Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de subsidiëring van naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn

  • goedkeuringsdatum
    18 december 2015
  • publicatiedatum
    B.S.27/01/2016
  • datum laatste wijziging
    27/01/2016

De Vlaamse Regering,

Gelet op de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, artikel 44, vervangen bij het decreet van 3 juli 2015;

Gelet op het decreet van 3 juli 2015 houdende diverse bepalingen onderwijs, artikel 20, eerste gedachtestreepje;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 30 oktober 2015;

Gelet op advies 58.525/1 van de Raad van State, gegeven op 16 december 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Naadloze flexibele trajecten onderwijs - welzijn, als vermeld in artikel 44 van de codex secundair onderwijs, worden gesubsidieerd door de bevoegde diensten van het Ministerie van Onderwijs en Vorming en door de bevoegde diensten van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Een naadloos flexibel traject wordt altijd doorlopen met een of meer leerlingen samen of met een of meer onderwijsinstellingen samen.

Met de beschikbare kredieten moeten, per schooljaar, globaal ten minste 24.652 halve begeleidingsdagen worden ingericht, besteed aan ten minste 827 trajecten.

De subsidie per halve begeleidingsdag bedraagt maximum 48,32 euro. Het bedrag wordt jaarlijks aangepast aan vijfenzeventig procent van de evolutie van de gezondheidsindex. De subsidiëring vindt plaats telkens voor een periode van zes schooljaren. De eerste subsidieperiode start vanaf het schooljaar 2016-2017. De subsidiëring valt voor 77,3173 % ten laste van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en voor 22,6827 % van het Fonds Jongerenwelzijn.

Art. 2.

De beschikbare kredieten, het aantal halve begeleidingsdagen en het aantal trajecten wordt verdeeld over de provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de hand van een verdeelsleutel die wordt vastgesteld door een gemiddelde te nemen van de volgende vijf parameters :

1° het percentage regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen die aan een of meer leerlingenkenmerken als vermeld in artikel 242, § 1, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, voldoen;

2° het percentage regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen met een problematische afwezigheid van ten minste dertig halve dagen per schooljaar;

3° het percentage regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen met ten minste één jaar schoolse vertraging;

4° het percentage regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen in het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidende leerjaar;

5° het percentage regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs.

De aantallen van de verschillende categorieën van leerlingen, waarbij zowel het gewoon als het buitengewoon secundair onderwijs in aanmerking wordt genomen, worden vastgesteld op 1 februari, of de eerstvolgende lesdag erna indien 1 februari een vrije dag is, van het derde schooljaar voorafgaand aan de subsidieperiode.

Art. 3.

Om subsidies te kunnen krijgen, moet een organisatie voldoen aan al de volgende voorwaarden :

1° de organisatie draagt de verantwoordelijkheid voor de trajecten die ze organiseert;

2° de organisatie beschikt over voldoende en deskundig personeel met de nodige expertise met betrekking tot de doelgroep en de methodieken;

3° de organisatie waakt erover dat haar personeelsleden :

a) van goed zedelijk gedrag zijn. Ze vraagt daarvoor minstens bij elke aanwerving een uittreksel uit het strafregister model twee op als vermeld in artikel 596 van het Wetboek van Strafvordering, of een gelijkwaardig document;

b) in een gezondheidstoestand verkeren die geen gevaar inhoudt voor de jongeren met wie ze in contact komen;

4° de organisatie organiseert trajecten in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen, en die beschikken over een aangepaste uitrusting;

5° de organisatie maakt controle mogelijk door een of meer organen die daarvoor door de Vlaamse Regering zijn aangewezen;

6° de organisatie eerbiedigt in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder;

7° een subsidieaanvraag indienen.

Art. 4.

Met het oog op de toekenning van subsidies voor een periode van zes schooljaren wordt, door de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en door de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin samen een oproep bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad uiterlijk op 31 december voorafgaand aan de start van desbetreffende periode. De oproep bevat minstens informatie over de subsidieaanvraag, de selectieprocedure en de subsidiëringsmodaliteiten.

Art. 5.

§ 1. Een subsidieaanvraag wordt uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan de subsidieperiode ingediend en bevat minimaal de volgende, duidelijk onderscheiden elementen :

1° de identiteit en het adres van de organisatie;

2° een omschrijving van het aanbod voor leerlingen of onderwijsinstellingen;

3° een beschrijving van de lokale behoefte, de doelstellingen en de doelgroep die worden beoogd;

4° een begroting van alle inkomsten en uitgaven;

5° de provincie waarvoor de aanvraag wordt ingediend;

6° het aantal trajecten;

7° een beschrijving van de wijze van zelfevaluatie;

8° een beschrijving van de samenwerking met andere partners in functie van de methodiek en de doelgroep;

9° met betrekking tot de trajecten die zich richten naar leerlingen : een beschrijving van de manier waarop de band met onderwijs in de loop van het traject behouden blijft met inbegrip van heraansluiting binnen onderwijs in de afrondingsfase van het traject;

10° met betrekking tot de trajecten die zich richten naar onderwijsinstellingen : een beschrijving van de manier waarop onderwijsinstellingen of leraars versterkt zullen worden in hun aanpak om schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten tegen te gaan;

11° een beschrijving van de nazorg.

Een aanvraag die niet tijdig is ingediend of niet alle elementen, vermeld in het eerste lid, bevat, is niet ontvankelijk.

§ 2. De gesubsidieerde organisaties moeten uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het vierde jaar van een subsidieperiode een aanvraag tot verlenging indienen. Die aanvraag bouwt verder op de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, en geeft aan op welke onderdelen eventuele wijzigingen zijn aangebracht.

Op basis van de aanvraag en de beschikbare evaluatiegegevens gaan de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin samen na of de organisaties nog altijd voldoen aan de voorwaarden van dit besluit. Als een organisatie voldoet aan de voorwaarden, wordt de subsidieperiode verlengd voor de volgende drie jaar. Als een organisatie niet voldoet aan de voorwaarden, kunnen de voormelde bevoegde diensten de subsidie voor de organisatie stopzetten. In dat laatste geval wordt een bijkomende oproep gelanceerd die betrekking heeft op de resterende schooljaren van de bedoelde subsidieperiode.

Art. 6.

§ 1. De bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin beoordelen samen de ontvankelijke aanvraagdossiers op basis van de onderstaande criteria :

1° de mate van expertise binnen de organisatie met betrekking tot de doelgroepen en de methodieken;

2° de inschatting van de kwaliteit van de trajecten op basis van de inhoudelijke omschrijving;

3° de mate waarin het voorgestelde werkingsgebied en het aantal aangevraagde begeleidingen realiseerbaar is binnen het geheel van het aanbod voor de provincie, rekening houdend met elementen zoals schaalgrootte;

4° de mate waarin uit de kostenstructuur van de organisatie blijkt dat een kwaliteitsvolle en kostenefficiënte invulling van begeleidingen mogelijk is;

5° de verklaring dat het aanbod gericht zal zijn op alle onderwijsinstellingen van het werkingsgebied.

Bij de beoordeling kan extern advies worden ingewonnen.

§ 2. De bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin formuleren in consensus een voorstel van gezamenlijke beslissing aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen. Die beslissing wordt uiterlijk op 1 augustus voorafgaand aan de subsidieperiode in kwestie genomen.

Art. 7.

Binnen de subsidieperiode maken de gesubsidieerde organisaties jaarlijks een evaluatieverslag. Dat verslag, dat uiterlijk op 1 oktober na het subsidiejaar in kwestie wordt ingediend, bevat minimaal :

1° het aantal gerealiseerde begeleidingsdagen en trajecten, opgesplitst naar soort traject;

2° het resultaat van elk traject en de wijze waarop de doelstellingen zijn bereikt;

3° een financiële afrekening met alle inkomsten en uitgaven, met inbegrip van de eventuele reservevorming;

4° in voorkomend geval een berekening van het sociaal passief door het sociaal secretariaat waar de gesubsidieerde organisatie beroep op doet.

Als een organisatie niet het aantal gesubsidieerde begeleidingsdagen heeft behaald, zal de subsidie worden verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het aantal niet-behaalde halve begeleidingsdagen, vermenigvuldigd met het bedrag per halve begeleidingsdag.

Art. 8.

Als in de loop van een zesjarige subsidieperiode de Vlaamse Regering wijzigingen aanbrengt aan de parameters van de verdeelsleutels, de verdeelsleutels, het totale aantal trajecten of het aantal halve begeleidingsdagen, wordt een bijkomende oproep gelanceerd die betrekking heeft op de resterende schooljaren van de bedoelde periode. Die oproep verloopt conform artikel 4, met uitzondering van de uiterste datum voor bekendmaking in het Belgisch Staatsblad die uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar wordt vastgesteld.

Art. 9.

De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald in de volgende twee schijven :

1° een voorschot van 60 % na de ondertekening van de beslissing;

2° het saldo van 40 % nadat het jaarlijkse evaluatieverslag is goedgekeurd door de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Art. 10.

Indien uit het jaarlijks evaluatieverslag blijkt dat de subsidie niet volledig werd aangewend, dan kan ze in volgende gevallen worden gebruikt :

1° voor het opbouwen van het sociaal passief voor de personeelsleden die bezoldigd worden met de subsidie en voor het deel van hun prestaties dat gerelateerd is aan deze subsidie, onder de volgende voorwaarde : het sociaal passief kan nooit hoger zijn dan berekend door het sociaal secretariaat;

2° voor andere doeleinden dan deze vermeld in 1°, onder de volgende voorwaarden :

a) de reserve van een jaarlijkse subsidie is maximaal 15 %;

b) de gecumuleerde reserve over de jaren heen is maximaal 45 % van de subsidie, toegekend in het laatste jaar van de in aanmerking genomen periode.

De bij het einde van de subsidieperiode niet aangewende subsidie, vermeld in 2°, zal worden teruggevorderd.

Art. 11.

Als zich in de loop van de zesjarige subsidieperiode inhoudelijke wijzigingen in vergelijking met het initiële aanvraagdossier voordoen in het aanbod of de invulling van de georganiseerde trajecten, worden de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin daarvan op de hoogte gebracht uiterlijk drie maanden voor de aanvang van die wijzigingen. Binnen een termijn van twee maanden na die kennisgeving, kan dat leiden tot een eventuele beslissing tot herziening van de subsidie. In het jaar dat, overeenkomstig artikel 5, § 2, een aanvraag wordt ingediend tot verlenging van de subsidie, zit de kennisgeving automatisch in die aanvraag vervat.

In de loop van de zesjarige subsidieperiode moet een organisatie de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de bevoegde diensten van het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin op de hoogte brengen van de beëindiging van het organiseren van trajecten vanaf een bepaald schooljaar. Die kennisgeving wordt uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het desbetreffende schooljaar gedaan.

Art. 12.

Een onderwijsinstelling heeft toegang tot een traject op voorstel van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee wordt samengewerkt en voor zover de onderwijsinstelling met die toegang akkoord gaat.

Een leerling heeft toegang tot een traject op voorstel van het centrum voor leerlingenbegeleiding dat samenwerkt met de onderwijsinstelling waar de leerling is ingeschreven en voor zover de onderwijsinstelling, de betrokken personen en de leerling met die toegang akkoord gaan.

Art. 13.

Artikel 17 van het decreet van 3 juli 2015 houdende diverse bepalingen onderwijs en artikel 44 van de codex secundair onderwijs, vervangen bij hetzelfde decreet van 3 juli 2015, treden in werking op 1 december 2015.

Art. 14.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 september 2010, 17 december 2010, 25 januari 2013, 20 juni 2014, 4 juli 2014 en 3 april 2015, wordt opgeheven.

Art. 15.

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2015.

Art. 16.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.