Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekrachtiging van het kader voor de opleidingsaccreditatie tweede ronde

  • goedkeuringsdatum
    08 februari 2013
  • publicatiedatum
    B.S.27/05/2013
  • datum laatste wijziging
    27/05/2013

De Vlaamse Regering,

Gelet op het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend in Den Haag op 3 september 2003 en goedgekeurd bij het decreet van 2 april 2004, artikel 10, derde lid;

Gelet op het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, artikel 58; gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2012;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 januari 2013;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Het kader voor de opleidingsaccreditatie tweede ronde, aangenomen door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie op 12 november 2012 en aangepast tijdens het besluitvormingsproces, en opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt bekrachtigd.

Art. 2.

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2012.

Art. 3.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Accreditatiestelsel hoger onderwijs Vlaanderen

Kader voor de opleidingsaccreditatie 2e ronde

Inhoud

1. Opbouw van het stelsel

2. Kader voor de opleidingsaccreditatie 2e ronde

2.1. Opzet

2.2. Generieke kwaliteitswaarborgen

2.2.1. Generieke kwaliteitswaarborg 1 : beoogd eindniveau

2.2.2. Generieke kwaliteitswaarborg 2 : onderwijsproces

2.2.3. Generieke kwaliteitswaarborg 3 : gerealiseerd eindniveau

2.2.4. Generieke kwaliteitswaarborg 4 : opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg

2.2.5. Eindoordeel

2.2.6. Toelichting bij de oordelen

1) De oordelen voor de generieke kwaliteitswaarborgen

2) De oordelen voor het eindoordeel

2.3. Samenstelling visitatiecommissie

2.4. Beoordelingsproces

2.4.1. Zelfevaluatierapport

2.4.2. Locatiebezoek

2.4.3. Visitatierapport

2.5. NVAO-besluitvorming

2.5.1. De opleiding wordt geaccrediteerd

2.5.2. Het visitatierapport laat niet toe een accreditatiebesluit te nemen

2.5.3. De opleiding wordt geaccrediteerd met beperkte geldigheidsduur

2.5.4. De opleiding wordt niet geaccrediteerd

2.6. Documentatie bij de accreditatieaanvraag

2.6.1. Basisgegevens over de opleiding

2.6.2. Verifieerbare feiten

3. Bijzonder kwaliteitskenmerk

3.1. Achtergrond

3.2. Criteria voor een bijzonder kwaliteitskenmerk

3.2.1. Criterium 1 : Differentiatie en profilering

3.2.2. Criterium 2 : Kwaliteit

3.2.3. Criterium 3 : Concretisering

4. Bezwaar en beroep

5. Accreditatie van opleidingen op grond van een buitenlandse accreditatie

1. Opbouw van het stelsel

Het accreditatiestelsel hoger onderwijs Vlaanderen in de tweede ronde bestaat uit de instellingsreview en de opleidingsbeoordeling. De volgende uitgangspunten hebben tot dit stelsel geleid :

- Het stelsel gaat uit van de visie, het strategisch beleid, de processen en de acties van de instellingen inzake de kwaliteit van hun onderwijs; - Het stelsel stimuleert de ontwikkeling van een kwaliteitscultuur;

- Het "eigenaarschap" van kwaliteitszorg ligt bij de instellingen en de opleidingen;

- Bij de opleidingsbeoordeling staan de inhoud en de resultaten centraal;

- Het stelsel is internationaal gelegitimeerd (ESG (1));

- De visitatie- en accreditatielast wordt aanzienlijk verminderd;

- Beter toegankelijke en vergelijkbare informatie over de kwaliteit van de opleidingen komt beschikbaar.

Ook in de tweede ronde van het stelsel blijft accreditatie plaats vinden op het niveau van de opleiding. De kwaliteit van de individuele opleidingen staat daarmee onverminderd centraal in het accreditatiestelsel. De instellingsreview richt zich op de kwaliteit van het onderwijs en met name op de beleidsprocessen die een instelling inzet om deze kwaliteit te garanderen. De instellingsreview betrekt daarbij ook visie, beleid en beleidsprocessen en acties inzake onderzoek en maatschappelijke dienstverlening voor zover zij de kwaliteit van het onderwijs ondersteunen.

Het accreditatiestelsel kent drie kaders :

1. een beoordelingskader op instellingsniveau, de zogenoemde instellingsreview;

2. een accreditatiekader op opleidingsniveau, als basis voor de opleidingsaccreditatie;

3. een toetsingskader op opleidingsniveau voor het aanvragen van een nieuwe opleiding, de zogenoemde toets nieuwe opleiding.

Hoofdstuk 2 behandelt het kader voor de opleidingsaccreditatie : de opzet, het kader zelf, de samenstelling van de visitatiecommissie, het beoordelingsproces, de NVAO-besluitvorming en de documentatie bij de accreditatieaanvraag. Hoofdstuk 3 gaat in op de achtergrond en de criteria voor toekenning van een bijzonder kwaliteitskenmerk. Hoofdstuk 4 vermeldt de mogelijkheden voor bezwaar en beroep en Hoofdstuk 5 de accreditatie van een opleiding op grond van een buitenlandse evaluatie of accreditatie.

Bovenstaande uitgangspunten zullen leidend zijn in de eerste decretale tussenevaluatie van het stelsel. Deze tussenevaluatie focust op de consistentie in het beoordelingsproces en bekijkt in dit licht de explicitering van de voorwaarden om tot een score te komen, de samenstelling en werking van de visitatiecommissies en de secretarissen, de kwaliteit van de visitatierapporten en de gehanteerde beslisregels.

Verantwoording

Bij het opstellen van de kaders zijn de Europese richtlijnen voor de kwaliteitszorg richtinggevend geweest. Deze zijn opgenomen in de "Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area" ("European Standards and Guidelines"; ESG) van het Europese netwerk voor kwaliteitszorgagentschappen, de European Association for Quality Assurance (ENQA) en de European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR). Dit document is in 2005 door de onderwijsministers in Bergen aangenomen.

2. Kader voor de opleidingsaccreditatie 2e ronde

2.1. Opzet

Een bestaande opleiding wordt geaccrediteerd als zij voldoet aan de generieke kwaliteitswaarborgen. De beoordeling van deze generieke kwaliteitswaarborgen sluit aan bij drie vragen :

1. Wat beoogt de opleiding ?

2. Hoe realiseert de opleiding dat ?

3. In welke mate worden de doelstellingen bereikt ?

Het kader maakt een onderscheid tussen opleidingen van "ambtshalve geregistreerde instellingen" en opleidingen van "geregistreerde instellingen". De geregistreerde instellingen zijn niet onderworpen aan een instellingsreview. Daarom wordt voor de beoordeling van de opleidingen die zij aanbieden nog een vierde vraag gesteld over de opzet en de organisatie van de interne kwaliteitszorg.

De beoordeling gebeurt door een visitatiecommissie, op basis van een discussie met "peers" en andere deskundigen over de inhoud en de kwaliteit van de opleiding. Het oordeel over elke generieke kwaliteitswaarborg past in een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende". Het wordt expliciet gemotiveerd aan de hand van onderliggende criteria. Deze criteria zijn in de toelichting van de generieke kwaliteitswaarborgen in het vet gedrukt.

Ten slotte formuleert de visitatiecommissie een algemene conclusie waarin zij een gemotiveerd eindoordeel geeft over de kwaliteit van de opleiding als geheel, eveneens op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed" of "excellent" of "onvoldoende".

De verplichte bijlagen, waarin de nodige verifieerbare feiten opgenomen zijn, worden opgelijst en nader toegelicht in een technische bijlage, samen met de documentatie die bij de accreditatieaanvraag moet worden gevoegd. Deze technische bijlage wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

2.2. Generieke kwaliteitswaarborgen

2.2.1. Generieke kwaliteitswaarborg 1 : beoogd eindniveau

Het beoogd eindniveau wordt bepaald aan de hand van de wijze waarop de domeinspecifieke leerresultaten vertaald zijn in opleidingsspecifieke leerresultaten.

Criteria :

De beoogde opleidingsspecifieke leerresultaten passen voor niveau en oriëntatie (bachelor of master; professioneel of academisch gericht) binnen het Vlaamse kwalificatieraamwerk en, indien beschikbaar, het gevalideerde domeinspecifieke leerresultatenkader. Ze sluiten aan bij de actuele eisen die in internationaal perspectief vanuit het beroepenveld en het vakgebied worden gesteld aan de inhoud van de opleiding.

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende"aan de hand van de hiervoor vermelde criteria en onderbouwd door de bij het visitatierapport gevoegde verifieerbare feiten.

2.2.2. Generieke kwaliteitswaarborg 2 : onderwijsproces

Het onderwijsproces maakt het voor de studenten mogelijk de beoogde leerresultaten te realiseren.

Criteria :

De inhoud en de vormgeving van het programma, met inbegrip van de opleidingsspecifieke onderwijs- en leervormen, stellen de toegelaten studenten in staat de beoogde leerresultaten te bereiken. De kwaliteit en kwantiteit van het personeel en de kwaliteit van de opleidingsspecifieke voorzieningen zijn daarbij essentieel.Programma, personeel en voorzieningen vormen een voor studenten samenhangende onderwijsleeromgeving. Het doorstroomrendement van de instromende studenten is daarbij een indicator. De verbeteracties uit de kwaliteitszorg op opleidingsniveau worden daarbij meegenomen, inclusief de opvolging van de vorige visitatie.

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende"aan de hand van de hiervoor vermelde criteria en onderbouwd door de bij het visitatierapport gevoegde verifieerbare feiten.

2.2.3. Generieke kwaliteitswaarborg 3 : gerealiseerd eindniveau

De opleiding beschikt over een adequaat systeem van beoordeling, toetsing en examinering en toont aan dat de beoogde leerresultaten worden gerealiseerd.

Criteria :

Het gerealiseerd niveau blijkt uit de validiteit, betrouwbaarheid en transparantie van de beoordeling, de toetsing en de examinering van de studenten, de mate van inzetbaarheid van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt of de doorstroom naar een vervolgopleiding en uit het diplomarendement per instromende cohorte.

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal :"voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende"aan de hand van de hiervoor vermelde criteria en onderbouwd door de bij het visitatierapport gevoegde verifieerbare feiten.

2.2.4. Generieke kwaliteitswaarborg 4 : opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg

De opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg is gericht op een systematische verbetering van de opleiding waar de relevante stakeholders bij betrokken worden.

Criteria :

De opleiding wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen tot de realisatie van de streefdoelen. Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemend (beroepen)veld van de opleiding actief betrokken.

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende"aan de hand van de hiervoor vermelde criteria en onderbouwd door de bij het visitatierapport gevoegde verifieerbare feiten.

De vierde generieke kwaliteitswaarborg is enkel van toepassing op opleidingen uit geregistreerde instellingen. Deze zijn niet onderworpen aan een instellingsreview.

De verbeteracties uit de kwaliteitszorg worden voor deze opleidingen niet onder de tweede generieke kwaliteitswaarborg besproken, maar bij de vierde generieke kwaliteitswaarborg.

2.2.5. Eindoordeel

De kwaliteit van de opleiding is "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende".

2.2.6. Toelichting bij de oordelen

1) De oordelen voor de generieke kwaliteitswaarborgen

Een oordeel "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende" voor een generieke kwaliteitswaarborg sluit aan bij de hierna volgende voorwaarden. Het begrip basiskwaliteit speelt daarbij een essentiële rol.

Basiskwaliteit betekent dat de generieke kwaliteitswaarborg aanwezig is en de opleiding - of een opleidingsvariant - voldoet aan de kwaliteit die in internationaal perspectief redelijkerwijs mag worden verwacht van een bachelor- of masteropleiding in het hoger onderwijs.

Voldoende

De opleiding voldoet aan de basiskwaliteit want zij vertoont een acceptabel niveau voor de generieke kwaliteitswaarborg.

Goed

De opleiding overstijgt systematisch de basiskwaliteit voor de generieke kwaliteitswaarborg.

Excellent

De opleiding steekt ver uit boven de basiskwaliteit voor de generieke kwaliteitswaarborg en geldt hierbij als een (inter)nationaal voorbeeld.

Onvoldoende

De generieke kwaliteitswaarborg is onvoldoende aanwezig.

2) De oordelen voor het eindoordeel

Een oordeel "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende" voor het eindoordeel sluit aan bij de hierna volgende voorwaarden.

Voldoende

Het eindoordeel over een opleiding is "voldoende" indien de opleiding aan alle generieke kwaliteitswaarborgen voldoet.

Goed

Het eindoordeel over een opleiding is "goed" indien daarenboven tenminste twee generieke kwaliteitswaarborgen als "goed" worden beoordeeld, waaronder in elk geval de derde : gerealiseerd eindniveau.

Excellent

Het eindoordeel over een opleiding is "excellent" indien daarenboven ten minste twee generieke kwaliteitswaarborgen als "excellent" worden beoordeeld, waaronder in elk geval de derde : gerealiseerd eindniveau.

Onvoldoende

Het eindoordeel over een opleiding - of een opleidingsvariant - is "onvoldoende" indien alle generieke kwaliteitswaarborgen als "onvoldoende" worden beoordeeld.

Het eindoordeel over een opleiding - of een opleidingsvariant - is "onvoldoende" indien na een beperkte nieuwe visitatie één of meerdere generieke kwaliteitswaarborgen nog steeds als "onvoldoende" is/zijn beoordeeld.

Voldoende met beperkte geldigheidsduur

Het eindoordeel over een opleiding - of een opleidingsvariant - is "voldoende met beperkte geldigheidsduur", d.w.z. beperkter dan de accreditatietermijn, indien bij een eerste visitatie één of twee generieke kwaliteitswaarborgen als "onvoldoende" worden beoordeeld.

Deze oordelen gelden ook voor het eindoordeel van opleidingen van geregistreerde instellingen. Het oordeel op de vierde generieke kwaliteitswaarborg wordt niet betrokken bij de voorwaarden maar dient minimaal "voldoende" te zijn.

2.3. Samenstellingvisitatiecommissie

Het evaluatieorgaan stelt de visitatiecommissie samen en draagt de eindverantwoordelijkheid voor de samenstelling.

Het is van belang dat de visitatiecommissie op een dusdanige manier wordt samengesteld dat een zinvolle discussie tussen "peers" en andere deskundigen met de opleiding ontstaat. De visitatiecommissie moet dan ook gezaghebbend, onafhankelijk en deskundig zijn. Een voorstel voor samenstelling van de visitatiecommissie wordt voor advies voorgelegd aan de NVAO vooraleer het evaluatieorgaan definitief beslist over de visitatiecommissie.

De visitatiecommissie voldoet aan de volgende eisen :

1. de visitatiecommissie bestaat uit vier leden, waaronder een student;

2. de visitatiecommissie beschikt in haar geheel over de volgende deskundigheden :

a. Vakdeskundigheid richt zich op de ontwikkelingen in het vakgebied. Een vakdeskundige verzorgt of heeft zelf onderwijs verzorgd in een zelfde of verwante opleiding met dezelfde oriëntatie en draagt bij aan de ontwikkeling van de beroepspraktijk, de discipline of het vakgebied;

b. Internationale deskundigheid is in de visitatiecommissie vertegenwoordigd als de visitatiecommissie in staat is om een inhoudelijke vergelijking te maken met verwante buitenlandse opleidingen van dezelfde oriëntatie en niveau en, voor zover van toepassing, als de visitatiecommissie inzicht heeft in de eisen die de internationale beroepspraktijk stelt aan de afgestudeerden. Deze laatste vorm van internationale deskundigheid is belangrijk voor opleidingen met een civiel effect en is verplicht aanwezig bij opleidingen die voorbereiden op een internationaal werkveld;

c. Werkvelddeskundigheid is onmisbaar bij opleidingen met een professionele oriëntatie. De werkvelddeskundige beschikt over een goed overzicht van de eisen die het beroepenveld stelt aan de afgestudeerden, bijvoorbeeld door betrokkenheid bij koepelorganisaties of een leidinggevende positie bij een grote of kenmerkende werkgever;

d. Onderwijsdeskundigheid refereert aan recente ervaring met geven of ontwikkelen van onderwijs op het relevante opleidingsniveau en aan deskundigheid ten aanzien van de door de opleiding gehanteerde onderwijsvorm(en);

e. Van studentgebonden deskundigheid is sprake tot één jaar na het afstuderen (bachelor of master) op het moment waarop de visitatiecommissie wordt voorgedragen aan het Bestuurscomité Kwaliteitszorg van VLUHR.

f. Visitatie- of auditdeskundigheid is bij voorkeur gerelateerd aan het hoger onderwijs.

In de visitatiecommissie moet een combinatie van deze deskundigen vertegenwoordigd zijn.

3. de visitatiecommissie is onafhankelijk : de leden hebben ten minste vijf jaren geen banden gehad met de instelling die de opleiding aanbiedt.

De visitatiecommissie wordt bijgestaan door een secretaris die wordt getraind door het evaluatieorgaan. Het evaluatieorgaan en de NVAO maken afspraken hierover. De secretaris is geen lid van de visitatiecommissie.

Van de commissieleden wordt verwacht dat zij op een onafhankelijke wijze tot een oordeel komen en de gedragscode onderschrijven. Commissieleden ondertekenen een onafhankelijkheids- en geheimhoudingsverklaring voorafgaand aan het beoordelingsproces. Hierin is opgenomen dat zij kennis hebben genomen van de gedragscode.

2.4. Beoordelingsproces

De eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van het beoordelingsproces ligt bij een evaluatieorgaan. Het evaluatieorgaan is EQAR geregistreerd of erkend door de NVAO. De NVAO stelt een reglement op voor de niet-EQAR geregistreerde evaluatieorganen. Elk evaluatieorgaan legt na overleg met de NVAO tevens een visitatieprotocol vast waarin, naast standaarden en criteria, uitvoeringsmodaliteiten en -processen voor het visitatieproces zijn beschreven. Het protocol wordt openbaar gemaakt en bevat minstens onderstaande procedures en beschrijvingen :

2.4.1. Zelfevaluatierapport

De opleiding presenteert ten behoeve van de beoordeling door de visitatiecommissie een zelfevaluatierapport. Het kader voor de opleidingsaccreditatie biedt ruimte voor de opleiding om haar eigenheid te benadrukken. In het zelfevaluatierapport kan de opleiding deze ruimte benutten. Het zelfevaluatierapport nodigt alle betrokkenen en "peers" uit om een gesprek aan te gaan over visie, beleid, inhoud, organisatie en resultaten van de opleiding. Het moet dan ook een document zijn waarin docenten en studenten de opleiding herkennen.

Het zelfevaluatierapport is een op zichzelf staand document dat zelfstandig kan worden gelezen. Het volgt het kader voor de opleidingsaccreditatie (generieke kwaliteitswaarborgen en criteria, oordelen en algemene conclusie). Het vermeldt verder ook de verbeteracties uit de kwaliteitszorg op opleidingsniveau, inclusief de opvolging van aanbevelingen en verbeterpunten uit de vorige visitatie.

In het zelfevaluatierapport en bij de visitatie wordt overlap met de instellingsreview vermeden. Voorop staat "fitness for purpose" : indien het nodig is te refereren aan instellings- of facultair beleid, gaat het louter om beleid voor de betrokken opleiding en de resultaten op opleidingsniveau. Randvoorwaardelijke zaken, zoals de opzet van de kwaliteitszorg of het personeelsbeleid van de instelling behoren hier niet toe.Zij zijn onderwerp van de instellingsreview.

De omvang van het zelfevaluatierapport bedraagt maximaal 25 pagina's met een maximum van 10000 woorden, inclusief de inleiding en exclusief de verplichte bijlagen.

2.4.2. Locatiebezoek

Het verplichte locatiebezoek ten behoeve van de opleidingsbeoordeling duurt maximaal één etmaal, slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. Dit bezoek wordt voorafgegaan door een voorbereidend overleg.. Indien vergelijkbare opleidingen van een instelling samen worden beoordeeld, kan het locatiebezoek per opleiding van kortere duur zijn.

Tijdens het locatiebezoek spreekt de visitatiecommissie met alle direct betrokkenen bij de opleiding en dus ook met studenten. Op die manier moet de visitatiecommissie zicht krijgen op de kwaliteit van de opleiding. Het gerealiseerde niveau wordt door de visitatiecommissie onder andere beoordeeld door het bestuderen van een representatief aantal afstudeerstukken, met een minimum van tien per opleiding, verspreid over de vestigingen en afstudeerrichtingen.

Aan het einde van het locatiebezoek koppelt de voorzitter van de visitatiecommissie het algemene oordeel en de onderliggende overwegingen op beknopte wijze terug aan de opleiding, zonder vermelding van scores.

2.4.3. Visitatierapport

De secretaris van de visitatiecommissie stelt een visitatierapport op van maximaal 20 pagina's, met een maximum van 8 000 woorden.

Per generieke kwaliteitswaarborg zijn opgenomen : de feitelijk onderbouwde bevindingen van de visitatiecommissie, haar overwegingen, het oordeel en de verbetersuggesties. In het visitatierapport zijn voor iedere generieke kwaliteitswaarborg waar mogelijk aansprekende en representatieve voorbeelden opgenomen.

Het visitatierapport bevat een oordeel over alle in het accreditatiekader opgenomen generieke kwaliteitswaarborgen. Dat oordeel wordt gemotiveerd door een weging van de positieve en kritische elementen uit de bevindingen en vaststellingen van de visitatiecommissie. Daarbij komen expliciet alle onderliggende criteria aan bod. Het oordeel luidt : "voldoende", "goed","excellent" of "onvoldoende". Verder bevat het visitatierapport een algemene conclusie met een gewogen en gemotiveerd eindoordeel over de kwaliteit van de opleiding. Het eindoordeel wordt eveneens gegeven op een vierpuntsschaal.

Het visitatierapport bevat ten slotte een samenvattend oordeel over de kwaliteit van de opleiding van maximaal twee pagina's, leesbaar voor een breed publiek.

Verder zijn opgenomen : een scoretabel met de oordelen, informatie over het locatiebezoek, de basisgegevens over de opleiding, een aantal verplichte bijlagen, een overzicht van het bestudeerde materiaal en de onafhankelijkheidsverklaringen van de commissieleden. (Zie ook de technische bijlage).

Nadat alle commissieleden hebben ingestemd met de inhoud van het visitatierapport stelt de voorzitter van de visitatiecommissie het rapport vast. Dit rapport wordt bezorgd aan de instelling. Deze krijgt de gelegenheid om te reageren op de inhoud en eventuele feitelijke onjuistheden. Indien de visitatiecommissie bepaalde opmerkingen van de instelling niet volgt, motiveert zij dit in een schrijven aan de instelling. Indien de instelling niet akkoord gaat met de wijze waarop de visitatiecommissie is omgegaan met haar reactie, kan zij intern beroep aantekenen bij het evaluatieorgaan. Daarvan wordt melding gemaakt in het visitatierapport. Het visitatierapport wordt daarna definitief vastgesteld en gepubliceerd. De publicatiedatum geldt als referentiedatum voor de aansluitende aanvraag tot accreditatie.

2.5. NVAO-besluitvorming

Het instellingsbestuur vraagt op basis van het visitatierapport accreditatie aan bij de NVAO.

De NVAO gaat na of het door de instelling ingediende visitatierapport regelmatig, kwalitatief en volledig is zodat zonder gerede twijfel en voldoende gemotiveerd tot een accreditatiebesluit gekomen kan worden. Zij kan het evaluatieorgaan of desgevallend het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. De NVAO vermeldt dit in het accreditatierapport.

Algemeen geldt dat de NVAO voor het verstrijken van de beslissingstermijn een ontwerp van de beslissing met de bijhorende omstandige motivering bezorgt aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van vijftien kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. De NVAO bepaalt in het "Reglement Bestuursbeginselen" de procedurele regels die gelden voor de behandeling van bezwaren en opmerkingen (zie ook 2.5.4 en 4).

De NVAO neemt een accreditatiebesluit binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de accreditatieaanvraag. Als de NVAO binnen de beslissingstermijn van drie maanden geen accreditatiebesluit neemt, wordt de geldigheidsduur van de lopende accreditatie verlengd tot het einde van het academiejaar waarin het accreditatiebesluit uiteindelijk wordt genomen.

Na de definitieve vaststelling zendt de NVAO het accreditatierapport en -besluit onverwijld naar het instellingsbestuur en de bevoegde minister en publiceert zij deze op haar website.

Hierna volgt een overzicht van de verschillende besluiten die de NVAO kan nemen.

2.5.1. De opleiding wordt geaccrediteerd

De accreditatie wordt verleend indien de NVAO op basis van het visitatierapport in redelijkheid meent te kunnen besluiten dat de kwaliteit van de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader.

Zowel in het visitatierapport als in het accreditatierapport wordt melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van het visitatiebezoek bestonden. Wanneer sprake is van meerdere opleidingsvarianten, dan is voor een positief accreditatiebesluit vereist dat uit de beoordeling blijkt dat elke variant voldoet.

2.5.2. Het visitatierapport laat niet toe een accreditatiebesluit te nemen

Indien de NVAO op grond van het visitatierapport en aanvullende informatie niet in staat is om een voldoende gemotiveerde uitspraak te doen over de accreditatie van de opleiding - of een opleidingsvariant -, dan wordt het visitatierapport afgekeurd. De termijn van de lopende accreditatie wordt met ten hoogste één jaar verlengd. De NVAO bezorgt voor het verstrijken van de beslissingstermijn van drie maanden een ontwerp van haar omstandig gemotiveerde beslissing aan het evaluatieorgaan en het instellingsbestuur.

Het evaluatieorgaan en het instellingsbestuur hebben de mogelijkheid om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van vijftien kalenderdagen, vanaf de dag na ontvangst van het ontwerp. Binnen de door de NVAO bepaalde termijn waarmee de lopende accreditatie wordt verlengd, belast de NVAO het evaluatieorgaan met de uitvoering van een bijkomende externe beoordeling volgens de richtlijnen en criteria bepaald door de accreditatieorganisatie. Het instellingsbestuur kan een ander evaluatieorgaan vragen de aanvullende externe beoordeling uit te voeren. De NVAO neemt vervolgens binnen een termijn van twee maanden een besluit over de ingediende aanvraag op voorwaarde dat het instellingsbestuur de aanvraag indient drie maanden voor het verstrijken van de verlengde accreditatietermijn. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie.

2.5.3. De opleiding wordt geaccrediteerd met beperkte geldigheidsduur

Als de NVAO op grond van het visitatierapport tot het besluit komt dat de opleiding of een opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, dan wordt de geldigheidsduur van de accreditatie beperkt tot ten hoogste drie jaar.

De instelling voegt bij haar accreditatieaanvraag op basis van een visitatierapport met één of twee onvoldoendes een herstelplan en een termijn waarbinnen zij dit zal realiseren. De NVAO kan advies inwinnen van de visitatiecommissie vooraleer zij de beslissing neemt over de duur van de accreditatietermijn.Binnen die termijn moet het instellingsbestuur een nieuwe, externe beoordeling laten uitvoeren over de generieke kwaliteitswaarborgen waarvoor de opleiding of de opleidingsvariant niet als voldoende werd beoordeeld. Op basis van deze nieuwe beoordeling neemt de NVAO een nieuw accreditatiebesluit.

Als de geldigheidsduur van een accreditatie wordt beperkt omdat de kwaliteit van een opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen zoals bepaald in het accreditatiekader, heeft het instellingsbestuur de keuze tussen a) een nieuwe beperkte visitatie van de opleidingsvariant en accreditatie voor een bepaalde periode of b) de opleidingsvariant stopzetten en vanaf het eerst volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Als het instellingsbestuur beslist de opleidingvariant stop te zetten na de eerste evaluatie, kan het die opleidingsvariant binnen zes jaar niet heropstarten.

Als de NVAO op basis van het visitatierapport na een beperkte bijkomende visitatie tot het besluit komt dat de opleiding niet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader voldoet, dan vervalt de accreditatie. De NVAO neemt dan een negatief accreditatiebesluit. (Verder zie 2.5.4).

Als de NVAO op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat een opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, dan moet de instelling deze opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven voor die opleidingsvariant. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen zes jaar niet heropstarten.

2.5.4. De opleiding wordt niet geaccrediteerd

De NVAO neemt een negatief accreditatiebesluit als zij op grond van het visitatierapport en eventuele bijkomende informatie, toelichting en verduidelijking bij een eerste beoordeling tot het besluit is gekomen dat de opleiding(svarianten) aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet(n). De NVAO neemt ook een negatief accreditatiebesluit als de opleiding na een bijkomende beperkte beoordeling niet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen voldoet. Het instellingsbestuur kan de opleiding of een opleidingsvariant binnen zes jaar niet heropstarten.

Voor het verstrijken van de beslissingstermijn bezorgt de NVAO een ontwerp van de beslissing met de bijhorende omstandige motivering aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van vijftien kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. De NVAO bepaalt in het "Reglement Bestuursbeginselen" de procedurele regels die gelden voor de behandeling van bezwaren en opmerkingen.

2.6. Documentatie bij de accreditatieaanvraag

De accreditatieaanvraag bevat de volgende informatie :

2.6.1. Basisgegevens over de opleiding

De basisgegevens worden opgenomen in het zelfevaluatierapport, het visitatierapport en het besluit van de NVAO.

Administratieve gegevens van de opleiding

1. de naam;

2. de eventuele afstudeerrichtingen;

3. de onderwijstaal;

4. de eventuele vermelding van een opleidingstraject voor werkstudenten;

5. de graad en de kwalificatie van de graad, aangevuld met de specificatie van de graad;

6. de titel die door de houder van het diploma kan worden gevoerd;

7. de bevoegde instelling die de opleiding verzorgt, de vestiging(en) waar de opleiding wordt aangeboden en respectievelijk de associatie waarvan de instelling lid is;

8. de studieomvang uitgedrukt in studiepunten;

9. de domeinspecifieke leerresultaten;

10. het tijdstip waarop de accreditatie, de tijdelijke erkenning of de erkenning als nieuwe opleiding vervalt;

11. het academiejaar of de academiejaren waarin de opleiding wordt aangeboden;

12. het studiegebied, een deel van een studiegebied of studiegebieden waarbinnen een opleiding wordt gerangschikt;

13. de ISCED benaming van het studiegebied waarin de opleiding gerangschikt wordt.

Administratieve gegevens van de instelling

1. naam en adres;

2. status (ambtshalve geregistreerd of geregistreerd).

2.6.2. Verifieerbare feiten

Het visitatierapport biedt zeker volgende verifieerbare feiten ofwel in het rapport zelf, ofwel in verplichte bijlagen.

1. Lijst met de opleidingsspecifieke leerresultaten in relatie tot de gevalideerde domeinspecifieke leerresultaten opgesteld volgens de handleiding van de VLUHR, indien beschikbaar, of, indien niet beschikbaar, de lijst met de opleidingsspecifieke leerresultaten in relatie tot de Vlaamse Kwalificatiestructuur;

2. Schematisch programmaoverzicht met vermelding van het aantal studiepunten;

3. Omvang van het ingezette personeel in VTE, ingedeeld naar categorie van aanstelling;

4. Instroomgegevens, doorstroomgegevens en totaal aantal studenten;

5. De studieduur tot het behalen van het diploma per instromende cohorte en de gemiddelde studieduur per afstuderende cohorte;

6. Overzicht van de belangrijkste activiteiten van de opleiding met betrekking tot internationalisering conform de visie van de opleiding, met minimaal de mobiliteit op basis van internationaal aanvaarde definities (max. 2 pag.)

Verdere verifieerbare feiten per criterium worden via het protocol verplicht toe te leveren bij het zelfevaluatierapport. Indien nodig komen technische verfijningen en omschrijvingen in een bijlage.

3. Bijzonder kwaliteitskenmerk

3.1. Achtergrond

Om een opleiding (of instelling) de gelegenheid te geven zich te profileren kan de opleiding (of instelling) de NVAO verzoeken om een oordeel te geven over haar bijzondere kwaliteitskenmerken. Dit kan leiden tot een aantekening in het accreditatie- of reviewrapport dat daadwerkelijk sprake is van een bijzonder kwaliteitskenmerk. Het oordeel over bijzondere kwaliteitskenmerken heeft geen invloed op de accreditatiebeslissing van de NVAO.

De uitgangspunten bij de beoordeling van een bijzonder kwaliteitskenmerk zijn :

- De samenstelling van de visitatiecommissie is adequaat met het oog op de beoordeling van het bijzonder kwaliteitskenmerk. Om dit te bewerkstellingen zal de opleiding voorafgaand aan de visitatie de beoordeling van een bijzonder kwaliteitskenmerk aanvragen;

- Een bijzonder kwaliteitskenmerk op instellingsniveau kan enkel na een thematische trail bij de instellingsreview;

- Een bijzonder kwaliteitskenmerk moet voldoen aan de onderstaande criteria.

3.2. Criteria voor een bijzonder kwaliteitskenmerk

3.2.1. Criterium 1 : Differentiatie en profilering

Het bijzonder kwaliteitskenmerk levert een betekenisvolle bijdrage aan de differentiatie en profilering in het hoger onderwijs.

Toelichting :

De opleiding (of instelling) toont aan dat het bijzonder kwaliteitskenmerk een onderscheidend, maar niet noodzakelijk uniek karakter heeft ten opzichte van andere relevante opleidingen (of instellingen) in het Vlaamse hoger onderwijs.

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende".

3.2.2. Criterium 2 : Kwaliteit

Het bijzonder kwaliteitskenmerk draagt bij tot de kwaliteit van de opleiding.

Toelichting :

Het bijzonder kwaliteitskenmerk is geen geïsoleerd kenmerk, maar draagt bij tot de volledige kwaliteit van de opleiding (of instelling). Dit betekent dat het bijzonder kwaliteitskenmerk moet terug te vinden zijn in de drie generieke kwaliteitswaarborgen en in elk oorzaak is van een verhoging van de beoordelingsscore.

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende".

3.2.3. Criterium 3 : Concretisering

De gevolgen van het bijzonder kwaliteitskenmerk voor de kwaliteit van het onderwijs zijn geoperationaliseerd.

Toelichting :

Het bijzonder kwaliteitskenmerk komt zichtbaar en/of meetbaar tot uiting in de verschillende elementen van het onderwijsproces en het gerealiseerd niveau van de opleiding (of de instelling).

Oordeel :

De visitatiecommissie geeft een gewogen en gemotiveerd oordeel op een vierpuntsschaal : "voldoende", "goed", "excellent" of "onvoldoende".

Algemene conclusie en beslisregel

De visitatiecommissie oordeelt gewogen en gemotiveerd of het bijzonder kwaliteitskenmerk wel of niet wordt toegekend.

Beslisregel : Een bijzonder kwaliteitskenmerk kan enkel worden toegekend bij ten minste eenmaal een oordeel "excellent" en geen enkel oordeel "onvoldoende" of "voldoende".

4. Bezwaar en beroep

De NVAO bezorgt voor het verstrijken van de beslissingstermijn een ontwerp van de beslissing met de bijhorende omstandige motivering aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van vijftien kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. De NVAO bepaalt in het "Reglement Bestuursbeginselen" de procedurele regels die gelden voor de behandeling van bezwaren en opmerkingen.

Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur bij de Vlaamse Regering een georganiseerd beroep instellen tegen dat negatief accreditatiebesluit. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de betekening van het negatief accreditatiebesluit aan de instelling.

Tegen alle accreditatiebesluiten is er beroep mogelijk bij de Raad van State.

5. Accreditatie van opleidingen op grond van een buitenlandse accreditatie

In dit hoofdstuk worden de bepalingen geoperationaliseerd van art. 60sexies van het structuurdecreet over het als equivalent erkennen van buitenlandse accreditaties en de bepalingen van het nieuwe Vlaamse accreditatiedecreet over het optreden van buitenlandse evaluatieorganen in Vlaanderen.

Volgens het nieuwe Vlaamse accreditatiedecreet kunnen instellingen in bepaalde gevallen beroep doen op buitenlandse evaluatieorganen die door EQAR geregistreerd zijn of door de accreditatieorganisatie erkend zijn.In alle gevallen omvat de aanvraag een visitatierapport dat een beoordeling omvat aan de hand van generieke kwaliteitswaarborgen en onderliggende criteria die bepaald zijn in het Vlaamse accreditatiekader. Bovendien dient elk evaluatieorgaan een visitatieprotocol vast te leggen na overleg met de accreditatieorganisatie, en dit protocol dient openbaar te worden gemaakt.

Anderzijds is het volgens het structuurdecreet ook mogelijk een buitenlandse accreditatie als equivalent te laten erkennen. De accreditatieorganisatie dient bij de beoordeling van accreditatieaanvragen gesteund op een reeds verleende buitenlandse accreditatie na te gaan of de buitenlandse accreditatie werd verleend volgens een vergelijkbare methodologische aanpak als de accreditaties gesteund op een externe beoordeling georganiseerd door het nationale evaluatieorgaan.

Hierbij gelden de volgende equivalentiecriteria :

Algemeen

De equivalentie van een concrete buitenlandse accreditatie wordt getoetst aan de hand van vijf onderstaande equivalentiecriteria :

- De buitenlandse accreditatie geeft een positieve beoordeling van de kwaliteit van de betrokken opleiding;

- De buitenlandse accreditatie is voldoende actueel;

- De buitenlandse accreditatie stoelt op een openbare externe beoordeling;

- De buitenlandse accreditatieorganisatie is EQAR-geregistreerd of staat vermeld in de lijst van aanvaarde accreditatieorganisaties volgens het door de NVAO opgesteld reglement;

- De buitenlandse accreditatieorganisatie heeft een methodologische aanpak vergelijkbaar met de Vlaamse.

In beginsel moet aan alle equivalentiecriteria zijn voldaan, vooraleer de NVAO de accreditatie kan verlenen.

Criterium 1.

De buitenlandse accreditatie geeft een positieve beoordeling van de kwaliteit van de betrokken opleiding.

Uit de buitenlandse accreditatie of uit het daaraan voorafgaand onderzoek moet blijken dat de kwaliteit van de betrokken opleiding positief werd beoordeeld. De buitenlandse accreditatie mag eventueel nog betrekking hebben op andere opleidingen, zolang maar zo'n positieve kwaliteitsbeoordeling ten aanzien van de individueel beschouwde opleiding voorhanden is.

Criterium 2.

De buitenlandse accreditatie is voldoende actueel.

De buitenlandse accreditatie moet voldoende actueel zijn om een redelijke beoordeling van de equivalentie te kunnen maken. Om die reden wordt geëist dat tussen de datum waarop de als equivalent te erkennen accreditatie is uitgebracht en de datum van de accreditatieaanvraag bij de NVAO op basis van een buitenlandse accreditatie niet meer dan 90 kalenderdagen verlopen zijn.

Criterium 3.

De buitenlandse accreditatie stoelt op een openbare externe beoordeling.

De buitenlandse accreditatie moet zijn verleend op grond van een externe beoordeling van de opleiding, van de groep van opleidingen waartoe de opleiding behoort, of van de instelling. De externe beoordeling is opgemaakt en neergelegd in een publiek rapport dat moet voldoen aan de ESG en het Vlaams accreditatiekader daaromtrent.

Criterium 4.

De buitenlandse accreditatieorganisatie is EQAR-geregistreerd of staat vermeld in de lijst van aanvaarde accreditatieorganisaties volgens het door de NVAO opgesteld reglement.

Los van de andere equivalentiecriteria kan enkel sprake zijn van equivalentie van een accreditatiebesluit indien daartoe besloten is door een EQAR-geregistreerd accreditatieorganisatie, en dus voldoet aan de ESG, of een accreditatieorganisatie die opgenomen is op de NVAO-lijst op basis van een reglement.

Criterium 5.

De buitenlandse accreditatieorganisatie heeft een methodologische aanpak vergelijkbaar met de Vlaamse.

Een vergelijkbare methodologische aanpak betekent in ieder geval dat de accreditatie zich baseert op een beoordeling op het gerealiseerd niveau van de opleiding.