OPGEHEVEN : Decreet betreffende de studentenvoorzieningen in Vlaanderen

  • goedkeuringsdatum
    29 juni 2012
  • publicatiedatum
    B.S.03/08/2012
  • datum laatste wijziging
    27/02/2014

COORDINATIE

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 12-7-2013 - B.S. 30-8-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

opgeheven door Decr. 20-12-2013 - B.S. 27-2-2014

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt :

Decreet betreffende de studentenvoorzieningen in Vlaanderen

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Afdeling 1. - Toepassingsgebied

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Afdeling 2. - Begrippenkader

Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder :

1° studentenvoorzieningen : het geheel van activiteiten en maatregelen die kunnen genomen worden in het kader van artikel 4 van dit decreet;

2° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren;

3° kansengroepen in het hoger onderwijs : maatschappelijke groepen die ondervertegenwoordigd zijn in het hoger onderwijs wegens financiële, sociale, culturele of psycho-medische factoren;

4° opleidingsgebonden materies : alle onderwijs- en begeleidingsactiviteiten die inherent verbonden zijn aan het doorlopen van het studiecurriculum inclusief de didactische infrastructuur om ze mee te realiseren;

5° instelling : hogeschool of universiteit als vermeld in de artikelen 4 en 5 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

6° algemene uitgaven : uitgaven voor studentenvoorzieningen die niet gebonden zijn aan één werkveld, maar die nodig zijn om de globale werking van de studentenvoorzieningen mogelijk te maken;

7° VZW studentenvoorzieningen : de entiteit vermeld in artikel 208 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

8° opgenomen studiepunten : studiepunten berekend overeenkomstig artikel 11, § 1 en § 3, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen, met behoud van artikel 25bis, § 1, eerste zinsnede;

9° werkveld : het geheel van activiteiten en acties die de instelling in een bepaald domein van de studentenvoorzieningen kan ontplooien;

10° Financieringsdecreet : decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen;

11° VZW regionaal netwerk studentenvoorzieningen : de entiteit vermeld in artikel 208, § 3, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

HOOFDSTUK 2. - Doel en Toegang

Art. 3.

Hogescholen en universiteiten bieden aan de studenten vermeld in artikel 5 studentenvoorzieningen aan.

Afdeling 1. - Doel

Art. 4.

De studentenvoorzieningen hebben tot doel de gelijkwaardige toegang tot en de deelname van alle studenten aan het hoger onderwijs te bevorderen door de basisvoorwaarden bij het studeren te verbeteren. Ze streven dat doel na door materiële en immateriële hulp- en dienstverlening te bieden en door studiebelemmerende factoren weg te nemen.

Afdeling 2. - Toegang tot studentenvoorzieningen

Art. 5.

De studenten die met een diploma- of creditcontract ingeschreven zijn hebben binnen de bepalingen van het decreet toegang tot de studentenvoorzieningen van de instelling waar ze hun opleiding volgen.

De studenten die in het kader van internationale mobiliteit en uitwisselingen, een deel van hun opleiding in een Vlaamse universiteit of hogeschool volgen, maar daar niet ingeschreven zijn, hebben toegang tot studentenvoorzieningen die verbonden zijn aan de plaats waar ze dat onderdeel van hun opleiding volgen.

De cursisten in een hbo5-opleiding georganiseerd door een Centrum voor Volwassenenonderwijs en leerlingen in een hbo5-opleiding verpleegkunde georganiseerd door een instelling voor secundair onderwijs kunnen toegang hebben tot de sociale voorzieningen van de hogeschool, waarmee het betrokken Centrum voor Volwassenenonderwijs of de betrokken instelling voor secundair onderwijs een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de betreffende hbo5-opleiding heeft afgesloten. Deze overeenkomst legt ten minste de afspraken vast over de afstemming op het vlak van curriculumontwikkeling, inzet van personeel, infrastructuur en kwaliteitszorg in die hbo5-opleidingen.

Art. 6.

De toekenning van studentenvoorzieningen kan aan specifieke voorwaarden verbonden zijn. Die specifieke voorwaarden worden nader omschreven in het beleidsplan, vermeld in artikel 25 en worden aan de studenten medegedeeld bij de inschrijving.

Art. 7.

De toegang tot studentenvoorzieningen kan op basis van het aantal studiepunten waarvoor een student zich inschrijft gedifferentieerd worden, als de student zich inschrijft voor minder dan 27 studiepunten per academiejaar en als hij niet in het jaar van zijn diplomering zit. Als een instelling differentieert, moet ze in haar beleidsplan vermeld in artikel 25, melding maken van de regels die ze daarbij hanteert.

Art. 8.

Als een student als vermeld in artikel 5, eerste lid, een gezamenlijke opleiding in verschillende instellingen volgt of als een student als vermeld in artikel 5, eerste lid, in het kader van zijn opleiding lessen volgt aan een instelling waar hij niet ingeschreven is, bepalen de criteria van de instelling waar de student zijn vraag stelt of en in welke mate de student toegang heeft tot de studentenvoorzieningen van deze instelling.

Als de academische hogeschoolopleidingen bij of krachtens decreet worden overgeheveld naar de universiteiten, en als de studenten van die opleidingen, hun opleiding of onderdelen van hun opleiding volgen op een plaats waar studentenvoorzieningen georganiseerd en aangeboden worden door een hogeschool, sluiten de betrokken universiteit en hogeschool een protocol af waarin de modaliteiten voor de transfer van financiële middelen van de instelling die de sociale toelage vermeld in artikel 9, voor deze studenten ontvangt, naar de instelling die hen toegang biedt tot de studentenvoorzieningen, geregeld wordt. Dat protocol moet de gelijkwaardige behandeling garanderen van alle studenten op de plaats waar de studentenvoorzieningen aangeboden worden. Het protocol vormt een onderdeel van het beleidsplan, vermeld in artikel 25 van alle bij het protocol betrokken instellingen.

In het protocol werken de betrokken hogeschool en universiteit ook een financiële regeling uit met betrekking tot de sociale toelage van het vierde kwartaal van 2013, die krachtens artikel 14 van dit decreet in dat jaar nog uitbetaald zal worden aan de hogeschool die academische opleidingen overdraagt. Het protocol bevat ook een overzicht van de personeelsleden van de studentenvoorzieningen waarvan het salaris of een procentueel deel ervan aangerekend wordt op de getransfereerde middelen.

HOOFDSTUK 3. - Financiering

Art. 9.

Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, draagt de Vlaamse Gemeenschap met jaarlijkse toelagen, sociale toelagen genaamd, bij in de financiering van de studentenvoorzieningen.

De sociale toelage wordt uitbetaald aan de instelling en draagt uitsluitend bij tot het dekken van de personeelskosten, werkingskosten, uitrustingskosten en financiële kosten van de studentenvoorzieningen en van de kosten voor de verwerving, oprichting, uitbreiding, verbouwing, instandhouding en herstelling van onroerende goederen bestemd voor studentenvoorzieningen.

De sociale toelage kan alleen aangewend worden voor activiteiten en maatregelen in een van de in artikel 21 opgesomde werkvelden alsook voor de algemene uitgaven bedoeld in artikel 27.

De sociale toelage kan niet aangewend worden om maatregelen te nemen en activiteiten te ontplooien voor de opleidingsgebonden materies, tenzij voor de deelname aan initiatieven in het kader van het gelijke kansen- en diversiteitsbeleid van de instelling, als er naast de opleidingsgebonden materies ook sociale maatregelen worden genomen.

Art. 10.

[§ 1.] De sociale toelage voor de hogescholen en universiteiten bedraagt in totaal respectievelijk 28.958.000 euro en 16.009.000 euro op prijsniveau 2011. Het bedrag van de totale sociale toelage voor de universiteiten, wordt van 2014 tot en met 2016 jaarlijks verhoogd met 0,50 mio euro.

Die bedragen worden binnen de perken van de jaarlijkse begrotingskredieten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de volgende formule :

I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (Cl/CO), waarbij

1° I : de indexformule;

2° L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betreffende begrotingsjaar n en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar n-1;

3° Cl/CO : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betreffende begrotingsjaar n en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar n-1.

[§ 2. Voor 2012 en 2013 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de volgende formule :

I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50

waarbij :

1° I : de indexformule;

2° L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar n - 1.]

Decr. 21-12-2012

Art. 11.

Het bedrag van de totale sociale toelage voor de hogescholen vermeld in artikel 10, wordt onder de hogescholen verdeeld op basis van het aandeel van elke hogeschool in het totale aantal opgenomen studiepunten van alle hogescholen.

De sociale toelage die een hogeschool ontvangt in het begrotingsjaar t kan echter niet lager zijn dan 98 % van de sociale toelage die haar in het begrotingsjaar t-1 is toegekend.

Daarbij wordt de volgende berekeningswijze gehanteerd :

1° stap 1 : voor iedere hogeschool wordt het bedrag berekend op basis van haar aandeel in het aantal opgenomen studiepunten;

2° stap 2 : voor iedere hogeschool wordt in het begrotingsjaar t 98% van het bedrag dat de hogeschool als sociale toelage ontvangen heeft in begrotingsjaar t-1, als referentiepunt vastgeklikt;

3° stap 3 : als voor een hogeschool het bedrag berekend in stap 1 kleiner is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die hogeschool als sociale toelage het bedrag dat als referentiepunt is vastgeklikt overeenkomstig stap 2;

4° stap 4 : als voor een hogeschool het bedrag berekend in stap 1 groter is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die hogeschool als sociale toelage het bedrag berekend in stap 2 vermeerderd met het procentueel aandeel van de instelling in het positieve verschil tussen de som van de bedragen berekend conform stap 1 en de som van de bedragen, berekend conform stap 2.

Voor de berekening van de sociale toelage in het begrotingsjaar volgend op het academiejaar waarin de in artikel 14 van dit decreet bedoelde overheveling plaatsvindt, wordt het bedrag van de sociale toelage van het voorafgaande begrotingsjaar verminderd met het bedrag dat als gevolg van artikel 13 van dit decreet werd overgeheveld.

Art. 12.

Op basis van een wetenschappelijke studie naar het profiel en de behoeften van de leerlingen en cursisten die in het academiejaar 2011-2012 hbo5-opleidingen volgen, werkt de Vlaamse Regering met inachtneming van de hierna vermelde voorwaarden een financieringsregeling uit voor de cursisten en leerlingen van een hbo5-opleiding, zoals omschreven in artikel 5 :

1° het startbedrag per studiepunt houdt rekening met de resultaten van de wetenschappelijke studie;

2° vanaf de inwerkingtreding van de bijzondere envelopperegeling wordt gerekend met opgenomen studiepunten overeenkomstig artikel 2, 9°, waarbij het eenheidsbedrag per studiepunt vermenigvuldigd wordt met het aantal in rekening gebrachte studiepunten;

3° het aantal studiepunten wordt jaar najaar toegevoegd tot er een vijfjarig tijdsvenster verwezenlijkt is;

4° het vijfjarig tijdsvenster wordt jaar najaar opgeschoven waarbij uitgegaan wordt van een tijdsvenster van t-7/t-6 tot t-3/t-2;

5° de verdeling over de instellingen gebeurt aan de hand van het aantal opgenomen studiepunten.

Onder profiel van de leerling of cursist wordt verstaan :

1° de mate waarin de leerling of cursist beroepsactief is en tot welke beroepsgroep de leerling of cursist behoort;

2° de vooropleiding van de leerling of cursist;

3° de wijze waarop de leerling of cursist de studies financiert;

4° de tijd die de leerling of cursist besteedt aan de studie;

5° de sociaaleconomische status van de leerling of cursist.

Onder behoeften worden de behoeften van de leerling of cursist verstaan aan de voorzieningen aangeboden binnen de werkvelden, zoals omschreven in artikel 21.

Art. 13.

Het bedrag van de totale sociale toelage voor de universiteiten, vermeld in artikel 10 wordt onder de universiteiten verdeeld op basis van hun aandeel in het aantal opgenomen studiepunten. Het bedrag mag daarenboven niet lager zijn dan de sociale toelage die aan de universiteiten in 2012 is toegekend. Daarbij wordt de volgende berekeningswijze gehanteerd :

1° stap 1 : voor iedere universiteit wordt het bedrag berekend op basis van haar aandeel in het aantal opgenomen studiepunten;

2° stap 2 : voor iedere universiteit wordt het bedrag dat de universiteit als sociale toelage ontvangen heeft in 2012, als een gewaarborgd minimum vastgeklikt;

3° stap 3 : als voor een universiteit het bedrag berekend in stap 1 kleiner is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die universiteit als sociale toelage het bedrag dat als gewaarborgd minimum is vastgeklikt overeenkomstig stap 2;

4° stap 4 : als voor een universiteit het bedrag berekend in stap 1 groter is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die universiteit als sociale toelage het bedrag berekend overeenkomstig de volgende formule : (ST - sigmaHF) * (OSTPi/sigmaOSTP), waarbij :

a. ST : het totale bedrag van de sociale toelage voor de universiteiten, vermeld in artikel 10;

b. sigmaHF : de som van de bedragen vastgeklikt als gewaarborgd minimum die de universiteiten als sociale toelage ontvangen conform stap 3;

c. OSTPi : het aantal opgenomen studiepunten;

d. sigmaOSTP : de som van het aantal opgenomen studiepunten van die universiteiten waarop stap 4 van toepassing is.

Het bedrag voor een universiteit berekend volgens de berekeningswijze vermeld in het eerste lid, kan nooit kleiner zijn dan het bedrag vastgeklikt als gewaarborgd minimum, vermeld in het eerste lid, 2°, geïndexeerd conform de formule vermeld in artikel 10.

Het gewaarborgd minimum zoals omschreven in het eerste lid wordt jaarlijks aangevuld met een bedrag dat verkregen wordt door het aantal opgenomen studiepunten in door de Vlaamse Regering erkende nieuwe opleidingen dat de grens van 10 % van het aantal opgenomen studiepunten in de andere opleidingen overschrijdt, te vermenigvuldigen met het gemiddelde bedrag per opgenomen studiepunt voor alle universiteiten samen. Dit nieuwe gegarandeerde bedrag wordt berekend vóór stap 3 wordt toegepast.

Art. 14.

Als de academische hogeschoolopleidingen in het academiejaar 2013-2014 bij decreet overgeheveld worden naar de universiteiten, wordt het bedrag van de betrokken hogescholen verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag, verkregen door het aantal opgenomen studiepunten binnen die opleidingen in het begrotingsjaar 2013 te vermenigvuldigen met het bedrag per opgenomen studiepunt in die hogeschool in begrotingsjaar 2013. De som van deze verminderingen wordt, als een afzonderlijk budget in 2014 overgedragen naar de enveloppe van de universiteiten. De enveloppe voor de sociale toelage van de hogescholen zoals omschreven in artikel 10 wordt vanaf 2014 met hetzelfde bedrag verminderd.

In afwijking van de bepalingen van artikel 13 wordt dat afzonderlijke budget onder de universiteiten verdeeld op basis van hun aandeel in het aantal opgenomen studiepunten in de overgehevelde opleidingen, vermeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 4. - Bestuur en beheer

Art. 15.

De overheid kent de sociale toelage toe aan de instelling voor haar werking betreffende studentenvoorzieningen, als de instelling een voor de studenten herkenbare dienst voor studentenvoorzieningen en een stuvoraad opricht.

De stuvoraad heeft minstens de volgende taken en bevoegdheden :

1° de stuvoraad stelt een beleidsplan en een jaar- en meerjarenbegroting op voor de werking en organisatie van studentenvoorzieningen en legt die ter goedkeuring voor aan het instellingsbestuur;

2° binnen het kader van het goedgekeurde beleidsplan en de goedgekeurde jaar- en meerjarenbegroting en binnen het kader van de vastgelegde bestuurs- en beheersreglementen van de instelling staat de stuvoraad in voor de aanwending van de sociale toelage, van de inkomsten uit de werking betreffende studentenvoorzieningen en voor de aanwending van alle andere financiële middelen die de instelling ter beschikking stelt van studentenvoorzieningen;

3° de stuvoraad stelt het jaarverslag over studentenvoorzieningen op;

4° de stuvoraad doet voorstellen aan het instellingsbestuur voor de functies en personeelsbezetting die hij nodig acht voor de werking en organisatie van de studentenvoorzieningen;

5° de stuvoraad formuleert voorstellen voor het sluiten van de samenwerkingsovereenkomsten, vermeld in artikel 24.

Art. 16.

Als het instellingsbestuur niet instemt met de voorstellen van de stuvoraad, vermeld in artikel 15, tweede lid, 1°, 4° en 5°, stuurt ze die met een gemotiveerd advies voor heroverweging terug naar de stuvoraad.

Als de procedure vermeld in het eerste lid niet leidt tot overeenstemming, beslist het instellingsbestuur en wordt het gebrek aan akkoord expliciet vermeld in de betreffende jaarbegroting en in de meerjarenbegroting.

Art. 17.

De stuvoraad is paritair samengesteld uit minstens acht leden. De helft van de leden is verkozen door en onder de studenten en de leerlingen en cursisten uit hbo5-opleidingen die krachtens artikel 5 van dit decreet toegang hebben tot studentenvoorzieningen van de instelling, de andere helft is aangewezen door het instellingsbestuur [, waarvan minstens één vertegenwoordiger van een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een secundaire school, waarvan de cursisten gebruik kunnen maken van de studentenvoorzieningen, zoals beschreven in artikel 5 van dit decreet]. De stuvoraad streeft bij zijn samenstelling naar diversiteit. Maximum twee derde van zijn leden mag van hetzelfde geslacht zijn.

IN VOEGE VANAF 1/10/2014 (Decr. XXIII, 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013; Art. V.91) : eerste lid : "De stuvoraad is paritair samengesteld uit minstens acht leden. De helft van de leden is verkozen door en onder de studenten, zoals bepaald in artikel 11.50, § 1, eerste lid, van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, eventueel aangevuld met de leerlingen en cursisten uit hbo5-opleidingen. De andere helft is aangewezen door het instellingsbestuur. De stuvoraad streeft bij zijn samenstelling naar diversiteit. Maximum twee derde van zijn leden mag van hetzelfde geslacht zijn."

In het eerste werkingsjaar na de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in een universiteit, dient in de stuvoraad van de betreffende universiteit, tenminste één student uit een geïntegreerde opleiding opgenomen te worden.

De verkiezingen van de studentenvertegenwoordigers worden georganiseerd door de instelling in samenspraak met de studentenraad. De studentenraad legt de kiesprocedure vast.

De stuvoraad kiest een voorzitter en een ondervoorzitter. Als de voorzitter komt uit de studentendelegatie, komt de ondervoorzitter uit de delegatie, die door het instellingsbestuur is aangesteld, en vice versa. Als de stuvoraad het niet eens is over de aanwijzing van een voorzitter en een ondervoorzitter, stelt het instellingsbestuur de voorzitter aan.

Decr. 12-7-2013

Art. 18.

De studenten die deel uitmaken van de stuvoraad genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Ze mogen op geen enkele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen door de instelling voor daden die ze stellen bij de uitoefening van hun mandaat.

Art. 19.

De stuvoraad stelt in consensus een huishoudelijk reglement op. Dat huishoudelijk reglement bevat minimaal de volgende bepalingen :

1° de wijze van voorbereiding en bijeenroeping van de vergaderingen en van bezorgen van documenten;

2° de wijze van besluitvorming en stemming;

3° de regeling van de volmachten bij afwezigheid;

4° de wijze van vervanging bij ontslag van de leden, termijn van het mandaat van de voorzitter, van de ondervoorzitter en van de leden.

De stuvoraad komt minimaal vier keer per jaar samen.

Als er met volmachten gewerkt wordt, kunnen die alleen worden verleend binnen dezelfde geleding.

Art. 20.

De dienst voor studentenvoorzieningen staat de stuvoraad bij in de uitvoering van de taken en bevoegdheden, die hem met toepassing van artikel 15 zijn verleend.

HOOFDSTUK 5. - Werking en rapportering

Afdeling 1. - Werking

Art. 21.

De instelling biedt betreffende studentenvoorzieningen activiteiten aan in de volgende werkvelden :

1° het werkveld voeding, dat tot doel heeft aan de studenten ondersteuning en advies te verlenen over gezonde en betaalbare voeding. Dit kan door maaltijden aan te bieden, al dan niet in eigen beheer, in studentenrestaurants en -cafetaria's, en door kortingen te verlenen voor het gebruiken van maaltijden in restaurants die door derden uitgebaat worden;

2° het werkveld huisvesting, dat tot doel heeft aan de studenten ondersteuning en advies te verlenen en hen te sensibiliseren voor betaalbare en kwaliteitsvolle huisvesting. Dit gebeurt door, al dan niet in eigen beheer, kamers aan te bieden en de studenten te adviseren over de kamermarkt. Dit gebeurt ook door te bemiddelen tussen studenten en verhuurders over de huisvestingsvoorwaarden;

3° het werkveld sociale dienstverlening, dat tot doel heeft aan de studenten die in een materiële of sociale probleemsituatie verkeren, hulp te bieden. Materiële steun kan verleend worden door vervangende en aanvullende financiële tegemoetkomingen, leningen en kortingen aan de studenten te verstrekken voor de algemene en specifieke studiekosten van de student, alsook door studentenjobs en advies daarover aan te bieden. Aan studenten kan daarenboven bijkomende financiële steun verleend worden als ze in het kader van hun opleiding deelnemen aan internationale mobiliteit. Sociale steun kan verleend worden door eerste opvang te verzorgen, te bemiddelen, begeleiding aan te bieden, hen door te verwijzen, sociale vaardigheden bij te brengen, kinderopvang te verzekeren, informatie te verstrekken over de sociaalfinanciële en sociaaljuridische aspecten van het studeren;

4° het werkveld medische en psychologische dienstverlening dat tot doel heeft aan studenten gepaste psychotherapeutische, psychosociale en medische ondersteuning en advies te verstrekken door een eigen aanbod te ontwikkelen of door samen te werken met andere daartoe geëigende diensten;

5° het werkveld vervoer dat tot doel heeft om mobiliteit van en naar onderwijsactiviteiten te faciliteren en betaalbaar te houden;

6° het werkveld studentenwerking dat de organisatie of de ondersteuning van initiatieven van of voor studenten op sociaal, sportief, maatschappelijk, ecologisch of cultureel vlak, tot doel heeft. De instelling kan in het kader van de activiteiten, vermeld in het eerste lid, ook sensibiliserend, preventief en probleemsignalerend werken.

Art. 22.

Als in een werkveld, als vermeld in artikel 21 geen acties ontplooid worden, moet dat in het beleidsplan gemotiveerd worden.

Art. 23.

De instelling kan binnen alle werkvelden, naast activiteiten voor alle studenten, specifieke activiteiten opzetten om de gelijkwaardige toegang van studenten uit kansengroepen te bevorderen. Deze specifieke acties dienen een onderdeel te vormen van een geïntegreerd diversiteits- en gelijkekansenbeleid van de instelling.

Art. 24.

Het instellingsbestuur kan op voorstel van de stuvoraad samenwerkingsakkoorden over studentenvoorzieningen sluiten met derden.

Afdeling 2. - Beleidsplan, meerjarenbegroting en jaarbegroting

Art. 25.

Het beleidsplan over studentenvoorzieningen geeft voor een periode van vijf jaar aan hoe de instelling de doelstelling, vermeld in artikel 4 zal nastreven en op welke manier ze daarvoor de sociale toelage van de overheid en andere roerende en onroerende middelen zal aanwenden.

Het beleidsplan wordt opgesteld conform de leidraad die de Vlaamse Regering ter beschikking stelt.

Het beleidsplan wordt samen met de meerjarenbegroting ingediend bij de Vlaamse Regering. Wijzigingen in het beleidsplan worden samen met de jaarlijkse begroting ingediend. Het beleidsplan en de wijzigingen ervan treden in voege op het moment van de schriftelijke betekening van de goedkeuring ervan door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.

Art. 26.

De jaarbegroting en de meerjarenbegroting met betrekking tot het beleid en het beheer van de studentenvoorzieningen vormen een afdeling binnen de jaar- en meerjarenbegroting van de instelling en worden opgesteld conform de bepalingen die gelden voor de jaarbegroting en de meerjarenbegroting van de instelling. De begrote resultatenrekening en de investeringsbegroting worden op analytisch niveau bezorgd. De algemene uitgaven worden op een aparte kostenplaats geboekt.

De jaarbegrotingen en de meerjarenbegroting bevatten naast een uitgebreide financiële toelichting een inhoudelijke toelichting, die aansluit bij de strategische doelstellingen van het beleidsplan.

Art. 27.

De jaarbegroting geeft per werkveld een overzicht van de financiële middelen die zullen worden ingezet voor de werking, het personeel, de investeringen en de infrastructuur betreffende studentenvoorzieningen.

Art. 28.

Onder voorbehoud van goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting door het Vlaams Parlement, deelt de Vlaamse Regering ieder jaar vóór 1 oktober aan elke instelling de geraamde sociale toelage mee voor het volgend begrotingsjaar en de wijze waarop deze raming is berekend.

Art. 29.

Als de instelling betreffende studentenvoorzieningen aan alle decretale voorwaarden voldoet, wordt per kwartaal het voor dat jaar toe te kennen subsidiebedrag uitbetaald.

Afdeling 3. - Jaarverslag

Art. 30.

De instelling legt ieder jaar verantwoording af over de organisatie en het beheer betreffende studentenvoorzieningen en de besteding van de sociale toelage en eventueel van andere roerende en onroerende middelen via een jaarverslag, dat opgesteld wordt door de stuvoraad. Dat jaarverslag bestaat uit een inhoudelijk en een financieel gedeelte.

Art. 31.

Het inhoudelijk deel vormt een onderdeel van het algemene jaarverslag dat het instellingsbestuur moet indienen overeenkomstig artikel 57, § 1, van het Financieringsdecreet. Het geeft een overzicht van de activiteiten die gedurende het jaar ontplooid zijn om de doelstellingen betreffende studentenvoorzieningen na te streven.

Het financiële deel vormt een duidelijk herkenbaar onderdeel van de jaarrekening die het instellingsbestuur moet indienen overeenkomstig artikel 57, § 1, van het Financieringsdecreet. Het bestaat tenminste uit een resultatenrekening, een overzicht van de gerealiseerde investeringen en een overzicht van de financiële middelen die ingezet zijn per werkveld. Het financiële deel wordt opgesteld krachtens de regels die gelden voor de jaarrekening.

HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepalingen

Afdeling 1. - Stuvoraad

Art. 32.

Het instellingsbestuur stelt uiterlijk tegen 1 januari 2013 de eerste stuvoraad samen.

Afdeling 2. - Overeenkomsten van de VZW studentenvoorziening met derden

Art. 33.

De sociale toelage, vermeld in artikel 9, tweede lid, van dit decreet zal pas aan de hogeschool uitbetaald worden na de bekendmaking in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van het besluit tot opheffing van de krachtens artikel 208, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, opgerichte VZW studentenvoorziening.

Als bij de ontbinding van de VZW studentenvoorzieningen geen gebruik gemaakt wordt van de procedure vermeld in artikel 58 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, stelt de hogeschool zich garant voor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten die de VZW studentenvoorzieningen met derden heeft afgesloten en die betrekking hebben op het vermogen dat de VZW studentenvoorzieningen heeft overgedragen aan de hogeschool.

Afdeling 3. - Personeel

Art. 34.

De arbeidsovereenkomst van elk personeelslid dat op 31 december 2012 verbonden is aan de VZW die door de hogeschool werd opgericht voor het beheer van haar studentenvoorzieningen, wordt bij ontbinding of fusie van de VZW studentenvoorzieningen overgenomen door de betreffende hogeschool.

De arbeidsovereenkomst van elk personeelslid dat op 31 december 2012 verbonden is aan een VZW regionaal netwerk studentenvoorzieningen, wordt bij ontbinding van de VZW regionaal netwerk studentenvoorzieningen overgenomen door de betrokken hogescholen en dit in verhouding tot het aandeel van de VZW studentenvoorzieningen van de betrokken hogeschool in de werkingsmiddelen van de VZW regionaal netwerk studentenvoorzieningen zoals vastgelegd in de goedgekeurde begroting 2012.

Art. 35.

De personeelsleden, vermeld in artikel 34, kunnen vanaf 1 januari 2013 zonder openbare vacature en met hun instemming gerangschikt worden in een statutair ambt van het administratief en technisch personeel van de hogeschool. De betreffende personeelsleden worden ingeschaald in de salarisschaal verbonden aan de graad, rekening houdend met de verworven dienstanciënniteit.

Afdeling 4. - Patrimonium

Art. 36.

Het nettoactief van de VZW studentenvoorzieningen van de hogeschool wordt bij de ontbinding of de fusie toegewezen aan het eigen vermogen van de hogescholen en geboekt in een fonds dat bestemd is voor de werking van de studentenvoorziening. Dat bestemd fonds en de opbrengsten ervan, kunnen alleen aangewend worden voor doeleinden van de studentenvoorzieningen.

De regeling, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op onroerende goederen die de VZW's studentenvoorzieningen in erfpacht hebben op het moment van de ontbinding en waarvan die erfpacht vooraf betaald is. In dat geval wordt de resterende boekwaarde in het nettoactief ondergebracht bij de ontbinding en vereffening en integraal toegewezen aan het fonds dat bestemd is voor de werking van de studentenvoorzieningen.

Als er onroerende goederen deel uitmaken van het nettoactief van de VZW studentenvoorzieningen van de hogeschool, worden die tegen boekwaarde ingebracht in het fonds, vermeld in het eerste lid. Als er een lening is aangegaan, neemt de hogeschool die over en wordt de nettoboekwaarde voor de inbreng in het fonds verminderd met de nog af te lossen leninglast. Indien de betreffende lening door de hogeschool verder wordt afgelost met middelen vanuit de sociale toelage wordt het bestemd fonds vermeld in het eerste lid, overeenkomstig verhoogd.

Art. 37.

Als de hogeschool het ingebrachte patrimonium verkoopt, zal de meerwaarde die voortvloeit uit het verschil tussen de verkoopwaarde en de boekwaarde, vermeld in artikel 37, derde lid, toekomen aan de werking voor studentenvoorzieningen.

HOOFDSTUK 7. - Opheffmgs- en wijzigingsbepalingen

Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen

Art. 38.

In het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende artikelen opgeheven :

1° artikel 140bis, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994 en gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003;

2° artikel 140ter, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994, vervangen bij het decreet van 29 juni 2007 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009;

3° artikel 140quater, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2004.

Art. 39.

In het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende artikelen opgeheven :

1° artikel 207 en 208;

2° artikel 209, gewijzigd bij het decreet van 21 januari 2001 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2004;

3° artikel 209bis, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2004;

4° artikel 210, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995;

5° artikel 211;

6° artikel 212;

7° artikel 213, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996;

8° artikel 214, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998;

9° artikel 215, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996;

10° artikel 253, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009.

Art. 40.

In artikel 262 van hetzelfde decreet wordt punt 15° opgeheven.

Afdeling 2. - Wijzigingsbepalingen

Art. 41.

Aan de punten 1° en 2° van artikel 226 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden na het woord "begrotingsperiode" telkens de woorden "met een afzondelijke afdeling voor studentenvoorzieningen" toegevoegd.

HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

Art. 42.

Het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven, met uitzondering van titel V.

Art. 43.

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2013, met uitzondering van de artikelen 17 en 32 die in werking treden op 1 september 2012, voor zover ze betrekking hebben op de samenstelling van de eerste stuvoraad.