Vrijstellingen en alternatieve leercontext

  • referentie
    DKO/2014/03
  • publicatiedatum
    3/10/2014
  • datum laatste wijziging
    03/10/2014
  • wettelijke basis
    het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting “Beeldende kunst”;
  • wettelijke basis
    het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen “Muziek, Woordkunst en Dans”;
  • wettelijke basis
    het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002 betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs.
  • contactpersoon
    Ingrid Leys, 02 553 92 43
  • contactpersoon
    Jos Thys, 02 553 92 27
  • Vrijstellingen
  • EVC
  • Samenwerking met amateurkunsten, arbeidsmarkt

1. Uitgangspunten

Het deeltijds kunstonderwijs is formeel en certificerend onderwijs in de vrije tijd. De leerlingen doorlopen een uitgestippeld curriculum met het oog op het bereiken van vooropgestelde doelen zoals bepaald in de leerplannen of minimumleerplannen. In elk leerjaar volgen ze daartoe bepaalde vakken, het zogenaamde minimumlessenrooster. Per vak leggen de organisatiebesluiten vast hoeveel lestijden de leerlingen eraan moeten besteden.

Heel wat leerlingen hebben een voorgeschiedenis voor ze aan een opleiding beginnen: ze hebben al een opleiding gevolgd in het dko of elders of ze zijn al actief als amateurkunstenaar.

Deze omzendbrief bevat twee mogelijkheden om beter in te spelen op de leerverwachting van de leerling door:

  • verworven competenties te erkennen via een vrijstelling;
  • de combinatie van formeel leren in het dko en leren buiten de academie (bv. in een amateurkunstenvereniging) mogelijk te maken via het systeem van ‘leren in een alternatieve leercontext’.

De recente wijziging van de organisatiebesluiten in 2014 maakt een strikt onderscheid tussen deze twee mogelijkheden.

2. Vrijstelling

2.1. Wat is een vrijstelling?

Een vrijstelling betekent dat de leerling een bepaald vak niet meer moet volgen omdat hij de (minimum)leerplandoelen die erin aan bod komen al eerder of elders bereikt heeft. Er zijn twee mogelijkheden:

  • de leerling heeft recht op een vrijstelling als hij het vak al gevolgd heeft op hetzelfde of een hoger niveau in het onderwijs;
  • de directeur staat de vrijstelling toe op basis van een pedagogische afweging (vrijstelling als gunst).

2.2. Recht op vrijstelling

2.2.1. Principe

Een leerling die een vak al gevolgd heeft in het deeltijds kunstonderwijs (bv. als hij herinstroomt in een andere opleiding die een vak bevat dat hij vroeger al volgde), het secundair onderwijs of het hoger onderwijs krijgt voor een aantal vakken automatisch vrijstelling.

Voor herinstromers maakt het niet uit of de leerling het vak in dezelfde of in een andere academie heeft gevolgd.

De leerling legt een studiebewijs (diploma, getuigschrift) voor waaruit blijkt dat hij geslaagd was voor de opleiding in haar geheel of het vak in kwestie. Leerlingen met een buitenlands studiebewijs moeten eerst gelijkwaardigheid aanvragen bij NARIC-Vlaanderen.

De leerling hoeft dit recht niet op te nemen, hij kan ervoor kiezen om het vak om de één of andere reden toch te volgen. De academie moet de leerling wel correct informeren op het moment dat hij zich inschrijft, bv. refereren aan een passage hierover in het schoolreglement.

2.2.2. Welke vakken?

In de studierichting beeldende kunst komen alle vakken in aanmerking. In de studierichting muziek de vakken ‘algemene muzikale vorming’ en ‘muziekcultuur/volksmuziek’, in de studierichting woordkunst het vak ‘repertoirestudie woordkunst’, in de studierichting dans het vak ‘theorie van de dans’.

Voor andere vakken die de leerling al eerder of elders gevolgd heeft, kan een leerling eveneens vrijstelling krijgen, maar niet automatisch, enkel op basis van goedkeuring van de directeur. Dit is een vrijstelling om ‘pedagogische redenen’ (zie hieronder).

2.3. Vrijstelling om pedagogische redenen

De directeur kent de vrijstelling toe als zij/hij van oordeel is dat de leerling de (minimum)leerplandoelen bereikt heeft. De directeur maakt een pedagogische afweging op basis van de voorgeschiedenis van de leerling, de inschatting van de leerkrachten, enz. De directeur kan aan de inspectie advies vragen met het formulier FORM003123 vóór 15 oktober.

Leerlingen die herinstromen hebben vaak al een aantal vakken gevolgd. Voor vakken die geen automatisch recht op vrijstelling geven, bekijkt de directeur in hoeverre de invulling van het vak in de eerder gevolgde opleiding verschilt met de invulling in de opleiding die leerling nu gaat volgen.

Bv. een leerling volgde eerst de optie instrument altsaxofoon in de middelbare graad. Hij start opnieuw in de optie ‘instrument jazz en lichte muziek’ voor het instrument saxofoon. De leerling krijgt geen vrijstelling voor het vak ‘algemene muziekcultuur’ omdat de invulling die de leerkrachten geven aan de leerplandoelen in de twee opties sterk verschilt.

Bv. een leerling volgde eerst het instrument ‘basgitaar’ in de optie ‘instrument jazz en lichte muziek’ en stroomt opnieuw in voor het instrument ‘contrabas’ in dezelfde optie. De leerling krijgt een vrijstelling voor het vak ‘ensemble’ omdat de directeur van mening is dat leerling met zijn nieuwe instrument dezelfde functie in het ensemble opneemt en dus de leerplandoelen verworven heeft.

Leerling kunnen uiteraard buiten het dko of zelfs buiten het formele onderwijs competenties verwerven die in rekening gebracht kunnen worden voor een vrijstelling.

Bv. een leerling speelt al jarenlang in een amateurbigband met een hoog niveau waarmee hij geregeld concertreizen naar het buitenland onderneemt. De leerling schrijft zich in voor trombone in de optie jazz en lichte muziek en komt op basis van een toelatingsperiode meteen terecht in de hogere graad. Voor het vak ‘ensemble’ krijgt de leerling een vrijstelling omdat hij alle leerplandoelen bereikt heeft.

Het attest, d.w.z. de schriftelijke motivering van de vrijstelling, wordt in de academie bewaard.

2.4. Financiering van leerlingen met vrijstelling

Leerlingen die een vak niet volgen omdat ze een gedeelte van de (minimum)leerplandoelen al verworven hebben, leveren geen volle omkadering op. Er zijn specifieke aanwendingspercentages van toepassing.

Studierichting en graad  

aanwendings% voor volledige opleidingen  

aanwendings% voor opleiding met vrijstelling(en)  

Beeldende kunst middelbare en hogere graad  

92% 

85%  

Beeldende kunst specialisatiegraad  

95%  

85%  

Muziek middelbare graad  

92%  

70%  

Muziek hogere graad  

100%  

70%  

Woordkunst middelbare graad  

95%  

70%  

Woordkunst hogere graad  

100%  

70%  

Dans middelbare en hogere graad  

100%  

70%  

De aangepaste aanwendingspercentages gelden niet in de Brusselse instellingen voor muziek, woordkunst en dans.

3. Leren in een alternatieve leercontext

3.1. Concept

Net als leerlingen die in het volwassenonderwijs of secundair onderwijs stage lopen om in een reële arbeidscontext competenties te verwerven (cf. werkplekleren), kunnen dko-leerlingen erbij gebaat zijn om voor een deel van hun opleiding buiten de academiemuren leerervaringen op te doen. De leerlingen kunnen hun verworven competenties in de praktijk inzetten en worden tegelijk vertrouwd met de cultuur en waarden en normen van een bedrijf of organisatie.

De samenwerking wil eveneens de doorstroom van afgestudeerde dko-leerlingen naar een maatschappelijke context waarin zij als kunstbeoefenaar aan de slag kunnen, bevorderen, bv. amateurkunstvereniging, bedrijf, zelfstandige kunstenaarspraktijk.

‘Leren in alternatieve leercontext’ is geen vrijstelling, de academie behoudt als onderwijsinstelling - net als bij werkplekleren - de eindverantwoordelijkheid over het leerproces van de leerling. De academie volgt de leerling effectief op in zijn leerproces buiten de academie en zal daarvoor instrumenten ontwikkelen en acties ondernemen. Net als in andere onderwijsniveaus zal de overheid er (o.a. via de inspectie) op toezien dat de kwaliteit van de opleiding gewaarborgd blijft.

3.2. Welke context is geschikt?

3.2.1. Welke contexten komen in aanmerking?

De regelgeving bepaalt niet hoe die leeromgeving er moet uitzien en welke organisaties al of niet in aanmerking komen. Elke maatschappelijke context waar de leerling kennis, vaardigheden en attitudes zoals beschreven in de (minimum)leerplannen kan inzetten of verwerven, komt in aanmerking. Dat kan zowel een amateur-, professionele of semi-professionele context zijn. Voorop staat dat het een leeromgeving is die een meerwaarde vormt voor het leerproces van de leerling.

Voorbeelden van alternatieve leercontexten voor leerlingen podiumkunsten: koor, harmonieorkest, hedendaags dansgezelschap, theaterproductie van een kunstencentrum in samenwerking met plaatselijke amateurs, toneelvereniging, enz.

Voorbeelden van alternatieve leercontexten voor leerling beeldende kunst: bedrijf dat gespecialiseerd is in restauratie van historische glasramen, meubelrestaurateur, atelier van een keramist, bureau van een grafisch ontwerper, kunstencentrum, enz.

De leerling kan deelnemen aan de reguliere werking van de organisatie van het bedrijf of hij kan meewerken aan een specifiek project: bv. een bepaalde theaterproductie, de opbouw van een bepaalde tentoonstelling.

Opleidings- en vormingsactiviteiten van andere opleidingsverstrekkers, zowel private initiatieven als publieke, komen niet in aanmerking als alternatieve leercontext. Opleidingen en lessenreeksen van dansscholen, jeugdmuziekateliers enz. zijn bijgevolg uitgesloten. Amateurkunstverenigingen organiseren naast hun artistieke werking vaak ook educatieve activiteiten voor hun leden, bv. lessen notenleer. Dergelijke activiteiten vallen buiten de scope van ‘leren in alternatieve leercontext’, de artistieke werking, bv. de repetitie van het orkest, kan wel.

Getalenteerde leerlingen die met het oog op doorstroom al les willen volgen in het hoger kunstonderwijs (bv. conservatorium) kunnen gebruik maken van de mogelijkheden die de instelling voor hoger kunstonderwijs daarvoor biedt.

3.2.2. Kwaliteit van de alternatieve leercontext

3.2.2.1. Gedeelde verantwoordelijkheid

Zowel de academie als de organisatie die de leercontext aanreikt zijn verantwoordelijk voor het leerproces. Met het oog op een kwalitatieve leeromgeving is het aangewezen dat er een structurele werking plaats vindt en De verantwoordelijke van de leercontext een engagement wil opnemen om een aanspreekpunt te zijn waarmee de academie de nodige afspraken kan maken.

3.2.2.2. Toetsingsinstrument

De academie beslist in hoofde van de directeur of zij een leercontext geschikt vindt om de beoogde kennis, vaardigheden en attitudes te verwerven. Om die inschatting op een objectieve en systematische manier te maken, gebruikt de academie een eigen toetsingsinstrument.

Het toetsingsinstrument wordt gevalideerd door de inspectie. De academie bezorgt het instrument elektronisch aan de bevoegde inspecteur. Het instrument wordt ten laatste één maand voor de academie een eerste toetsing van de leercontextvoorgelegd.

Hoe de academie het instrument daarna gebruikt, moet niet gerapporteerd worden. Bij een doorlichting kan de inspectie wel vragen stellen over hoe de academie de toets uitvoert.

3.2.3. Welke leerlingen en welke vakken?

In principe komen alle leerlingen en alle vakken in aanmerking. Het spreekt vanzelf dat de leerling een leeftijd bereikt heeft waarop hij een zekere zelfstandigheid verworven heeft. De regelgeving bepaalt dat het om vakken moet gaan waarin ‘kennis, vaardigheden of attitudes’ geïntegreerd verworven worden. Voorbeelden van dergelijke vakken zijn: specifiek atelier, samenspel, koor, directie vocale muziek, artistieke training, toneel enz.

De academie kan over concrete vakken advies inwinnen bij de pedagogische begeleidingsdiensten.

3.3. Omvang: studiebelasting en inhoud

Leren in een alternatieve leercontext wordt geregeld per schooljaar en kan een vak volledig vervangen waardoor de leerling alle lessen van september tot juni vervangt door activiteiten in de leercontext. In dat geval is het de bedoeling dat de leerling alle (minimum)leerplandoelen zoals ze vertaald zijn naar het jaarplan van dat leerjaar verwerft.

Het is ook mogelijk dat de leerling voor een beperkte periode leert in een alternatieve leercontext en zich toespitst op bepaalde facetten van het artistieke proces, bv. opbouwen van een tentoonstelling. De leerling bereikt dan uiteraard niet alle in de opleiding vooropgestelde doelen in de alternatieve leercontext.

Het is aangewezen dat de tijdinvestering van de leerling de studiebelasting van de onderwijs- en leeractiviteiten in de academie benadert.

3.4. Procedure

3.4.1. Mogelijkheid tot ondersteuning van de pedagogische begeleidingsdiensten

Het mogelijk maken van leren in een alternatieve leercontext kan de leerling heel wat voordelen opleveren. Voor de academie vormt deze maatregel een uitdaging waarbij heel wat inhoudelijke en organisatorische vragen kunnen rijzen. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen uw academie helpen bij specifieke knelpunten of vragen of ze kunnen een langer ondersteuningstraject uitwerken om uw team te ondersteunen bij het realiseren van deze maatregel.

hoofd van de pedagogische begeleidingsdienst van het GO!: Saskia Lieveynssaskia.lieveyns@g-o.be

coördinator pedagogische begeleidingsdienst dko bij OVSG: Hans Laureyn

hans.laureyn@ovsg.be

3.4.2. Voorafgaande stappen

3.4.2.1. Motivering

‘Leren in een alternatieve leercontext’ is geen recht van de leerling. De directeur moet schriftelijke toestemming geven. De directeur schrijft in dat geval een motivering waarom zij/hij ‘leren in een alternatieve leercontext’ een meerwaarde vindt voor het leerproces van de leerling. Elementen in die motivering kunnen zijn:

  • de kwaliteitstoets van de leercontext in kwestie;
  • de activiteiten waaraan de leerling zal deelnemen in relatie tot de te verwerven (minimum)leerplandoelen;
  • eerdere positieve ervaringen in de samenwerking met de organisatie, de verantwoordelijke enz.

‘Leren in een alternatieve leercontext’ is evenmin een verplichting die aan alle leerlingen opgelegd kan worden.

3.4.2.2. Afsprakenkader

Om de opvolging van het leerproces te garanderen, maar ook om aspecten m.b.t. veiligheid van de leeromgeving en verzekering te regelen, worden er afspraken gemaakt met alle betrokkenen: de directeur, de leerkracht van het vak in kwestie, de verantwoordelijke van de leercontext en de leerling zelf. Er moet ook afgesproken worden aan welke activiteiten de leerling precies zal deelnemen en het tijdstip en de plaats waar ze plaatsvinden. Ook over de opvolging van de aan- en afwezigheid van de leerling moeten er afspraken gemaakt worden. De schriftelijke en ondertekende neerslag van die afspraken vormt het afsprakenkader voor het ‘leren in een alternatieve leercontext’.

De modaliteiten voor de ontwikkeling van het afsprakenkader en de organisatie van de evaluatie van deze leerlingen worden geagendeerd in het lokaal comité.

3.4.2.3. Specifieke aandachtspunten voor leren in arbeidscontext

Leerlingen die in het kader van leren in een alternatieve leercontext in een bedrijf of bij een zelfstandige arbeidsprestaties leveren, vallen onder het KB van 21 september 2004 betreffende de bescherming van stagairs.

De bijlage 1 bij de omzendbrief SO/2002/9 geeft een overzicht van de welzijnsverplichtingen die nagekomen moeten worden.

3.4.3. Opvolging van het leerproces

De verantwoordelijke van de leercontext engageert zich om:

  • de kwaliteit van de leercontext zoals blijkt uit de kwaliteitstoets van de academie te blijven handhaven in de loop van het leerproces;
  • de leerling op structurele basis te begeleiden in zijn leerproces. De verantwoordelijke kan zelf die rol opnemen of kan een mentor of coach aanduiden die de leerling wegwijs maakt in de organisatie, inhoudelijke feedback geeft, informatie bijhoudt in functie van terugkoppeling naar de academie.

De eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leerproces blijft bij de academie liggen. Tijdens het leerproces zal de academie geregeld de leerling ter plekke observeren en overleg plegen met de leerling, de verantwoordelijke van de leercontext, de mentor of coach.

3.4.4. Evaluatie van het leerproces

Het volstaat niet om enkel de balans op te maken van hoe de leerling en andere betrokkenen het ‘leren in een alternatieve leercontext’ ervaren hebben. De academie moet nagaan of de leerling alle vooropgestelde doelen effectief bereikt heeft. De leerling is verplicht om aan evaluatieactiviteiten die de academie hiervoor organiseert, deel te nemen. Dat kunnen proeven zijn of andere evaluatie-activiteiten indien de academie gekozen heeft voor het in de praktijk brengen van een eigen visie op evalueren (zie omzendbrief dko/2014/03 Leerlingen evalueren in het deeltijds kunstonderwijs ).