Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de subsidiëring door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen

  • goedkeuringsdatum
    10 NOVEMBER 2011
  • publicatiedatum
    B.S.20/12/2011
  • datum laatste wijziging
    20/12/2011

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, artikelen 17 en 18;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 15 juli 2011;

Gelet op het advies van de Raad van Bestuur van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen, gegeven op 26 oktober 2011;

Gelet op de adviezen van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie, gegeven op 30 juni en 5 augustus 2011;

Gelet op advies nr. 50179/1 van de Raad van State, gegeven op 22 september 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL 1. - Definities

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° BOF-besluit : het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, zoals gewijzigd;

2° BOF-sleutel : de sleutel voor de verdeling van onderzoeksmiddelen tussen de Vlaamse universiteiten, zoals bepaald in het BOF-besluit;

3° COST : European Cooperation in Science and Technology;

4° FWO : het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen;

5° structuurdecreet : het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, zoals gewijzigd;

6° universiteit : een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel 4 van het structuurdecreet,

7° VLIR-UOS : Vlaamse Interuniversitaire Raad - Universitaire Ontwikkelingssamenwerking;

8° ZAP-kaderplaats : statutaire functie van een lid van het zelfstandig academisch personeel van een universiteit.

TITEL 2. - Het steunen van individuele onderzoekers

HOOFDSTUK 1. - Doel

Art. 2.

§ 1. De Raad van Bestuur van het FWO kent doctoraatsbeurzen, postdoctorale mandaten en werkingsmiddelen aan individuele onderzoekers toe om de wetenschappelijke excellentie van het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek te stimuleren en jonge onderzoekers tot excellentieniveau te vormen.

§ 2. De steun wordt toegekend na advies van expertpanels.

§ 3. Beurzen, mandaten en werkingsmiddelen zijn van bepaalde duur.

HOOFDSTUK 2. - Evaluatie- en selectieprocedure

Art. 3.

§ 1. De aanvragen voor financiële steun worden uitsluitend op basis van de wetenschappelijke excellentie van de voorstellen geëvalueerd. Die excellentie blijkt onder meer uit de volgende criteria :

1° de onderzoeksvaardigheid en het onderzoekspotentieel, zoals onder meer blijkt uit de studieprestaties;

2° de kwaliteit en kwantiteit van de publicaties;

3° de originaliteit en het vernieuwende karakter van het onderzoeksplan;

4° de realiseerbaarheid van het onderzoeksplan.

§ 2. De Raad van Bestuur van het FWO legt de interne procedures vast voor de aanvraag, behandeling, evaluatie, selectie en toekenning van beurzen, mandaten en werkingskredieten. Het FWO maakt de interne procedures openbaar.

TITEL 3. - Het steunen van onderzoeksploegen met onderzoeksprojecten en netwerkingsmiddelen

HOOFDSTUK 1. - Doel

Art. 4.

§ 1. De Raad van Bestuur van het FWO kent onderzoeksprojecten en onderzoekskredieten toe om de wetenschappelijke excellentie van het fundamenteel onderzoek te stimuleren. Daarbij wordt rekening gehouden met een evenwichtige spreiding over de wetenschapsdisciplines op basis van de aangeboden kwaliteit. Er wordt aandacht besteed aan het hanteren van gelijke normen voor het beoordelen van interdisciplinaire aanvragen. Er is bijzondere aandacht voor projecten die onderzoek van de betrokken onderzoekers in een groter geheel onderbrengen en die het intra-universitaire niveau overstijgen.

§ 2. Een project staat onder leiding van een promotor en eventueel een of meer copromotoren.

§ 3. Een project duurt maximaal vier jaar en kan ten hoogste met twee jaar verlengd worden.

§ 4. Het FWO stelt werkings-, uitrustings-, en personeelskredieten ter beschikking aan onderzoeksploegen. De kredieten van het FWO worden in een overeenkomst omschreven. Het FWO en de betrokken instelling staan in voor de controle op de aanwending van de kredieten. De onderzoeksploegen rapporteren daarover aan het FWO.

HOOFDSTUK 2. - Evaluatie- en selectieprocedure

Art. 5.

De steun wordt toegekend na advies van expertpanels. Het FWO legt projecten die als interdisciplinair worden beschouwd voor aan een interdisciplinair panel. Bovendien wordt advies gevraagd van twee buitenlandse experten die geen lid zijn van een expertpanel of van de Raad van Bestuur van het FWO, en die geen lopend onderzoek verrichten met de betrokken onderzoeksploeg.

Art. 6.

§ 1. De aanvragen voor financiële steun worden uitsluitend op basis van de wetenschappelijke excellentie van de voorstellen geëvalueerd. Die excellentie blijkt onder meer uit de volgende criteria :

1° het internationale wetenschappelijke niveau van de onderzoeksgroepen, zoals onder meer blijkt uit de kwantiteit en kwaliteit van de publicaties van de leden van de onderzoeksgroepen;

2° de methodologie;

3° de originaliteit en het vernieuwende karakter van het project;

4° de realiseerbaarheid van het project;

5° de samenwerking en coördinatie tussen onderzoekseenheden;

6° de noodzaak van de begrote middelen.

§ 2. De Raad van Bestuur van het FWO legt de interne procedures vast voor de aanvraag, behandeling, evaluatie, selectie en toekenning van onderzoeksprojecten. Het FWO maakt de interne procedures openbaar.

§ 3. De projecten worden tussentijds en na afwerking geëvalueerd. Criteria hierbij zijn de mate waarin het gestelde onderzoeksdoel is gerealiseerd en de wetenschappelijke publicaties.

TITEL 4. - Het bevorderen van mobiliteit, internationale contacten en samenwerkingsverbanden

HOOFDSTUK 1. - Mobiliteitskredieten

Art. 7.

§ 1. Het FWO kent reiskredieten toe aan pre- en postdoctorale onderzoekers als vergoeding van de kosten voor het bijwonen van congressen of voor een verblijf in het buitenland.

§ 2. De Raad van Bestuur van het FWO legt de interne procedures vast voor de aanvraag, behandeling, evaluatie en toekenning van mobiliteitskredieten. Het FWO maakt de interne procedures openbaar.

HOOFDSTUK 2. - Het "Big Science"-programma

Afdeling 1. - Doel

Art. 8.

Het "Big Science"-programma heeft tot doel internationale onderzoeksprojecten te ondersteunen die worden uitgevoerd aan internationale of supranationale faciliteiten waaraan de federale of de Vlaamse overheid bijdraagt.

Afdeling 2. - Aanwending

Art. 9.

§ 1. De subsidie wordt aangewend voor de financiering van de institutionele, operationele en logistieke kosten van Vlaamse onderzoekers die deelnemen aan grootschalige, internationale onderzoeksinfrastructuren, waarvan de Belgische federale of de Vlaamse overheid lid is of waarvoor ze de deelname financiert.

De Mercatortelescoop die deel uitmaakt van het Internationaal Sterrenkundig Observatorium voor het Noordelijk Halfrond 'Roque de los Muchachos Observatory' in Santa Cruz de la Palma, wordt eveneens beschouwd als een onderzoeksinfrastructuur, als vermeld in het eerste lid.

§ 2. Het FWO draagt er zorg voor dat de onderzoeksinfrastructuur, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, openstaat voor onderzoekers die aan Vlaamse universiteiten verbonden zijn.

HOOFDSTUK 3. -Het programma voor internationale coördinatieacties

Afdeling 1. - Doel

Art. 10.

Het programma voor internationale coördinatieacties heeft tot doel de coördinatieactiviteiten te ondersteunen ten behoeve van onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van multilaterale samenwerkingsverbanden die tot stand komen op initiatief van en gedeeltelijk worden gefinancierd door multilaterale en supranationale instanties. Deze activiteiten kunnen bestaan uit :

1° de coördinatie en het beheer van het samenwerkingsverband;

2° het databeheer;

3° de disseminatie van onderzoeksresultaten;

4° de uitbouw van een portaalsite.

De uitvoering van wetenschappelijk onderzoek behoort niet tot de activiteiten, vermeld in het eerste lid.

Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure

Art. 11.

§ 1. Voorstellen voor financiële ondersteuning van internationale coördinatieacties kunnen doorlopend bij het FWO worden ingediend.

§ 2. De aanvrager moet een aanstelling van ten minste 50 % hebben bij het zelfstandig academisch personeel van een Vlaamse universiteit.

§ 3. Om in aanmerking te komen moet de aanvrager aantonen dat hij gevraagd werd door een multilaterale of supranationale organisatie of een multilateraal of supranationaal consortium om de coördinatiefunctie op zich te nemen.

§ 4. De voorstellen moeten voldoen aan de volgende criteria :

1° de ondersteuning en verankering van een internationale coördinatiefunctie in Vlaanderen;

2° een gedetailleerde omschrijving van de coördinatieactiviteiten;

3° een inpassing in een multilateraal samenwerkingsverband van bijvoorbeeld OESO, EU, VN, WHO of UNESCO;

4° een maximale interuniversitaire inbedding.

§ 5. Het FWO organiseert een periodieke evaluatie van de ingediende voorstellen en stelt daarvoor een ad-hocpanel samen dat uit experts bestaat die vertrouwd zijn met onderzoek dat in grote internationale samenwerkingsverbanden wordt uitgevoerd en met het beheer ervan. Minstens een derde van de leden van dit ad-hocpanel is niet in Vlaanderen werkzaam.

Afdeling 3. - Aanwending

Art. 12.

§ 1. De aanvrager ontvangt maximaal een bedrag van 75.000 euro per jaar gedurende drie jaar, op voorwaarde dat de instelling of instellingen waaraan de aanvrager verbonden is minimaal 25 % van de totale kosten cofinanciert.

§ 2. Een vervolgfinanciering kan worden toegekend als de aanvrager in het kader van de permanente oproep een voorstel tot verlenging indient en dat voorstel gunstig wordt beoordeeld.

§ 3. De aanvrager kan de middelen besteden aan personeel, werking en uitrusting voor zover die besteding direct betrekking heeft op de coördinatieactiviteiten. In geen geval kunnen de middelen worden aangewend voor het financieren van onderzoeksactiviteiten. Evenmin mogen de kosten gefinancierd zijn door andere instanties.

HOOFDSTUK 4. - Het programma voor bilaterale onderzoekssamenwerking

Afdeling 1. - Doel

Art. 13.

Het programma voor bilaterale onderzoekssamenwerking heeft tot doel bilaterale onderzoekssamenwerking met partners in het buitenland te ondersteunen.

Afdeling 2. - Evaluatie- en selectieprocedure

Art. 14.

§ 1. Voorstellen voor samenwerking met landen en regio's worden beoordeeld door een aparte commissie, die als volgt is samengesteld :

1° vijf vertegenwoordigers namens de Vlaamse universiteiten;

2°één vertegenwoordiger namens het FWO;

3°één vertegenwoordiger namens het departement Economie, Wetenschap en Innovatie;

4°één vertegenwoordiger namens het departement Internationaal Vlaanderen;

5°één vertegenwoordiger namens de VLIR-UOS.

§ 2. De commissie zal zich bij de uiteindelijke keuze van landen en regio's baseren op een afweging van wetenschappelijke, economische, strategische en, voor zover dat van toepassing is, ontwikkelingsrelevante criteria. De commissie legt de beoordelingscriteria vast in een huishoudelijk reglement.

§ 3. Alleen de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid, het FWO en de VLIR-UOS kunnen voorstellen voor samenwerking met landen en regio's bij de commissie indienen.

§ 4. De commissie maakt de lijst van geselecteerde landen en regio's en het huishoudelijk reglement, vermeld in paragraaf 2, ter kennisgeving over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid.

Art. 15.

§ 1. De voorwaarden voor de bilaterale onderzoekssamenwerking tussen Vlaanderen en een partnerland of -regio worden vastgelegd in een kaderovereenkomst, die wordt gesloten tussen het FWO en de buitenlandse organisatie aan wie het beheer van het programma in het partnerland is toevertrouwd.

§ 2. De kaderovereenkomst wordt gesloten voor een periode van drie jaar. Die periode kan jaarlijks worden aangepast en kan, na gunstige evaluatie door beide partijen, na drie jaar hernieuwd worden.

§ 3. De kaderovereenkomst bevat minimaal :

1° de lijst van onderzoeksthema's waarvoor voorstellen kunnen worden ingediend;

2° de lijst van de instrumenten waarvoor voorstellen kunnen worden ingediend, zoals individuele beurzen, onderzoeksprojecten, voorbereidingskosten voor multilaterale projectvoorstellen, enz.;

3° de beschrijving van de procedure die in Vlaanderen en het partnerland of de partnerregio, zal worden gevolgd voor de indiening en selectie van voorstellen, met inbegrip van de selectiecriteria;

4° het door beide partners ter beschikking gestelde budget, met inbegrip van co-financiering, als dat relevant is;

5° kostencategorieën die voor financiering in aanmerking komen;

6° afspraken over de dekking tegen ziekte en ongevallen van de deelnemende onderzoekers;

7° afspraken over de regeling voor intellectuele eigendomsrechten;

8° afspraken over de internationale transfer van onderzoeksapparatuur.

§ 4. De lijst van gefinancierde voorstellen wordt vastgelegd in een protocol, dat wordt afgesloten tussen het FWO en de buitenlandse organisatie aan wie het beheer van het programma is toevertrouwd.

Afdeling 3. - Aanwending

Art. 16.

§ 1. De lidstaten van de Europese Unie en de landen die met de Europese Unie geassocieerd zijn voor de uitvoering van het Europees Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling komen niet in aanmerking voor deze samenwerkingsakkoorden. Deze uitsluitingsbepalingen gelden tevens voor de regio's die deel uitmaken van die landen.

§ 2. In het geval van samenwerking met ontwikkelingslanden moet maximale complementariteit worden nagestreefd met de activiteiten die de Vlaamse universiteiten via de Bijzondere Onderzoeksfondsen en de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR-UOS) ontplooien in het kader van de universitaire ontwikkelingssamenwerking.

Art. 17.

§ 1. De subsidie kan worden aangewend voor de financiering van personeels-, werkings- en uitrustingskosten die verbonden zijn aan de uitvoering van internationale bilaterale onderzoekssamenwerking tussen een Vlaamse en een buitenlandse partner, voor zover die samenwerking strookt met de bepalingen van de kaderovereenkomst, vermeld in artikel 15.

§ 2. De subsidie kan uitsluitend worden aangewend voor activiteiten die verbonden zijn met reguliere onderzoekssamenwerking, dat is samenwerking tussen gelijke partners. Capaciteitsopbouw valt buiten de actieradius van de subsidie.

§ 3. Per land of regio waarmee wordt samengewerkt, wordt aan Vlaamse zijde jaarlijks een indicatief budget van 300.000 euro ter beschikking gesteld.

TITEL 5. - Het aantrekken van excellente onderzoekers die actief zijn in het buitenland : het Odysseusprogramma

HOOFDSTUK 1. - Doel

Art. 18.

Het FWO is belast met het operationeel en financieel beheer van het Odysseusprogramma, vermeld in artikel 167bis van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Het Odysseusprogramma omvat twee types startfinanciering :

1° Odysseus Groep I - Internationaal toonaangevend onderzoek : voor onderzoekers die internationaal erkend worden als toonaangevend en die een aanstelling aan een buitenlandse universiteit hebben. Van die onderzoekers kan verwacht worden dat ze in de instelling waaraan ze verbonden zijn, een eigen onderzoeksgroep leiden die uit een vaste staf, meerdere postdocs en een aantal doctoraatsstudenten bestaat;

2° Odysseus Groep II - Onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status : voor onderzoekers die minimaal 3 jaar postdoctorale ervaring in het buitenland hebben en van wie het wetenschappelijk werk vooraanstaande vakgenoten ervan overtuigt dat ze het potentieel hebben om door te groeien tot een internationaal vooraanstaande positie. Van die onderzoekers kan verwacht worden dat ze binnen een onderzoeksgroep een klein team leiden, dat uit een of meer doctoraatsstudenten en eventueel een of enkele post-docs bestaat. Zij hebben enige ervaring met het verwerven van externe onderzoeksfinanciering. Binnen enkele jaren kunnen zij doorgroeien naar het niveau dat vereist is voor een aanstelling in het zelfstandig academisch personeel.

HOOFDSTUK 2. - Evaluatie- en selectieprocedure

Art. 19.

Het FWO lanceert in samenwerking met de universiteiten periodiek een Odysseusoproep om zo de continuïteit van het Odysseusinitiatief te garanderen. De beschikbare middelen worden bij de opeenvolgende oproepen evenwichtig verdeeld.

Art. 20.

§ 1. Het staat de universiteiten vrij om de middelen voor het Odysseusprogramma te verdelen over groep I en groep II.

§ 2. Voor de selectie van de kandidaten legt elk universiteitsbestuur een procedure vast, die voor groep I kan verschillen van groep II.

§ 3. Een of meer universiteiten kunnen het initiatief nemen om een kandidaat voor te dragen voor het Odysseusprogramma.

§ 4. Kandidaten moeten :

1° uiterlijk één jaar voor de datum van de aanvraag een hoofdaanstelling aan een buitenlandse instelling hebben;

2° gedurende minstens drie jaar in de afgelopen vijf jaar aan een buitenlandse instelling verbonden zijn geweest;

3° aan de criteria van excellentie voldoen, zoals blijkt uit het CV en de bibliografie;

4° een onderzoeksplan bij de betreffende universiteit of universiteiten indienen dat een begroting bevat met een indicatieve verdeling van de geplande uitgaven over een periode van vijf jaar. De universiteit of universiteiten moeten dat onderzoeksplan goedkeuren. Het onderzoeksplan moet passen in het universitaire onderzoeksbeleid.

§ 5. Bij de voordracht van een kandidaat moet de universiteit :

1° bevestigen dat ze een ZAP-kaderplaats (groep I), respectievelijk een postdoctoraal mandaat (groep II) met een looptijd van vijf jaar, evenals de nodige infrastructuur ter beschikking heeft;

2° het onderzoeksplan goedkeuren en aangeven hoe het past in het onderzoeksbeleid.

Als twee of meer universiteiten een kandidaat voordragen, moeten ze een gemeenschappelijk voorstel formuleren.

Art. 21.

§ 1. De universiteiten bezorgen de voordrachten aan het FWO dat via een internationale, multidisciplinaire commissie onderzoekt :

1° of de door de universiteiten voorgestelde onderzoekers aan de gestelde eisen van excellentie voldoen;

2° of het onderzoeksplan van de voorgestelde onderzoekers van hoge kwaliteit is;

3° of het onderzoeksplan uitvoerbaar is met de daarvoor aangevraagde middelen.

§ 2. De commissie bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan een Belgische universiteit en een algemene internationale erkenning genieten. Ten hoogste twee derde van de leden zijn van hetzelfde geslacht.

§ 3. Voor de evaluatie van elke kandidaat zal de commissie een beroep doen op het wetenschappelijke advies van twee internationale referenten. Zij moeten beschikken over de specifieke expertise die vereist is voor het ingediende dossier. Als de meningen van de twee referenten uiteenlopen, is het advies van een derde internationale referent vereist.

§ 4. Een geanonimiseerde samenvatting van de referentenrapporten wordt samen met de beslissing meegedeeld aan de kandidaten.

§ 5. De commissie kan aanpassingen voorstellen die richtinggevend zijn voor de omvang van de voorgestelde startfinanciering. De Raad van Bestuur van het FWO beslist over de toekenning van de financiering.

Art. 22.

Onderzoekers die de financiering ontvangen, worden door hun onthaalinstelling geëvalueerd :

1° Voor groep I vindt die evaluatie plaats in de loop van het vierde jaar. Daarbij wordt onderzocht hoe de uitvoering van het onderzoeksplan vordert en welke middelen via projectfinanciering verworven zijn of binnen enkele maanden verwacht mogen worden. Onderzoekers kunnen een aangepast onderzoeksplan opstellen en aangeven hoe zij de resterende middelen willen besteden;

2° Voor groep II nemen de universiteiten uiterlijk in de loop van het vierde jaar een beslissing over de loopbaan van de onderzoekers. Bij een nieuwe aanstelling, kunnen zij een aangepast onderzoeksplan opstellen en aangeven hoe zij de resterende middelen willen besteden.

In beide gevallen deelt de betrokken onthaalinstelling het FWO het aangepaste onderzoeksplan mee.

HOOFDSTUK 3. - Aanwending

Art. 23.

§ 1. Het FWO verdeelt 80 % van de besteedbare middelen over de universiteiten op basis van het gemiddelde over vijf jaar, van de BOF-sleutel, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het Odysseusprogramma betrekking heeft. De resterende 20 % vormt de eigen beleidsruimte waarover de Raad van Bestuur van het FWO in het kader van dit initiatief beschikt.

§ 2. De universiteiten hoeven de voor hen bestemde middelen die in een bepaald begrotingsjaar zijn toegekend niet helemaal te gebruiken, maar kunnen ze geheel of gedeeltelijk overdragen naar het volgende jaar en op die manier trekkingsrechten opbouwen.

§ 3. De universiteiten die in een bepaald begrotingsjaar over onvoldoende trekkingsrechten beschikken kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dat beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusprogramma zullen ontvangen.

§ 4. De Raad van Bestuur van het FWO beslist over de aanwending van de eigen beleidsruimte, bedoeld in § 1, en kan de middelen geheel of gedeeltelijk overdragen naar het volgende begrotingsjaar.

Art. 24.

§ 1. De onderzoeker ontvangt gedurende vijf jaar financiering en zal in die periode progressief via projectfinanciering middelen verwerven.

§ 2. De omvang van het bedrag van de steun is afhankelijk van de discipline en variabel :

1° Voor Groep I geldt een bedrag van minimaal 400.000 euro en maximaal 1.500.000 euro per jaar, of tussen 2.000.000 en 7.500.000 euro voor de volledige vijf jaar;

2° Voor Groep II geldt een bedrag van minimaal 100.000 euro en maximaal 200.000 euro per jaar, of tussen 500.000 en 1.000.000 euro voor de volledige vijf jaar.

§ 3. De onderzoeker kan de middelen besteden aan werking, personeel en uitrusting. Hij kan de middelen niet gebruiken voor de eigen salariskosten.

§ 4. Financiering door het Odysseusprogramma kan afgestemd worden op andere vormen van onderzoeksfinanciering en de onderzoekers kunnen de middelen daarom besteden over een periode van acht jaar, die niet verlengbaar is.

TITEL 6. - Het verlenen van wetenschappelijke prijzen

Art. 25.

§ 1. De Raad van Bestuur van het FWO kent een aantal wetenschappelijke prijzen toe.

§ 2. Het FWO heeft de voorwaarden om voor die prijzen in aanmerking te komen, vastgelegd in interne reglementen. Het FWO maakt die interne reglementen openbaar.

TITEL 7. - Bijzondere opdrachten

Art. 26.

§ 1. Het FWO is belast met het administratief en financieel beheer van :

1° de subsidie aan de Born-Bungestichting;

2° de subsidie aan het Interuniversitair College voor Managementwetenschappen.

§ 2. Het FWO is belast met de wetenschappelijke evaluatie van projectvoorstellen die worden ingediend in het kader van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Het FWO stelt daartoe een commissie in van experts die in het vakgebied in kwestie een algemene en internationale erkenning genieten. De meerderheid van de experts bestaat uit personen die niet verbonden zijn aan een Vlaamse universiteit of hogeschool. De voorwaarden voor die opdracht zijn vastgelegd in een protocol tussen de Vlaamse overheid en het FWO.

§ 3. Het FWO is belast met de Vlaamse coördinatie van het COST-programma.

§ 4. Het FWO is belast met de opzet en het onderhoud van de website "Doctoreren in Vlaanderen", die een overzicht geeft van de verschillende mogelijkheden om in Vlaanderen een doctoraat te behalen.

§ 5. Het FWO neemt deel aan de werking van het Vlaams contactpunt voor het Europees Kaderprogramma, met name voor de onderzoeksprioriteiten die gerelateerd zijn aan zijn missie.

TITEL 8. - Samenstelling van de expertpanels

Art. 27.

Alle aanvragen voor financiële steun bij het FWO worden door expertpanels geëvalueerd. De expertpanels zijn in principe disciplinair samengesteld. Die disciplinaire panels worden door één interdisciplinair panel aangevuld. Ze bestaan uit experts die in het vakgebied in kwestie een algemene internationale erkenning genieten en waarbij :

1° de Belgische experts in België ten minste tot de top 40 % van hun discipline behoren;

2° de buitenlandse experts in vergelijking met de Belgische onderzoekers ten minste tot de top 40 % van hun discipline behoren.

De meerderheid van de betrokken experts moet bestaan uit personen die niet verbonden zijn aan een Vlaamse universiteit.

Art. 28.

§ 1. Voor het invullen van een vacante positie in een panel moet uiterlijk drie maanden vóór de aanvang van het mandaat een vacature worden gepubliceerd :

1° op de website van het FWO, de Vlaamse universiteiten, de Vlaamse overheid en relevante buitenlandse websites;

2° in het Belgisch Staatsblad, de gedrukte en elektronische nieuwsbrieven van de universitaire diensten onderzoeksbeleid, de alumniverenigingen van de betrokken universiteit en de Vlaamse onderzoekers in het buitenland.

In die vacature wordt de titel van het panel vermeld, alsook een beschrijving van de (sub)discipline(s) waarvoor expertise wordt aangetrokken.

§ 2. Voor de vacatures voor niet-Vlaamse leden kunnen de expertpanels zelf extra voordrachten doen om voldoende kandidaten te verkrijgen. De kandidaten worden op dezelfde manier behandeld als de spontane kandidaatstellingen.

Art. 29.

§ 1. Voor de disciplines waarvoor internationaal wordt aanvaard dat bibliometrische methoden geschikt zijn voor de beoordeling van wetenschappelijke productiviteit en zichtbaarheid, in het bijzonder maar niet exclusief de disciplines uit de natuur- en levenswetenschappen, en de basisdisciplines uit de technische wetenschappen, wordt het wetenschappelijke profiel van de kandidaten gescreend door het Expertisecentrum O&O-monitoring. De kandidaten worden geëvalueerd door middel van een bibliometrische toetsing.

De toetsing door het Expertisecentrum resulteert in een rapportering ten behoeve van een door het FWO in te stellen ledencommissie. De leden van die commissie worden door de universiteiten aangewezen uit de leden of gewezen leden van de universitaire onderzoeksraden. Ten hoogste twee derden van de leden zijn van hetzelfde geslacht.

De ledencommissie formuleert, op grond van de rapportering van het Expertisecentrum, een voorstel van beslissing over de samenstelling van de expertpanels aan het Bureau van het FWO, dat de voorstellen voorlegt aan de Raad van Bestuur, die de uiteindelijke beslissing neemt. De Raad kan alleen op gemotiveerde gronden afwijken van het voorstel van de ledencommissie.

§ 2. Voor de expertpanels die wetenschappelijke disciplines bestrijken waarvoor bibliometrische methoden minder geschikt zijn, voert de ledencommissie een screening uit van de wetenschappelijke curricula vitae van de kandidaten. Daarbij worden de curricula niet alleen onderling vergeleken, maar worden ze ook afgezet tegen die van Vlaamse en buitenlandse onderzoekers die in de betreffende disciplines door de internationale wetenschappelijke gemeenschap als toonaangevend worden erkend. De ledencommissie formuleert op grond daarvan een voorstel van beslissing over de samenstelling van de expertpanels aan het Bureau van het FWO. Het Bureau legt die voorstellen voor aan de Raad van Bestuur, die de uiteindelijke beslissing neemt. De Raad kan alleen op gemotiveerde gronden afwijken van het voorstel van de ledencommissie.

Art. 30.

Ten hoogste twee derden van de leden van de expertpanels zijn van hetzelfde geslacht, voor zover de aangemelde kandidaten en de kwaliteitsnormen dat toelaten. Tijdelijke afwijkingen worden met redenen omkleed. In alle gevallen waarvan van de norm wordt afgeweken, krijgen kandidaten van het ondervertegenwoordigde geslacht die de kwaliteitsnorm halen de voorrang.

Art. 31.

Bij de evaluatie en selectie wordt in sommige internationale programma's een beroep gedaan op een commissie waarvan de samenstelling afwijkt van hetgeen in dit besluit wordt bepaald. Voor actiemiddelen met geringe budgettaire impact en prijzen kan een beroep worden gedaan op een ad hoc samengesteld expertpanel.

TITEL 9. - Beroepsprocedure en klachten

Art. 32.

§ 1. Een aanvrager van een mandaat of een krediet kan bij een negatieve beslissing een vraag tot herziening indienen bij de Raad van Bestuur van het FWO. Deze vraag tot herziening moet ingediend worden binnen een termijn van dertig werkdagen na de beslissing van de Raad van Bestuur en dient gebaseerd te zijn op duidelijke en verifieerbare elementen.

§ 2. De Raad van Bestuur beoordeelt of de vraag tot herziening gegrond is. Indien op de vraag wordt ingegaan, zal de aanvraag bij de eerstvolgende gelegenheid opnieuw beoordeeld worden door een ander expertpanel dan bij de eerste aanvraag. Dit expertpanel sluit zo dicht mogelijk aan bij het onderzoeksthema van de aanvrager.

§ 3. Een aanvrager kan slechts een keer in beroep gaan.

§ 4. De procedure van § 1 tot en met § 3 moet eveneens worden gevolgd door mandaat- en kredietgenieters, wiens vorderings- of eindverslag negatief beoordeeld is.

§ 5. Bij ontevredenheid over de behandeling door het FWO kan te allen tijde schriftelijk of elektronisch klacht worden ingediend. Deze klachten worden binnen de 45 kalenderdagen na ontvangst behandeld.

TITEL 10. - Slotbepalingen

Art. 33.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 houdende de subsidieverlening aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen wordt opgeheven.

Art. 34.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.