Bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars

  • Deze maatregelen worden toegelicht onder voorbehoud van de definitieve goedkeuring door de Vlaamse Regering van het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
  • Deze omzendbrief geeft toelichting bij de bekwaamheidsbewijzen van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.
  • Nieuwe aandachtspunten, geldig vanaf 1 september 201 8 , vindt u onder punt 5. De bekwaamheidsbewijzen voor islamitische godsdienst worden geactualiseerd.

1. Inleiding

Het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars wordt regelmatig geactualiseerd. De verschillende omzendbrieven die hierover bestonden, worden opgeheven, voor wat deze thematiek betreft. Deze omzendbrief coördineert de relevante informatie.

2. Toepassingsgebied van deze omzendbrief

Deze omzendbrief is van toepassing op de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor lager, basis-, buitengewoon, voltijds secundair en deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Deze omzendbrief geldt niet voor de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer. Informatie hierover vindt u, althans voor wat de leermeesters niet-confessionele zedenleer betreft, in de
omzendbrief: bekwaamheidsbewijzen in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs en de omzendbrief: bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon basisonderwijs

Belangrijk: Leermeesters godsdienst en godsdienstleraars moeten altijd voorgedragen worden door de bevoegde instanties van de betrokken godsdienst. Meer info hierover vindt u via de omzendbrief Onderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer(GD/2002/05).

3. Inhoud van deze omzendbrief

Deze omzendbrief omvat vier onderdelen. Een algemeen gedeelte over de bekwaamheidsbewijzen (punt 4) handelt over de algemene principes en definities.
Een specifiek gedeelte (punt 5) attendeert u op recente vernieuwingen. De aandachtspunten van de vorige schooljaren zijn gebundeld in punt 6. Tenslotte vindt u in punt 7 de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren.

4. De bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars

4.1. Wat is een bekwaamheidsbewijs?

De Vlaamse regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot de verschillende ambten.

Als bekwaamheidsbewijs geldt een studiebewijs en/of de competenties verworven door activiteiten die het personeelslid uitoefent of heeft uitgeoefend,

zowel binnen als buiten het onderwijs. Beide kunnen eventueel worden aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

De Vlaamse regering kan voor elk ambt, naast ‘vereiste’ ook ‘voldoende geachte’ en ‘andere’ bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder andere rekening houden met de situatie op de arbeidsmarkt.

Voor leermeesters en leraars anglicaanse godsdienst, islamitische godsdienst, israëlitische godsdienst, katholieke godsdienst, orthodoxe godsdienst en protestantse godsdienst vindt u een oplijsting van de verschillende bekwaamheidsbewijzen in de bijlage bij het Besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars. Via de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren bieden wij u deze aan in de vorm van een elektronische databank, waarin u de recentste informatie kunt opzoeken.

4.2. Wie reikt het bekwaamheidsbewijs uit?

De in de bijlage vermelde diploma’s en getuigschriften moeten uitgereikt zijn
door een Belgische onderwijsinstelling of examencommissie. Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.

Ook bepaalde studiebewijzen die afgeleverd worden door erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen (Syntra) komen in aanmerking; in het kader van de leertijd kunnen deze centra een aantal studiebewijzen van secundair onderwijs afleveren. Komen concreet in aanmerking:

- het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

- het diploma secundair onderwijs(beroepssecundair onderwijs).

In afwijking van het bovenvermelde, hebben de hoofden van de betrokken erediensten of van andere organen de bevoegdheid om de hoedanigheid van bedienaar van de erkende eredienst te bevestigen of om aan sommige van de in de bijlagen opgenomen diploma's of getuigschriften goedkeuring te verlenen of om deze diploma's of getuigschriften uit te reiken.

4.3. Het stelsel van bekwaamheidsbewijzen

“Vereiste” of “voldoende geachte” bekwaamheidsbewijzen (VE/VO)

Behalve over het vermelde basisdiploma moet men in principe beschikken over een bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB). Dat betekent dat men een lerarenopleiding gevolgd moet hebben (zie ook onder 4.5.1.1) om te beschikken over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

Wat de aanstelling en de bezoldiging betreft, is er geen onderscheid tussen de vereiste bekwaamheidsbewijzen enerzijds en de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen anderzijds.

“Andere” bekwaamheidsbewijzen (AND)

Aan personen met een 'ander' bekwaamheidsbewijs, wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. Een inrichtende macht moet voorrang verlenen aan kandidaten met een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. Zij kan enkel kandidaten met een “ander” bekwaamheidsbewijs aanwerven bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel. Daarbij moet op eer verklaard worden dat het niet mogelijk was om een houder van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven:

-in het Gemeenschapsonderwijs en in de officiële instellingen voor secundair onderwijs wordt deze verklaring afgelegd door de hoofden van de betrokken erediensten;

-in de officiële lagere scholen die niet zijn georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap zijn het de bedienaars van de onderscheiden erediensten die deze verklaring dienen af te leggen;

-in het vrij onderwijs is het de betrokken inrichtende macht die deze verklaring op eer zal afleggen na raadpleging van de hoofden van de betrokken erediensten.

In de praktijk gebeurt dit door het aankruisen van het veldje 'geen kandidaat VE/VO' in de elektronische zending.

Zie omzendbrief: Indiensttreding van een tijdelijk personeelslid in het onderwijs: mededeling aan het departement Onderwijs referentie : PERS/2005/09 van 29/06/2005.)

Die verklaring op eer hoeft niet afgelegd te worden:

- wanneer de aanstelling van het personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs zich beperkt tot een aanstelling van maximaal 97 dagen;

- wanneer het personeelslid over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs zou beschikken indien het ook in het bezit zou zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid. In dat geval moet de verklaring op eer niet afgelegd worden gedurende de periode die gelijk is aan de minimumduur nodig om een bewijs van pedagogische bekwaamheid te behalen, vermeerderd met één schooljaar. Die periode loopt vanaf de eerste september volgend op de datum van de eerste aanstelling van het personeelslid in het basis- of secundair onderwijs.

Als een personeelslid met een 'ander' bekwaamheidsbewijs aangesteld wordt buiten de twee bovenvermelde gevallen, kan een personeelslid dat een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezit en dat zich voor een dergelijke betrekking kandidaat gesteld heeft, 'verhaal' aantekenen. Meer informatie hierover vindt u terug in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.

De aanstelling van een personeelslid dat een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, is beperkt tot het lopende schooljaar. Het personeelslid kan eventueel het volgende schooljaar opnieuw aangesteld worden op basis van een 'ander' bekwaamheidsbewijs als opnieuw aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Zolang het personeelslid een 'ander' bekwaamheidsbewijs heeft, kan het geen recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming verwerven. De salarisschaal is lager dan bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.

4.4. Het bekwaamheidsbewijs als bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands

Vanaf 1 september 2009 is het gehele stelsel van taalkennisvoorwaarden om een betrekking in het onderwijs te kunnen uitoefenen en in aanmerking te komen voor een salaris(toelage) herzien en is het Europees Referentiekader voor Talen van toepassing. De kennis van de onderwijstaal Nederlands kan o.a. aangetoond worden via een Nederlandstalig bekwaamheidsbewijs.
Uitgebreide informatie hierover vindt u in de omzendbrief “Vereiste taalkennis bij een aanstelling in het onderwijs” (PERS/2010/01).

4.5. Hoe het besluit en de bijlagen gebruiken?

De bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars sommen per godsdienst de bekwaamheidsbewijzen en de bijhorende salarisschalen op.

U kunt de actuele overzichten online raadplegen via de website Onderwijs en Vorming en meer specifiek via de website bekwaamheidsbewijzen voor de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraren. Een toelichting over de mogelijkheden van het programma vindt u in de bijhorende handleiding.

De website biedt u 2 zoeksystemen. Via ”van vak naar diploma” kunt u per godsdienstvak de verscheidene bekwaamheidsbewijzen terugvinden. U kunt ook omgekeerd via “van diploma naar vak” op basis van een bekwaamheidsbewijs zoeken tot welk godsdienstvak dit bekwaamheidsbewijs toegang geeft.

4.5.1. Verzamelbenamingen van studiebewijzen

In de bijlagen worden vaak verzamelbenamingen gebruikt, waarmee studiebewijzen gerangschikt worden: ten minste HOLT,BPB, …. Hieronder vindt u enkele veel gebruikte verzamelbenamingen.

4.5.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB)

Bij de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen staat, voor wat het ambt van godsdienst leraar in het secundair onderwijs betreft, in principe de verzamelbenaming“BPB” vermeld. Dit slaat op het bewijs van pedagogische bekwaamheid. Voor de lijst van de studiebewijzen die in aanmerking komen:zie artikel 3bis van het besluit.

Voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie en voor de pedagogische getuigschriften uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs moet de onderwijscyclus ten minste 450 lestijden hebben omvat.

4.5.3. Basisdiploma’s

  • Om in aanmerking te komen moet een diploma of getuigschrift uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs een onderwijscyclus van ten minste 900 lestijden hebben omvat.
  • In het kader van de leertijd worden het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) en het diploma secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs) die na 1 september 2008 in het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitgereikt werden, eveneens als basisdiploma aanvaard.
  • Een volledig overzicht van alle verzamelbenamingen vindt u terug in artikel 5 van het besluit. Hieronder volgen de meest courante.

4.5.3.1. Ten minste master (tot 31.8.2015: ten minste HOLT)

Onder de verzamelbenaming ‘ten minste master’ worden diploma’s van licentiaat, arts, burgerlijk en industrieel ingenieur, hoger technisch of hoger kunstonderwijs van de 3e graad met volledig leerplan, … verstaan. Voor het volledige overzicht: zie punt 4°,1.-6. van artikel 5,§1 van het besluit van 26 september 1990.

4.5.3.2. master (punt 17° van artikel 5,§1)

De definitie 'master' omvat het diploma van initiële master aansluitend op een bachelor, eventueel na schakelprogramma. Met ingang van 1 september 2013 valt hier ook onder:
-de master, aansluitend op een master (manama)
-de graden van gediplomeerde in de aanvullende studiën (GAS) en van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën (GGS).

4.5.3.3. Ten minste bachelor (tot 31.8.2015: ten minste HOKT)

Met “ten minste bachelor” wordt bedoeld: de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als degene die nu uitgereikt worden in het hoger beroepsonderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, diploma’s hoger kunstonderwijs van de 1e of 2e graad met volledig leerplan, diploma’s van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, …. Ook alle diploma’s die onder ‘ten minste master’ vallen, worden hieronder gerekend. Voor het volledige overzicht: zie punt 10° van artikel 5,§1.

Gecombineerd “ten minste bachelor + BPB (tot 31.8.2015:ten minste HOKT + BPB)”

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1.

Opmerking:
Onder de definitie van ‘ten minste bachelor’ of ‘ten minste bachelor +BPB’ valt niet het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, noch het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, noch het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, noch het pedagogisch getuigschrift uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.
Deze bovenvermelde pedagogische diploma's of getuigschriften worden uitgesloten omdat ze niet voldoen aan de minimale norm van 900 lestijden die gesteld wordt om als basisdiploma in aanmerking te komen.

4.5.3.4. bachelor

Onder de definitie 'bachelor' (punt 18° van artikel 5,§1) worden in de eerste plaats de diploma's van professioneel gerichte bachelor gerekend. Vanaf 1 september 2013 worden ook de diploma’s van bachelor, aansluitend op een bachelor en ook de diploma’s van academisch gerichte bachelor aanvaard.

Gecombineerd “bachelor + BPB” (punt 19° van artikel 5,§1)

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1, van bachelor in het onderwijs.

4.5.3.5. HOKT + BPB

“HOKT” komt op zich niet voor in de bijlagen. Gecombineerd, ”HOKT + BPB”, komt wel voor.

Hiermee is onder meer bedoeld: de diploma’s van het hoger onderwijs van het korte type, de gegradueerden (zowel de vroegere uitgereikte als degene die nu uitgereikt worden in het hoger beroepsonderwijs), diploma’s van technisch ingenieur, een diploma van een hogere technische school of leergang van de 1e of 2e graad, in combinatie met een BPB (punt 16° van artikel 5,§1).

Hiermee is ook bedoeld: het diploma van (kleuter)onderwijzer, van GLSO, van GVSO-groep 1.

Met HOKT + BPB wordt niet bedoeld: het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs

4.5.3.6. ten minste HSO


Onder deze verzamelbenaming vallen ondermeer alle diploma’s hoger onderwijs, het diploma van kandidaat, het diploma van de 4e graad beroepssecundair onderwijs, het diploma secundair onderwijs, het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, het certificaat gerangschikt als TSO3 of BSO3, … Voor het volledige overzicht: zie punt 5° van artikel 5,§1.

5. Aandachtspunten vanaf het schooljaar 2018-2019

Vanaf 1 september 201 8 worden de bekwaamheidsbewijzen voor islamitische godsdienst geactualiseerd. U vindt het concrete resultaat op de website bekwaamheidsbewijzen. Hieronder vindt u verdere informatie over wat nieuw is.

5.1. Basisonderwijs: leermeester islamitische godsdienst

De creta a l is bepaald dat een leermeester altijd voorgedragen moet worden door de bevoegde instantie van de erkende eredienst . De contact gegevens voor islam vindt u hier. Meer info over de modaliteiten van de voordracht vindt u in de omzendbrief Onderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer(GD/2002/05).

5.1.1. Vereist bekwaamheidsbewijs

Tot hiertoe kond en leermeesters islamitische godsdienst alleen een vereist bekwaamheidsbewijs bezitten via overgangsmaatregel . Die overgangsmaatregel is toegekend in 2001 , toen er voor het eerst bekwaamheidsbewijzen voor islam vastgelegd werden in de regelgeving .

Vanaf 1 september 2018 wordt voorzien in een organiek vereist bekwaamheidsbewijs voor de leermeester islamitische godsdienst , aangezien er opleidingen georganiseerd worden die specifiek gericht zijn op het onderwijzen van islam in het lager onderwijs.

Op de website bekwaamheidsbewijzen s taat dit opgenomen onder de volgende bepaling:
bachelor in het onderwijs lager onderwijs/onderwijzer, uitgereikt door een instelling erkend door het EMB + certificaat inhoudelijke scholing islamitische godsdienst, uitgereikt door het EMB .

Om te weten of de lerarenopleiding erkend is door het EMB kan de kandidaat-leraar contact opnemen met de voordrachtgevende instantie .

Het “certificaat inhoudelijke scholing islamitische godsdienst” wordt uitgereikt door het EMB mits voldaan is aan éé n van de volgende voorwaarden :

  • 20 studiepunten islam gevolgd hebben waarvan 6 of 9 studiepunten islam gevolgd zijn in de door EMB erkende lerarenopleiding en de resterende nadien of extra curriculair onder organisatie of auspiciën van de Erkende Instantie (Centrum Islamonderwijs vzw) die het EMB vertegenwoordigt ;

  • of bijkomend een bachelor in het onderwijs secundair onderwijs
    met onderwijsvak islam gevolgd hebben .

5.1.2. Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen

5.1.2.1. DiplomaniveauHSO verdwijnt

5.1.2.1.1. Ten minste bachelor + BPB + attest van bekwaamheid uitgereikt door het EMB

V anaf 1 september 2018 wordt voor de leermeester islamitische godsdienst minimaal een basisdiploma van “ten minste bachelor + bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB) + attest van bekwaamheid uitgereikt door het EMB ’” gevraagd.

5.1.2.1.2. Overgangsmaatregelen

Er zijn overgangsmaatregelen , zowel voor wat het bekwaamheidsbewijs als voor wat de salarisschaal betreft, voor personeelsleden die beschikken over een diploma van “ten minste HSO + BPB + attest van bekwaamheid uitgereikt door het EMB (i.e. het voldoende geachte bekwaamheidsbewijs tot 31.8.2018) maar niet over het diploma van “ten minste bachelor + BPB + attest van bekwaamheid uitgereikt door het EMB”(i.e. het voldoende geacht bekwaamheidsbewijs vanaf 1.9.2018) .

Overgangsmaatregelen voor het bekwaamheidsbewijs:

Personeelsleden die op 31 augustus 2018 in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester islamitische godsdienst hebben recht op overgangsmaatregelen als ze:
1° ofwel uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn voor het ambt van leermeester islamitische godsdienst;
2° ofwel tijdelijk aangesteld geweest zijn in of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van leermeester
islamitische godsdienst in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.

De bovenvermelde personeelsleden die voor het ambt van leermeester
islamitische godsdienst een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel hadden en die vanaf 1 september 2018 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben, hebben voor het ambt van leermeester islamitische godsdienst recht op een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel.

Overgangsmaatregelen voor de salarisschaal:

Het personeelslid behoudt voor het ambt van leermeester islamitische godsdienst de salarisschaal die hij genoot vóór 1 september 2018, tenzij zijn bekwaamheidsbewijs hem recht geeft op een hogere salarisschaal.

De overgangsmaatregelen gelden vanaf 1 september 2018.

5.1.2.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid

Conform andere levensbeschouwing en , bepaalt de regelgeving vanaf 1 september 2018 niet langer aan welke instellingen men een door het EMB erkend bewijs van pedagogische bekwaamheid kan volgen.

Zoals hierboven vermeld, geldt als decretale aanstellingsvoorwaarde dat men voorgedragen moet zijn door de bevoegde instantie .

5.1.3. Overzicht

U vindt een volledig overzicht op de website bekwaamheidsbewijzen .

5.2. Secundair onderwijs: godsdienstleraar islamitische godsdienst

Decretaal is bepaald dat een godsdienstleraar altijd voorgedragen moet worden door de bevoegde instantie van de erkende eredienst. De contact gegevens vindt u hier. Meer info over de modaliteiten van de voordracht vindt u in de omzendbriefOnderwijsinspectie over de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer(GD/2002/05).

5.2.1. Vereist bekwaamheidsbewijs 3de graad ASO-TSO-KSO

Tot hiertoe bestonden voor de godsdienstleraar islam in de 3de graad ASO-TSO-KSO geen vereiste bekwaamheidsbewijzen .

Vanaf 1 september 2018 geldt de opleiding “master in de wereldreligies optie islamitische theologie en godsdienstwetenschappen uitgereikt door een instelling erkend door het EMB + bewijs van pedagogische bekwaamheid van een instelling erkend door het EMB” als vereist bekwaamheidsbewijs in de 3de graad ASO-TSO-KSO (en de 2de graad ASO-TSO-KSO + 3de graad BSO).

Om te weten of een instelling erkend is door het EMB kan de kandidaat-leraar contact opnemen met de voordrachtgevende instantie .

5.2.2. Voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen

5.2.2.1. 1e, 2e graad en 3de graad BSO: geen kandidaatsdiploma’s meer

5.2.2.1.1. Ten minste bachelor + BPB + attest van bekwaamheid uitgereikt door het EMB

V anaf 1 september 2018 wordt voor de godsdienstleraar islamitische godsdienst in de 1 e graad, 2 e graad en 3 de graad BSO minimaal een basisdiploma van “ ten minste bachelor” + bewijs van pedagogische bekwaamheid (BPB) + attest van bekwaamheid uitgereikt door het EMB’” gevraagd.

5.2.2.1.2. Overgangsmaatregelen

Er zijn overgangsmaatregelen , zowel voor wat het bekwaamheidsbewijs als voor wat de salarisschaal betreft, voor wie beschikt over een diploma van “kandidaat + BPB”.

Overgangsmaatregelen voor het bekwaamheidsbewijs:

Personeelsleden die op 31 augustus 2018 in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van godsdienst leraar islamitische godsdienst hebben recht op overgangsmaatregelen als ze:
1° ofwel uiterlijk op 31 augustus 2018 vast benoemd zijn voor het ambt van godsdienstleraar islamitische godsdienst;
2° ofwel tijdelijk aangesteld geweest zijn in of tijdelijk belast geweest zijn met een opdracht in het ambt van
godsdienstleraar islamitische godsdienst in de loop van de schooljaren 2015-2016, 2016-2017 of 2017-2018.

De bovenvermelde personeelsleden die voor het ambt van
godsdienstleraar islamitische godsdienst een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs of een voldoend e geacht bekwaamheidsbewijs bij overgangsmaatregel hadden en die vanaf 1 september 2018 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer hebben, hebben voor het ambt van godsdienstleraar islamitische godsdienst recht op een voldoende geacht bekwaamheidsbewij s bij overgangsmaatregel .

Overgangsmaatregelen voor de salarisschaal:

Er worden overgangsmaatregelen toegekend voor de salarisschaal:

Het personeelslid behoudt voor het ambt van godsdienstleraar islamitische godsdienst de salarisschaal die hij genoot vóór 1 september 2018, tenzij zijn bekwaamheidsbewijs hem recht geeft op een hogere salarisschaal.

De overgangsmaatregelen gelden vanaf 1 september 2018.

5.2.2.2. Bewijs van pedagogische bekwaamheid

Conform bepaalde andere levensbeschouwing en bepaalt de regelgeving vanaf 1 september 2018 niet langer aan welke instellingen men een door het EMB erkend bewijs van pedagogische bekwaamheid kan volgen.

Zoals hierboven vermeld, geldt als decretale aanstellingsvoorwaarde dat men voorgedragen moet zijn door de bevoegde instantie .

5.2.3. overzicht: bekwaamheidsbewijzen vanaf 1.9.2018

U vindt een volledig overzicht op de website bekwaamheidsbewijzen .

6. Aandachtspunten van de vorige schooljaren

7. Website bekwaamheidsbewijzen leermeesters godsdienst en godsdienstleraars

8. Bijlage