Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs, wat betreft de natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie

  • goedkeuringsdatum
    18 oktober 2013
  • publicatiedatum
    B.S.10/02/2014
  • datum laatste wijziging
    10/02/2014

De Vlaamse Regering,

Gelet op de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 147;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot wijziging van sommige eindtermen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, wat betreft de natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, bekrachtigd bij het decreet van 11 mei 2012;

Gelet op de aanvraag van 15 februari 2013 van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, in 2140 Borgerhout, tot afwijking op de eindtermen natuurwetenschappen voor de tweede graad algemeen secundair onderwijs;

Gelet op het gemotiveerde positieve advies over de ontvankelijkheid en de gelijkwaardigheid, opgesteld op 5 maart 2013 door enerzijds een commissie van onafhankelijke deskundigen en anderzijds de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 11 oktober 2013;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De aanvraag tot afwijking op de eindtermen van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs, wat betreft de natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, in 2140 Borgerhout, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, is ontvankelijk en de vervangende eindtermen worden gelijkwaardig verklaard.

Art. 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Aanvraag tot afwijking als vermeld in artikel 1

Vervangende eindtermen natuurwetenschappen

Voor de tweede graad aso

Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw

Gitschotellei 188

2140 Borgerhout

Februari 2013

Vervangende eindtermen natuurwetenschappen tweede graad aso van de Federatie Steinerscholen

Aanpassingen op basis van de afspraken met de commissies van inspecteurs en deskundigen en na een tweede controle door diezelfde commissies begin januari.

1 De gemeenschappelijke eindtermen voor de wetenschappen 2e graad (biologie, chemie, fysica)

Gemeenschappelijke eindtermen gelden voor het geheel van de wetenschappen

1. Wetenschappelijke vaardigheden

De leerlingen kunnen :

1. onder begeleiding de volgende aspecten van een onderzoeksmethode gebruiken bij het onderzoek van een natuurwetenschappelijk probleem :

- een onderzoeksvraag hanteren;

- een hypothese of verwachting formuleren;

- met een aangereikte methode een experiment, een meting of een waarneming uitvoeren en daarbij specifiek materiaal correct hanteren;

- onderzoeksresultaten weergeven in woorden, in een tabel of een grafiek;

- uit data, een tabel of een grafiek, relaties en waarden afleiden om een besluit te formuleren.

2. vaardig omgaan met nauwkeurigheid van meetwaarden en wetenschappelijke terminologie, symbolen en SI-eenheden correct gebruiken.

3. productetiketten interpreteren en veilig en verantwoord omgaan met stoffen.

2. Wetenschap en samenleving

De leerlingen kunnen :

4. bij het verduidelijken van duurzaamheidsvraagstukken wetenschappelijke principes hanteren die betrekking hebben op grondstoffenverbruik, energieverbruik, biodiversiteit en het leefmilieu;

5. de natuurwetenschappen als onderdeel van de culturele ontwikkeling duiden en de wisselwerking met de maatschappij op ecologisch, ethisch en technisch vlak illustreren.

2. De vakgebonden eindtermen biologie

De leerlingen kunnen :

B - 1. macroscopische en microscopische observaties en metingen uitvoeren in het kader van experimenteel biologisch onderzoek;

B - 2. biologische samenhangen in schema's en andere ordeningsmiddelen weergeven;

B - 3. met voorbeelden verschillen tussen aangeboren en aangeleerd gedrag illustreren;

B - 4. de bouw, functie en werking beschrijven van :

- het zenuw-zintuigstelsel,

- het hart- en bloedvatenstelsel,

- het lymfestelsel,

- het ademhalingsstelsel,

- het spijsverteringsstelsel,

- het uitscheidingsstelsel,

- het hormonaal stelsel,

- het voortplantingsstelsel;

B - 5. verbanden leggen tussen enkele orgaanstelsels, hun gezonde werking en mogelijke stoornissen, en de fysieke of psychische activiteit van de mens;

B - 6. op het terrein organismen gericht waarnemen en hun habitat beschrijven;

B - 7. bij waargenomen organismen overeenkomsten en verschillen beschrijven en deze organismen in een eenvoudige classificatie plaatsen;

B - 8. enkele voorbeelden geven van interacties tussen organismen :

- en hun omgeving

- van dezelfde soort

- van verschillende soorten;

B - 9. illustreren dat micro-organismen uiteenlopende functies vervullen in de natuur en bij de mens;

B - 10. een eenvoudige materiekringloop en energiedoorstroming in een ecosysteem beschrijven;

B - 11. het begrip ecosysteem omschrijven en het belang van biodiversiteit in ecosystemen aantonen en ze kunnen beide begrippen met voorbeelden illustreren.

3. De vakgebonden eindtermen chemie

De leerlingen kunnen

C - 1. op basis van waargenomen fysische eigenschappen mengsels herkennen als homogeen, heterogeen, als een oplossing, emulsie of suspensie;

C - 2. het begrip verbranding met voorbeelden uitleggen;

C - 3. het oplossen van stoffen in water beschrijven;

C - 4. enkele eigenschappen van de stoffen koolstofmonoxide en koolstofdioxide (koolzuurgas) opnoemen en de voorwaarden voor de vorming omschrijven;

C - 5. het verband uitleggen tussen de fotosynthese en de ademhaling bij de mens;

C - 6. aan de hand van waarnemingen een chemische reactie classificeren als :

- neerslag-, gasontwikkelings- of neutralisatiereactie

- endo-, exo-energetisch;

C - 7. de eigenschappen van de stofklassen van de alcoholen, de carbonzuren, de ethers en de esters opsommen en hun bereiding schematisch weergeven;

C - 8. koolstof en waterstof met enkele eigenschappen beschrijven;

C - 9. aan de hand van de algemene eigenschappen het verschil uitleggen tussen een zuur, een base en een zout;

C - 10. voorbeelden geven van enkele belangrijke zouten, zuren en basen met hun specifieke eigenschappen;

C - 11. de pH-waarde van een oplossing interpreteren en een indicator gebruiken om de pH te meten;

C - 12. op basis van de naam een stof herkennen als zout, zuur of base;

C - 13. in enkele voorbeelden de wetmatigheid verduidelijken waarbij extremen, zoals zuur en base, naar een evenwicht zoeken of vanuit een evenwicht ontstaan.

4. De vakgebonden eindtermen fysica

Warmte

De leerlingen kunnen :

F - 1. aan de hand van proeven en proevenreeksen nieuwe begrippen afleiden, zoals warmtecapaciteit;

F - 2. de faseovergangen beschrijven;

F - 3. de warmte-uitwisseling tijdens faseovergangen kwalitatief hanteren;

F - 4. het begrip specifieke warmtecapaciteit kwalitatief en kwantitatief hanteren;

F - 5. het begrip druk en hydrostatische druk kwalitatief en kwantitatief hanteren;

F - 6. de ideale gaswetten afleiden uit proevenreeksen;

F - 7. de ideale gaswetten in formules uitdrukken en een aantal toepassingen ervan, zoals de koelkast en de ontploffingsmotor, bespreken;

F - 8. de gevormde begrippen uit de warmteleer toetsen aan de concrete werkelijkheid door verschillende technische toepassingen zoals de stoomturbine, het bimetaal, de koelkast, de ontploffingsmotor en de straalmotor te beschrijven.

Elektriciteit

De leerlingen kunnen :

F - 9. aangeven welke elementen essentieel zijn ter verkrijging van een elektrische stroomkring;

F - 10 stroomsterkte als effect tussen spanning en weerstand, de wet van Ohm beschrijven en toepassen;

F - 11. aan de hand van enkele voorbeelden de principes van serie- en parallelschakelingen toepassen.

Kracht en beweging

De leerlingen kunnen :

F - 12. verschillende soorten krachten en hun uitwerking benoemen;

F - 13. het vectorieel karakter van een kracht toelichten;

F - 14. krachten volgens dezelfde en verschillende richtingen samenstellen als resulterende kracht;

F - 15. de begrippen zwaartekracht, veerkracht, gewicht en massadichtheid kwalitatief en kwantitatief hanteren;

F - 16. voor een eenparige rechtlijnige beweging de snelheid berekenen en deze beweging grafisch voorstellen;

F - 17. de eenparig rechtlijnige beweging in verband brengen met afwezigheid of compensatie van krachten;

F - 18. de beweging van een voorwerp beschrijven in termen van positie, snelheid en versnelling (eenparig versnelde beweging);

F - 19. aan de hand van enkele voorbeelden het traagheidsbeginsel benoemen;

F - 20. de specifieke verschillen aangeven tussen de eenparige en de eenparig veranderlijke beweging.

Arbeid, energie en vermogen

De leerlingen kunnen :

F - 21. de begrippen arbeid, energie en vermogen kwalitatief en kwantitatief hanteren;

F - 22. bij energieomzettingen het begrip rendement kwalitatief en kwantitatief hanteren;

F - 23. de wet van behoud van energie formuleren en illustreren met voorbeelden.

* De attitudes zijn met een asterisk gemarkeerd.

MOTIVERING VOOR HET INDIENEN VAN VERVANGENDE EINDTERMEN

NATUURWETENSCHAPPEN

De krachtlijnen van de uitgangspunten van waaruit de nieuwe, door de Vlaamse Regering bepaalde, eindtermen natuurwetenschappen voor de tweede graad aso en de tweede en derde graad bso vertrekken kunnen grosso modo ook gelden voor de Steinerscholen. Toch is het voor de Steinerscholen noodzakelijk om vervangende eindtermen te hanteren omdat anders de horizontale en verticale samenhang van de eigen eindtermen in het gedrang komt. De in 2010 door de Vlaamse Regering aanvaarde vervangende eindtermen natuurwetenschappen vragen om aangepaste nieuwe vervangende eindtermen in de tweede graad. Verder wensen de Steinerscholen ook voor het bso een kleine aanpassing in te dienen.

De consecutieve leer- en ontwikkelingslijn in het geheel van de Steinerpedagogie is in dit kader van essentieel belang. Zo loopt bijvoorbeeld de inhoud van het vak biologie binnen de natuurwetenschappen in één stroom door van de basisschool tot in het secundair onderwijs. In de basisschool ligt in het vak wereldoriëntatie natuur de nadruk meer op plant en dier. In de eerste graad secundair onderwijs ligt de klemtoon meer op de mens. Vanaf de tweede graad komen alle natuurrijken opnieuw aan bod in de verschillende natuurwetenschappelijke vakken en dit met een hoger abstractieniveau.

De Federatie van Steinerscholen huldigt een ontwikkelingsgerichte pedagogie, zoals reeds in de algemene inleiding tot de aanvraag voor vervangende eindtermen van 2010 staat beschreven bij de basisprincipes van de Steinerpedagogie. In die optiek is het gemakkelijk te begrijpen dat leerlingen van de eerste graad secundair onderwijs abstracte begrippen slechts matig beheersen. Jongere kinderen hebben een benadering van de werkelijkheid nodig die aansluit bij hun wijze van begrijpen. Geleidelijk aan kunnen ze meer en meer abstracties aan. In de Steinerpedagogie betekent dit dat men het niveau van abstractie aanpast aan de leeftijd. Dat heeft voor gevolg dat men in de Steinerpedagogie verregaande abstracties pas aanreikt in de tweede en derde graad, als de leerlingen daar meer aan toe zijn. Dat heeft voor gevolg dat aan de ene kant bepaalde inhouden zowel in de eerste graad als later aangepakt worden maar telkens op een aan de leeftijd aangepaste manier : concreter in de eerste graad en steeds abstracter naar mate de leerling ouder wordt.

Een tweede onderscheid tussen de door de Vlaamse Regering bepaalde eindtermen natuurwetenschappen en de vervangende eigen eindtermen van de Federatie Steinerscholen is de manier waarop met het gegeven van de wetenschappelijke methode omgegaan wordt binnen de Steinerpedagogie.

Zoals reeds geargumenteerd in eerdere motiveringen van de eigen vervangende eindtermen, vertrekken de Steinerscholen bij hun wetenschapsonderwijs bij de verschijnselen zelf. Pas na de exacte waarneming en de beschrijving van de verschijnselen, volgt de mogelijke hypothese. Zoals we in de algemene inleiding tot de eigen alternatieve eindtermen van de Steinerscholen in 2010 beschreven, gebruikt de Steinerpedagogie daarbij de fenomenologische beschouwingswijze. Deze werkwijze bevordert bij de leerlingen het inlevingsvermogen en het levendig denken. Ze schept de mogelijkheid om, naast parate kennis, de nodige eerbiedkrachten voor de fenomenen van de natuur en de wetenschappen op te wekken. Deze werkwijze wordt mutatis mutandis ook toegepast in het bso. Hierdoor werkt men op een indirecte manier ook aan vakoverschrijdende eindtermen uit de context Omgeving en Duurzame Ontwikkeling.

TOELICHTING BIJ DE VERVANGENDE EINDTERMEN

Als men de voorgestelde nieuwe eindtermen vergelijkt met de vervangende eindtermen die sinds 1 september 2002 in voege zijn in de Steinerscholen, dan merkt men enige grondige verschillen. De evolutie werd gevolgd die ook de eindtermen van de overheid hebben ondergaan. Men kan een parallel streven opmerken naar een transparanter en bondiger formulering, een streven naar de essentie. Het was de bedoeling om naast (1) de inspiratie vanuit de vernieuwing binnen de eindtermen van de overheid ook (2) via selectie en vaak doeltreffender formulering van de eindtermen van 2002 tot een moderne reeks eindtermen te komen die optimaal kan bijdragen tot de ontwikkeling van een rijk inzicht in de natuurfenomenen. Bij wijze van voorbeeld noemen we hier de expliciete keuze om toch ook de eenparig versnelde beweging reeds te behandelen in de tweede graad opdat de wezenlijke karakteristieken van fysische krachten optimaal zouden worden begrepen.

Anderzijds willen de Steinerscholen bepaalde eindtermen die bij de overheid in de tweede graad geplaatst worden voorbehouden voor de derde graad.

De algemene strekking van de eigen alternatieve eindtermen aso werd wel behouden waardoor de motivering van de eerdere aanvraag nog steeds geldt. Eindterm 1 en 2 zijn identiek aan de eigen specifieke eindtermen 1 en 2.