Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 2 en van de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    05 juni 2015
  • publicatiedatum
    B.S.19/08/2015
  • datum laatste wijziging
    01/09/2015

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 44, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 27 juli 1997;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 16 januari 2015;

Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 25 februari 1997;

Gelet op advies 57.476/1 van de Raad van State, gegeven op 27 mei 2015 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 2.

In de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 15 juli 1997, 15 december 2006 en 13 februari 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de "ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie" worden vervangen door de ontwikkelingsdoelen, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd; 2° de "eindtermen wereldoriëntatie" worden vervangen door de eindtermen, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 3.

Artikel 2 treedt in werking op 1 september 2015.

Art. 4.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE 1 - Ontwikkelingsdoelen als vermeld in artikel 2, 1°

ONTWIKKELINGSDOELEN WETENSCHAPPEN EN TECHNIEK

1. Natuur

Algemene vaardigheden

De kleuters

1.1. kunnen verschillen onderscheiden in geluid, geur, kleur, smaak en voelen;

1.2. tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur;

1.3. kunnen met hulp van een volwassene, eenvoudige bronnen hanteren om meer te weten te komen over de natuur.

Levende en niet-levende natuur

De kleuters

1.4. kunnen organismen en gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gevonden criteria;

1.5. kunnen in verband met voortplanting van mensen en dieren, illustreren dat een levend wezen steeds voortkomt uit een ander levend wezen van dezelfde soort;

1.6. kunnen illustreren dat de geboorte van mens en dier wordt voorafgegaan door een periode van gedragen worden door de moeder of door de ontwikkeling in een ei;

1.7. kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en voelen;

1.8. kunnen verschillende weersomstandigheden waarnemen, vergelijken en benoemen en voorbeelden geven van de gevolgen voor zichzelf.

Gezondheid

De kleuters

1.9. kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen;

1.10. kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid;

1.11. tonen goede gewoonten in hun dagelijkse hygiëne;

1.12. weten dat ze door de inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.

Milieu

De kleuters

1.13. tonen een houding van zorg en respect voor de natuur.

2. Techniek

Kerncomponenten van techniek

De kleuters

2.1. kunnen van technische systemen die ze zelf vaak gebruiken, aangeven of ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof;

2.2. kunnen van een eenvoudig technisch systeem uit hun omgeving aantonen dat verschillende onderdelen ervan in relatie staan tot elkaar in functie van een vooropgesteld doel.

Techniek als menselijke activiteit

De kleuters

2.3. kunnen in een eenvoudige situatie nagaan welk technisch systeem best tegemoet komt aan een behoefte;

2.4. kunnen ideeën bedenken voor een eenvoudig technisch systeem;

2.5. kunnen geschikt materiaal en gereedschap kiezen voor het realiseren van een eenvoudig technisch systeem;

2.6. kunnen een eenvoudig technisch systeem maken, al dan niet aan de hand van een stappenplan;

2.7. kunnen nagaan of het doel werd bereikt met een zelfgemaakt technisch systeem.

2.8. zijn bereid hygiënisch, veilig en zorgzaam te werken;

2.9. tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over techniek.

Techniek en samenleving

De kleuters

2.10. kunnen aangeven dat een technisch systeem dat ze gebruiken nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kan zijn.

Voor het realiseren van bovenstaande ontwikkelingsdoelen gelden volgende begripsomschrijvingen.

Kerncomponenten van techniek

De vier kerncomponenten van techniek zijn: technisch systeem, technisch proces, hulpmiddelen en keuzen.

- Technisch systeem

Een technisch systeem is een geheel van elkaar wederzijds beïnvloedende elementen en onderdelen die gericht zijn op het bereiken van (een) bepaald(e) doel(en).

In een technisch systeem kunnen zich natuurkundige, scheikundige of biologische fenomenen voordoen.

De term technisch systeem kan betrekking hebben op het systeemaspect alleen of op alle aspecten (de 4 kerncomponenten) van het technisch object. De gekozen toepassing van het ontwikkelingsdoel bepaalt welke van de twee benaderingen aangewezen is.

- Technisch proces

Een proces kent een geleidelijk verloop van een reeks acties om een technisch systeem in te zetten, te ontwikkelen of te verbeteren.

Kenmerkend voor techniek is het technisch proces.

Het technisch proces vertrekt vanuit een behoefte en verloopt volgens 5 stappen :

- probleem stellen;

- ontwerpen;

- maken;

- in gebruik nemen;

- evalueren.

- Hulpmiddelen

De kerncomponent `hulpmiddelen' omvat alles wat nodig is om technische systemen efficiënter te laten functioneren, te verwezenlijken en hun werking te doorgronden. Daarmee worden onder andere bedoeld: materialen en grondstoffen, energie, machines en gereedschappen, meetinstrumenten, mensen, kapitaal, tijd, ...

- Keuzen

Keuzen zijn afhankelijk van criteria waaraan technische systemen moeten voldoen. Die criteria kunnen door de maatschappij of vanuit de techniek worden bepaald. Criteria kunnen norm worden en normen kunnen wet worden.

ONTWIKKELINGSDOELEN MENS EN MAATSCHAPPIJ

1. Mens

Ik en mezelf

De kleuters

1.1. kunnen bij zichzelf onderkennen wanneer zij bang, blij, boos of verdrietig zijn en kunnen dit op een eenvoudige wijze uitdrukken.

1.2. kunnen in een eenvoudige taal een recent gebeurde situatie waarbij zij betrokken waren in dialoog met een volwassene, beschrijven en vertellen hoe zij zich daarbij voelden.

1.3. tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.

Ik en de ander

De kleuters

1.4. kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen en erover praten.

1.5. kunnen bij anderen gevoelens van bang, blij, boos en verdrietig zijn herkennen en kunnen meeleven in dit gevoel.

1.6. weten dat mensen eenzelfde situatie op een verschillende wijze kunnen ervaren en er verschillend kunnen op reageren.

1.7. kunnen een gevoeligheid tonen voor de behoeften van anderen.

1.8. kunnen voor zichzelf opkomen door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn.

Ik en de anderen: in groep

De kleuters

1.9. kennen en begrijpen omgangsvormen, leefregels en afspraken die van belang zijn voor het samenleven in een groep.

1.10. kunnen in concrete situaties met de hulp van een volwassene afspraken maken.

1.11. kunnen bij een activiteit of een spel in een kleine groep, controleren of de anderen zich aan de regels houden.

2. Maatschappij

Sociaal-economische verschijnselen

De kleuters

2.1. kunnen beroepen en bezigheden van volwassenen die ze kennen op een eenvoudige wijze beschrijven.

2.2. kunnen in een concrete situatie het onderscheid maken tussen geven, krijgen, ruilen, lenen, kopen en verkopen.

Sociaal-culturele verschijnselen

De kleuters

2.3. kunnen verschillende gezinsvormen herkennen.

2.4. herkennen vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders-zijn van mensen.

2.5. beseffen dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan zijzelf, als ze geconfronteerd worden met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur.

Politieke en juridische verschijnselen

De kleuters

2.6. kunnen met concrete voorbeelden illustreren dat mensen die samenleven, zich organiseren via regels waaraan iedereen zich moet houden.

2.7. weten dat er mensen zijn die waken over het naleven van regels in elke samenleving.

2.8. kunnen een onderscheid maken tussen geweldloze en gewelddadige oplossingen voor conflicten.

3. Tijd

De kleuters

3.1. - begrijpen dat "gisteren" voorbij is en dat "morgen" nog moet komen

- kunnen de begrippen vandaag, dag, nacht in hun juiste betekenis gebruiken

3.2. kunnen een beperkt aantal vaste gebeurtenissen in het verloop van hun dag in een juiste volgorde aangeven.

3.3. tonen tijdsbesef aan de hand van het functioneel gebruik van verschillende soorten kalenders.

3.4. kunnen een eenvoudig visueel voorgesteld plan zelfstandig uitvoeren.

3.5. kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden.

3.6. kunnen in de tijd vooruitzien door minstens twee activiteiten na elkaar te plannen.

4. Ruimte

Ruimtelijke oriëntatie

De kleuters

4.1. kunnen een menselijke figuur tekenen met de belangrijkste lichaamsdelen (het hoofd, de romp, de benen, de armen, de oren, de ogen, de neus en de mond) op de juiste plaats.

4.2. kunnen inschatten hoeveel ruimte hun eigen lichaam inneemt.

4.3. vinden zelfstandig hun weg in een vertrouwde omgeving.

4.4. kunnen aan een bekende volwassene hun naam en de gemeente waar ze wonen zeggen.

4.5. kennen de betekenis van volgende pictogrammen :

* de pijl

* de uitgang

* het toilet

4.6. kunnen voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen herkennen.

Ruimtebeleving

De kleuters

4.7. kunnen een ruimte inrichten in functie van hun spel.

4.8. kunnen, mits aanwijzingen, orde brengen in een beperkte ruimte.

Ruimtelijke ordening

De kleuters

4.9. kunnen verschillen in landschappen en omgevingen, door mensen ingericht, verwoorden.

Verkeer - mobiliteit

De kleuters

4.10. herkennen in hun omgeving plaatsen waar ze veilig kunnen spelen en waar niet.

4.11. beseffen dat het verkeer risico's inhoudt.

4.12. kunnen onder begeleiding elementaire verkeersregels toepassen.

BIJLAGE 2 - Eindtermen als vermeld in artikel 2, 2°

EINDTERMEN WETENSCHAPPEN EN TECHNIEK

1. Natuur Algemene vaardigheden

De leerlingen

1.1. kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren;

1.2. kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.

Levende en niet-levende natuur

De leerlingen

1.3. kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden;

1.4. kennen in hun omgeving twee verschillende biotopen en kunnen er enkele veel voorkomende organismen in herkennen en benoemen;

1.5. kunnen bij organismen kenmerken aangeven die illustreren dat ze aangepast zijn aan hun omgeving;

1.6. kunnen illustreren dat de mens de aanwezigheid van organismen beïnvloedt;

1.7. kunnen de wet van eten en gegeten worden illustreren aan de hand van minstens twee met elkaar verbonden voedselketens;

1.8. kunnen de functie van belangrijke organen die betrokken zijn bij ademhaling, spijsvertering en bloedsomloop in het menselijk lichaam verwoorden op een eenvoudige wijze;

1.9. kunnen de functie van de zintuigen, het skelet en de spieren op een eenvoudige wijze verwoorden;

1.10. kunnen lichamelijke veranderingen die ze bij zichzelf en leeftijdsgenoten waarnemen, herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling;

1.11. kunnen de weerselementen op een bepaald moment en over een beperkte periode, meten, vergelijken en die weersituatie beschrijven;

1.12. kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven;

1.13. kunnen tonen hoe de aarde om de eigen as draait, welk gevolg dit heeft voor het dag- en nachtritme in de eigen omgeving en hoe de aarde, de zon en de maan ten opzichte van elkaar bewegen;

1.14. kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen;

1.15. kunnen illustreren dat een stof van toestand kan veranderen;

1.16. kunnen met enkele voorbeelden aantonen dat energie nodig is voor het functioneren van levende en niet-levende systemen en kunnen daarvan de energiebronnen benoemen.

Gezondheid

De leerlingen

1.17. kunnen gezonde en ongezonde levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam;

1.18. weten dat bepaalde ziekteverschijnselen en handicaps niet altijd kunnen worden vermeden;

1.19. beseffen dat het nemen van voorzorgen de kans op ziekten en ongevallen vermindert;

1.20. kunnen de hulp inroepen van een volwassene in een noodsituatie;

1.21. kunnen elementaire hulp toedienen bij brandwonden.

Milieu

De leerlingen

1.22. kunnen bij de verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren;

1.23.* tonen zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water;

1.24. kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu;

1.25. kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren dat aan milieuproblemen vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen;

1.26.* tonen respect en zorg voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.

2. Techniek

Kerncomponenten van techniek

De leerlingen

2.1. kunnen van technische systemen uit hun omgeving zeggen uit welke materialen of grondstoffen ze gemaakt zijn;

2.2. kunnen specifieke functies van onderdelen bij eenvoudige technische systemen onderzoeken door middel van hanteren, monteren of demonteren;

2.3. kunnen onderzoeken hoe het komt dat een zelf gebruikt technisch systeem niet of slecht functioneert;

2.4. kunnen illustreren dat sommige technische systemen moeten worden onderhouden;

2.5. kunnen illustreren dat technische systemen evolueren en verbeteren;

2.6. kunnen illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen;

2.7. kunnen in concrete ervaringen stappen van het technisch proces herkennen (het probleem stellen, oplossingen ontwikkelen, maken, in gebruik nemen, evalueren);

2.8. kunnen technische systemen, het technisch proces, hulpmiddelen en keuzen herkennen binnen verschillende toepassingsgebieden van techniek.

Techniek als menselijke activiteit

De leerlingen

2.9. kunnen een probleem, ontstaan vanuit een behoefte, technisch oplossen door verschillende stappen van het technisch proces te doorlopen;

2.10. kunnen bepalen aan welke vereisten het technisch systeem dat ze willen gebruiken of realiseren, moet voldoen;

2.11. kunnen ideeën genereren voor een ontwerp van een technisch systeem;

2.12. kunnen keuzen maken bij het gebruiken of realiseren van een technisch systeem, rekening houdend met de behoefte, met de vereisten en met de beschikbare hulpmiddelen;

2.13. kunnen een eenvoudige werktekening of handleiding stap voor stap uitvoeren;

2.14. kunnen werkwijzen en technische systemen vergelijken en over beide een oordeel formuleren aan de hand van criteria;

2.15. kunnen technische systemen in verschillende toepassingsgebieden van techniek gebruiken en/of realiseren.

De leerlingen zijn bereid

2.16.* hygiënisch, nauwkeurig, veilig en zorgzaam te werken.

Techniek en samenleving

De leerlingen

2.17. kunnen illustreren dat techniek en samenleving elkaar beïnvloeden;

2.18. kunnen aan de hand van voorbeelden uit verschillende toepassingsgebieden van techniek illustreren dat technische systemen nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn voor henzelf, voor anderen of voor natuur en milieu.

Voor het realiseren van bovenstaande eindtermen gelden volgende begripsomschrijvingen.

Kerncomponenten van techniek

De vier kerncomponenten van techniek zijn: technisch systeem, technisch proces, hulpmiddelen en keuzen.

- Technisch systeem

Een technisch systeem is een geheel van elkaar wederzijds beïnvloedende elementen en onderdelen die gericht zijn op het bereiken van (een) bepaald(e) doel(en).

In een technisch systeem kunnen zich natuurkundige, scheikundige of biologische fenomenen voordoen.

De term technisch systeem kan betrekking hebben op het systeemaspect alleen of op alle aspecten (de 4 kerncomponenten) van het technisch object. De gekozen toepassing van de eindterm bepaalt welke van de twee benaderingen aangewezen is.

- Technisch proces

Een proces kent een geleidelijk verloop van een reeks acties om een technisch systeem in te zetten, te ontwikkelen of te verbeteren.

Kenmerkend voor techniek is het technisch proces.

Het technisch proces vertrekt vanuit een behoefte en verloopt volgens 5 stappen :

- probleem stellen;

- ontwerpen;

- maken;

- in gebruik nemen;

- evalueren.

- Hulpmiddelen

De kerncomponent `hulpmiddelen' omvat alles wat nodig is om technische systemen efficiënter te laten functioneren, te verwezenlijken en hun werking te doorgronden. Daarmee worden onder andere bedoeld: materialen en grondstoffen, energie, machines en gereedschappen, meetinstrumenten, mensen, kapitaal, tijd, ...

- Keuzen

Keuzen zijn afhankelijk van criteria waaraan technische systemen moeten voldoen. Die criteria kunnen door de maatschappij of vanuit de techniek worden bepaald. Criteria kunnen norm worden en normen kunnen wet worden.

EINDTERMEN MENS EN MAATSCHAPPIJ

1. Mens

Ik en mezelf

De leerlingen

1.1.* drukken in een niet-conflictgeladen situatie, eigen indrukken, gevoelens, verlangens, gedachten en waarderingen spontaan uit.

1.2. kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie en kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn.

1.3.* tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen, gebaseerd op kennis van het eigen kunnen.

Ik en de ander

De leerlingen

1.4. kunnen in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar herkennen, erover praten en aangeven dat deze op elkaar inspelen.

1.5.* tonen de bereidheid zich te oefenen in omgangswijzen met anderen waarin ze minder sterk zijn.

1.6.* tonen in een eenvoudige conflictsituatie in de omgang met leeftijdgenoten de bereidheid om te zoeken naar een geweldloze oplossing.

Ik en de anderen: in groep

De leerlingen

1.7.* hebben aandacht voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en zijn bereid er rekening mee te houden.

2. Maatschappij Sociaal-economische verschijnselen

De leerlingen

2.1. kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden.

2.2. kunnen met een zelf gekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt.

2.3. kunnen met een zelf gekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt.

2.4. kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is.

2.5.* beseffen dat hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media.

2.6.* tonen zich bereid om actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding te onderzoeken en te evalueren.

Sociaal-culturele verschijnselen

De leerlingen

2.7.* kunnen er in hun omgang met leeftijdgenoten op discrete wijze rekening mee houden dat niet alle kinderen in hetzelfde type gezin wonen als zijzelf.

2.8. kunnen illustreren dat verschillende sociale en culturele groepen verschillende waarden en normen bezitten.

2.9. kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.

2.10. weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.

2.11. kunnen illustreren dat arbeidsmigratie en het probleem van vluchtelingen een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving.

2.12. zien in dat racisme vaak gebaseerd is op onbekendheid met en vrees voor het vreemde.

Politieke en juridische verschijnselen

De leerlingen

2.13. kunnen het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten complementair zijn.

2.14. kunnen op een eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basiselement zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen.

2.15. kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen.

2.16. weten dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen.

2.17. kennen de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal).

3. Tijd

Dagelijkse tijd

De leerlingen

3.1. kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid realistisch schatten.

3.2. kunnen een kalender gebruiken om speciale gebeurtenissen uit eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.

3.3. kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.

3.4. kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.

Historische tijd

De leerlingen

3.5. kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden.

3.6. kunnen hun afstamming aangeven tot twee generaties terug.

3.7. kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdsband.

3.8. kunnen aan de hand van een voorbeeld illustreren dat een actuele toestand, die voor kinderen herkenbaar is, en die door de geschiedenis beïnvloed werd, vroeger anders was en in de loop der tijden evolueert.

3.9.* tonen belangstelling voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders.

Algemene vaardigheden tijd

De leerlingen

3.10.* beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf.

4. Ruimte

Oriëntatie- en kaartvaardigheid

De leerlingen

4.1. kunnen aan elkaar een te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad beschrijven. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.

4.2. kunnen aan de hand van een kaart de afstand tussen twee plaatsen in Vlaanderen berekenen en beschrijven.

4.3. kunnen in een praktische toepassingssituatie op een gepaste kaart en op de globe evenaar, de polen, de oceanen, de landen van de Europese Unie en de werelddelen opzoeken en aanwijzen.

4.4. kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas.

4.5. kunnen begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context gebruiken.

4.6. hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen kunnen aanwijzen.

Ruimtebeleving

De leerlingen

4.7. kunnen aan de hand van een concreet voorbeeld het verschil tussen beleefde en absolute afstand illustreren.

4.8. kunnen suggesties geven voor het inrichten van hun eigen omgeving.

Ruimtelijke ordening/bepaaldheid

De leerlingen

4.9. kunnen in de realiteit op een gepaste kaart een landelijke, stedelijke, toeristische en industriële omgeving herkennen en van elkaar onderscheiden.

4.10. kunnen hun eigen streek en twee andere streken in België situeren op een kaart en de relatie beschrijven tussen de omgeving en aspecten van het dagelijks leven van de mensen.

4.11. kunnen aspecten van het dagelijks leven in een land van een ander cultuurgebied vergelijken met het eigen leven.

Algemene vaardigheden ruimte

De leerlingen

4.12. kunnen in een landschap gericht waarnemen en ze kunnen op een eenvoudige wijze onderzoeken waarom het er zo uitziet.

4.13. kunnen een atlas raadplegen en kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal.

Verkeer en mobiliteit

De leerlingen

4.14. kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren.

4.15. beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie en ze kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route.

4.16.* tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met andere weggebruikers.

4.17. kennen de belangrijkste gevolgen van het groeiende autogebruik en kunnen de voor- en

4.18. kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer.

5. Brongebruik

5.1. De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen.