Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekrachtiging van het Reglement betreffende de erkenning van evaluatieorganen die een coördinerende taak hebben ten aanzien van de externe beoordeling van hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    12 juli 2013
  • publicatiedatum
    B.S.16/08/2013
  • datum laatste wijziging
    16/08/2013

De Vlaamse regering,

Gelet op het verdrag tussende Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Vlaamse en het Nederlandse hoger onderwijs, ondertekend in Den Haag op 3 september 2003;

Gelet op het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, artikel 57bis, § 2, derde lid, 3°, en artikel 93, § 3bis, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004 en vervangen bij het decreet van 6 juli 2012;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 juli 2013;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Het Reglement betreffende de erkenning van evaluatieorganen die een coördinerende taak hebben ten aanzien van de externe beoordeling van hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap, aangenomen door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie op 13 mei 2013, en opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt bekrachtigd.

Art. 2.

Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2013.

Art. 3.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Reglement betreffende de erkenning van evaluatieorganen die een coördinerende taak hebben ten aanzien van de externe beoordeling van hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap

Gelet op het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, inzonderheid op artikel 57bis, § 2, 3° en 93, § 3bis;

Gelet op het reglement betreffende de erkenning van de evaluatieorganen die een coördinerende taak hebben ten aanzien van de externe beoordeling van hogeronderwijsopleidingen van niet-ambthalve geregistreerde instellingen in de Vlaamse Gemeenschap, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 februari 2006;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. De begrippen die in dit reglement worden gehanteerd, moeten worden gelezen in de zin die eraan wordt gegeven in :

1° het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003;

het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder :

1° NVAO : het orgaan van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie dat bij of krachtens verdrag is aangewezen om de in dit reglement opgenomen bevoegdheden uit te oefenen;

2° structuurdecreet : het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

Art. 2. Dit reglement is van toepassing op de evaluatieorganen die niet zijn geregistreerd door het European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR) en die instaan voor de coördinatie van de werking van een visitatiecommissie met het oog op het uitvoeren van een externe beoordeling van bachelor- en masteropleidingen, georganiseerd door (niet-)ambtshalve geregistreerde instellingen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 57bis, § 2, 3° en artikel 93, § 3bis van het structuurdecreet.

HOOFDSTUK II. - Erkenningscriteria

Afdeling 1. - Algemeen

Art. 3. Het evaluatieorgaan voert op regelmatige basis activiteiten uit van externe kwaliteitzorg en is bevoegd om de werking van visitatiecommissies, die bachelor- en masteropleidingen visiteren, te coördineren.

Art. 4. Een evaluatieorgaan dat optreedt ten behoeve van een ambtshalve geregistreerde instelling kan slechts door de NVAO erkend worden in zoverre het evaluatieorgaan door het betrokken instellingsbestuur is verzocht om in te staan voor de organisatie van een opleidingsvisitatie om één van de volgende redenen :

1° de internationale vergelijkbaarheid van de te beoordelen opleiding met vergelijkbare opleidingen aan buitenlandse instellingen;

2° een goede aansluiting tussen de expertise van het evaluatieorgaan en de inhoudelijke specificiteit van de te beoordelen opleiding.

Afdeling 2. - Visitatieprotocol

Art. 5. § 1. Het evaluatieorgaan beschikt over een visitatieprotocol dat de werking van de visitatiecommissies bepaalt.

Voor wat betreft de evaluatieorganen die optreden ten behoeve van ambtshalve geregistreerde instellingen is, overeenkomstig artikel 93, § 3, eerste lid, van het structuurdecreet, vereist dat het visitatieprotocol is vastgelegd na overleg met de NVAO conform de bepalingen van artikel 7.

§ 2. Het visitatieprotocol doet blijken van een methodologische aanpak die vergelijkbaar is met deze van visitaties die in de Vlaamse Gemeenschap worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het structuurdecreet.

Het protocol voorziet ten minste in :

1° de mogelijkheid voor het instellingsbestuur om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren te formuleren voor de commissie de externe beoordeling definitief vaststelt;

2° de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren;

3° de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd;

4° de wijze waarop het evaluatieorgaan de visitatiecommissies samenstelt zodat de visitatiecommissies met kennis van zaken een oordeel kunnen vormen over wat er internationaal wenselijk en gangbaar is inzake het eindniveau van opleidingen met een verwante kwalificatie; elke visitatiecommissie telt bovendien ten minste één student-lid;

5° de wijze waarop de visitatiecommissie tot haar oordeel moet komen en de wijze waarop de vergelijkbaarheid van de oordelen over de verschillende opleidingen wordt gewaarborgd; inzonderheid moet de visitatiecommissie valabele kwaliteitscriteria hanteren, die een onderzoek toelaten naar alle in het Accreditatiekader opgenomen generieke kwaliteitswaarborgen;

6° de wijze waarop de leden van de visitatiecommissies gevormd worden met het oog op een eenduidige toepassing van het visitatieprotocol en het accreditatiekader;

7° de minimumvereisten waaraan een visitatierapport moet voldoen opdat het kan toelaten om de voldoende aanwezigheid van de generieke kwaliteitswaarborgen na te gaan.

Afdeling 3. - Interne kwaliteitszorg

Art. 6. De processen in de schoot van het evaluatieorgaan worden aantoonbaar structureel bewaakt, geëvalueerd, en desgevallend bijgesteld. Het evaluatieorgaan hanteert daartoe een systeem van interne kwaliteitszorg.

HOOFDSTUK III. - Erkenningsprocedure

Afdeling 1. - Aanmeldingsfase

Art. 7. § 1. In het geval het evaluatieorgaan zal optreden ten behoeve van een ambtshalve geregistreerde instelling, dient dit voornemen tijdig schriftelijk te worden gemeld door de betrokken instelling aan de NVAO.

De NVAO gaat na of voldaan is aan de voorschriften, zoals vermeld in artikel 4.

§ 2. Het visitatieprotocol, bedoeld in artikel 5, wordt door het evaluatieorgaan vastgesteld na overleg met de NVAO.

Van elk mondeling overleg tussen het evaluatieorgaan en de NVAO wordt door de NVAO een verslag opgesteld, dat aan het evaluatieorgaan wordt voorgelegd met het oog op instemming.

Afdeling 2. - Erkenningsfase

Art. 8. Het aanvraagdossier voor een erkenning omvat :

1° een aanduiding van de opleidingen waarvoor de erkenning wordt gevraagd, inclusief de vermelding van de aanbiedende instelling(en);

2° een uiteenzetting omtrent de organisatiestructuur van het evaluatieorgaan, voorzien van een afschrift van de actuele statuten van het evaluatieorgaan;

3° het visitatieprotocol, desgevallend vastgesteld conform de bepalingen van artikel 7;

4° een beschrijving van het systeem van interne kwaliteitszorg dat het evaluatieorgaan hanteert;

5° een overzicht van recent uitgevoerde coördinatieactiviteiten met betrekking tot visitaties.

Art. 9. § 1. Het erkenningsaanvraagdossier wordt bestudeerd door de NVAO.

§ 2. De NVAO maakt binnen een ordetermijn van 4 maanden een ontwerp van erkenningsbeslissing over aan het evaluatieorgaan.

Het evaluatieorgaan wordt in de gelegenheid gesteld om binnen de door de NVAO bepaalde termijn, die niet korter dan 15 kalenderdagen mag zijn, opmerkingen en/of bezwaren te formuleren.

In het geval opmerkingen en/of bezwaren worden geformuleerd, neemt de NVAO een bijzondere motiveringsplicht in acht. De motivering geeft aan op welke wijze gevolg werd gegeven aan de verschillende door het evaluatieorgaan aangevoerde opmerkingen en/of bezwaren.

Art. 10. § 1. Bestuursleden van de NVAO onthouden zich van de deelname aan de beraadslagingen en beslissingen over een erkenningsaanvraag indien er sprake is van een (vroeger) lidmaatschap van het personeel of het bestuur van het evaluatieorgaan. Onverenigbaar met de deelname aan de beraadslagingen en beslissingen is ook het (vroeger) verstrekken van advies (al dan niet bezoldigd) of het (vroeger) uitvoeren van overheidsopdrachten ten behoeve van het evaluatieorgaan. Ook de (vroegere) echtverbintenis of samenwoning of het hebben van familiebanden tot in de tweede graad met een persoon die zich in één van de hiervoor genoemde gevallen van onverenigbaarheid bevindt, geldt als onverenigbaarheidsgrond.

Er is geen onverenigbaarheid meer indien het lidmaatschap, de echtverbintenis of de samenleving eerder werd beëindigd, of het advies of de overheidsopdracht eerder werd opgeleverd, dan in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de erkenningsaanvraag.

§ 2. Een evaluatieorgaan kan bij de NVAO een wrakingsverzoek indienen als het meent dat een bestuurslid zich in één van de genoemde gevallen van onverenigbaarheid bevindt.

Het wrakingsverzoek wordt ingediend bij de erkenningsaanvraag, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan of het evaluatieorgaan pas later kennis heeft kunnen krijgen van deze reden.

Art. 11. Een beslissing van de NVAO waarbij de erkenning wordt verleend vermeld uitdrukkelijk ten aanzien van welke instelling(en) en welke opleiding(en) het evaluatieorgaan kan optreden.

Art. 12. Een beslissing van de NVAO waarbij de erkenning niet wordt verleend aan het evaluatieorgaan is vatbaar voor beroep bij de Vlaamse Regering.

Art. 13. De NVAO kan een onregelmatig genomen erkenningsbesluit intrekken gedurende de termijn waarbinnen de vernietiging ervan kan worden gevraagd aan de Vlaamse Regering.

Na een intrekking herformuleert de NVAO het ingetrokken besluit rekening houdend met het recht van het evaluatieorgaan om aangaande het nieuwe ontwerpbesluit opmerkingen en bezwaren te maken, zoals bedoeld in artikel 9, § 2.

HOOFDSTUK IV. - Opvolging en intrekking van de erkenning

Art. 14. De erkenning wordt om de 5 jaar hernieuwd.

Voor de aanvraag tot hernieuwing gelden dezelfde formele en inhoudelijke vereisten als voor de eerste erkenningsaanvraag.

Art. 15. § 1. Indien het evaluatieorgaan de door de NVAO vastgelegde erkenningsvoorwaarden manifest overtreedt of indien onder zijn coördinatie uitgevoerde externe beoordelingen manifest onzorgvuldig worden uitgevoerd, kan de NVAO :

1° de erkenning van het evaluatieorgaan schorsen en het evaluatieorgaan een termijn toestaan waarbinnen het zich in regel kan stellen, op straffe van intrekking van de erkenning;

2° de erkenning intrekken.

§ 2. Het evaluatieorgaan meldt onverwijld elke grondige wijziging in statuten, methodologie, activiteiten en/of erkenning aan de NVAO.

Een dergelijke grondige wijziging kan eveneens leiden tot de schorsing, dan wel de intrekking van de erkenning.

§ 3. De NVAO brengt het evaluatieorgaan voorafgaandelijk schriftelijken afdoende gemotiveerd op de hoogte van het voornemen tot schorsing of intrekking.

Het evaluatieorgaan wordt in staat gesteld om zijn standpunt aangaande dit voornemen schriftelijk over te maken. Dat moet gebeuren binnen een door de NVAO bepaalde termijn die niet korter mag zijn dan 15 kalenderdagen.

§ 4. Tijdens een schorsing van een erkenning, of na een intrekking van een erkenning, kan het evaluatieorgaan geen nieuwe externe beoordelingen uitvoeren of coördineren. Lopende externe beoordelingen kunnen wel nog worden afgerond.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 16. De NVAO vermeldt bij elke individuele (ontwerp)beslissing om de erkenning niet te verlenen de toepasselijke bezwaar- en beroepsmogelijkheden.

Art. 17. De NVAO maakt de lijst van de erkende evaluatieorganen bekend op haar website.

De NVAO stelt de evaluatieorganen in de gelegenheid om een korte omschrijving te geven van bijzondere kwalificaties of aandachtsgebieden. Die omschrijving wordt in de lijst opgenomen.

Art. 18. Dit reglement en elke wijziging daarvan worden voor opname in het Belgisch Staatsblad aangeboden.

Zij worden tevens bekendgemaakt op de website van de NVAO.

Art. 19. Het huidige reglement betreffende de erkenning van de evaluatieorganen die een coördinerende taak hebben ten aanzien van de externe beoordeling van hogeronderwijsopleidingen van niet-ambthalve geregistreerde instellingen in de Vlaamse Gemeenschap, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 februari 2006, wordt opgeheven.

Art. 20. Dit reglement heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2012.