Krijtlijnen inzake de verhouding vast aanspreekpunt lokale politie – school in het kader van omzendbrief PLP 41 en de verhouding tussen school/CLB-Dienst voor de Veiligheid van de Staat

  • referentie
    NO/2013/03
  • publicatiedatum
    20/12/2013
  • datum laatste wijziging
    20/12/2013
  • wettelijke basis
    Ministeriële omzendbrief PLP 41 tot versterking en/of bijsturing van het lokaal veiligheidsbeleid en de specifieke aanpak van de jeugdcriminaliteit, met in het bijzonder een aanspreekpunt voor de scholen van 7 juli 2006
  • wettelijke basis
    Wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
  • contactpersoon
    Emilie Le Roi, 02/553.96.10
  • contactpersoon
    Evi Neven, 02/553.96.06
  • contactpersoon
    Marie-Helene Sabbe, 02/553.93.78

1. Afdeling I. Verhouding vast aanspreekpunt lokale politie – school in het kader van omzendbrief PLP 41.

Inleiding

Op 7 juli 2006 vaardigde minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael de omzendbrief PLP 41 uit, tot versterking en/of bijsturing van het lokaal veiligheidsbeleid en de specifieke aanpak van de jeugdcriminaliteit, met in het bijzonder een aanspreekpunt voor de scholen.

Deze omzendbrief is één van de maatregelen die genomen werd in de nasleep van de moord op Joe Van Holsbeek. Naar aanleiding van deze zaak, zaten de Vlaamse, Waalse en federale Ministers een aantal keren samen om na te denken over maatregelen om de greep op de jeugdcriminaliteit te verstevigen.

Het doel van deze omzendbrief is onder andere het verbeteren van de samenwerking tussen scholen en politie in de aanpak van jeugdcriminaliteit en aanverwante fenomenen zoals spijbelen. Scholen en politie moeten samen werken aan een veilige schoolomgeving, en daartoe vraagt men de politie om één vast aanspreekpunt voor de scholen te voorzien en een overeenkomst af te sluiten met de scholen van haar grondgebied waarin de gemaakte afspraken worden vastgelegd. Ondanks het feit dat deze omzendbrief voor scholen geen afdwingbaar karakter heeft, hebben ook de scholen baat bij het maken van een overeenkomst met goede afspraken en het aanduiden van één aanspreekpunt aangezien het de samenwerking alleen maar ten goede kan komen.

Een lokale aanpak van de spijbelproblematiek is vaak te verkiezen boven een centrale reactie vanuit de Vlaamse overheid, omwille van verschillende redenen:

- op lokaal niveau kent men beter de situatie en de achtergrond van de leerling en kan men dus beter inspelen op de concrete toestand met een aanpak op maat;

- men kan sneller reageren en dus korter op de bal spelen.

Ondertussen is de omzendbrief al een hele tijd van kracht. Binnen het kader van het actieplan ?Spijbelen en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? werd er daarom in het najaar van 2012 gestart met de evaluatie van deze omzendbrief (1). In de meeste Vlaamse politiezones is een aanspreekpunt aangeduid. Heel vaak is dit de persoon die voordien ook al de contacten met de scholen verzorgde. Het zijn dikwijls wijkagenten of leden van de sociale en/of jeugdpolitiedienst die deze taak op zich hebben genomen. In heel wat zones heeft men tevens samenwerkingsprotocollen afgesloten. In een aantal regio’s koos men ervoor om geen protocollen af te sluiten, omdat er reeds een goede samenwerking bestond tussen scholen en politie en men het niet nodig achtte om dit vast te leggen.

Het leek ons nuttig om enkele zaken uit de omzendbrief nog wat meer te duiden en mee te geven hoe wij de invulling hiervan zien. We hopen dan ook dat we met deze tekst wat meer duidelijkheid kunnen scheppen voor eventuele vragen die er nog zijn bij de uitvoering van de omzendbrief. Bovendien legt deze tekst ook bondig uit wat de PLP 41 nu allemaal inhoudt, voor mensen die tot nu toe misschien nog niet zo nauw betrokken zijn geweest bij de implementatie ervan. We denken dat het voor iedereen binnen de school, het CLB en binnen de lokale politie nuttig is om te weten wat het doel is van deze omzendbrief en hoe ze invulling kan krijgen in de praktijk.

Deze tekst schetst de krijtlijnen waarbinnen de flankerende maatregelen ter bevordering van een veilige schoolomgeving worden uitgewerkt. Deze maatregelen staan beschreven in punt twee van de ministeriële omzendbrief PLP 41 tot versterking en/of bijsturing van het lokaal veiligheidsbeleid en de specifieke aanpak van de jeugdcriminaliteit.

De omzendbrief PLP 41 schetst het kader waarbinnen de vaste aanspreekpunten hun scharnierfunctie tussen de scholen binnen hun zone en de lokale politie kunnen vervullen.

Deze tekst geeft een aantal richtlijnen mee, waarbinnen alle betrokken partijen, naargelang de lokale behoeften en de specificiteit van individuele dossiers, de nodige accenten kunnen leggen.

1.1. Binnen welk kader moet men omzendbrief PLP 41 en het oprichten van vaste aanspreekpunten ten behoeve van de scholen bij de lokale politie situeren?

De geïntegreerde politie werkt binnen het cultureel kader van de gemeenschapsgerichte politiezorg. Het creëren van vaste aanspreekpunten bij de lokale politie ten behoeve van de scholen past binnen deze principes.

Gemeenschapsgerichte politiezorg bestaat uit vijf pijlers: externe oriëntering, probleemoplossend werken, partnerschap, verantwoording afleggen en bekwame betrokkenheid (empowerment).

Externe oriëntering of externe gerichtheid betekent dat de politie in de samenleving staat en vanuit een dienstverlenende houding rekening moet houden met gerechtvaardigde behoeften en verwachtingen van diverse bevolkingsgroepen, autoriteiten en andere dienstverlenende organisaties.

De politie tracht bovendien pro-actief de oorzaken van problemen te bepalen en ze gericht aan te pakken. Op deze manier wil de politie de problemen voorkomen, oplossen of beheersen. (probleemoplossend werken).

De politie beseft daarnaast dat zij niet alleen verantwoordelijk kan en wil zijn voor de zorg voor veiligheid en leefbaarheid. Er dient in een keten- en netwerkgerichte benadering te worden samengewerkt. Dit is de kern van het streven naar partnerschap. In het kader van de aanpak van jeugdcriminaliteit creëert een partnerschap met de scholen via een vast aanspreekpunt een meerwaarde. Door het partnerschap ontstaat gedeeld eigenaarschap, hetgeen leidt tot wederzijdse betrokkenheid bij de gedeelde problemen. Deze samenwerking is gebaseerd op het behoud van de eigen verantwoordelijkheid, het aanwenden van ieders eigenheid, wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Wederkerigheid zal wederzijds vertrouwen creëren en leiden tot efficiënte samenwerking.

Dit samenwerkingsverband impliceert het wederzijds afleggen van verantwoording.

Ook vereist deze samenwerking bekwame betrokkenheid. De vaste aanspreekpunten, zowel bij de politie als bij de scholen, moeten volwaardige, gelijkwaardige, kritische en verantwoordelijke partners zijn. Dit impliceert tevens dat de betrokken aanspreekpunten de nodige ruimte en verantwoordelijkheid krijgen om zich binnen hun functie te ontplooien (2).

Omzendbrief PLP 41 heeft dus een preventief doel: ernstige feiten voorkomen door een veilige schoolomgeving na te streven. De lokale politie, de scholen en de hulpverlening zijn hier de logische partners. Het inlichten van de politiediensten en het parket sluit een hulpverlenend traject voor de betrokken jongere niet uit. Deze aanpak kan leiden tot vroegdetectie van problemen en kan ergere misdrijven voorkomen. Dit kadert volledig binnen de principes van het jeugdrecht (3).

De omzendbrief beoogt in concreto het realiseren van vaste aanspreekpunten bij de lokale politie voor de scholen. De politie staat binnen dit preventief kader ten dienste van de scholen en niet omgekeerd.

1.2. Hoe kan men deze aanspreekpunten, binnen de lokale politie en de school, concretiseren?

Het aanspreekpunt bij de lokale politie is bij voorkeur vertrouwd met de aanpak van jeugdproblematiek en jeugdcriminaliteit. Hij of zij geldt als bevoorrechte gesprekspartner van de schooldirecties. Het aanspreekpunt wordt binnen het korps van lokale politie steeds betrokken bij de aanpak van deze problematiek. Vandaar het belang van een goede positionering van het aanspreekpunt binnen het korps.

Het oprichten van vaste aanspreekpunten bij de lokale politie mag beschouwd worden als een? uitgestoken helpende hand? voor de scholen.

Een vast aanspreekpunt binnen de school is eveneens noodzakelijk Dit vergemakkelijkt de communicatie en bevordert ook het informele contact tussen beide aanspreekpunten. Dit aanspreekpunt is best iemand van het directieteam van de school.

Het spreekt vanzelf dat een continuïteit in de aanduiding van het aanspreekpunt essentieel is. In de praktijk wordt door een aantal politiezones, naast het persoonlijk contact, ook gewerkt met een eenvormig mailadres/centraal meldpunt. Dit enerzijds met het oog op het bevorderen van uitwisseling van gegevens, anderzijds om het probleem van een eventuele personeelswissel op te vangen.

1.3. Hoe zijn de bevoegdheden van de betrokken partijen afgelijnd? Hoe verhouden de partijen zich en hoe verloopt de communicatie?

De scholen zijn volledig verantwoordelijk voor wat er binnen de schoolmuren gebeurt. Ze staan er echter niet alleen voor. Via het partnerschap tussen beide aanspreekpunten wordt communicatie mogelijk gemaakt en kan men samen, ieder binnen zijn verantwoordelijkheid en opdracht, komen tot een aanpak en oplossing van problemen.

Wat betreft het doorgeven van informatie aan de politie, moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen informatie die mag worden doorgegeven en informatie die niet mag worden doorgegeven. Hierbij moeten we rekening houden met de wettelijke bepalingen rond beroepsgeheim (artikel 458 strafwetboek), ambtsgeheim (artikel 11 van het decreet van 27 maart 1991 (4) betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en artikel 14 van het decreet van 27 maart 1991 (5) betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding), meldingsplicht (artikel 29 en 30 wetboek van strafvordering), meldingsrecht (artikel 458 bis strafwetboek) en schuldig verzuim (artikel 422 bis strafwetboek). De tekst van deze artikelen wordt in bijlage 1 gevoegd.

Wie mag informatie doorgeve n?

Schoolpersoneel, en daarmee bedoelen we iedereen die in een school tewerkgesteld is, dus leerkrachten, directie, leerlingbegeleiders, secretariaatspersoneel,… is gebonden door een ambtsgeheim, niet door een beroepsgeheim. Het CLB-personeel is wel gebonden door het beroepsgeheim. Tussen die twee zijn er enkele belangrijke verschillen, namelijk:

- Het beroepsgeheim is een geheimhoudingsplicht die van toepassing is op allen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd. Het gaat hier om een zwijgplicht verbonden aan een vertrouwensrelatie. Artsen hebben bijvoorbeeld een beroepsgeheim. Het beroepsgeheim legt dus de plicht op om vertrouwelijke gegevens geheim te houden. De vertrouwelijkheid is gegarandeerd ten aanzien van alle derden (d.w.z. iedereen anders dan de hulpverlener en de cliënt).

- De discretieplicht daarentegen is de verplichting om bij het uitoefenen van een ambt of functie geen vertrouwelijke gegevens vrij te geven aan anderen dan diegenen die gerechtigd zijn om er kennis van te nemen. De discretieplicht vereist dat discreet wordt omgegaan met dergelijke gegevens. De verplichting tot discrete en zorgvuldige omgang met gegevens geldt enkel ‘buiten de muren’ van de eigen dienst of instelling. Voor ambtenaren noemt men de discretieplicht het ambtsgeheim (6).

De discretieplicht of het ambtsgeheim houdt dus in dat schoolpersoneel vertrouwelijke gegevens kenbaar moet maken aan de schooldirectie, indien zij daarom verzoekt. Vertrouwelijke gegevens zijn gegevens die de private levenssfeer raken en niet als dusdanig openbaar zijn. De directie is echter zelf ook gebonden door de discretieplicht en moet dus discreet omgaan met deze gegevens. Het is niet zo dat de directie deze gegevens dan zomaar aan derden mag doorgeven.

CLB-medewerkers zijn gebonden door een beroepsgeheim en kunnen dus nooit informatie doorgeven aan derden. Dat is ook niet opportuun, aangezien zij in een hulpverleningsrelatie zitten met de leerling en deze begeleiding kan in het gedrang komen indien er informatie wordt doorgegeven. Leerlingen moeten in volle vertrouwen terecht kunnen bij het CLB.

Als de politie wordt ingeschakeld voor de opvolging van bepaalde leerlingen, is het dus steeds de school die hiervoor contact opneemt met de politie.

Welke informatie mag worden doorgegeven?

Vertrouwelijke informatie mag niet worden doorgegeven aan de politie, noch door de school, noch door het CLB. Hier spelen namelijk respectievelijk het ambts- en het beroepsgeheim (zie hierboven).

Puur feitelijke informatie, informatie over objectief vaststelbare gegevens, mag altijd worden doorgegeven door de school aan de politie. Hetzelfde geldt voor strafbare feiten die op school plaatsvinden. Bijvoorbeeld een leraar die een leerling drugs ziet verkopen op school of een leraar die een leerling een geweldsdelict ziet plegen. Ook getuigenissen van leerlingen over strafbare feiten die ze andere leerlingen zagen plegen, vallen hieronder. In deze gevallen kunnen schooldirecties niet optreden in de plaats van politie en justitie. De school heeft hierbij steeds de verantwoordelijkheid om af te wegen wat doorgegeven wordt en wat niet. Men mag nooit uit het oog verliezen dat de politie de helpende hand is en het opsporen van misdrijven exclusief tot haar bevoegdheden behoort. Het is bijgevolg niet aangewezen dat schooldirecties zelf op onderzoek zouden gaan naar strafbare feiten. Het is belangrijk dat de school en het aanspreekpunt bij de politie op voorhand duidelijke afspraken maken over wat gemeld wordt en wat niet. We denken dan bijvoorbeeld aan vechtpartijen op school die strikt genomen ook strafbare feiten zijn, maar waarbij een melding aan de politie niet altijd aangewezen is. Heel vaak kunnen dergelijke incidenten beter binnen de school worden opgelost, bijvoorbeeld door middel van een HERGO op school (7).

Een school is tevens verplicht (8) hulp te verlenen aan personen in nood, maar hulp bieden betekent niet noodzakelijk het inschakelen van de politie. Hulp kan ook geboden worden door b.v. een hulpverleningsdienst in te schakelen. Belangrijk is wel dat men, indien men hulp nodig heeft van politie of gerechtelijke instanties, deze diensten tijdig inschakelt, en niet wacht tot de zaak geëscaleerd is. Deze verplichting is bepaald in artikel 422 bis van het Strafwetboek. Deze bepaling stelt dat iedereen de plicht heeft om mensen die zich in een acute noodsituatie bevinden te helpen. Hulp bieden kan betekenen dat men zelf de nodige hulp verleent of de hulp inroept van de bevoegde diensten. Jongeren die een acuut gevaar lopen door eigen toedoen of door toedoen van anderen, moeten dus geholpen worden. We denken dan bijvoorbeeld aan een leerling die vertelt dat hij/zij thuis mishandeld wordt of een jongere waarbij men ernstige gedragsveranderingen vaststelt binnen het kader van een extreem gedachtengoed en de inschatting maakt dat deze zou kunnen leiden tot extremistische acties.

In recente rechtspraak is er een tendens om het begrip schuldig verzuim ruimer te interpreteren. Deze bepaling kan gebruikt worden om situaties te bestraffen waarin personen een misdrijf kunnen doen ophouden, maar er niets tegen ondernemen (9). We denken bijvoorbeeld aan situaties waarbij jongeren het slachtoffer zijn van seksueel misbruik en agressie, jongeren die suïcidaal gedrag vertonen of jongeren die drugs gebruiken en/of verkopen.

Wat doet de politie met deze informatie?

De politiediensten vervullen hun opdrachten onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de overheden die daartoe door of krachtens de wet worden aangewezen. Zij kunnen slechts dwangmiddelen gebruiken onder de voorwaarden die door de wet zijn bepaald. Dit dient te kaderen binnen de wettelijke opdrachten, in verhouding tot het beoogde doel en door rekening te houden met de risico's dat dit met zich kan meebrengen. Politiediensten dienen evenwel de misdaden en wanbedrijven waarvan zij kennis krijgen vast te stellen en te melden aan de Procureur des Konings. Uiteraard is het zo dat de politie de school als partner dient te beschouwen. De nodige afspraken kunnen in dat verband eventueel worden gemaakt.

1.4. Hoe kan men de aanpak van spijbelproblematiek kaderen binnen deze samenwerking?

De eerste verantwoordelijke voor de aanpak van spijbelproblemen blijft de school zelf. Zij kan hierin worden bijgestaan door het CLB. De begeleiding van leerplichtige leerlingen met spijbelproblemen is zelfs een verplichte opdracht voor de CLB’s. Vooraleer contact op te nemen met het aanspreekpunt van de lokale politie moet de school zich dan ook steeds afvragen of zij zelf al het mogelijke / nodige gedaan heeft om tot een oplossing te komen. Deze subsidiariteit is zeer belangrijk, niet alleen omdat een buitengerechtelijke oplossing in het geval van minderjarigen altijd te verkiezen is boven een gerechtelijke of politionele oplossing, maar ook om overbevraging van de politiediensten te voorkomen. Bij een melding van b.v. ernstige spijbelproblemen zal het aanspreekpunt van de politie dan ook steeds aftoetsen wat de school zelf reeds gedaan heeft en of het betrokken CLB werd ingeschakeld.

Wat betreft het wetgevend kader rond de aanpak van schoolverzuim verwijzen wij naar de wet op de leerplicht (10). Deze wet stelt inbreuken op de verplichtingen opgelegd bij of krachtens de artikelen 1, 2 en 3 strafbaar in hoofde van de personen die de ouderlijke macht uitoefenen of in rechte of in feite de leerplichtige onder hun bewaring hebben. Ernstig schoolverzuim kan daarenboven wijzen op een situatie waarbij de minderjarige in een problematische opvoedingssituatie (cfr. infra) verkeert en een toepassing van het jeugdrecht zich opdringt. De politie heeft dan een signaalfunctie naar het jeugdparket.

Hierbij is nog belangrijk op te merken dat informatie over het al dan niet aanwezig zijn van een leerling op school feitelijke informatie is, die altijd mag worden doorgegeven.

1.5. Wat is het gevolg voor een leerling van een tussenkomst door politie en wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen minderjarigen en meerderjarigen?

Het onderscheid tussen een minderjarige en een meerderjarige leerling is niet relevant voor het inschakelen van het vast aanspreekpunt bij de lokale politie door de school. Het onderscheid is wel belangrijk voor het verder politioneel en justitiële verloop van de procedure.

Een meerderjarige die misdrijven pleegt, valt onder het strafrecht. Een minderjarige valt onder het jeugdrecht.

Bij minderjarigen zijn er verschillende trajecten mogelijk. Het is mogelijk om een minderjarige in een hulpverlenend traject binnen de welzijnssector te laten begeleiden. Binnen deze sector is er een ruim aanbod van buitengerechtelijke trajecten. Daarnaast bestaat het gerechtelijk traject van een ?problematische opvoedingssituatie? (POS). Bij een POS verkeert de minderjarige in een zware problematische toestand waarbij hulpverlening vereist is, door bijzondere gebeurtenissen, door relationele conflicten of door de omstandigheden waarin de minderjarige leeft. Een derde mogelijkheid is het gerechtelijke traject dat gevolgd kan worden bij ?als misdrijf omschreven feiten? (MOF). Dit zijn strafbare feiten gepleegd door minderjarigen. Het is belangrijk om voor ogen te houden dat het mogelijk is om de minderjarige buiten het traject van POS en MOF te houden. De trajecten in het kader van POS en MOF worden in bijlage 2 gevoegd.

1.6. Welke informatie kunnen de scholen verwachten nadat zij een beroep deden op het vast aanspreekpunt bij de lokale politie?

Binnen een goede samenwerking moet het, in het belang van de leerling, mogelijk zijn om minimale informatie door te geven. Hier opnieuw is een goede communicatie, gesteund op wederzijds vertrouwen, onontbeerlijk.

Idealiter zou er een soort van informatiestroom op gang moeten komen, waarbij men elkaar op de hoogte blijft houden van het verdere verloop. Het aanspreekpunt van de lokale politie engageert zich tot het verstrekken van niet-inhoudelijke informatie. Over de inhoud van het gevoerde onderzoek mag de politie namelijk niets meedelen. Een informatieverstrekking die aantoont dat men met de zaak bezig is, is zeker mogelijk.

Het is ook nuttig dat er steeds na een tussenkomst van de politie op vraag van een school een soort van evaluatie of debriefing wordt georganiseerd van deze tussenkomst. Dit kan gebeuren op bestaande overlegfora waarop de scholen en politie aanwezig zijn of men kan hier een apart overleg voor oprichten. Sowieso is het aangewezen om de samenwerking tussen scholen en lokale politie regelmatig te evalueren, ook als er geen tussenkomsten zijn geweest. Dit kan opgenomen worden in het protocolakkoord (cfr. infra.).

1.7. Hoe kunnen protocolakkoorden tussen de partijen tot stand komen?

Overeenkomsten moeten gedragen worden door alle betrokken partijen. Zij zijn de resultante van een grondige en diepgaande dialoog. Een vaste en algemeen geldende modelovereenkomst, opgelegd zonder voorafgaand overleg en zonder draagvlak, strookt noch met de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg, noch met de filosofie van een zorgbeleid op school. Het is dan ook belangrijk voldoende tijd uit te trekken voor het uitwerken van de afspraken.

Voor de scholen is het belangrijk dat het protocol aansluit bij de visie op zorg die ontwikkeld werd binnen de school, de leerlingenbegeleiding, het drugsbeleid, de spijbelpreventie,… De samenwerking met de politie staat niet op zich, maar is gekaderd binnen de algemene visie en het beleid.

De school maakt daarom best eerst zelf een analyse van de feiten en problemen waarmee zij geconfronteerd wordt op school en in de omgeving van de school. Hierbij worden best leerlingen, personeel, CLB en ouders betrokken, zodat men met een gedragen visie het overleg met politie kan aanvatten.

Het protocol moet tevens voldoende de lokale situatie weerspiegelen: de problematieken waarmee scholen geconfronteerd worden, kunnen verschillen van regio tot regio en van school tot school. Het protocol moet voldoende ingebed zijn in die lokale context.

Het protocol kan afspraken bevatten over:

- het vast aanspreekpunt bij de lokale politie;

- het vast aanspreekpunt bij de school;

- met wie, op welke wijze en wanneer de school contact opneemt ten gevolge van feiten waarbij zij de politie wil inschakelen;

- met wie, op welke wijze en wanneer de politie contact kan opnemen met betrekking tot concrete vragen;

- regelmatig en structureel overleg tussen beide aanspreekpunten;

- ...

1.8. Zijn er voorbeelden van goede praktijken waaruit de meerwaarde van dergelijke samenwerking tussen scholen en lokale politie blijkt?

Er bestaan momenteel op het terrein tal van goede praktijken. Deze initiatieven betreffen veelal maatwerk, aangepast aan de noden en verwachtingen van de betrokken partners. Zoals reeds gesteld gelden de door ons aangehaalde praktijkvoorbeelden dan ook enkel als inspiratie. De voorbeelden in bijlage 3 zijn bijgevolg niet exhaustief.

Op de website www.infozone.be van de Federale Politie, Directie van de Relaties met Lokale Politie (CGL), kan men op de fiches van de respectievelijke politiezones een beknopt overzicht vinden van de ter plaatse genomen initiatieven en maatregelen inzake jeugdcriminaliteit.

2. Afdeling II. De verhouding tussen school/CLB-Dienst voor de Veiligheid van de Staat.

De federale dienst voor de veiligheid van de staat kan, binnen de opdrachten die haar bij de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst zijn toegekend, in het kader van een lopend onderzoek een beroep doen op de discrete medewerking van een schoolbestuur, centrumbestuur, school of CLB.

Indien een schoolbestuur, centrumbestuur, school of CLB gevat wordt door een dergelijke vraag van de dienst voor de Veiligheid van de Staat, en hierbij vragen heeft over de aard of draagwijdte van de gevraagde info, kan steeds contact opgenomen worden met de juridische dienst van het Agentschap voor Onderwijsdiensten op het nummer 02/553 65 56.

(1) In bijlage 4 vindt u de eigenlijke omzendbrief; bijlage 5 geeft een overzicht van de resultaten van de evaluatie

(2) Ministeriële Omzendbrief CP 1 van 27 mei 2003 betreffende Community Policing, definitie van de Belgische interpretatie van toepassing op de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niv eaus, B.S. van 09 juli 2003 en PONSAERS, P., VAN BRANTEGHEM, J.M., VANDE SOMPEL, R. en VANDEVENNE, Y., de pijlers van de gemeenschapsgerichte politiezorg in België, Federale Politie, Directie van de Relaties met de Lokale Politie, Brussel, Drukkerij van de Federale Politie, 36 p.

(3) Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Min. Omzendbrief 07/0 3/07 betreffende wetten van 15/05/06 en 13/06/06 betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

(4) B.S. 25 mei 1991

(5) B.S. 25 mei 1991

(6) ANKAERT, E. en PUT, J., Advies Beroepsgeheim en ambtsgeheim in het onderwijs en de CLB’s, met specifieke aandacht voor de vertrouwensleerkracht en de bijstandspersoon. In opdracht van het departement Onderwijs & Vorming, oktober 2007, te raadplegen via: http://www.ond.vlaanderen.be/clb/CLB-medewerker/AG_BG.htm; Nota rondetafel: beroepsgeheim en ambtsgeheim in onderwijs, werkgroep onderwijs-welzijn, oktober 2007, eveneens te raadplegen via http://www.ond.vlaanderen.be/clb/CLB-medewerker/AG_BG.htm.

(7) HERGO staat voor herstelgericht groepsoverleg op school. Deze methodiek is aangewezen in situaties waarbij er nood is aan herstel door de ene partij naar de andere partij toe, bijvoorbeeld bij feiten van geweld. HERGO is een bemiddelingsvorm waarbij niet alleen de dader(s) en slachtoffer(s) aanwezig zijn, maar waarbij zij elk ook hun ?achterban? mogen meebrengen (personen uit hun sociale net werk, die hen kunnen ondersteunen tijdens het proces). Het gehele proces wordt gestuurd door een moderator/bemiddelaar. Tijdens de HERGO op school probeert men samen een oplossing te vinden voor wat er gebeurd is. Meer info vindt u op www.ond.vlaanderen.be/leerplicht/actoren/time-out .

(8) Meldingsplicht= artikel 422 bis strafwetboek.

(9) VAN DEN WYNGAERT, Ch., Strafrecht, Strafprocesrecht en Internationaal strafrecht, Maklu , 2006, 341.

(10) Wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, B.S. 6 juli 1983.

3. Bijlagen.