 en § 3 : Artikel 84ter : Decreet van 31/7/1990 betreffende het onderwijs II. Ingevoegd met ingang van 1/10/1991 door het decreet van 12/6/1991; gewijzigd met ingang van 1/9/1999 door het decreet van 20/10/2000. In de codificatie is in § 2 de verwijzing naar artikel 84bis geschrapt en is de zinsnede "de inwerkingtreding van de wet van 31 juli 1975" vervangen door de datum "1 september 1975", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(256) Artikel 1, § 1 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/10/1986 door de wet van 11/3/1986. In de codificatie is de aanvangszin aangepast, is de verwijzing naar artikel 5 vervangen door "instanties bepaald door de Vlaamse Regering", het woord "gehandicapten " is vervangen door "personen met een handicap", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(257) Artikel 1, § 2 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/10/1986 door de wet van 11/3/1986. In de codificatie is het woord "gehandicapten" vervangen door "personen met een handicap ", en zonder inhoudelijke wijzigingen

(258) Artikel 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(259) Artikel 3bis, § 1, § 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(260) Artikel 2 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(261) Artikel 3 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(262) Artikel 5, § 3 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(263) Artikel 7bis : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(264) Artikel 7ter : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Ingevoegd met ingang van 26/7/2009 door het decreet van 30/4/2009; gewijzigd op een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(265) Artikel 8, § 1-§ 4 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd op een datum te bepalen door de Vlaamse Regering door het decreet van 30/4/2009. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(266) Artikel 9 : Decreet van 18/1/2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 30/4/2009; met ingang van 1/9/2010 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is hier de tekst voor het buitengewoon secundair onderwijs opgenomen, de tekst voor het voltijds gewoon secundair onderwijs is opgenomen onder deel IV, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(267) Artikel 2 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie zijn de bepalingen inzake het basisonderwijs niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(268) Artikel 3 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(269) Artikel 6 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(270) Artikel 7 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 27/4/2001. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(271) Artikel 8 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(272) Artikel 9 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(273) Artikel 4 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie is "opgericht" vervangen door "gefinancierd", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(274) Artikel 5 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/81986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie is het begrip "Koning" vervangen door "Vlaamse Regering", is het tweede deel van § 2 en § 3 niet opgenomen omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(275) Artikel 22 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(276) Artikel 23 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie is "georganiseerd en opgenomen in de toelageregeling" vervangen door "gefinancierd en gesubsidieerd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(277) Artikel 24 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(278) Artikel 25, § 2 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 27/4/2001. In de codificatie is § 1 van het oorspronkelijk artikel 25 niet opgenomen wegens het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(279) Artikel 26 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1993 door het besluit Vlaamse Regering van 22/12/1993; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is in § 5 het begrip "afdeling" weggelaten omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(280) Artikel 27 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit van 6/12/2002. In de codificatie is het begrip "afdeling" en § 4 weggelaten omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(281) Artikel 28 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is het begrip "afdeling" weggelaten omwille van het tijdelijk karakter, het begrip "boventallig " is vervangen door "niet te financieren of te subsidiëren ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(282) Artikel 29 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(283) Artikel 30 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(284) Artikel 31 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. Het begrip « afdeling" is weggelaten, omwille van het tijdelijk karakter, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(285) Artikel 32 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 25/8/1989 door het decreet van 5/7/1989. In de codificatie is de zinsnede "en voldoet de school aan de voorwaarden bepaald in artikel 13 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving" geschrapt, is er een nummering toegevoegd, zijn de begrippen "georganiseerd en opgenomen in de toelageregeling" vervangen door "gefinancierd en gesubsidieerd ", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(286) Artikel 33 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie is « georganiseerd en opgenomen in de toelageregeling" vervangen door « gefinancierd en gesubsidieerd", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(287) Artikel 34 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. In de codificatie zijn de begrippen "financiering en subsidiëring" ingevoegd, zijn de zinsnedes "het Rijk of " en ",opgericht of in de toelageregeling opgenomen met toepassing van artikel 18, § 2, 1°, van deze afdeling" geschrapt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(288) Artikel 35 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/2001 door het besluit Vlaamse Regering van 27/4/2001; met ingang van 1/9/2002 door het besluit Vlaamse Regering van 6/12/2002. In de codificatie zijn de zinsnedes "oprichten en opname in de toelageregeling" vervangen door "financiering of subsidiëring", in § 2 is de datum van 1/9/1986 opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(289) Artikel 35/1 : koninklijk besluit nr. 439 van 11/8/1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009; gewijzigd met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 9/7/2010. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(290) Artikel 4, eerste lid : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen omdat ze expliciet opgeheven zijn, waardoor de leeftijd van "2 2 jaar" impliciet al is vervangen door "13 jaar", het begrip "gehandicapten" is vervangen door "personen met een handicap", de zin "Uitzonderlijk kunnen ook leerlingen vanaf 12 jaar worden toegelaten, zoals bepaald in artikel 292 " is toegevoegd, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

De specifieke toelatingsvoorwaarden buitengewoon onderwijs zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 28/06/1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs en in het besluit van de Vlaamse Regering van 6/12/2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3.

(291) Artikel 5, § 3 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Ingevoegd met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(292) Artikel 4, tweede, derde lid : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 25/6/1992; met ingang van 1/9/1992 door het decreet van 28/4/1993; met ingang van 1/9/1998 door het decreet van 14/7/1998; met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001. In de codificatie zijn de bepalingen voor het basisonderwijs niet opgenomen omdat ze reeds opgegeven zijn, een indeling in paragrafen en punten is toegevoegd, het woord "gehandicapte" is vervangen door "persoon met een handicap", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(293) Artikel 5, § 1, § 2 : Wet van 6/7/1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; met ingang van 1/9/2006 door het decreet van 7/7/2006. In de codificatie zijn de bestaande zinnen herschikt, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(294) Artikel 3, § 8, 5° : Wet van 29/5/1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. Ingevoegd met ingang van 1/9/2001 door het decreet van 13/7/2001; gewijzigd met ingang van 1/9/2002 door het decreet van 14/2/2003. In de codificatie is de verwijzing naar artikel X.1, 2° van het decreet van 14/2/2003 vervangen door "een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs een subsidie-enveloppe ontvangt ", de bepalingen zijn hier hernomen voor het buitengewoon onderwijs, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(295) Artikel 84 : Decreet van 14/7/1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/2005 door het decreet van 15/7/2005; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. De codificatie brengt geen wijzigingen aan.

(296) Artikel 1 : koninklijk besluit nr. 65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1986 door het koninklijk besluit nr. 463 van 25/9/1986; met ingang van 1/9/1987 door de wet van 1/8/1988; met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie is de verwijzing naar artikel 17 niet opgenomen omdat het artikel is opgeheven, § 2 van het oorspronkelijke artikel 1 is niet opgenomen, de zinsnede "georganiseerd door Rijksinrichtingen" is vervangen door "gefinancierd", en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(297) Artikel 2, § 1, § 2, § 3 : koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/2009 door het decreet van 8/5/2009. In de codificatie zijn de verwijzingen naar artikelen aangepast, de zinsnede "georganiseerd door Rijksinrichtingen" is vervangen door "gefinancierd", bepalingen inzake basisonderwijs zijn niet opgenomen, en zonder inhoudelijke wijzigingen.

(298) Artikel 3, § 1 : koninklijk besluit nr.65 van 20/7/1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs. Gewijzigd met ingang van 1/9/1990 door het decreet van 31/7/1990; met ingang van 1/9/1991 door het decreet van 9/4/1992; met ingang van 1/9/198