Programmatiestop in het deeltijds kunstonderwijs en aanvragen tot afwijking ervan

  • referentie
    DKO/2012/02
  • publicatiedatum
    23/10/2012
  • datum laatste wijziging
    28/01/2013
  • wettelijke basis
    Art. 93quater van het Decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II
  • wettelijke basis
    Art. 57ter van het Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen “muziek”, “woordkunst” en “dans”
  • wettelijke basis
    Art. 49ter van het Besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting “beeldende kunst”
  • contactpersoon
  • contactpersoon
  • Sinds het schooljaar 2011-2012 kent het DKO een programmatiestop voor alle uitbreidingen van het aanbod (structuuronderdelen en opleidingen).De Vlaamse Regering kan echter “in uitzonderlijke gevallen” afwijking op de programmatiestop toestaan.

1. Waarom en principes van de programmatiestop

Sinds het schooljaar 2011-2012 kent het deeltijds kunstonderwijs (dko) een programmatiestop voor instellingen, kunstacademies, filialen, studierichtingen, graden, opties en instrumenten. Dat betekent dat academies hun aanbod voorlopig niet meer kunnen uitbreiden met deze structuuronderdelen of opleidingen tenzij de Vlaamse Regering hen hiervoor een afwijking toestaat (zie verder).

De programmatiestop werd enerzijds ingevoerd om de overheidsuitgaven in tijden van financieel-economische crisis te bepreken en anderzijds om het dko-landschap te bevriezen in afwachting van de nakende fundamentele hervorming van dit onderwijsniveau.

2. Wat betekent de programmatiestop precies voor welk aanbod?

Vóór de inwerkingtreding van de programmatiestop konden schoolbesturen instellingen, kunstacademies, studierichtingen en graden oprichten als ze hiervoor een programmatieaanvraag indienden en als deze aanvraag vervolgens na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, de onderwijsinspectie en de administratie werd goedgekeurd door de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming. Nieuwe opties of instrumenten aanbieden kon zonder meer en moest in het geval van opties enkel gemeld worden aan het schoolbeheerteam dko.

De programmatiestop maakt alle bovengenoemde oprichtingen tijdelijk onmogelijk vanaf het schooljaar 2011-2012, tenzij de Vlaamse Regering het schoolbestuur (de ‘inrichtende macht’) van de academie een afwijking verleent. Voor nieuw op te richten instellingen, kunstacademies, studierichtingen en graden is de bestaande regelgeving over programmatieaanvragen en –goedkeuringen dus tijdelijk buiten werking gesteld, wat betekent dat sinds 1 september 2011 geen nieuw aanbod kan worden opgericht.

Voor opties betekent dit dat academies elke optie waarvoor tijdens het schooljaar 2010-2011 een goedgekeurd meldingsdocument (meldingsformulier en document G) bestond, mogen blijven aanbieden.

Anders dan voor opties zijn er voor instrumenten geen meldingsdocumenten. Wel biedt de leerlingendatabank een overzicht van het daadwerkelijk ingerichte instrumentenaanbod op 30 juni van het schooljaar 2010-2011. Per academie werd voor elk instrument het mogelijke negenjarige leertraject (3 jaar lagere, 3 jaar middelbare en 3 jaar hogere graad) onderzocht. Elk instrument waarvoor tijdens het schooljaar 2010-2011 minstens één regelmatige leerling was ingeschreven in één van de negen leerjaren van het volledige leertraject, wordt beschouwd als behorend tot het aanbod van die instelling. Dat instrumentenaanbod van 30 juni 2011 (eind van het schooljaar 2010-2011) mag de instelling opnieuw aanbieden op 1 september 2012 en alle daarop volgende schooljaren zolang de programmatiestop geldt.

De programmatiestop impliceert dus een bevriezing van het studieaanbod op 30 juni van het schooljaar 2010-2011. Enkel de goedgekeurde aanvragen tot afwijking van de programmatiestop worden toegevoegd aan dat aanbod.

3. Afwijkingen

3.1. Principes

De Vlaamse Regering kan in uitzonderlijke gevallen toelating geven aan een schoolbestuur om toch een instelling, kunstacademie, filiaal, studierichting of graad te programmeren of een bijkomende optie of nieuw instrument aan te bieden

  • Na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van het schoolbestuur, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
  • Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie.

De regelgeving geeft de Vlaamse Regering de bevoegdheid om afwijkingen op de programmatiestop goed te keuren “in uitzonderlijke gevallen”. De afwijkingsprocedure is dus geen nieuwe programmatieprocedure! Het is ook niet de bedoeling om tijdelijke projecten via deze weg aan te vragen.

3.2. Aanvraagtermijn

3.2.1. Aanvragen voor instellingen en kunstacademies

Voor aanvragen voor nieuwe instellingen en kunstacademies die starten op 1 september 2013 is de uiter ste indiendatum 28 februari 2013. Afwijkingsaanvragen voor nieuwe instellingen en kunstacademies die starten vanaf 1 september 2014 moeten ingediend worden uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar. 30 november 2013 wordt daardoor de uiterst e datum waarop u aanvragen kan indienen voor het schooljaar 2014-2015.

3.2.2. Overige aanvragen

Aanvragen voor studierichtingen, filialen, graden, opties en instrumenten moeten schoolbesturen vóór 1 maart van het voorafgaande schooljaar bezorgen.

3.2.3. Voorbeelden

Voo rbeeld 1

Om een afwijking van de programmatiestop aan te vragen voor de oprichting van een nieuwe kunstacademie in het schooljaar 2014-2015 dient het schoolbestuur een dossier in uiterlijk op 30 november 2013. Dit geldt ook als het gaat om de oprichting v an een kunstacademie via programmatie van een nieuwe studierichting beeldende kunst in een academie voor podiumkunsten.

Voorbeeld 2

Om een afwijking van de programmatiestop aan te vragen voor de oprichting van een nieuwe kunstacademie in het schooljaar 2 013-2014 dient het schoolbestuur een dossier in uiterlijk op 28 februari 2013. Dit geldt ook als het gaat om de oprichting van een kunstacademie via programmatie van een nieuwe studierichting beeldende kunst in een academie voor podiumkunsten.

Voorbeeld 3

Om een afwijking van de programmatiestop aan te vragen voor de programmatie van een studierichting dans in het schooljaar 2014-2015, dient het schoolbestuur een dossier in uiterlijk op 28 februari 2014.

Voorbeeld 4

Om een afwijking van de programmaties top aan te vragen voor de programmatie van een studierichting dans in het schooljaar 2013-2014, dient het schoolbestuur een dossier in uiterlijk op 28 februari 2013.

3.3. Welke elementen bevat een goede afwijkingsaanvraag?

3.3.1. Motivering

Het is evident dat de aanvrager toelicht welke zijn motieven zijn om de oprichting aan te vragen; de regelgeving vraagt dit overigens expliciet. Dossiers die niet voldoende gemotiveerd zijn, maken weinig of geen kans op goedkeuring.

De aanvrager kan zijn argumentatie linken aan de criteria uit de rubriek Beoordelingsprocedure.

3.3.2. Protocol van onderhandeling in lokaal comité

Ook dit protocol van onderhandeling in het lokaal comité wordt expliciet door de regelgever gevraagd. Aanvragen zonder protocol zijn dan ook niet ontvankelijk. Het verkrijgen van een protocol is qua timing niet altijd evident. Als u het protocol niet kan bezorgen tegen de uiterste indieningsdatum (zie 3.2. Aanvraagtermijn) neemt u een week voor die datum contact op met de administratie om af te spreken wanneer u het protocol wel kan bezorgen.

3.3.3. Verklaring van betrokken partijen

Deze verklaring bevat een nauwkeurige omschrijving van de aangevraagde programmatie. Welke partijen betrokken zijn, hangt af van de soort programmatie. In heel wat gevallen is dit in eerste instantie het schoolbestuur, wat in het DKO voor de stedelijke en gemeentelijke academies het College van Burgemeester en Schepenen is, voor academies van het Gemeenschapsonderwijs de scholengroep en voor het vrij onderwijs meestal een v.z.w.

Voor de programmatie van een filiaal wordt in de aanvraag van het schoolbestuur ook een zicht gegeven op afspraken die het schoolbestuur maakte met andere partners, bvb. de gemeente of de scholengroep binnen wier grenzen het filiaal wordt gehuisvest of eventuele andere partijen die eigenaar zijn van de beoogde infrastructuur.

3.3.4. Adres van oprichting en beschrijving vestigingsplaats

De aanvrager vermeldt uiteraard het adres waar het nieuwe aanbod wordt opgericht. Het is echter ook van belang dat de locatie (of het nu om een nieuwe dan wel een bestaande vestigingsplaats gaat) geschikt is om het nieuwe aanbod in onder te brengen. De onderwijsinspectie komt langs om de infrastructuur te bekijken, maar het schoolbestuur geeft in zijn aanvraag best een goede beschrijving van de algemene en specifieke infrastructuur.

3.3.5. Aanwezigheid gelijkaardige kunstzinnige vorming

Het dossier geeft een beknopt overzicht van andere kunstzinnige vormingsinitiatieven dan het DKO (bvb. vormingsinitiatieven van amateurkunstverenigingen, cultuureducatieve organisaties, jeugdcultuurorganisaties, sociaal-artistieke projecten, sociaal-cultureel volwassenwerk) in de gemeente en beschrijft in hoeverre dit aanbod verschilt van het aangevraagde.

3.3.6. Omschrijving van het rekruteringsveld

Met rekruteringsveld werd in programmatieregelgeving totnogtoe bedoeld “de gemeenten waaruit leerlingen gerekruteerd zullen worden en het verwachte aantal leerlingen per gemeente”. Het te verwachten leerlingenaantal is afhankelijk van lokale factoren zoals het educatieve en culturele aanbod in de regio, de socio-economische, demografische, culturele en andere kenmerken van de inwoners, etc. Precies omwille van die lokale verschillen is een zicht krijgen op het rekruteringsveld via de lokale betrokkenen - in combinatie met de cijfers van het Ministerie van Onderwijs en Vorming – belangrijk.

3.3.7. Bijlagen

In het verleden bevatten programmatieaanvraagdossiers vaak heel wat lijvige bijlagen die buiten bovengenoemde rubrieken vallen of die uitvoerige illustraties (bvb. fotoboeken) zijn van elementen die in de aanvraag aan bod komen.

Deze zijn vaak overbodig en zorgen voor onnodige werklast en vertraging bij het behandelen van de dossiers (kopiëren, doorsturen, lezen, etc.). Gelieve dus enkel (beperkte) bijlagen toe te voegen wanneer u deze echt noodzakelijk vindt.

3.3.8. Beoordelingsprocedure

Ontvankelijke aanvraagdossiers doorlopen een vastgelegde administratieve procedure. De Vlaamse Regering beslist over de goedkeuring van de aanvragen na advies van de Vlaamse Onderwijsraad en gezamenlijk advies van het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) en de Inspectie bevoegd voor het deeltijds kunstonderwijs. Aangezien bepaalde programmaties een budgettaire gevolgen hebben voor de Vlaamse Overheid, is soms ook een akkoord van de Vlaamse minister van Begroting nodig. De Vlaamse Regering houdt bij haar beoordeling rekening met de budgettaire situatie en waakt erover dat de toegestane programmaties niet tegenstrijdig zijn met de principes van de geplande hervorming van het deeltijds kunstonderwijs.

De regelgever legt geen specifieke beoordelingscriteria vast, maar de voorbije jaren hebben AgODi en de Onderwijsinspectie bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van een aanvraag rekening gehouden met de volgende factoren:

  • studiecontinuering: de afwijking zorgt ervoor dat jongeren die hun opleiding in een bepaalde academie aangevat hebben, deze opleiding zonder onderbreking kunnen afmaken in dezelfde academie;
  • gelijke kansen: de afwijking biedt aan een academie de mogelijkheid om een relatief groot aantal jongeren uit de kansengroepen te bereiken.