OPGEHEVEN : Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de commissie voor de evaluatie van de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen en het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten

  • goedkeuringsdatum
    13 juli 2012
  • publicatiedatum
    B.S.01/08/2012
  • datum laatste wijziging
    13/02/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 29-11-2013 - B.S. 17-1-2014

Opgeheven door Decr. 23-12-2016 - B.S. 13-2-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikel 30, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 mei 2012;

Gelet op het advies 51.472/1 van de Raad van State, gegeven op 28 juni 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° commissie : de evaluatiecommissie, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

2° departement : het Departement Onderwijs en Vorming;

3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;

4° te evalueren diensten : de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen en het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten.

HOOFDSTUK 2. - Samenstelling en vergoeding van de commissie

Art. 2.

De minister stelt de leden van de commissie aan.

Art. 3.

De commissie bestaat uit :

1° twee vertegenwoordigers van de academische wereld;

2° een vertegenwoordiger van de instellingen van het officieel onderwijs;

3° een vertegenwoordiger van de instellingen van het vrij onderwijs;

4° twee ambtenaren van het departement;

5° twee externe leden, deskundig op het vlak van de kwaliteitszorg en met een aantoonbare professionele ervaring terzake.

Voor elke geleding wordt een plaatsvervanger aangesteld.

Art. 4.

De samenstelling van de commissie wordt meegedeeld aan de te evalueren diensten en aan de Vlaamse Onderwijsraad.

Art. 5.

De leden hebben een mandaat van zes jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.

Art. 6.

Het mandaat eindigt :

1° in geval van ontslagneming, vanaf het ogenblik van de aanvaarding van het ontslag door de minister;

2° ambtshalve als het lid niet meer behoort tot de geleding die hij vertegenwoordigt;

3° bij ontslag door de minister. De minister kan een lid alleen ontslaan wegens onbekwaamheid bij het vervullen van de functie, wegens kennelijke nalatigheid of wegens een andere zwaarwegende reden die betrekking heeft op het functioneren van de persoon zelf.

Art. 7.

Bij het vroegtijdig beëindigen van het mandaat van het effectieve lid voltooit de plaatsvervanger van de desbetreffende geleding de lopende mandaatperiode van zijn voorganger. De minister stelt een nieuwe plaatsvervanger aan.

Art. 8.

Alle leden participeren in de voorbereiding, de feitelijke evaluatie en de verslaggeving.

Art. 9.

De minister wijst onder de leden een voorzitter aan. De ambtenaren kunnen niet als voorzitter aangewezen worden.

De functie van secretaris wordt vervuld door één van beide ambtenaren.

Art. 10.

De effectieve leden van de commissie ontvangen voor hun prestaties een forfaitaire dagvergoeding en een vergoeding voor hun reis- en verblijfskosten. De dagvergoedingen worden uitbetaald aan het eind van het schooljaar waarin de prestaties verricht worden.

Art. 11.

Voor de voorzitter bedraagt de forfaitaire dagvergoeding 350 euro en voor de andere werkende leden 225 euro. Per evaluatiecyclus kunnen maximum [50] dagen dagvergoedingen toegekend worden. De ambtenaren van het departement ontvangen geen andere vergoeding dan hun gewone salaris.

B.Vl.R. 29-11-2013

Art. 12.

De evaluatie van alle te evalueren diensten, met inbegrip van het samenvattend rapport, dient te gebeuren in maximaal 17 maanden.

HOOFDSTUK 3. - Beoordelingskader

Art. 13.

De commissie hanteert bij haar evaluatie het beoordelingskader dat opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 14.

Voorafgaand aan de feitelijke evaluatie verzamelt het departement gegevens die met het oog op de evaluatie nuttig kunnen zijn voor de commissie. Het departement kan daarvoor gegevens opvragen bij de te evalueren diensten. Het waakt erover dat die opvraging van gegevens beperkt blijft tot de elementen die noodzakelijk zijn voor de evaluatie.

Art. 15.

De personeelsleden van de onderwijsinstellingen en de CLB's worden bij de evaluatie betrokken via een wetenschappelijke bevraging.

HOOFDSTUK 4. - Deontologische regels

Art. 16.

De leden van de commissie behartigen de belangen van het onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap. Ze oefenen de opdrachten van de commissie op een onafhankelijke wijze uit waarbij de te evalueren diensten gelijk worden behandeld.

Art. 17.

De leden van de commissie verstrekken geen andere informatie over de interne werkzaamheden aan derden dan deze die onderhevig zijn aan de openbaarheid van bestuur.

HOOFDSTUK 5. - Wijze van verslaggeving

Art. 18.

De evaluatie van elke dienst resulteert in een schriftelijk evaluatieverslag dat bestaat uit een beschrijvend gedeelte en een concluderend gedeelte. In het concluderende gedeelte wordt een kwaliteitsbeoordeling met sterktes en zwaktes en verbeterpunten meegegeven.

Art. 19.

Het evaluatieverslag wordt in consensus opgesteld. Uiterlijk drie maanden na afloop van de evaluatie van alle te evalueren diensten wordt één exemplaar bezorgd aan de geëvalueerde dienst en één exemplaar aan de minister.

Art. 20.

De geëvalueerde dienst informeert zijn personeelsleden en alle instellingen die op hem een beroep kunnen doen, over het resultaat van de evaluatie.

Art. 21.

Na afloop van een cyclus waarin alle te evalueren pedagogische begeleidingsdiensten en permanente ondersteuningscellen daadwerkelijk geëvalueerd zijn, stelt de commissie uiterlijk binnen drie maanden een samenvattend verslag op van de werkzaamheden en de bevindingen met betrekking tot de evaluatie.

Art. 22.

De minister bezorgt aan het Vlaams Parlement het samenvattende verslag, zoals bepaald in artikel 21, alsook de evaluatie van het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten.

HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling

Art. 23.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

De bijlage is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad dd. 17-1-2014, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.