Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering en tot verdere uitvoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

  • goedkeuringsdatum
    10 juli 2015
  • publicatiedatum
    B.S.25/08/2015
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 7-7-2017 - B.S. 24-8-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 15, § 1, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, en § 7, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, artikel 24, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, artikel 130, § 2, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2012, artikel 137ter, artikel 137quater, gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2012, artikel 138, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, artikel 139, vervangen bij het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2012, artikel 148, gewijzigd bij de decreten van 22 juni 2007 en 6 juli 2012, en artikel 149, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2001;

Gelet op de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, artikel 115, § 1, eerste lid, 1° tot en met 3°, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, artikel 252, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, artikel 294, § 1, § 2, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, en § 8, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, artikel 336, § 3, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, artikel 354, § 2 en artikel 356, tweede lid;

Gelet op het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek, artikel IX.2, § 2, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 betreffende de integratie van leerlingen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager en secundair onderwijs;

Gelet op protocol nr. 13 van 29 mei 2015 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting, gegeven op 6 mei 2015;

Gelet op advies 57.609/1 van de Raad van State, gegeven op 1 juli 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Autonome bepalingen

Afdeling 1. - Definities

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;

2° Vlaamse Bemiddelingscommissie, hierna Commissie te noemen : de Vlaamse Bemiddelingscommissie, opgericht bij artikel 4.

Afdeling 2. - Attest type 5

Art. 2.

Het attest voor toelating tot buitengewoon onderwijs type 5 bevat de volgende elementen :

1° de identificatiegegevens van de leerling : voornaam, achternaam, geboortedatum, adres;

2° de identificatiegegevens van de ouders : voornaam, achternaam en adres;

3° de identificatiegegevens van de school voor gewoon of buitengewoon onderwijs waar de leerling ingeschreven is : naam, adres en instellingsnummer, met inbegrip van het studieaanbod dat de leerling er volgt;

4° de identificatiegegevens van de voorziening waar onderwijs van type 5 aangeboden wordt : naam, adres en instellingsnummer, en voor- en achternaam van de behandelende geneesheer van de medische of psychiatrische voorziening, van het preventorium of van de directeur van de residentiële setting;

5° de datum van de ondertekening van het attest, de ingangsdatum van het attest en de handtekening van de behandelende geneesheer of directeur, vermeld in punt 4°;

6° de motivering waarom :

a) de medische, psychiatrische of residentiële opvang of begeleiding niet toelaat dat het kind of de jongere voltijds in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs de lessen kan volgen;

b) het kind of de jongere behoefte heeft aan een individueel of geïndividualiseerd aanbod dat in een residentiële omgeving verstrekt moet worden.

Art. 3.

Het attest is bestemd voor de directeur van de onderwijsinstelling van type 5, ter staving van de inschrijving. Het wordt aan het leerlingdossier toegevoegd.

Als de leerling opnieuw alle onderwijsactiviteiten in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs kan volgen, vervalt het attest voor toelating tot buitengewoon onderwijs type 5.

Afdeling 3. - De Vlaamse Bemiddelingscommissie

Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling

Art. 4.

Bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten wordt een Vlaamse Bemiddelingscommissie ingesteld.

Art. 5.

De Commissie bestaat uit een afgevaardigde van de representatieve organisaties van de centra voor leerlingenbegeleiding, de representatieve verenigingen van inrichtende machten, het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en van de erkende ouderverenigingen. De Commissie wordt voorgezeten door een erkende bemiddelaar. De Commissie wordt bijgestaan door een personeelslid van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, die fungeert als secretaris.

De minister stelt de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter, de effectieve en plaatsvervangende leden aan.

De leden van de Commissie genieten de burgerlijke en politieke rechten en bieden alle waarborgen met het oog op een onafhankelijke uitoefening van hun opdracht.

Art. 6.

De leden van de Commissie hebben een mandaat van zes jaar. Het mandaat is eenmaal hernieuwbaar.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van het eerste lid eindigt het mandaat :

1° in geval van ontslagneming;

2° als niet meer voldaan is aan de aanstellingsvoorwaarden;

[...]

Bij de vroegtijdige beëindiging van het mandaat van effectief lid, voltooit de plaatsvervanger als effectief lid de lopende mandaatperiode van zijn voorganger. De minister wijst een nieuwe plaatsvervanger aan.

De Commissie behoudt haar bevoegdheden tot de nieuwe Commissie is samengesteld.

B.Vl.R. 7-7-2017

Art. 7.

De leden van de Commissie ontvangen een terugbetaling van de reis- en verblijfskosten overeenkomstig het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.

De voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2500 euro. Indien van toepassing, ontvangt de plaatsvervangende voorzitter pro rata van het aantal voorgezeten [bemiddelingsgesprekken], een deel van deze vergoeding.

B.Vl.R. 7-7-2017

Onderafdeling 2. - Bevoegdheden

Art. 8.

De Commissie bemiddelt, op initiatief van de school, het CLB of de ouders, bij onenigheid over het afleveren of over het niet afleveren of over de inhoud van het verslag voor toegang tot het buitengewoon onderwijs.

Art. 9.

De Commissie bemiddelt om een consensus te bereiken tussen de partijen.

Onderafdeling 3. - Werkingsprincipes

Art. 10.

De Commissie stelt bij haar aantreden een werkingsreglement op. Het Ministerie van Onderwijs en Vorming publiceert het werkingsreglement op haar website.

Art. 11.

[Een bemiddelingsverzoek is ontvankelijk :

1° na het doorlopen van de fase van uitbreiding van zorg, vermeld in artikel 3, 53° bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 3, 44° /1, van de codex secundair onderwijs van 17 december 2010;

2° en in geval de vraag tot bemiddeling gesteld wordt door de ouders, na het doorlopen van de klachtenprocedure van het CLB.]

B.Vl.R. 7-7-2017

Art. 12.

Zodra de Commissie ingeschakeld wordt, brengt de voorzitter of zijn gemandateerde de betrokken partijen op de hoogte van de datum van behandeling en nodigt hen uit om, [voorafgaand aan het bemiddelingsgesprek en uiterlijk op het door de voorzitter bepaald tijdstip], elementen ter bespreking te bezorgen.

De voorzitter nodigt alleen de leden van de representatieve organisaties van de centra voor leerlingenbegeleiding, van de representatieve verenigingen van inrichtende machten, van het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en van de erkende ouderverenigingen uit, die behoren tot het net waartoe het betreffende centrum voor leerlingenbegeleiding en de school waarvoor het bemiddelingsverzoek is ingediend, behoren.

B.Vl.R. 7-7-2017

Art. 13.

Om haar werkzaamheden te kunnen uitoefenen, kan de Commissie documenten over de leerling bij het centrum voor leerlingenbegeleiding of de school opvragen.

Art. 14.

Een [bemiddelingsgesprek] kan plaatsvinden als de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter aanwezig is en ten minste één lid van de representatieve organisaties van de centra voor leerlingenbegeleiding, van de representatieve verenigingen van inrichtende machten, van het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en van de erkende ouderverenigingen.

B.Vl.R. 7-7-2017

Art. 15.

Alle leden van de Commissie zijn tot geheimhouding verplicht over de dossiers die aan hen worden voorgelegd en de informatie die erover wordt meegedeeld.

Art. 16.

De Commissie bezorgt jaarlijks voor 1 oktober aan de minister een register van de ingediende aanvragen tot bemiddeling en een verslag over de werkzaamheden van het voorafgaande schooljaar met inbegrip van hierop gebaseerde aanbevelingen.

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen

...

HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

Art. 35.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2015.

Artikel 28, 3°, heeft uitwerking met ingang van 1 april 2014.

Art. 36.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.