Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de omkadering van jonge onderzoekers

  • goedkeuringsdatum
    28 juni 2013
  • publicatiedatum
    B.S.02/08/2013
  • datum laatste wijziging
    02/08/2013

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, artikel 63/4, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 25 april 2013;

Gelet op het advies over het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de omkadering van jonge onderzoekers van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 2 mei 2013;

Gelet op het briefadvies 187 van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie, gegeven op 14 mei 2013;

Gelet op het advies 53.389/1 van de Raad van State, gegeven op 20 juni 2013, met toepassing van artikel 84 § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap die behoren tot een associatie.

HOOFDSTUK 2. - Financiële beginselen

Art. 2.

De Vlaamse Regering legt jaarlijks binnen de perken van de betreffende begrotingskredieten, bepaald in de uitgavenbegroting, een overheidsbijdrage vast voor de omkadering en begeleiding van jonge onderzoekers, overeenkomstig artikel 63/4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

Art. 3.

De subsidies, vermeld in artikel 63/4 van het voornoemde decreet van 30 april 2009, voor het jaar t worden verdeeld volgens de volgende verdeelsleutel :

1° 20 % van het bedrag wordt gelijk verdeeld over de begunstigden;

2° 60 % van het bedrag wordt verdeeld volgens de doctoraatsparameter van de sleutel voor de verdeling van de middelen voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen in jaar t, zoals beschreven in artikel 33 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende de financiering van de bijzondere onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;

3° 20 % van het bedrag wordt verdeeld volgens het procentuele aandeel van elke universiteit in de voltijdse eenheden van het wetenschappelijk personeel buiten de werkingsuitkeringen op postdoctoraal niveau en de doctor-assistenten, volgens de personeelsstatistieken van de Vlaamse Interuniversitaire Raad van de jaren t-4 tot en met t-1.

Art. 4.

De procentuele verdeelsleutel wordt afgerond op twee cijfers na de komma na afloop van de berekening. De met toepassing van de verdeelsleutel verkregen bedragen worden afgerond op het honderdtal. Ieder jaar t maakt de bevoegde administratie de verdeelsleutel, vermeld in artikel 3, bekend voor 1 mei.

Art. 5.

Ieder jaar t deelt de bevoegde administratie voor 1 juli aan elke begunstigde het bedrag van de overheidsbijdrage mee die hij met toepassing van artikel 4 kan verwachten.

Art. 6.

De bijdrage wordt aan elke universiteit ter beschikking gesteld volgens de volgende betalingsprocedure :

1° een eerste schijf van 75 % zal in betaling worden gesteld voor 1 november van het jaar t;

2° het saldo van maximaal 25 % zal worden uitbetaald vóór 1 maart van het jaar t+2, na goedkeuring door de bevoegde administratie van het financieel en inhoudelijk verslag, vermeld in artikel 15.

HOOFDSTUK 3. - Besteding van de middelen

Art. 7.

De bestedingstermijn van de middelen voor jaar t loopt van 1 oktober van het jaar t tot en met 30 september van het jaar t+1.

Art. 8.

Elke begunstigde mag van de subsidie jaarlijks maximaal 6 % voorafnemen. Dat bedrag dekt zowel alle uitgaven voor een bedrag lager dan 250 euro als centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten, die betrekking hebben op :

1° het gebruik (de huur en het onderhoud) van gebouwen, lokalen en vergaderzalen met inbegrip van de normale kantooruitrusting, de kosten voor verwarming, verlichting, elektriciteit;

2° het centrale beheer van goederen en diensten die aan de onderzoekers ter beschikking worden gesteld;

3° kosten die niet specifiek met de uitvoering van de activiteiten, vermeld in artikel 10, verbonden zijn zoals voor telefoon, fax, kopieën, correspondentie, kantoorbenodigdheden.

Art. 9.

De subsidie kan besteed worden aan personeels-, werkings-, uitrustings- en onderaannemingskosten.

Art. 10.

De subsidie wordt ingezet voor het creëren van een kader voor en de ontwikkeling, uitvoering en versterking van activiteiten met betrekking tot de volgende doelstellingen :

1° training van jonge onderzoekers :

a) aanbieden van een opleidingsaanbod voor doctorale onderzoekers waarin zowel interdisciplinaire verbreding en verdieping als ontwikkeling van vak- en disciplineoverschrijdende vaardigheden of generieke, overdraagbare competenties, bijvoorbeeld ondernemen, aan bod komt;

b) organisatie van opleidingen of seminaries voor postdoctorale onderzoekers;

c) training met betrekking tot communicatie over onderzoeksactiviteiten en -resultaten;

d) training met betrekking tot valorisatie van onderzoeksactiviteiten, met specifieke aandacht voor valorisatie in sociale en humane wetenschappen;

e) training met betrekking tot pedagogische en didactische competenties;

f) training met betrekking tot genderdimensie in wetenschappelijk onderzoek;

g) training met betrekking tot wetenschappelijke integriteit;

h) training van trainers of promotoren;

2° loopbaanontwikkeling en bevordering van loopbaanperspectieven van jonge onderzoekers :

a) verhoging van de inzetbaarheid van houders van een doctoraatsdiploma;

b) ondersteunen en stimuleren van de intersectorale mobiliteit van doctorale en postdoctorale onderzoekers : informatieverstrekking, mobiliteit van doctorale en postdoctorale onderzoekers naar een niet-academische omgeving;

c) sensibilisering van doctorale en postdoctorale onderzoekers over bewuste carrièrekeuzes;

d) sensibilisering op de arbeidsmarkt rond inzetbaarheid van houders van een doctoraatsdiploma;

e) intersectorale samenwerking;

f) carrièrebegeleiding van doctorale en postdoctorale onderzoekers;

g) individueel coachen van doctorale en postdoctorale onderzoekers;

h) professionalisering van de administratieve en inhoudelijke verantwoordelijken voor de omkadering van doctorale en postdoctorale onderzoekers;

i) aandacht voor het genderevenwicht, bewustmaking met betrekking tot gendermechanismen en training met betrekking tot genderaspecten;

3° versterken van de internationale oriëntatie in de loopbaan van jonge onderzoekers :

a) ondersteunen en stimuleren van de internationale mobiliteit van doctorale en postdoctorale onderzoekers : informatieverstrekking, organisatie en uitbreiding van internationale doctoraatsprogramma's en mobiliteit van doctorale en postdoctorale onderzoekers;

b) organiseren van internationale rekrutering van doctorale en postdoctorale onderzoekers, bijvoorbeeld screening van buitenlandse doctorandi optimaliseren;

c) organiseren van contacten met relevante internationale partners;

d) organiseren of aanbieden van trainingsonderdelen in samenwerking met internationale partners;

4° samenwerking met andere kennisinstellingen binnen Vlaanderen met betrekking tot doelstellingen, vermeld in punt 1° tot en met 3°.

Art. 11.

Elke begunstigde heeft in zijn beleid aandacht voor :

1° genderevenwicht en diversiteit;

2° duurzaamheid;

3° aanmoedigen van ondernemerschap;

4° interdisciplinariteit en de eigenheid van verschillende disciplines en verschillende loopbaanprofielen van jonge onderzoekers;

5° de implementatie van de principes van de aanbeveling van de Europese Commissie van 11 maart 2005 betreffende het Europese Handvest voor Onderzoekers en de Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers, PB L 75 van 22.3.2005;

6° de implementatie van de principes voor innovatieve doctoraatstraining, goedgekeurd in de Conclusies van 28 november 2011 van de Raad van de Europese Unie over de modernisering van het hoger onderwijs, PB C 372 van 20.12.2011.

Het naleven van de principes, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de inhoudelijke rapportering, vermeld in artikel 15.

Art. 12.

Bij de besteding van de middelen wordt door elke begunstigde jaarlijks aan de volgende minimumprincipes voldaan :

1° training van jonge onderzoekers :

a) elke begunstigde stimuleert de registratie van doctorandi op de inschrijvingsrol;

b) het opleidingsaanbod in vak- en disciplineoverschrijdende vaardigheden op doctoraal en postdoctoraal niveau volstaat om, als dat relevant is, elke doctorale en postdoctorale onderzoeker van de eigen instelling te laten deelnemen, als hij dat wil;

c) het opleidingsaanbod staat open voor doctorale en postdoctorale onderzoekers van andere Vlaamse kennisinstellingen;

d) de begunstigden organiseren training met betrekking tot wetenschappelijke integriteit;

2° loopbaanontwikkeling :

a) de website van elke begunstigde omvat informatie over statuten, arbeidsvoorwaarden en loopbaanpaden;

b) elke begunstigde stimuleert in de eigen instelling open rekrutering van doctorale en postdoctorale onderzoekers : vacatures worden, als dat mogelijk is, centraal gepubliceerd;

c) alle doctorale en postdoctorale onderzoekers krijgen informatie over de arbeidsmarkt en alle geïnteresseerde doctoraatsstudenten en postdoctorale onderzoekers worden voorbereid om zich te positioneren op die markt;

d) kwalitatief hoogstaande loopbaanbegeleiding, bijvoorbeeld mentoring en loopbaangesprekken, wordt uitgebouwd voor doctorale en postdoctorale onderzoekers;

e) de begunstigden organiseren één loopbaanevenement voor doctorale en postdoctorale onderzoekers, als dat relevant is met medewerking van andere universiteiten, hogescholen, onderzoekscentra, de publieke en industriële sector;

f) elke begunstigde organiseert vorming rond gender en diversiteit voor promotoren, doctorale en postdoctorale onderzoekers;

3° internationale oriëntatie :

a) alle gepubliceerde vacatures op doctoraal en postdoctoraal niveau worden gepubliceerd op de Europese jobportaalsite Euraxess;

b) het systeem voor de screening van internationale kandidaten voor doctorale en postdoctorale posities aan elke instelling wordt geoptimaliseerd, zodat kandidaten van hoge kwaliteit in Vlaanderen kunnen worden aangetrokken;

c) de verantwoordelijken voor de opleiding en omkadering van doctorandi nemen deel aan internationale evenementen met betrekking tot de doelstellingen, vermeld in artikel 10;

4° samenwerking binnen Vlaanderen :

één vierde van de ontvangen subsidies wordt besteed binnen een samenwerkingsverband met minstens twee andere Vlaamse universiteiten.

Het naleven van de principes, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de inhoudelijke rapportering, vermeld in artikel 15.

Art. 13.

Om beleidsklemtonen te leggen kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, in samenspraak met de Vlaamse Interuniversitaire Raad, eenjarige principes toevoegen aan de principes, vermeld in artikel 12, binnen het kader van de doelstellingen, vermeld in artikel 10.

Art. 14.

De begunstigden zullen bij alle communicatie over de initiatieven en activiteiten, zoals publicaties, persmededelingen en website, verwijzen naar de steun van de Vlaamse overheid. Het « Richting morgen »-logo, het « Vlaanderen in Actie »-logo met bijschrift « Pact 2020 » en het logo « Vlaamse overheid » met bijschrift « met steun van de Vlaamse overheid » moeten voorkomen op elke vorm van communicatie, uitgezonderd dagelijks emailverkeer, en elk product, inclusief website en affiches. Voor alle advertenties worden de logo's evenwaardig beschouwd aan die van andere sponsors. De overheid stelt de logo's ter beschikking.

Bij uitgaven en communicatie door derden levert de begunstigde maximale inspanningen om de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, na te leven.

HOOFDSTUK 4. - Kwaliteitszorg

Art. 15.

De begunstigden bezorgen jaarlijks voor 31 december van het jaar t+1 aan de bevoegde administratie een gezamenlijk inhoudelijk verslag over de activiteiten binnen een samenwerkingsverband tussen minstens drie Vlaamse universiteiten, vermeld in artikel 12.

Elke begunstigde bezorgt jaarlijks voor 31 december van het jaar t+1 aan de bevoegde administratie een inhoudelijk verslag over zijn individuele initiatieven en een financieel verslag over al zijn activiteiten. Dat document :

1° geeft inzicht in de werkzaamheden en de doelmatigheid en doeltreffendheid ervan in de afgelopen bestedingstermijn;

2° omschrijft de mate waarin in de afgelopen bestedingstermijn aan de doelstellingen en principes, vermeld in hoofdstuk 3, is voldaan;

3° omvat een financieel verslag, waarbij een getrouw beeld wordt geschetst van de uitgaven binnen de bestedingstermijn.

Voor de personeelskosten, werkingskosten, uitrustingskosten en onderaannemingskosten wordt door middel van bewijsstukken aangetoond dat die kosten effectief zijn gemaakt. De bewijsstukken worden door de begunstigde 10 jaar bewaard en beschikbaar gehouden.

Art. 16.

De verleende subsidie zal worden teruggevorderd indien wordt vastgesteld dat de toekenningsvoorwaarden niet werden nageleefd of indien de subsidie voor andere doeleinden werd gebruikt. Indien de begunstigde geen verantwoording verstrekt over de gehele subsidie, zal het gedeelte dat niet werd verantwoord, worden teruggevorderd.

Onverminderd de bepalingen in artikel 53 tot en met 57 van het Rekendecreet over de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan van 8 juli 2011, alsook de bepalingen in artikelen 63 tot en met 67 van hetzelfde decreet over de controle door het Rekenhof dient de boekhouding steeds ter inzage te zijn van de vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, die ter plaatse controle kunnen uitoefenen over de aanwending van de toegekende bedragen.

Art. 17.

In 2018 en vervolgens vijfjaarlijks laat de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, de maatregelen van de begunstigden met betrekking tot de omkadering van jonge onderzoekers doorlichten, met oog voor de effectiviteit en efficiëntie van de besteding van de middelen voor de omkadering van jonge onderzoekers, de meerwaarde ervan en de bijdrage die ze leveren aan het onderzoeksbeleid. Er wordt onder meer een bevraging van de belanghebbenden georganiseerd.

Tijdens de evaluatie, vermeld in het eerste lid, kunnen, bijvoorbeeld via internationale vergelijkende marktstudie, de onderaannemingskosten getoetst worden op de marktconformiteit van aanbod en prijs.

HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling

Art. 18.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.