Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere voorwaarden en procedure om subsidies toe te kennen voor projecten die cultuureducatie van onderwijsinstellingen stimuleren

  • goedkeuringsdatum
    20 juni 2014
  • publicatiedatum
    B.S.01/10/2014
  • datum laatste wijziging
    01/10/2014

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV, artikel X.1;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting, gegeven op 25 april 2014;

Gelet op advies 56.284/1 van de Raad van State, gegeven op 28 mei 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende het Onderwijs XXIV;

2° onderwijsinstelling: de scholen, centra en instellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, de leertijd, het deeltijds kunstonderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds onderwijs, basiseducatie en het hoger onderwijs.

Art. 2.

De Vlaamse Regering subsidieert binnen de beschikbare begrotingskredieten projecten van onderwijsinstellingen die cultuureducatie in het onderwijs stimuleren.

De Vlaamse Regering lanceert twee keer per schooljaar een oproep om een aanvraag in te dienen.

De oproep voor projecten die uitgevoerd worden in de periode die start op 1 september, wordt gelanceerd op 16 november van het voorgaande kalenderjaar of de eerste daaropvolgende werkdag. De oproep vermeldt het maximale budget dat voor deze periode kan worden toegekend.

De oproep voor projecten die uitgevoerd worden in de periode die start op 1 februari, wordt gelanceerd op 16 mei van het voorgaande kalenderjaar of de eerste daaropvolgende werkdag. De oproep vermeldt het maximale budget dat voor deze periode kan worden toegekend.

HOOFDSTUK 2. - Toekenningsvoorwaarden en wijze van toekenning

Art. 3.

Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moet het project :

1° ingediend worden door middel van het volledig ingevulde online aanvraagformulier, dat op de door de Vlaamse Regering aangewezen website beschikbaar gesteld wordt;

2° tijdig ingediend worden, hetzij uiterlijk op 15 mei voor projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 september tot en met 31 januari van het aansluitende kalenderjaar, hetzij uiterlijk op 15 november voor projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 februari tot en met 30 juni van het aansluitende kalenderjaar;

3° volledig uitgevoerd worden hetzij in de periode die start op 1 september en eindigt op 31 januari van hetzelfde schooljaar, hetzij in de periode die start op 1 februari en eindigt op 30 juni van hetzelfde schooljaar;

4° gekoppeld zijn aan het lesgebeuren.

Art. 4.

De bevoegde dienst beoordeelt de projectaanvragen op basis van de criteria, vermeld in artikel 3 van dit besluit, en in artikel X.1 van het decreet van 25 april 2014.

De criteria, vermeld in artikel X.1, eerste lid, vijfde zin, 1°, van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3, 1° tot en met 3°, van dit besluit, zijn ontvankelijkheidcriteria.

De criteria, vermeld in artikel X.1, eerste lid, vijfde zin, 2° tot en met 5°, van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3, 4°, van dit besluit, zijn inhoudelijke criteria.

De ontvankelijke projectaanvragen worden gerangschikt op basis van het totale puntenaantal dat de bevoegde dienst aan het project toekent, op basis van elk van de vijf gelijkwaardige criteria, vermeld in het derde lid. Voor elk van deze criteria kent de bevoegde dienst een score toe van nul tot vier, waarbij :

a. een score van nul betekent dat de projectaanvraag niet beantwoordt aan het criterium in kwestie;

b. een score van een betekent dat de projectaanvraag in beperkte mate beantwoordt aan het criterium in kwestie;

c. een score van twee betekent dat de projectaanvraag in redelijke mate beantwoordt aan het criterium in kwestie;

d. een score van drie betekent dat de projectaanvraag in hoge mate beantwoordt aan het criterium in kwestie;

e. een score van vier betekent dat de projectaanvraag in heel hoge mate beantwoordt aan het criterium in kwestie.

In afwijking van het vierde lid kan voor het criterium vermeld in artikel 3, 4°, van dit besluit, alleen een score nul vermeld in het vierde lid, a., of een score vier vermeld in het vierde lid, d., toegekend worden. De score vier wordt in dit geval toegekend, zodra de projectaanvraag gekoppeld is aan het lesgebeuren.

Een ontvankelijke projectaanvraag die op een of meerdere van de criteria, vermeld in het derde lid, een score nul kreeg, komt niet in aanmerking voor subsidiëring, ongeacht het totale puntenaantal.

Indien de subsidies die beschikbaar werden gesteld voor de periode, vermeld in artikel 2, derde of vierde lid, ontoereikend zijn om alle ontvankelijke projectaanvragen die in aanmerking komen te subsidiëren, worden de subsidies toegekend volgens de rangschikking, vermeld in het vierde lid. Projectaanvragen met dezelfde score worden gerangschikt volgens het tijdstip van indienen, waarbij voorrang verleend wordt aan het project dat het eerst werd ingediend.

De projectaanvragen die omwille van ontoereikende beschikbare kredieten voor de periode geen subsidie kunnen ontvangen wegens een te lage rangschikking, worden afgewezen.

De bevoegde dienst deelt zijn beslissing over de projectaanvragen mee aan de onderwijsinstelling uiterlijk op :

1° 30 juni voor de projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 september tot en met 31 januari van het aansluitende kalenderjaar;

2° 31 januari voor de projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 februari tot en met 30 juni van hetzelfde kalenderjaar.

HOOFDSTUK 3. - Bepaling van het subsidiebedrag en betalingsmodaliteiten

Art. 5.

De subsidie wordt toegekend, voor zover die verantwoord wordt door gemaakte kosten.

Gemaakte kosten kunnen, met behoud van de toepassing van het eerste lid, voor de volgende maximumbedragen worden gesubsidieerd :

1° kostprijs voor samenwerking met de externe partner: maximaal 5.000 euro, voor zover het gaat om andere kosten dan die vermeld worden in punt 2° tot en met 4°;

2° verwerkbaar materiaal door leerlingen, studenten of cursisten: maximaal 1.500 euro;

3° vervoerskosten: maximaal 1.500 euro;

4° toegangsgelden: maximaal 500 euro.

In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de Vlaamse Regering lagere maximale subsidiebedragen bepalen. Ze deelt die maximumbedragen mee in de oproep, vermeld in artikel 2, tweede lid.

Art. 6.

De subsidie wordt uitbetaald na afloop van het project, na voorlegging van :

1° een inhoudelijk verslag waarin de realisaties met betrekking tot de toekenningsvoorwaarden, vermeld in artikel X.1, eerste lid, vijfde zin, 2° tot en met 5°, van het decreet van 25 april 2014 en artikel 3, 4°, van dit besluit, vermeld worden;

2° een financieel verslag dat een overzicht en een beschrijving bevat van alle inkomsten en uitgaven. De beschrijving moet toelaten om vast te stellen of de gedane uitgaven ressorteren onder een van de vier kosten, vermeld in artikel 5, tweede lid.

De documenten, vermeld in het eerste lid, moeten uiterlijk een maand na de geplande einddatum van het project worden ingediend.

De facturen of andere uitgavebewijsstukken worden door de onderwijsinstelling ter beschikking gehouden.

Eventuele inkomsten van het project, worden niet in mindering gebracht van het toe te kennen subsidiebedrag.

Art. 7.

Overeenkomstig artikel 12 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van het Rekenhof, aanvaardt de begunstigde de controle op de uitvoering van het project, vermeld in artikel 2, door de gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse overheid.

Art. 8.

Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van het Rekenhof, zal de begunstigde het bedrag of een gedeelte van de verleende subsidie onmiddellijk terugbetalen als de subsidieverstrekker vaststelt dat de toekenningsvoorwaarden onvolledig, onzorgvuldig, niet of niet op tijd werden vervuld, of als de subsidie werd aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor ze werd verleend.

HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen

Art. 9.

In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt de oproep voor het indienen van projecten die starten op 1 september 2015, gelanceerd op 2 februari 2015.

Art. 10.

De eerste projecten die overeenkomstig dit besluit gesubsidieerd kunnen worden, worden uitgevoerd in de periode die start op 1 september 2015 en eindigt op 31 januari 2016.

Art. 11.

Dit besluit treedt in werking op 2 februari 2015.

Art. 12.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.