Besluit van de Vlaamse Regering betreffende verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen in de internaten van het Gemeenschapsonderwijs tijdens de transitiefase

  • goedkeuringsdatum
    21 november 2014
  • publicatiedatum
    B.S.14/01/2015
  • datum laatste wijziging
    14/01/2015

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, artikel 33, § 1, 2° en 9°;

Gelet op het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, artikel 56ter, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005 en gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006, 15 juni 2007 en 22 juni 2007;

Gelet op het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs-III, artikel 29 en artikel 29/3, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 mei 1992 betreffende de opvangcentra;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 1997 tot vaststelling van het percentage van de aanwending op de urenpaketten in de opvangcentra van het Gemeenschapsonderwijs voor het schooljaar 1997-1998;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1999 betreffende een geïntegreerde economische boekhouding en budgettaire rapportering voor de scholengroepen en het centrale niveau van het gemeenschapsonderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 augustus 2000 inzake het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003 tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 betreffende de toekenning van een niet-verworven salarisschaal aan personeelsleden die houder zijn van een getuigschrift of diploma buitengewoon onderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende bepaalde aspecten van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde personeelsleden van het onderwijs die opnieuw in actieve dienst treden of prestaties leveren die als overwerk of bijbetrekking worden beschouwd;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting, gegeven op 19 juni 2014;

Gelet op protocol nr. 160 van 8 juli 2014 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in het sectorcomité X;

Gelet op advies 56.611/1/V van de Raad van State, gegeven op 28 augustus 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Gelet op het voorstel van het Gemeenschapsonderwijs van 19 september 2014;

Overwegende dat in de Motie van de dames Kathleen Deckx, Kathleen Helsen, Helga Stevens, Else De Wachter en Danielle Godderis-T'Jonck, de heer Jos De Meyer en Mevr. Katrien Schryvers tot besluit van het op 3 oktober 2012 in plenaire vergadering gehouden actualiteitsdebat over de onderfinanciering van de internaten voor buitengewoon onderwijs en de opvangcentra in het Gemeenschapsonderwijs (GO!) aan de regering gevraagd wordt om de overheveling van de medisch-pedagogische instituten van het Gemeenschapsonderwijs (MPIGO) naar het beleidsdomein Welzijn onmiddellijk te regelen met de bijbehorende omkadering en werkingsmiddelen en een duidelijke positionering te bepalen van de betreffende instellingen in het welzijnslandschap;.

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° begeleiding: breedsporige ondersteuning;

2° herplaatsingscommissie: commissie vermeld in artikel 9;

3° internaat: een medisch-pedagogisch instituut van het Gemeenschapsonderwijs, een instituut voor buitengewoon secundair onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs of een autonoom internaat buitengewoon onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs;

4° schoolvrije dag: iedere dag waarop er geen onderwijsactiviteiten in de school georganiseerd worden, de vooravond ervan en de ochtend erna;

5° verblijf: een aangepaste woon- en leefomgeving onder toezicht en begeleiding van een personeelslid.

HOOFDSTUK 2. - Organisatie van verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen in de internaten van het Gemeenschapsonderwijs

Art. 2.

Voor de organisatie van verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen in de internaten van het Gemeenschapsonderwijs stelt de Vlaamse Regering jaarlijks de volgende middelen ter beschikking :

1° 7.515 omkaderingsuren, ten laste van de begroting Onderwijs;

2° 350.000 euro, ten laste van de begroting Welzijn, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

Art. 3.

§ 1. De volgende internaten van het Gemeenschapsonderwijs organiseren verblijf en begeleiding voor hun interne leerlingen tijdens de schoolvrije dagen :

1° MPI Neder-over-Heembeek;

2° MPI Sint-Niklaas;

3° AIBOGO Gavere;

4° MPI Kortrijk;

5° MPI Oostende;

6° MPI Lommel;

7° MPI Koksijde;

8° MPI s`-Gravenwezel.

De internaten van het Gemeenschapsonderwijs die verblijf en begeleiding voor hun interne leerlingen tijdens de schoolvrije dagen organiseren kunnen ook "internaat met permanente openstelling" genoemd worden.

§ 2. De Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs en de Vlaamse minister bevoegd voor Welzijn sluiten, per internaat met verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen, met de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken scholengroep van het Gemeenschapsonderwijs een beheersovereenkomst voor maximaal drie jaar. De beheersovereenkomst kan, na opgave van de bereikte resultaten, geactualiseerd worden.

De beheersovereenkomst, vermeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende elementen :

1° de capaciteit en de doelgroep;

2° de wijze waarop wordt deelgenomen aan de werkgroep die de transitie inhoudelijk mee opvolgt;

3° het toegekende aandeel van de omkaderingsuren, vermeld in artikel 2, en de inzet ervan;

4° het toegekende aandeel van de geldelijke middelen, vermeld in artikel 2, en de inzet ervan;

5° de wijze waarop :

a) de invulling van de module verblijf en de gefaseerde invulling van de module begeleiding vorm krijgen;

b) gevolg wordt gegeven aan de aanbevelingen van het gecoördineerde rapport over de nulmetingen en in voorkomend geval de nulmeting van het voormalige opvangcentrum;

c) gefaseerd voldaan wordt aan de bepalingen, vermeld in het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen en het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp;

6° een verbintenis dat de voorziening zich op geregelde tijdstippen openstelt en meewerkt aan het toezicht door Onderwijs- en Zorginspectie;

7° de samenwerkingsverbanden met voorzieningen binnen de integrale jeugdhulp, in het bijzonder behorend tot het agentschap Jongerenwelzijn en het agentschap voor personen met een handicap.

De werkgroep vermeld in het tweede lid, 2°, bestaat uit vertegenwoordigers van :

1° het Gemeenschapsonderwijs

2° de betrokken scholengroepen

3° de betrokken ministers

4° het Departement Onderwijs en Vorming

5° het Agentschap voor Onderwijsdiensten

6° het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

7° het agentschap Jongerenwelzijn

8° het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap

HOOFDSTUK 3. - Omkadering

Art. 4.

Binnen de omkaderingsuren, toegekend conform artikel 3, tweede lid, kunnen in een internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet, de volgende ambten worden georganiseerd :

1° in de categorie van het opvoedend hulppersoneel :

a) wervingsambt: studiemeester-opvoeder internaat;

b) selectieambt: geen;

c) bevorderingsambt: hoofdopvoeder;

2° in de categorie van het paramedisch en sociaal personeel :

a) wervingsambt: verpleger, kinderverzorger, kinesitherapeut, ergotherapeut, maatschappelijk werker;

b) selectieambt: geen;

c) bevorderingsambt: geen;

3° in de categorie van het psychologisch en medisch personeel :

a) wervingsambt: orthopedagoog, psycholoog;

b) selectieambt: geen;

c) bevorderingsambt: geen.

4° in de categorie van het administratief personeel :

a) wervingsambt: rekenplichtig correspondent, opsteller;

b) selectieambt: eerstaanwezend rekenplichtig correspondent;

c) bevorderingsambt: geen.

Art. 5.

De omkaderingsuren toegekend conform artikel 3, tweede lid, moeten als volgt worden aangewend :

1° in eerste instantie voor de personeelsleden die op 30 april 2015 aangesteld zijn als vastbenoemd personeelslid, of die tot de proeftijd toegelaten waren of die tijdelijk aangesteld waren in een vacante betrekking in een opvangcentrum zodat ze vanaf 1 september 2015 een betrekking kunnen opnemen in hetzelfde ambt en voor hetzelfde volume in een internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet;

2° in tweede instantie kunnen de uren die nog niet zijn aangewend, worden aangewend voor het oprichten van nieuwe betrekkingen.

Art. 6.

§ 1. In een volledige betrekking moeten gepresteerd worden :

1° 1.334 uren per jaar :

- studiemeester-opvoeder Internaat;

- hoofdopvoeder;

- maatschappelijk werker;.

2° 1.205 uren per jaar :

- verpleger;

- kinderverzorger;

- kinesitherapeut;

- ergotherapeut;

- orthopedagoog;

- psycholoog.

3° 36 uren per week :

- rekenplichtig correspondent;

- eerstaanwezend rekenplichtig correspondent;

- opsteller.

§ 2. Om het aantal te presteren uren vast te stellen voor een ambt met onvolledige prestaties, worden de uren die voor het desbetreffende ambt worden vermeld, pro rata toegepast.

§ 3. De minimumprestatie van een individueel personeelslid bedraagt ten minste 4 aaneensluitende uren.

§ 4. Ieder personeelslid bedoeld in § 1, 1° en 2° heeft recht op 35 prestatievrije dagen en 5 prestatievrije weken per kalenderjaar.

Voor de 5 prestatievrije weken geldt dat ten minste 3 weken opeenvolgend moeten toegekend worden. Deze periode mag evenwel niet vallen tijdens de kerstvakantie of de paasvakantie. Gedurende de zomervakantie kunnen ten hoogste twee opeenvolgende weken als prestatievrij aangevraagd worden. Bij het vastleggen van de prestatievrije dagen en prestatievrije weken van een individueel personeelslid wordt rekening gehouden met de noodwendigheden van de dienst.

§ 5. Een personeelslid in de categorie van het administratief personeel heeft

- tot het jaar waarin het vierenveertig wordt, recht op 30 vakantieverlofdagen per kalenderjaar;

- vanaf het jaar waarin het vijfenveertig wordt tot het jaar waarin het negenenveertig wordt, recht op 31 vakantieverlofdagen per kalenderjaar;

- vanaf het jaar waarin het vijftig wordt, recht op 32 vakantieverlofdagen per kalenderjaar;

- in het jaar waarin het zestig wordt, recht op 33 vakantieverlofdagen;

- in het jaar waarin het eenenzestig wordt, recht op 34 vakantieverlofdagen;

- in het jaar waarin het tweeënzestig wordt, recht op 35 vakantieverlofdagen;

- in het jaar waarin het drieënzestig wordt, recht op 36 vakantieverlofdagen;

- vanaf het jaar waarin het vierenzestig wordt, recht op 37 vakantieverlofdagen per kalenderjaar.

Naast de vakantieverlofdagen zoals bepaald in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op de wettelijke en decretale feestdagen. Een personeelslid dat verplicht wordt prestaties te leveren op een wettelijke of decretale feestdag, heeft, als compensatie voor die dag, recht op een extra vakantieverlofdag.

§ 6. Het instellingshoofd maakt de effectieve prestatieroosters op. Deze worden minstens twee maanden voor de ingangsdatum aan de personeelsleden bekend gemaakt.

Art. 7.

Er wordt een ambtshalve concordantie als vermeld in artikel 56ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, toegekend van :

1° het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum naar het ambt van hoofdopvoeder;

2° het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum naar het ambt van maatschappelijk werker;

3° het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum naar het ambt van orthopedagoog.

Bij de ambtshalve concordanties, vermeld in het eerste lid, geldt het volgende :

1° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling in het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum geldt als kandidaatstelling voor respectievelijk het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

2° de diensten, gepresteerd in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum, het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum, worden beschouwd als gepresteerde diensten in respectievelijk het ambt van hoofdopvoeder, het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

3° de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum geldt als kandidaatstelling voor respectievelijk het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

4° het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum geldt automatisch voor respectievelijk het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

5° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum geldt automatisch voor respectievelijk het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

6° de vacantverklaring en de kandidaatstelling met het oog op een vaste benoeming in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum, het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum worden geacht te hebben plaatsgevonden in respectievelijk het ambt van hoofdopvoeder, het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

7° wie vast benoemd is in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum, het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum, is automatisch vast benoemd voor respectievelijk het ambt van hoofdopvoeder, het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

8° de vacantverklaring en de kandidaatstelling met het oog op mutatie in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum, het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum, worden geacht te hebben plaatsgevonden in respectievelijk het ambt van hoofdopvoeder, het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

9° de kandidaatstelling voor de toelating tot de proeftijd in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum geldt als kandidaatstelling voor het ambt van hoofdopvoeder;

10° wie terbeschikking gesteld was wegens ontstentenis van betrekking voor het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum, het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum, is dat automatisch voor respectievelijk het ambt van hoofdopvoeder, het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog;

11° wie gereaffecteerd of wedertewerkgesteld was in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum, het ambt van maatschappelijk werker in een opvangcentrum of het ambt van orthopedagoog in een opvangcentrum, is dat automatisch in respectievelijk het ambt van hoofdopvoeder, het ambt van maatschappelijk werker of het ambt van orthopedagoog.

HOOFDSTUK 4. - Herplaatsing van het personeel

Art. 8.

In dit hoofdstuk wordt het begrip dienstanciënniteit gedefinieerd zoals bepaald in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

Art. 9.

De herplaatsingscommissie heeft de volgende bevoegdheden :

1° ze legt de nominatieve lijst vast van de personeelsleden die op 30 april 2015 aangesteld zijn als vastbenoemd personeelslid of tot de proeftijd toegelaten waren of die tijdelijk aangesteld waren in een vacante betrekking in een opvangcentrum of die tijdelijk aangesteld waren in een niet-vacante betrekking in een opvangcentrum en die op 1 september 2015 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerven;

2° ze regelt de herplaatsing van de vastbenoemde, de tot de proeftijd toegelaten en de tijdelijke personeelsleden in een vacante betrekking opgenomen op de lijst bepaald in punt 1° voor de volledige opdracht waarvan ze titularis zijn op 30 april 2015.

Art. 10.

§ 1. De herplaatsingscommissie voert de herplaatsingen door in drie fasen als vermeld in paragraaf 2 tot en met 4.

De betrokken personeelsleden maken hun eerste, tweede en derde keuze voor een herplaatsing kenbaar. Het personeelslid mag de keuzes beperken tot die internaten die bereikbaar zijn binnen de grenzen vastgelegd in de reglementering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

§ 2. In de eerste fase herplaatst de herplaatsingscommissie de vastbenoemde personeelsleden. Bij die toewijzing houdt de herplaatsingscommissie rekening met :

1° de personeelsformatie van de internaten van het Gemeenschapsonderwijs die voorzien in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen;

2° de vacante betrekkingen;

3° de grootste dienstanciënniteit en bij gelijke dienstanciënniteit de grootste ambtsanciënniteit van het betrokken personeelslid;

4° de eerste keuze van het personeelslid.

§ 3. De vastbenoemde personeelsleden die tijdens de eerste fase geen herplaatsing gekregen hebben, en de tijdelijke personeelsleden zullen in een tweede fase een herplaatsing toegewezen krijgen. In die fase houdt de herplaatsingscommissie rekening met respectievelijk de eerste, tweede en derde keuze van het personeelslid en de volgende criteria :

1° de personeelsformatie van de internaten van het Gemeenschapsonderwijs die voorzien in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen;

2° de vacante betrekkingen;

3° de statutaire toestand van de betrokken personeelsleden, waarbij voorrang wordt gegeven aan, in de onderstaande volgorde :

a) vastbenoemde personeelsleden;

b) tijdelijke personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur;

c) tijdelijke personeelsleden aangesteld voor bepaalde duur;

4° de grootste dienstanciënniteit en bij gelijke dienstanciënniteit de grootste ambtsanciënniteit van het betrokken personeelslid.

Voor de vastbenoemde personeelsleden en de personeelsleden die toegelaten zijn tot de proeftijd, wordt de herplaatsing beschouwd als een reaffectatie of wedertewerkstelling.

In afwijking van het eerste lid blijven de vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten personeelsleden aangesteld in hun internaat van oorsprong dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet met toepassing van artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.

§ 4. Als er na de tweede fase nog vastbenoemde personeelsleden niet geplaatst zijn, worden die in een derde fase toegewezen aan het internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen waar ze op 1 september zijn geaffecteerd. Dat wordt beschouwd als een reaffectatie of wedertewerkstelling.

§ 5. Op het ogenblik dat er zich een vacante betrekking voordoet in een internaat van eerste keuze dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet, wordt aan het vastbenoemd personeelslid dat niet kon worden toegewezen aan de instelling van eerste keuze, deze betrekking aangeboden. Het betreffende personeelslid dat de aangeboden betrekking aanvaardt, wordt herplaatst in deze betrekking, rekening houdend met de bepalingen van paragraaf 2.

§ 6. De herplaatsingscommissie kan een afwijkend aanbod doen als de keuze van het vastbenoemde personeelslid niet kan worden ingewilligd.

De herplaatsingscommissie kan een afwijkend aanbod doen als de keuze van het tijdelijke personeelslid niet kan worden ingewilligd, om te vermijden dat het tijdelijke personeelslid wordt ontslagen.

De herplaatsingscommissie kan daarbij ook afwijken van de grenzen vastgelegd in de reglementering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

§ 7. De herplaatsingscommissie deelt de herplaatsing aan het betrokken personeelslid mee met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs.

§ 8. Het personeelslid kan binnen een termijn van vijf werkdagen vanaf de ontvangst van de toewijzing met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de herplaatsingscommissie.

Het bezwaarschrift schort de herplaatsing niet op.

De herplaatsingscommissie behandelt het bezwaarschrift binnen een termijn van vijf werkdagen vanaf de ontvangst van de aangetekende brief.

De herplaatsingscommissie kan het personeelslid een andere toewijzing geven als ze van oordeel is dat het bezwaarschrift voldoende motiveert dat de criteria vastgelegd in de paragrafen 2 tot en met 4 niet gerespecteerd zijn.

§ 9. De wedertewerkstelling als administratieve hulp wordt bestendigd voor de personeelsleden die zich op 30 april 2015 in die toestand bevinden.

Art. 11.

De herplaatsingscommissie legt de verdere werkwijze vast in een huishoudelijk reglement en deelt die mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Er wordt minimaal vastgelegd dat de commissie haar bevoegdheden uitoefent in onderling overleg en daarbij naar consensus streeft.

Art. 12.

De herplaatsingscommissie omvat maximaal twaalf leden en wordt paritair samengesteld. Ze bestaat uit vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve vakorganisaties. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs wijst een voorzitter en een secretaris aan die bijkomend aan de herplaatsingscommissie worden toegevoegd . In geval van staking van stemmen, neemt de voorzitter een beslissing. Hij mag hierbij afwijken van het voorliggende voorstel. De secretaris heeft geen stem. De secretaris staat in voor de verslaggeving en ziet samen met de voorzitter toe op het correct verloop van de werkzaamheden.

Art. 13.

De herplaatsingscommissie legt jaarlijks bij het beëindigen van de werkzaamheden een verslag neer bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs waarin minimaal de doorgevoerde herplaatsingen van de betrokken personeelsleden zijn opgenomen.

Art. 14.

Als een vacante betrekking ontstaat, wordt ze ingevuld door een personeelslid met toepassing van artikel 10, paragraaf 5. Indien de vacante betrekking niet kan worden ingevuld door een personeelslid dat wordt herplaatst met toepassing van artikel 10, paragraaf 5, dan kan de vacante betrekking worden ingevuld door een tijdelijk personeelslid.

HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen

Art. 15.

In artikel 16, paragraaf 1, A, a) 2°, c) 2° en B, a) 2° van het Koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt het woord "opvangcentrum" telkens vervangen door "internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen".

Art. 16.

In artikel 15 van het Koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt het woord "opvangcentrum" vervangen door "internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen".

Art. 17.

In artikel 2 en 45 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage wordt het woord "opvangcentra" telkens vervangen door "internaten van het Gemeenschapsonderwijs die voorzien in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen".

Art. 18.

In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1999 betreffende een geïntegreerde economische boekhouding en budgettaire rapportering voor de scholengroepen en het centrale niveau van het gemeenschapsonderwijs wordt het woord "opvangcentrum" vervangen door "internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen".

Art. 19.

In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 augustus 2000 inzake het tehuis van het Gemeenschapsonderwijs dat instaat voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling wordt de zinsnede "regering van 13 mei 1992 betreffende de opvangcentra" vervangen door de zinsnede "Regering van 21 november 2014 betreffende verblijf en begeleiding tijdens de schoolvrije dagen in de internaten van het Gemeenschapsonderwijs".

Art. 20.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 betreffende de toekenning van een niet-verworven salarisschaal aan personeelsleden die houder zijn van een getuigschrift of diploma buitengewoon onderwijs wordt het woord "opvangcentrum" vervangen door "internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen".

Art. 21.

In artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende bepaalde aspecten van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde personeelsleden van het onderwijs die opnieuw in actieve dienst treden of prestaties leveren die als overwerk of bijbetrekking worden beschouwd wordt het woord "opvangcentrum" vervangen door "internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen".

HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 22.

De volgende regelingen worden opgeheven :

1° het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 mei 1992 betreffende de opvangcentra gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, 30 september 2005, 15 mei 2009 en 5 februari 2010;

2° het Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 1997 tot vaststelling van het percentage van de aanwending op de urenpakketten in de opvangcentra van het Gemeenschapsonderwijs voor het schooljaar 1997-1998;

3° artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 januari 2003 tot vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs.

Art. 23.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2015, met uitzondering van artikel 8 tot en met 13, die in werking treden op 1 april 2015.

Art. 24.

De Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs en de Vlaamse minister bevoegd voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en Brussel zijn belast met de uitvoering van dit besluit.