Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    22 april 2016
  • publicatiedatum
    B.S.26/07/2016
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, artikel 3, 4, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, en artikel 6, § 2, gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007;

Gelet op het overleg met de afgevaardigden van de schoolbesturen op 20 november 2015;

Gelet op het overleg met de representatieve vakorganisaties op 25 november 2015;

Gelet op het advies van de Raad van Bestuur van Syntra Vlaanderen, gegeven op 15 februari 2016;

Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 18 februari 2016;

Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 22 februari 2016;

Gelet op protocol nr. 26 van 11 maart 2016 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 29 januari 2016;

Gelet op advies 59.110/1 van de Raad van State, gegeven op 13 april 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben, of de meerderjarige leerling zelf;

2° cluster : een samenhangend geheel van algemeenvormende competenties en/of beroepsgerichte competenties;

3° codex : de codex secundair onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011;

4° decreet van 10 juli 2008 : het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

5° klassenraad : de klassenraad in het voltijds buitengewoon secundair onderwijs, de klassenraad in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en, naargelang van de opdracht waarmee hij wordt belast, de toelatingsklassenraad, de begeleidende klassenraad of de delibererende klassenraad in het voltijds gewoon secundair onderwijs;

6° mentor : de persoon die binnen de onderneming wordt aangeduid om de opleiding van de leerling op de werkplek te begeleiden en op te volgen;

7° onderneming : een bedrijf of organisatie uit de publieke of private profit- of non-profitsector die, in voorkomend geval, voldoet aan de voorwaarden die door de decreetgever zijn vastgelegd voor ondernemingen in het systeem van duaal leren;

8° opleidingsplan : een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat;

9° school : een school voor voltijds secundair onderwijs of een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;

10° schoolcomponent : het deel van de opleiding dat lessen op school of met lessen gelijkgestelde activiteiten omvat, buiten de werkplekcomponent;

11° sector : een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;

12° standaardtraject : een eenvormig traject per opleiding dat de minimale inhoudelijke en organisatorische modaliteiten van het traject bevat;

13° trajectbegeleider : het personeelslid dat door de school aangeduid is om de trajectbegeleiding van de leerling op zich te nemen;

14° trajectbegeleiding : een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling door een leraar tijdens de schoolcomponent en de werkplekcomponent met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;

15° werkplekcomponent : het deel van de opleiding dat op een gesimuleerde of reële werkplek buiten de school plaatsvindt; gesimuleerde werkplekken komen evenwel enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming of ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden.

Art. 2.

Tijdens de schooljaren 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019 wordt in een aantal scholen het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" georganiseerd.

HOOFDSTUK 2. - Opzet en organisatie

Art. 3.

Het tijdelijke project wordt opgevat als een experiment rond duaal leren waarbij een schoolcomponent en een werkplekcomponent met elkaar worden gecombineerd. Beide componenten zijn inhoudelijk op elkaar afgestemd.

Het tijdelijke project richt zich tot de volgende doelgroep :

1° quasi arbeidsrijpe leerlingen. Voor een quasi arbeidsrijpe leerling wordt in een aanloopfase gewerkt aan de verbetering van zijn arbeidsattitudes, tot de school en de onderneming samen bepalen dat de leerling arbeidsrijp is;

2° arbeidsrijpe leerlingen.

De werkplekcomponent wordt ingevuld via een bij decreet vast te stellen overeenkomst.

Zolang die vaststelling bij decreet niet is gebeurd, wordt de werkplekcomponent ingevuld :

1° via een overeenkomst die is toegelaten op basis van artikel 6, § 2, 1°, van het decreet van 10 juli 2008 als de werkplekcomponent gemiddeld op schooljaarbasis minstens 20 uren per week bedraagt, zonder rekening te houden met feest- en vakantiedagen;

2° via een leerlingenstageovereenkomst als voorzien in de codex als de werkplekcomponent gemiddeld op schooljaarbasis minder dan 20 uren per week bedraagt, zonder rekening te houden met feest- en vakantiedagen of als, ongeacht het aantal uren per week, het een gesimuleerde werkplek betreft.

Als die vaststelling bij decreet is gebeurd, betekent dit, voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, een afwijking van artikel 6, § 1 en § 2, en artikel 28bis van het decreet van 10 juli 2008.

Deze afwijking is noodzakelijk omdat het tijdelijke project uitsluitend focust op quasi arbeidsrijpe jongeren en arbeidsrijpe jongeren met een specifieke invulling van de werkplekcomponent.

Art. 4.

De doelstelling van het tijdelijke project is om, met het oog op al dan niet organieke implementatie, gegevens te verzamelen die moeten toelaten om beleidsconclusies te trekken over de volgende items :

1° de implementatie van standaardtrajecten binnen een schoolse context én een ondernemingscontext;

2° de studiekeuzebegeleiding, toeleiding en screening van de leerling binnen de school, naargelang van hun quasi arbeidsrijpheid of arbeidsrijpheid, naar opleidingen binnen het tijdelijke project;

3° de match van de leerling met de werkplek met het oog op het duale leren;

4° de diverse vormen van begeleiding van de leerling en de onderlinge afstemming tussen die begeleidingsvormen;

5° het proces van evaluatie van de leerling, zowel door de klassenraad als door de onderneming, met het oog op de studiebekrachtiging;

6° de ontwikkeling van het competentiegericht handelen ten aanzien van leerlingen binnen de onderneming;

7° de aanwending van de omkaderingsmiddelen voor het duale leren;

8° de organisatie van het personeelsbeleid van de school en daaruit voortvloeiend de taakomschrijving en inzetbaarheid van personeelsleden binnen het duale leren;

9° de professionalisering en ondersteuning van de leraar, de trajectbegeleider en de mentor met het oog op het duale leren;

10° de inhoud en werkwijze van kwaliteitstoezicht in het duale leren;

11° het maatschappelijk draagvlak voor duaal leren;

12° de omgang binnen het duale leren met kwetsbare leerlingen.

Art. 5.

In het tijdelijke project worden de volgende opleidingen opgenomen :

1° chemische procestechnieken duaal : te organiseren als een Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs, studiegebied chemie, van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

2° elektromechanische technieken duaal : te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs, studiegebied mechanica-elektriciteit, van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

3° elektrische installaties duaal : te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied mechanica-elektriciteit, van het voltijds gewoon secundair onderwijs, of in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

4° haarverzorging duaal : te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied lichaamsverzorging, van het voltijds gewoon secundair onderwijs, of in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

5° ruwbouw duaal : te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied bouw, van het voltijds gewoon secundair onderwijs, of in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

6° zorgkundige duaal : te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied personenzorg, van het voltijds gewoon secundair onderwijs, of in het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

7° groen- en tuinbeheer duaal : te organiseren in opleidingsvorm 3, kwalificatiefase, van het voltijds buitengewoon secundair onderwijs.

De opleidingen, vermeld in het eerste lid, zijn tweejarig, met uitzondering van de eenjarige opleidingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 6°.

Een opleiding kan in de loop van het schooljaar uiterlijk op de eerste lesdag van oktober met leerlingen worden opgestart.

Een opleiding kan in het schooljaar 2018-2019 niet meer worden opgestart.

De heropstart uiterlijk in het schooljaar 2019-2020 van een niet-duale gelijknamige opleiding die ten gevolge van het tijdelijke project door de school niet meer werd ingericht, is geen programmatie.

De opname van die opleidingen in het studieaanbod en de programmatie ervan vinden plaats in afwijking van :

1° voor het voltijds gewoon secundair onderwijs :

a) wat het opleidingsaanbod betreft :

1) het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de studiegebieden en structuuronderdelen in het voltijds secundair onderwijs;

2) het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013 houdende de uitvoering van het decreet betreffende de kwalificatiestructuur van 30 april 2009 inzake de erkenning van beroepskwalificaties en inzake de erkenning van onderwijskwalificaties voor het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

3) het besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2014 houdende de uitvoering van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, wat betreft de erkenning van onderwijskwalificaties van niveau 1 tot en met niveau 4, en tot wijziging van hetzelfde besluit van 11 januari 2013 houdende de uitvoering van het decreet betreffende de kwalificatiestructuur van 30 april 2009 inzake de erkenning van onderwijskwalificaties voor het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

b) wat de programmatie betreft : artikel 3, 35°, en artikel 176 tot en met 179/2 van de codex ;

2° voor het voltijds buitengewoon secundair onderwijs :

a) wat het opleidingsaanbod betreft : artikel 336, § 1, 3°, van de codex, en artikel 8 en 13, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3;

b) wat de programmatie betreft : artikel 289, § 3, van de codex;

3° voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs :

a) wat het opleidingsaanbod betreft : artikel 23, 24 en 25 van het decreet van 10 juli 2008 en artikel 6, 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

b) wat de programmatie betreft : artikel 20 van het decreet van 10 juli 2008.

De afwijkingen zijn noodzakelijk :

1° wat het opleidingsaanbod betreft : aangezien door opname van de component "duaal" in de benaming van de opleidingen van het tijdelijke project verduidelijkt wordt dat het conceptueel nieuwe opleidingen zijn met een vaste tweejarige duur, behalve voor Se-n-Se als vermeld in het eerste lid, 1°, of specialisatie, als vermeld in het eerste lid, 6°, waarvan de vaste duur één jaar bedraagt;

2° wat de programmatie betreft :

a) aangezien de nieuwe opleidingen een tijdelijk en beperkt karakter hebben, in tegenstelling tot de programmatie van alle andere opleidingen die niet in duur begrensd zijn;

b) om te waarborgen dat na afloop van het tijdelijke project de niet-duale variant van de opleiding, voor zover die twee schooljaren niet meer werd ingericht, kan worden heropgestart zonder aan de geldende strikte programmatievoorwaarden te moeten beantwoorden.

Art. 6.

In het tijdelijke project kunnen alle opleidingen, samengenomen, maximaal vijfendertig keer worden aangeboden. Het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs selecteren gezamenlijk, in overleg met de betrokken sectoren, de scholen die in het tijdelijke project worden opgenomen en de opleidingen die er worden georganiseerd. Ze streven daarbij naar de volgende verdeelsleutel met betrekking tot het aanbod :

1° veertien keer in het Gemeenschapsonderwijs en het door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde officieel onderwijs;

2° eenentwintig keer in het door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vrij onderwijs.

Voor de selectie, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden :

1° de niet-duale gelijknamige opleiding of, als een dergelijke opleiding niet voorkomt in het Vlaamse studieaanbod, een nauw verwante niet-duale opleiding wordt in de school in kwestie tijdens het schooljaar 2015-2016 georganiseerd;

2° de school beantwoordt aan de toepasbare rationalisatienorm;

3° de projectdeelname kan alleen op basis van vrijwilligheid van het schoolbestuur;

4° de deelname aan het tijdelijke project is in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap ter zake zijn gemaakt;

5° over deelname aan het tijdelijke project wordt, na kennisname van de bepalingen van dit besluit, overleg gevoerd in de schoolraad;

6° over deelname aan het tijdelijke project wordt, na kennisname van de bepalingen van dit besluit, in het lokaal onderhandelingscomité een protocol van akkoord gesloten;

7° er zijn ondernemingen beschikbaar waarmee de school kan samenwerken, en die zijn bereikbaar, zowel voor de trajectbegeleider als voor de leerling;

8° de projectscholen zijn zo evenwichtig mogelijk geografische verspreid over alle Vlaamse provincies en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De selectie vindt plaats uiterlijk op 1 juni 2016. De lijst van geselecteerde scholen wordt door alle actoren samen die bij de selectie betrokken zijn, ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk.

Art. 7.

In het tijdelijke project is een opleidingsdag, elke kalenderdag waarop opleiding onder vorm van lessen of met lessen gelijkgestelde activiteiten of opleiding op de werkplek wordt georganiseerd.

In het tijdelijke project is een opleidingsuur, een tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, dan wel een tijdspanne van zestig minuten waarin opleiding op de werkplek wordt georganiseerd.

Art. 8.

Voor elke opleiding wordt één standaardtraject ontwikkeld door de bevoegde dienst in overleg met de betrokken sector, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.

Standaardtrajecten worden goedgekeurd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk. Bij de ontwikkeling van standaardtrajecten wordt met de volgende elementen rekening gehouden :

1° de levensbeschouwelijke vakken en het vak lichamelijke opvoeding worden, in voorkomend geval, onderwezen in dezelfde vorm als in het niet-duale leren;

2° elk standaardtraject legt het aandeel van de schoolcomponent en het aandeel van de werkplekcomponent per opleiding vast. Bij de ontwikkeling van het standaardtraject wordt gestreefd naar een aandeel van 60 % van de werkplekcomponent. Bij de vastlegging van beide aandelen worden de levensbeschouwelijke vakken en het vak lichamelijke opvoeding niet in aanmerking genomen. Om de verhouding tussen het aantal lessen op schooljaarbasis en de vakantie- en verlofregeling in het secundair onderwijs te waarborgen, wordt zo nodig tijdens de schoolvakanties de overeenkomst tussen de onderneming en de leerling tijdelijk opgeschort of wordt er bij de vastlegging van de looptijd van die overeenkomst rekening mee gehouden;

3° elk standaardtraject is een bundeling van algemeenvormende competenties en beroepsgerichte competenties die gebaseerd zijn op de toepasbare eindtermen of ontwikkelingsdoelen en op een of meer beroepskwalificaties;

4° op basis van de standaardtrajecten worden door de schoolbesturen of de representatieve verenigingen van de schoolbesturen leerplannen opgesteld, doch uitsluitend voor de vakken van de basisvorming;

5° het standaardtraject bepaalt welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een deelcertificaat of een certificaat;

6° het standaardtraject laat ruimte voor eigen inbreng door de onderwijsverstrekker. Dit laat ook toe om het aandeel van de werkplekcomponent in de opleiding per school of zelfs per leerling op te trekken.

De ontwikkeling van standaardtrajecten vindt plaats in afwijking van :

1° voor het voltijds gewoon secundair onderwijs :

a) wat de leerplannen betreft, met uitzondering van de leerplannen voor de vakken van de basisvorming : artikel 15, § 1, 8°,artikel 146 en 266 van de codex en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen;

b) wat de verhouding van het aandeel schoolcomponent en het aandeel werkplekcomponent betreft : artikel 157, § 6, van de codex, met betrekking tot de stageverplichting;

2° voor het voltijds buitengewoon secundair onderwijs :

wat de opleidingsprofielen betreft : artikel 335 en 336, § 4, van de codex;

3° voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs :

a) wat de leerplannen betreft, met uitzondering van de leerplannen voor de vakken van de basisvorming : artikel 10, § 1, tweede lid, 8°, en artikel 29, § 1 en 2, van het decreet van 10 juli 2008 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen;

b) wat de opleidingsstructuren betreft : artikel 28, § 1, van het decreet van 10 juli 2008.

De afwijkingen zijn noodzakelijk :

1° vanwege het hanteren van beroepskwalificaties als referentiekader, het flexibel spreiden van een opleiding over een schoolse én een ondernemingscontext, en het clusteren van competenties binnen een, vanwege kwaliteitsborging, door de overheid afgelijnd kader over de vormen van secundair onderwijs heen. Die aanpak komt in de plaats van het gebruikelijke en onderwijsvorm-gebonden instrumentarium van door de overheid goedgekeurde leerplannen, opleidingsprofielen of -structuren. Dit sluit evenwel niet uit dat de onderwijsinrichters binnen het tijdelijke project standaardtrajecten, voor schoolintern gebruik, toch kunnen vertalen naar eigen leerplannen die enerzijds geen overheidsgoedkeuring behoeven maar anderzijds onverkort aan alle voorwaarden van die standaardtrajecten moeten voldoen;

2° aangezien het volume van de werkplekcomponent in het duale leren aanzienlijk groter is dan het stagevolume, en zodoende de doelstellingen van het duale leren verder reiken dan de stagedoelstellingen.

HOOFDSTUK 3. - Leerlingen

Art. 9.

Zodra, in voorkomend geval, de betrokken personen in samenspraak met de leerling kiezen voor een opleiding van het tijdelijke project, zal aan hen, gezien de doelgroep van het duale leren, een niet-bindend advies worden gegeven over de quasi arbeidsrijpheid of arbeidsrijpheid van de leerling. Dat advies, op basis van een screening, gaat uit van de twee volgende instanties samen :

1° de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat door de leerling in kwestie is gevolgd;

2° de trajectbegeleider van de opleiding en de school binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen.

[Als het niet mogelijk is een beroep te doen op de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat door de leerling in kwestie is gevolgd, kunnen de trajectbegeleider van de opleiding en de school binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen, een alternatieve werkwijze vastleggen om tot desbetreffend advies te komen.]

Decr. 16-6-2017

Art. 10.

De school en de leerling kiezen samen een geschikte onderneming. Ze kunnen daarbij een beroep doen op bemiddeling door de sector en, zo nodig, het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.

Tussen de onderneming en de leerling vindt vóór of tijdens het schooljaar een intakegesprek plaats, waarbij de match tussen leerling en werkplek met het oog op het duale leren wordt onderzocht. De trajectbegeleider kan bij dat gesprek worden betrokken.

Als er binnen twintig opleidingsdagen, hetzij vanaf de start van de effectieve eerste lesbijwoning, hetzij na de beëindiging van een eerdere overeenkomst, geen overeenkomst als vermeld in artikel 3, is gesloten, moet de duale opleiding worden stopgezet. Bij zijn studieverandering naar een andere opleiding in dezelfde of een andere school en met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden kan een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding nooit op die leerling van toepassing zijn. De school zal de noodzaak van studieverandering schriftelijk bevestigen en in het leerlingdossier opnemen.

Zolang er geen overeenkomst loopt, wordt de opleiding altijd volledig georganiseerd via onderwijs op school. De afwezigheid van de leerling is evenwel van rechtswege gewettigd tijdens de opleidingsuren waarop intakegesprekken zijn gepland, met inbegrip van de verplaatsingen die daarbij horen.

De noodzaak tot studieverandering vindt plaats in afwijking van :

artikel 110/1, § 3,artikel 110/9, § 2, § 3 en § 7, artikel 110/10, § 2, en artikel 110/12, § 2, van de codex;

2° in het voltijds gewoon secundair onderwijs : artikel 60 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs.

De afwijkingen zijn noodzakelijk om de secundaire onderwijsloopbaan van een leerling te vrijwaren en eventuele verandering van studie- of schoolloopbaan altijd mogelijk te maken, ervan uitgaande dat het in geen geval zinvol is om een duale opleiding voort te zetten zonder werkplekcomponent.

Art. 11.

Bij een overeenkomst wordt een opleidingsplan gevoegd. Het opleidingsplan wordt uitgetekend door de trajectbegeleider in overleg met de leerling en de onderneming. Het opleidingsplan heeft betrekking op het individuele leertraject, dat wordt afgeleid van het standaardtraject. Het opleidingsplan slaat zowel op de schoolcomponent als op de werkplekcomponent en is afgestemd op de specifieke behoeften en mogelijkheden van de leerling. Het houdt in elk geval rekening met de ondernemingscontext en het feit of de leerling quasi arbeidsrijp dan wel arbeidsrijp is.

De trajectbegeleider is belast met de opvolging van het opleidingsplan, de eventuele actualisatie ervan, en de begeleiding van de leerling in overleg met de mentor. De trajectbegeleider, de klassenraad en de mentor bewaken de trajectvoortgang van de leerling.

Art. 12.

Als specifieke voorwaarden om als regelmatige leerling te worden toegelaten gelden :

1° voor de opleidingen elektrische installaties duaal, haarverzorging duaal en ruwbouw duaal :

a) houder zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, of

b) gunstige beslissing van de klassenraad over een leerling die aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan;

2° voor de opleiding elektromechanische technieken duaal :

a) houder zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs, of

b) gunstige beslissing van de klassenraad over een leerling die aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan;

3° voor de opleiding zorgkundige duaal :

a) houder zijn van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied personenzorg van het technisch secundair onderwijs, of

b) houder zijn van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied personenzorg van het beroepssecundair onderwijs of uitgereikt op basis van een certificaat van verzorgende in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd.

De toelatingsvoorwaarden zijn een afwijking van :

1° in het voltijds gewoon secundair onderwijs : artikel 16, § 1, 17, § 1, 19, § 1, 21, § 1, en 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

2° in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

De afwijkingen zijn noodzakelijk enerzijds om aan onderwijsverstrekkers flexibiliteit inzake toelatingsbeleid te geven binnen een beleid gericht op optimalisering van gekwalificeerde uitstroom en anderzijds om aan afgestudeerden zorgkundige duaal de civiele effecten op het vlak van de federaal gereglementeerde beroepsuitoefening te waarborgen. Voor de opleidingen chemische procestechnieken duaal en groen- en tuinbeheer duaal blijven de in de vigerende regelgeving opgenomen toelatingsvoorwaarden tot respectievelijk Se-n-Se van het voltijds gewoon secundair onderwijs en de kwalificatiefase van opleidingsvorm 3 van het voltijds buitengewoon secundair onderwijs van kracht.

Art. 13.

Op een leerling die vrijwillig de duale opleiding stopzet en, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, overstapt naar een andere opleiding in dezelfde school of een andere school van dezelfde scholengemeenschap kan een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding nooit van toepassing zijn.

Deze overstapmogelijkheid vindt plaats in afwijking van artikel 110/1, § 3,artikel 110/9, § 2, § 3 en § 7, artikel 110/10, § 2, en artikel 110/12, § 2, van de codex.

De afwijking is noodzakelijk om eventuele uitstap uit een onderwijsproject, vanuit het beginsel van de rechtsbescherming, altijd mogelijk te maken en zodoende de secundaire onderwijsloopbaan van de leerling te vrijwaren.

Art. 14.

Met het oog op de leerlingenevaluatie in de opleidingen van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uitgezonderd Se-n-Se, is de organisatie van een geïntegreerde proef in het tijdelijke project facultatief.

De evaluatiebepaling is een afwijking van artikel 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs.

De afwijking laat het aan de school over om te oordelen of een afzonderlijke praktijkgerichte proef met betrokkenheid van externe deskundigen als juryleden al dan niet opportuun wordt geacht. Het is immers niet uitgesloten dat de permanente evaluatie van de leerling door de mentor al voldoende informatie genereert over de vorderingen van de leerling binnen de werkplekcomponent.

Art. 15.

De klassenraad beslist, na leerlingenevaluatie, over de studiebekrachtiging voor elke regelmatige leerling op het einde van de duale opleiding of bij de vroegtijdige stopzetting van de duale opleiding. In afwijking van de bestaande studiebekrachtiging kunnen de volgende studiebewijzen in duale opleidingen worden toegekend :

1° een diploma van secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad, een certificaat (van Se-n-Se) of een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad (als specialisatiejaar), naargelang van het geval. Dit studiebewijs geldt met toepassing van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur als een onderwijskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met het niveau van de onderwijskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader;

2° een certificaat (uitgezonderd Se-n-Se) of een getuigschrift van de opleiding (buitengewoon secundair onderwijs), naargelang van het geval. Dit studiebewijs geldt met toepassing van het voormelde artikel 14 niet als een onderwijskwalificatie, maar wel als een beroepskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met de benaming van de beroepskwalificatie en het niveau ervan binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader. Deze bepaling houdt in dat ook in het voltijds gewoon secundair onderwijs een certificaat wordt toegekend als de leerling alleen de competenties van de beroepskwalificatie heeft verworven. In een opleiding die op meer dan één beroepskwalificatie is gebaseerd, kunnen verschillende certificaten worden toegekend;

3° een deelcertificaat. Dit studiebewijs wordt toegekend als de leerling niet in aanmerking komt voor een van de studiebewijzen, vermeld in punt 1° of 2°, maar wel een cluster van competenties of een combinatie van clusters van competenties, die overeenkomstig het standaardtraject recht geeft op een deelcertificaat, heeft voltooid. Dit studiebewijs geldt als een deel van een beroepskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met de benaming van de beroepskwalificatie. In een opleiding die op meer dan één beroepskwalificatie is gebaseerd, kunnen verschillende deelcertificaten worden toegekend;

4° een attest van verworven competenties. Dit studiebewijs wordt toegekend als de leerling niet in aanmerking komt voor een van de studiebewijzen, vermeld in punt 1°, 2° of 3°.

Aan een regelmatige leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt geen oriënteringsattest toegekend, tenzij hij vroegtijdig uit een tweejarige duale opleiding stapt en het eerste jaar heeft voltooid. In dat geval beslist de klassenraad alsnog over de toekenning van een oriënteringsattest voor het eerste leerjaar van de derde graad.

Op het model van een studiebewijs als vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, dat wordt uitgereikt in de opleiding zorgkundige duaal, wordt vermeld dat de wettelijke voorschriften van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen zijn nageleefd.

Een studiebewijssupplement is onlosmakelijk verbonden met een studiebewijs, met uitzondering van het studiebewijs, vermeld in het eerste lid, punt 4°. Het is een document dat de inhoud van de opleiding van de leerling en de structuur van het onderwijs in het land waar de leerling zijn opleiding heeft gevolgd, verduidelijkt.

Met in acht name van het eerste en het derde lid, legt de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, het model van de studiebewijzen, het model van het studiebewijssupplement en de invulonderrichtingen voor de modellen vast.

De studiebekrachtiging in het tijdelijke project vindt plaats in afwijking van :

1° in het voltijds gewoon secundair onderwijs : artikel 36 tot en met 59bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

2° in het voltijds buitengewoon secundair onderwijs : artikel 14 tot en met 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3;

3° in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : artikel 12 tot en met 12ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

De afwijkingen zijn noodzakelijk om in de opleidingen van het tijdelijke project de studiebekrachtiging in lijn te brengen met zowel het systeem van clusteren van competenties als de introductie van de concepten onderwijskwalificatie, beroepskwalificatie en deelkwalificatie.

Art. 16.

De trajectbegeleider is ambtshalve stemgerechtigd lid van de klassenraad.

De mentor is ambtshalve stemgerechtigd lid van de klassenraad. In afwijking hiervan is de mentor geen lid van de klassenraad als die beslist over toelating van leerlingen. Tussen de school en de onderneming worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de mentor in de klassenraad, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de mentor op klassenraadsvergaderingen. In het geval de leerling de werkplekcomponent achtereenvolgens in verschillende ondernemingen invult en er derhalve verschillende mentoren bij die leerling zijn betrokken tijdens eenzelfde schooljaar, dan kunnen deze mentoren gezamenlijk slechts één stem uitbrengen in de klassenraad; bij staking van stemmen van de mentoren stemt de trajectbegeleider namens die mentoren, onverminderd de eigen stem.

Die voorwaarde voor de samenstelling van de klassenraad is een afwijking van :

1° voor het voltijds gewoon secundair onderwijs : artikel 4, § 2 en § 3, en artikel 5, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

2° voor het voltijds buitengewoon secundair onderwijs : artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3;

3° voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : artikel 67 van het decreet van 10 juli 2008.

De afwijking is noodzakelijk omdat de opdrachten waarmee klassenraden zijn belast binnen duale opleidingen slechts optimaal kunnen worden uitgevoerd mits rechtstreekse betrokkenheid van de personen die de begeleiding van de leerling naar en op de werkplek op zich hebben genomen.

Art. 17.

Voor de opleidingen in het tijdelijke project worden de volgende gegevens als verplichte onderdelen in een addendum bij het school- of centrumreglement opgenomen :

1° de screening, het intakegesprek en de trajectbegeleiding, waaraan de leerling zich moet onderwerpen;

2° de vermelding dat het niet-sluiten van een overeenkomst binnen de vastgelegde termijn tot de verplichte vroegtijdige beëindiging van de opleiding zal leiden;

3° de verduidelijking van het orgaan "klassenraad", met de expliciete vermelding dat de trajectbegeleider en mentor er stemgerechtigd deel van uitmaken;

4° de vermelding, afhankelijk van de duale opleiding die de school organiseert, dat in een duale opleiding overzitten uitgesloten is, uitgezonderd het overzitten in een eenjarige opleiding tijdens het schooljaar 2017-2018 en het overzitten in het tweede jaar van een tweejarige opleiding tijdens het schooljaar 2018-2019.

De toevoeging, vermeld in het eerste lid, wordt gedaan in afwijking van artikel 112 van de codex.

De afwijking is noodzakelijk om de betrokken personen en de leerling te informeren over procedures en modaliteiten die innovatief zijn, en om de implicaties van de keuze voor duaal leren te kennen.

Art. 18.

Tijdens de periodes dat de leerling de werkplekcomponent effectief invult, moet een vertegenwoordiger van de school waar de leerling is ingeschreven, bereikbaar zijn. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden. Als de uitvoering van deze bepaling voor personeelsleden verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet geweest zouden zijn, moet het schoolbestuur in een passende compensatieregeling voorzien. In voorkomend geval wordt erover onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Die regeling vergt het uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande akkoord van het betrokken personeelslid.

HOOFDSTUK 4. - Financiering

Art. 19.

[§ 1.] Voor de vaststelling van het pakket uren-leraar in het voltijds gewoon secundair onderwijs met toepassing van de geldende regelgeving worden de onderstaande opleidingen ondergebracht in de opgegeven overeenkomstige disciplines :

1° chemische procestechnieken duaal : discipline chemie (tso);

2° elektromechanische technieken duaal : discipline elektriciteit (tso);

3° elektrische installaties duaal : discipline elektriciteit (bso);

4° haarverzorging duaal : discipline verzorgingstechnieken (bso);

5° ruwbouw duaal : discipline hout en bouw (bso);

6° zorgkundige duaal : discipline personenzorg (bso).

Het pakket uren-leraar in het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt vastgesteld in afwijking van bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs.

De afwijking is noodzakelijk om voor elke opleiding van het voltijds gewoon secundair onderwijs in het tijdelijke project in een omkadering te voorzien die gelijk is aan de bestaande omkadering voor de niet-duale gelijknamige opleiding of, als dergelijke opleiding niet voorkomt in het Vlaamse studieaanbod, de omkadering voor inhoudelijk verwante opleidingen. De geldende omkaderingsnormen in het voltijds buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs zijn van die aard dat ze naar de projectwerking kunnen worden doorgetrokken.

[§ 2. De leerlingen van de opleiding groen- en tuinbeheer worden bijgeteld bij de leerlingen van de opleiding tuinbouwarbeider van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs met het oog op het bereiken van de norm van 40 leerlingen voor toekenning van een extra voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming.

Deze maatregel gebeurt in afwijking van artikel 308/1 van de Codex Secundair Onderwijs.]

Decr. 16-6-2017

Art. 20.

Boven op het pakket uren-leraar of lesuren dat met toepassing van de geldende regelgeving voor de school is berekend, wordt tijdens de looptijd van het tijdelijke project een extra aantal uren-leraar of lesuren toegekend dat als volgt wordt vastgesteld :

[Voor het schooljaar waarin een school met leerlingen in het tijdelijke project stapt,] worden aan elke deelnemende school forfaitair 12 uren-leraar of lesuren toegekend.

2° Voor het schooljaar 2016-2017, 2017-2018 respectievelijk 2018-2019 worden aan elke deelnemende school, per ingerichte eenjarige duale opleiding of per ingericht jaar van een tweejarige duale opleiding :

a) 6 uren-leraar of lesuren toegekend als het aantal regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober minimum 1 en maximum 6 bedraagt;

b) 11 uren-leraar of lesuren toegekend als het aantal regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober minimum 7 bedraagt.

In het geval een school haar organiseerbare duale opleiding(en) niet of niet volledig inricht, leggen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, voor het betrokken schooljaar een regeling vast tot herverdeling over de andere scholen van de, binnen het globaal beschikbaar incentivekrediet, vrijgekomen middelen.

In de uren-leraar in kwestie kunnen enkel betrekkingen in het ambt van leraar secundair onderwijs worden ingericht. In de lesuren in kwestie kunnen enkel betrekkingen in het ambt van leraar algemene sociale vorming of leraar beroepsgerichte vorming worden ingericht.

De extra personeelsmiddelen worden toegekend in afwijking van :

1° in het voltijds gewoon secundair onderwijs : het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs;

2° in het voltijds buitengewoon secundair onderwijs : artikel 297 tot en met 299 en artikel 301 tot en met 303 van de codex;

3° in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008.

De afwijking is noodzakelijk als incentive voor scholen die bereid zijn om te participeren in het onderwijsexperiment.

Decr. 16-6-2017

Art. 21.

Uit het beschikbare pakket uren-leraar of lesuren van een school in het tijdelijke project worden in elk geval uren besteed aan trajectbegeleiding. De uren trajectbegeleiding zijn uren die geen lesuren zijn, maar er op het vlak van personeel mee gelijkgesteld worden.

De verplichte aanwending gebeurt in afwijking van :

1° in het voltijds gewoon secundair onderwijs : artikel 211 van de codex;

2° in het voltijds buitengewoon secundair onderwijs : artikel 297 tot en met 308/2 van de codex;

3° in het deeltijds beroepssecundair onderwijs : artikel 90, § 1, en artikel 92 van het decreet van 10 juli 2008.

De afwijking is noodzakelijk omdat trajectbegeleiding een essentieel onderdeel vormt van het duale leren en er bijgevolg ook omkaderingsmiddelen in moeten worden geïnvesteerd.

HOOFDSTUK 5. - Kwaliteitstoezicht

Art. 22.

Tijdens het tijdelijke project wordt toezicht gehouden volgens het geïntegreerde kwaliteitskader voor beroepskwalificerende trajecten. Dat gebeurt door een team, samengesteld uit leden van de Onderwijsinspectie, afgevaardigden van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en afgevaardigden van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, in een steekproef van scholen en ondernemingen, gespreid over de opleidingen van het tijdelijke project. Zowel in de school als op de werkvloer wordt er toezicht gehouden op het traject.

Het kwaliteitstoezicht tijdens het tijdelijke project geeft geen aanleiding tot een advies als vermeld in artikel 39, § 4, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, maar kan wel leiden tot een advies over de lokale bijsturing van het tijdelijke project.

Het toezicht wordt gehouden in afwijking van artikel 36 tot en met 42 van hetzelfde decreet.

De afwijking is noodzakelijk vanwege het hanteren van een ander referentiekader en een andere methodiek dan die van de reguliere doorlichtingen door de Onderwijsinspectie, vanwege de gezamenlijke uitoefening van toezicht door de Onderwijsinspectie en toezichthouders van een ander beleidsdomein en vanwege de uitoefening van toezicht op een deel van de opleiding die op de werkplek plaatsvindt.

HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 23.

Vóór de start van het schooljaar 2016-2017 wordt een expertenpanel opgericht, dat als volgt is samengesteld :

1° twee afgevaardigden van het Departement Onderwijs en Vorming, van wie één het voorzitterschap op zich neemt;

2°één afgevaardigde van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen;

3°één afgevaardigde van het Agentschap voor Onderwijsdiensten;

4°één afgevaardigde van de Onderwijsinspectie;

5°één afgevaardigde van het Gemeenschapsonderwijs;

6°één afgevaardigde van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;

7°één afgevaardigde van het Onderwijssecretariaat van Vlaamse Steden en Gemeenten;

8°één afgevaardigde van Katholiek Onderwijs Vlaanderen;

9°één afgevaardigde van het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers;

10°één afgevaardigde van de erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;

11°één afgevaardigde van de Internetten Samenwerkingscel;

12°één afgevaardigde van de Algemene Centrale der Openbare Diensten;

13°één afgevaardigde van de Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten;

14°één afgevaardigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt;

15°één afgevaardigde van het Departement Werk en Sociale Economie;

16°één afgevaardigde van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;

17°één afgevaardigde van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;

18° drie afgevaardigden, voorgedragen door de representatieve middenstands-, zelfstandigen- en werkgeversorganisaties;

19° drie afgevaardigden, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;

20° drie wetenschappelijke experten, aangewezen door de voorzitter van het expertenpanel;

[21° de voorzitter van het Vlaams Partnerschap.]

Elke geleding wijst haar afgevaardigden aan.

Zodra het expertenpanel is samengesteld, volgt het het tijdelijke project op zonder enige vorm van sturing of inmenging. De opvolging mondt uit in tussentijdse evaluaties van het tijdelijke project en, in het schooljaar 2018-2019, in een eindevaluatie.

De schoolbesturen en scholen zullen hun medewerking verlenen aan de werkzaamheden, al dan niet ter plaatse in de projectscholen, van het expertenpanel.

Decr. 16-6-2017

Art. 24.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2016, met uitzondering van de artikelen 1, 5, 6, 8, 9, 10 en 17 die in werking treden op 15 juni 2016, en na bekrachtiging door het Vlaams Parlement.

Dit besluit houdt op uitwerking te hebben op 1 september 2019.

Art. 25.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.