Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van de aanvraag tot afwijking van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft

  • goedkeuringsdatum
    13 november 2015
  • publicatiedatum
    B.S.05/02/2016
  • datum laatste wijziging
    05/02/2016

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 44bis, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997, vervangen bij het decreet van 22 juni 2007 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 25 april 2014;

Gelet op de aanvraag van 27 augustus 2015 van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, 2140 Antwerpen, tot afwijking van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft;

Gelet op het gemotiveerde positieve advies over de ontvankelijkheid en de gelijkwaardigheid met betrekking tot de aanvraag van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, opgesteld op 30 september 2015 door enerzijds een commissie van onafhankelijke deskundigen en anderzijds de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 oktober 2015;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De aanvraag tot afwijking van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188, 2140 Antwerpen, is ontvankelijk. De vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen, opgenomen in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd, worden gelijkwaardig verklaard.

Art. 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Vervangende ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw als vermeld in artikel 2

Het geheel van de ontwikkelingsdoelen gewoon kleuteronderwijs en de eindtermen gewoon lager onderwijs, wat het leergebied wetenschappen en techniek en het leergebied mens en maatschappij betreft, zoals vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2015 tot wijziging van artikel 2 en van de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 1997 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 17 juli 2015, wordt voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw vervangen door de volgende ontwikkelingsdoelen en eindtermen :

Ontwikkelingsdoelen wetenschappen en techniek

Natuur

De kleuters

WO 1.1kunnen hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten benoemen en er op een doelgerichte, aangepaste wijze mee omgaan

WO 1.2 tonen handelend dat zij hen bekende en vertrouwde mensen, dieren en planten op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.

WO 1.3 kunnen in verband met de ontwikkeling van mensen, dieren en planten, getuigen van het inzicht dat de fase van jong zijn, klein zijn en verzorging behoeven vooraf gaat aan de fase van volwassen zijn, groot zijn en zorg dragen.

WO 1.4 kunnen bepaalde aspecten van weersomstandigheden gericht waarnemen, en benoemen :

- zij tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij deze aspecten van de natuur in hun belevings- en voorstellingswereld kunnen integreren;

- zij kunnen, wanneer de situatie zich voordoet, de gevolgen voor zichzelf aangeven.

WO 1.5 kunnen hen vertrouwde stoffen benoemen en er doelgericht en op aangepaste wijze mee omgaan.

WO 1.6 tonen handelend in een bewegings- of spelcontext dat zij hen vertrouwde stoffen op een fantasierijke, zinvolle wijze kunnen integreren in hun belevings- en voorstellingswereld.

WO 1.7 kunnen bij zichzelf aangeven welk lichaamsdeel instaat voor het horen, zien, ruiken, proeven en tasten en kunnen deze vermogens op aangepaste wijze aanwenden.

WO 1.8 tonen in hun houding tegenover de natuur, processen in de natuur en kosmische verschijnselen: vertrouwen, verwondering, nieuwsgierigheid en eerbied.

WO 1.9 tonen in hun omgang met mens en natuur een houding van zorg en respect.

Techniek

De kleuters

WO 2.1 kunnen van eenvoudige voorwerpen en technische systemen aangeven dat ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.

WO 2.2 kunnen bij eenvoudige en transparante technieken aangeven dat ze de samenhang beseffen met elementen uit de natuur.

WO 2.3 kunnen voorwerpen en technische systemen benoemen en aantonen dat verschillende onderdelen in relatie staan tot mekaar.

WO 2.4 tonen handelend in een vertrouwde context dat ze weten welk voorwerp of technisch systeem het best tegemoet komt aan een bepaalde behoefte.

WO 2.5 tonen handelend in spel en beweging dat ze op basis van bekende en vertrouwde voorwerpen en materialen eenvoudige technische systemen kunnen construeren en deze op fantasierijke en zinvolle wijze kunnen integreren in hun activiteiten.

WO 2.6 kunnen naar aanleiding van een probleem of uitdaging door middel van exploratie en experiment eenvoudige technische oplossingen bedenken.

WO 2.7 kunnen de juiste materialen en gereedschappen kiezen bij het maken van een eenvoudig technisch systeem.

WO 2.8 kunnen bij het maken van een eenvoudige technische constructie een zelf bedacht ontwerp volgens een stappenplan realiseren.

WO 2.9 kunnen nagaan of een zelf gemaakt technisch systeem beantwoordt aan (zelf) bepaalde vereisten en hoe het zo nodig verbeterd kan worden.

WO 2.10 zijn bereid om zorgzaam, veilig en hygiënisch om te gaan met voorwerpen, materialen en technische systemen en zien het belang daarvan in.

Ontwikkelingsdoelen mens en maatschappij

Gewoontevorming, hygiëne en verkeer

De kleuters

WO 16 kennen de in de klas heersende gedragsregels voor veiligheid en kunnen ze toepassen.

WO 17 tonen goede gewoonten voor dagelijkse hygiëne.

WO 18 tonen goede gewoonten inzake eet- en drinkgedrag en weten onder meer in een voor hen vertrouwde, concrete situatie dat ze door inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden.

WO 19 kunnen hen vertrouwde voedingsmiddelen en kledingstukken benoemen en er respectvol en op aangepaste wijze mee omgaan.

WO 20 kunnen in concrete situaties bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen.

WO 21 kunnen in hen vertrouwde, concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid.

WO 22 weten waar ze mogen spelen en waar niet volgens de heersende regels van de school. WO 23 beseffen dat verkeer gevaarlijk is.

WO 24 kunnen onder begeleiding de in de concrete schoolomgeving noodzakelijke verkeersregels toepassen.

Sociaal-culturele verschijnselen

De kleuters

WO 25 tonen in concrete, hen vertrouwde situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.

WO 26 kunnen geconcentreerd en doelgericht met iets bezig zijn, ook te midden van de anderen;

- zij kunnen gericht kijken en waarnemen: kleur-, vorm- en richtingsverschillen;

- zij kunnen selectief, gericht luisteren, door zich af te sluiten voor geluiden die niet van belang zijn. (zie ook TN 1, MV 8, WI 17 t.e.m. WI 24)

WO 27 kennen en begrijpen de voor hen van toepassing zijnde omgangsvormen, leefregels en afspraken.

WO 28 kunnen in concrete situaties binnen een verzorgende, bewegings- of spelcontext met de hulp van een hen bekende en vertrouwde volwassene afspraken maken.

WO 29 kunnen zich bij een activiteit of spel aan de regels en afspraken houden.

WO 30 kunnen in concrete situaties meeleven met de gevoelens van anderen.

WO 31 kunnen helpen en zijn bereid zich indien nodig te laten helpen.

WO 32 kunnen in een sociale, bewegings- of spelcontext respectvol angstvrij en in wederzijds vertrouwen met elkaar omgaan.

WO 33 ontwikkelen vertrouwen in de wereld op basis van de aanwezigheid van vertrouwde volwassenen en de in de school en klas toegepaste omgangsvormen, leefregels en afspraken.

WO 34 geven handelend blijk van een inzicht in voor hen herkenbare en vertrouwde beroepsmatige handelswijzen.

WO 35 geven handelend blijk van inzicht in het handelingsverloop of kenmerkend bewegingsverloop van de betreffende handelswijze.

WO 36 tonen een houding van eerbied en dankbaarheid voor menselijke arbeid.

WO 37 tonen handelend in een sociale, bewegings- of spelcontext, dat zij in een concrete situatie een onderscheid kunnen maken tussen: geven, nemen, krijgen, kopen en verkopen, ruilen, lenen. (zie ook WI 29)

Oriëntatie in de tijd

De kleuters

WO 38 begrijpen dat 'gisteren' voorbij is en dat 'morgen' nog moet komen.

WO 39 tonen, doordat zij hen bekende en vertrouwde vaste gebeurtenissen juist kunnen situeren dat zij de begrippen vandaag, dag en nacht, ochtend en avond, voormiddag en namiddag (of synoniemen daarvan) juist begrijpen.

WO 40 tonen tijdsbesef :

- aan de hand van het doelgericht handelen in functie van de eerstvolgende activiteit;

- doordat zij een beperkt aantal vertrouwde vaste gebeurtenissen of activiteiten in het verloop van hun dag in een juiste volgorde kunnen aangeven;

- door aan de hand van de opeenvolging van een beperkt aantal vertrouwde vaste gebeurtenissen of activiteiten getuigenis te geven van hun inzicht in het begrip week;

- door een voor hen belangrijke gebeurtenis te situeren in de seizoenen, hetzij aan de hand van de begrippen lente, zomer, herfst, winter, van jaarfeesten of kenmerkende gebeurtenissen of activiteiten uit het desbetreffende seizoen.

WO 41 kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden.

WO 42 kunnen in de tijd vooruitzien door :

- zich een handeling voor te nemen en de voorgenomen handeling uit te voeren op het daarvoor bestemde tijdstip;

- een planning van minstens twee activiteiten aan te geven.

WO 43 kunnen hun gedrag aanpassen aan tijdsignalen.

WO 44 kunnen hun beurt afwachten.

Oriëntatie in de ruimte

De kleuters

WO 45 kunnen handelend in een sociale, bewegings- of spelcontext de belangrijkste lichaamsdelen benoemen: hoofd, buik, armen, handen, vingers, benen, voeten, tenen, oren, ogen, neus, mond. (zie ook WI 1)

WO 46 kunnen uiting geven aan hun waarneming van diepte door in hun handelingen te tonen dat zij kunnen inschatten hoeveel ruimte hun eigen lichaam inneemt. (zie ook WI 46)

WO 47 kunnen uiting geven aan hun waarneming van diepte door handelend in een huishoudelijke, bewegings- of spelcontext te tonen dat zij kunnen inschatten hoeveel ruimte een voorwerp inneemt. (zie ook WI 8, MV tekenen, LO)

WO 48 tonen handelend in een huishoudelijke, bewegings- of spelcontext dat zij de juiste betekenis begrijpen van ruimtelijke richtingen en kwaliteiten zoals boven-onder, naast, achter-voor, tussen, ver-dichtbij / verder-dichter, groot-klein / groter-kleiner, dik-dun / dikker-dunner, zwaar-licht / zwaarder-lichter, vol-leeg, veel-weinig / meer-minder. (zie ook WI 27 en WI 28)

WO 49 vinden zelfstandig hun weg in een vertrouwde omgeving. (zie WI 14)

WO 50 kunnen een ruimte inrichten in functie van hun spel. (zie WI 15)

WO 51 kunnen, mits aanwijzingen, orde brengen in een beperkte ruimte. (zie WI 16)

Eindtermen wetenschappen en techniek

Natuur

Mens

De kinderen

WO 1.1 kunnen de gestalte van de mens beschrijven.

WO 1.2 kunnen de functie beschrijven

- van het hoofd m.b.t. het zenuw-zintuigsysteem, in het bijzonder de functie van de zintuigen;

- van de romp m.b.t. het ritmische systeem en de stofwisseling, waaronder bloedsomloop en ademhaling;

- van de ledematen m.b.t. het bewegingssysteem.

Dier

De kinderen

WO 1.3 kunnen van een aantal dieren uiterlijk, gedrag, leefwijze beschrijven.

WO 1.4 kunnen eenvoudige verzorgende handelingen met betrekking tot dieren uit hun omgeving uitvoeren.

WO 1.5 kunnen een beperkt aantal dieren in hun leefmilieu (land, water, lucht) situeren.

WO 1.6 * beseffen dat er een verband bestaat tussen het uiterlijke van een dier en zijn levenswijze en omgeving.

WO 1.7 * beseffen dat het dier afhankelijk is van zijn omgeving.

Plant

De kinderen

WO 1.8 kunnen van een beperkt aantal planten het uiterlijk beschrijven: zij kunnen wortel, stengel, blad, bloem, vrucht lokaliseren en benoemen.

WO 1.9 kunnen eenvoudige verzorgende handelingen uitvoeren met betrekking tot de planten uit hun omgeving.

WO 1.10 kunnen de functie beschrijven van wortel, stengel, blad, bloem, vrucht.

WO 1.11 kunnen een beperkt aantal 'planten' benoemen volgens de ontwikkelingsgraad: wieren, paddenstoelen, mossen, varens; de hogere planten exemplarisch (bijv. naaldbomen - loofbomen, bijv. lelieachtigen - roosachtigen).

WO 1.12* beseffen dat de plant afhankelijk is van bodem, lucht, licht, warmte, water en klimaat.

WO 1.13* tonen respect en zorg voor mensen, dieren, planten en gesteenten vanuit het besef dat deze natuurrijken elkaar voor hun voortbestaan nodig hebben.

Gesteenten en landschappen

De kinderen

WO 1.14 kunnen uitgaande van het landschap de vorm van een granietgebergte, een kalkgebergte en de kenmerken die wijzen op een vulkanische oorsprong, beschrijven en herkennen.

WO 1.15 kennen het onderscheid tussen graniet en kalk en vulkanisch gesteente.

WO 1.16 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van een landschap beïnvloed wordt door het aanwezige gesteente en de inwerking van water, wind, warmte en van de mens.

WO 1.17 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de vorm van landschap en de kwaliteit van het gesteente de levenswijze van de mens beïnvloedt.

WO 1.18 kunnen een beperkt aantal fenomenen in verband met het landschap met al hun zintuigen gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen op systematische wijze weergeven.

WO 1.19* tonen belangstelling voor de verscheidenheid in landschappen die op aarde voorkomen en kunnen deze waarderen in hun specifieke schoonheid.

Weer en klimaat

De kinderen

WO 1.20 kunnen de volgende weersverschijnselen verwoorden en onderscheiden: neerslag, enkele eenvoudige wolkentypes, windsoorten in functie van de windstreken.

WO 1.21 kunnen drie klimaatzones onderscheiden en situeren op de wereldkaart: warme, koude en gematigde zone.

WO 1.22 kennen het verschil tussen weer en klimaat.

WO 1.23 kunnen op eenvoudige wijze de kringloop van het water beschrijven.

WO 1.24 kunnen een beperkt aantal weerkundige fenomenen op weerkundig gebied gericht en onbevangen waarnemen en hun waarnemingen weergeven (zie ook leren leren en muzische vorming).

Fysische verschijnselen

De kinderen

WO 1.25 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden beknopt enkele kenmerken beschrijven van de fenomenen geluid, licht, warmte, elektriciteit, magnetisme.

WO 1.26 kunnen (exemplarisch) gericht en onbevangen natuurkundige fenomenen aan de hand van proeven waarnemen (zie ook leren leren).

WO 1.27 kunnen hun waarnemingen op systematische wijze verwoorden en opschrijven (zie ook leren leren).

WO 1.28 kunnen de fenomenen in hun causale samenhang beschrijven.

Milieu

De kinderen

WO 1.29* tonen zich in hun gedrag bereid om zorgzaam om te gaan met mineraal, plant, dier en mens en het milieu in hun omgeving.

WO 1.30* tonen zich in hun gedrag bereid om zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water.

Techniek

De kinderen

WO 2.1 kunnen beschrijven welke behoefte er aan de basis ligt van een eenvoudig en transparant technisch systeem.

WO 2.2 kunnen, uitgaand van een bepaalde behoefte, benoemen welke technische systemen hieraan beantwoorden of zelf technische oplossingen bedenken en de realiseerbaarheid ervan aftasten.

WO 2.3 beseffen hoe de mens door innovatieve constructies en het gebruik van technische hulpmiddelen in staat is de investering in menselijke energie te verminderen.

WO 2.4 kunnen de werking en het ontwikkelingsproces van eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven.

WO 2.5 kunnen bij eenvoudige en transparante technische systemen beschrijven hoe de werking ervan samenhangt met de eigenschappen van de gebruikte natuurlijke grondstoffen en fenomenen.

WO 2.6 kennen en beheersen basistechnieken voor het hanteren, onderhouden en wegbergen van eenvoudige technische systemen.

WO 2.7* zijn bereid om zorgzaam, veilig, nauwkeurig en hygiënisch te werken.

WO 2.8 hebben inzicht in het technisch proces doordat zij :

- de probleemstelling begrijpen en een oplossing kunnen ontwikkelen;

- weten aan welke eisen het werkstuk moet voldoen en welke materialen en hulpmiddelen zij nodig hebben;

- een eenvoudig plan kunnen begrijpen of ontwerpen;

- weten welke stappen er achtereenvolgens uitgevoerd moeten worden;

- een eenvoudig ontwerp stap voor stap kunnen uitvoeren;

- het technisch systeem in gebruik kunnen nemen;

- de technische kwaliteiten en de werking van bepaalde technische systemen nauwgezet kunnen observeren en beschrijven;

- bereid zijn om het technisch systeem te controleren en te verbeteren indien nodig.

WO 2.9* tonen respect voor materiaal, de technische vaardigheden en technische realisaties van zichzelf en van anderen en kunnen technische systemen ook vanuit een esthetisch oogpunt benaderen.

Eindtermen mens en maatschappij

Gezondheid, levensstijl en verkeer

De kinderen

WO 36 kennen (exemplarisch) het productieproces van voedingsmiddelen, gebruiksvoorwerpen of woningbouw.

WO 37* beseffen dat voedsel, kleding, huisvesting en gebruiksvoorwerpen die de mens nodig heeft, afhangen van natuurlijke processen en menselijke arbeid.

WO 38 brengen eerbied en dankbaarheid op voor deze natuurlijke processen en voor arbeid en tonen dit door zorgvuldig om te gaan met het bovenvermelde.

WO 39 kunnen eerbied en respect opbrengen voor de mens in zijn mens-zijn en als individu in onderlinge verscheidenheid ook wat betreft constitutie en gezondheidstoestand. (zie ook sociale vaardigheden)

WO 40 kennen de gedragsregels en gewoonten van de school voor gezonde voeding, levensstijl en hygiëne.

WO 41* zijn bereid een positieve waarde toe te kennen aan dit gedrag.

WO 42 kunnen in een voor hen overzichtelijke noodsituatie hulp inroepen, of zelf helpen en zijn bereid zich te laten helpen bij pijn of ziekte.(zie ook sociale vaardigheden)

WO 43 kennen de gedragsregels van de school inzake veiligheid en kunnen deze toepassen.

WO 44* zijn bereid een positieve waarde toe te kennen aan dit gedrag.

WO 45 weten wat er van hen verwacht wordt bij alarm op school en kunnen dit ook uitvoeren.

WO 46 kennen de verkeersituatie in hun schoolomgeving en kunnen er zich veilig in verplaatsen.

WO 47 beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsgevoel en coördinatie en kennen de verkeersregels voor fietsers en voetgangers, om zich zelfstandig en veilig te kunnen verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route. (zie ook lichamelijke opvoeding)

WO 48* tonen zich in hun gedrag bereid rekening te houden met de andere weggebruikers.

Geschiedenis

De kinderen

WO 49 kunnen zich een concrete voorstelling maken van historische gebeurtenissen en deze weergeven in woord en beeld.

WO 50 kunnen de behandelde historische feiten op systematische wijze verwoorden. (in samenhang met de methode zoals die aangegeven wordt in leren leren)

WO 51 kunnen zich inleven in het dramatisch-epische karakter van de geschiedenis. (zie ook leren leren, muzische vorming: toneel, recitatie, tekenen, schilderen)

WO 52 kunnen tijd ruimtelijk voorstellen.

WO 53 kunnen enkele kenmerkende aardrijkskundige en geschiedkundige aspecten van hun school- of woonomgeving beschrijven.

WO 54 kennen de chronologische volgorde en kunnen beknopt kenmerkende elementen beschrijven uit verschillende cultuurperiodes :

- Oosterse cultuur : Indië, Perzië, Tweestromenland, Egypte;

- Griekse cultuur (o.a. opkomst en werking van de democratie);

- Romeinse cultuur (o.a. opkomst van het recht: publiek en privaat);

- Middeleeuwse geschiedenis.

WO 55 hebben oog voor het element evolutie doordat zij inzien dat de mensen in het verleden en op andere plaatsen op een andere wijze leefden, voelden en dachten dan de mensen hier en nu.

WO 56 zien in dat bepaalde voorwaarden het menselijk handelen mee bepalen, zoals tijd, aardrijkskundige gegevens, ideeën.

WO 57 kunnen zich inleven in situaties die in tijd en plaats verder van hen af staan.

WO 58* zijn bereid dit te doen.

WO 59* tonen interesse in en een gevoel van persoonlijke verbondenheid met het verleden.

WO 60* beseffen dat elke cultuur typische kenmerken bezit, zichtbaar in de leefwijze van de mensen

Aardrijkskunde

Ruimtelijke aspecten

De kinderen

WO 61 kunnen uitgaande van de bewegingen en de stand van de zon bij benadering de windrichtingen bepalen en op basis daarvan een windroos tekenen waarop ze de hoofd- en tussenrichtingen kunnen aangeven.

WO 62 kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid, op een hen bekende plaats de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) aangeven.

WO 63 kennen het begrip schaal en kunnen het gebruiken als eenvoudige verhouding tussen kilometer en centimeter. (zie ook W 31)

WO 64 kennen het begrip plattegrond en kunnen die tekenen van de directe omgeving, klas, school of eigen huis.

WO 65 kunnen aan elkaar een bekende weg beschrijven tussen twee plaatsen in de eigen gemeente of stad of die waar de school gelegen is. Ze kunnen deze reisweg ook aanduiden op een plattegrond.

WO 66 kunnen hun eigen stad, gemeente of dorp of die waar hun school gelegen is situeren op een kaart en enkele kenmerkende aardrijkskundige en geschiedkundige aspecten ervan beschrijven.

WO 67 kennen de hoofdrivieren van België en kunnen die op de kaart aanduiden.

WO 68 kunnen de verschillende werelddelen, polen, evenaar, keerkringen en zeeën rond Europa op een wereldkaart aanduiden.

WO 69 hebben een voorstelling van een wereldkaart zodat ze in een concrete toepassingssituatie een werelddeel kunnen aanduiden.

Politieke aspecten

De kinderen

WO 70 kunnen begrippen zoals, dorp, stad, streek, provincie, land en werelddeel in een juiste context hanteren.

WO 70bis kennen de vier taalgebieden en kunnen de taalgebieden bij benadering aanduiden op de kaart van België en weten dat dit gegeven de grondslag vormt voor de wijze waarop België bestuurd wordt.

WO 71 hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de provincies en de provinciehoofdplaatsen op een kaart kunnen aanduiden.

WO 71bis weten dat de Vlaamse Gemeenschap een van de gemeenschappen is van België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie.

WO 72 kennen de belangrijkste steden van Europa en kunnen deze aanduiden op een kaart.

WO 73 hebben een voorstelling van de kaart van Europa zodat ze in een concrete toepassingssituatie de betrokken landen op een kaart kunnen aanduiden.

Sociaaleconomische aspecten

De kinderen

WO 74 kunnen (exemplarisch) de weg van grondstof naar consumptieproduct beschrijven van producten die zij zelf gebruiken.

WO 75 hebben daarbij aandacht voor :

- het aspect arbeid, loon en ongelijke verdeling van welvaart;

- het gegeven dat de grondstoffen onttrokken worden aan de aarde of de natuur;

- de ecologische aspecten van de wijze van productie, distributie en consumptie;

- de functie van de handel (verkoop, winst, verlies, reclame ...), het geld- en bankwezen.

WO 76 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren dat de mensen over de hele wereld voor de voorziening in hun behoeften van elkaar afhankelijk zijn.

WO 77 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden illustreren

- dat er een verband bestaat tussen de mens en zijn woonplaats op aarde;

- dat de mens de mogelijkheden van klimaatomstandigheden en landschap voor zichzelf kan benutten.

WO 78 brengen respect en begrip op voor de leefomstandigheden en leefwijze van andere mensen en andere volkeren.

Algemene vaardigheden

De kinderen

WO 79 kunnen plaatsen waar ze in de les kennis mee maken, opzoeken op een in de context passende kaart.

WO 80 kunnen een atlas raadplegen en kunnen daartoe :

- het alfabetisch register hanteren (zie TN 7)

- eenvoudige kaarten hanteren gebruik makend van windrichting, legende en schaal;

WO 81 kunnen eenvoudige, aan hun niveau aangepaste bronnen raadplegen om meer te weten te komen over de natuur en het dagelijkse leven van de mensen in eigen streek, eigen land en elders in de wereld.

Attitudes

De kinderen

WO 82* tonen verwondering, innerlijke betrokkenheid, interesse en respect voor de hen omringende natuur en voor natuurfenomenen die in tijd en ruimte verder van hen afstaan.

WO 83* tonen verwondering, innerlijke betrokkenheid, interesse en respect t.a.v. culturele, maatschappelijke en economische verschijnselen in hun omgeving en op plaatsen die in tijd en ruimte verder van hen afstaan.

Toelichting

(citaat uit de gemotiveerde aanvraag)

"De nu voorliggende hernieuwde aanvraag tot afwijking gebeurt met oog op het behoud van de momenteel geldende gelijkwaardigheid van de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen van de Federatie Steinerscholen vzw en de aangesloten schoolbesturen met scholen basisonderwijs.

Artikel 44 bis, § 2, 2° van het decreet basisonderwijs van 27 maart 1997 bepaalt dat ook de vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen minstens inhouden dienen te bevatten voor de verschillende leergebieden.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2015 ordent de bestaande ontwikkelingsdoelen resp. eindtermen van het vroegere leergebied wereldoriëntatie overeenkomstig de nieuwe leergebieden wetenschappen en techniek en mens en maatschappij, zonder inhoudelijke wijzigingen.

Hierdoor laten deze vastgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen nog steeds onvoldoende ruimte voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen en blijven ze er onverzoenbaar mee.

De hieronder voorgestelde vervangende ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn eveneens slechts de ongewijzigde, reeds herschikte, bestaande ontwikkelingsdoelen en eindtermen wereldoriëntatie, opgedeeld op basis van de nieuwe leergebieden wetenschappen en techniek en mens en maatschappij. Aan de inhoudelijke gelijkwaardigheid wordt aldus niet geraakt.

Voor de inhoudelijke motivering lijkt het ons daarom voldoende te verwijzen naar de vorige motiveringen voor de aangevraagde en verkregen afwijkingen :

1° de motivering zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 juni 1998 (p. 21216 en volgende), als deel I van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997

2° de motivering zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2011 (p. 41520 en volgende), meer bepaald in de bijlagen 6 (ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs), 7 (ontwikkelingsdoelen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs), 10 (eindtermen wereldoriëntatie natuur - basisonderwijs) en 11 (eindtermen wereldoriëntatie techniek - basisonderwijs)"