Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijke project "leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs"

  • goedkeuringsdatum
    10 november 2016
  • publicatiedatum
    B.S.07/12/2016
  • datum laatste wijziging
    07/12/2016

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, artikel 3, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, artikel 4, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009 en artikel 6, § 2 ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 26 april 2016;

Overwegende het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 26 mei 2016;

Gelet op advies 59.616/1/V van de Raad van State, gegeven op 10 augustus 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en het advies 60.167/1 van de Raad van State, gegeven op 27 oktober 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° Conceptnota : de bisconceptnota `Leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs', goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 17 juli 2015, opgenomen als bijlage;

2° Pilootproject : een geheel van 2 geselecteerde pilootgebieden die bepaald worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor mobiliteit. De pilootgebieden zijn geografisch afgebakend. Alle scholen buitengewoon onderwijs die in dit geografisch gebied gevestigd zijn nemen deel.

HOOFDSTUK 2. - Doelstelling en organisatie

Art. 2.

Tijdens het schooljaar 2017-2018 wordt een pilootproject `leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs' georganiseerd.

Art. 3.

Binnen het pilootproject zijn twee pilootgebieden geselecteerd :

1° Het pilootgebied Leuven;

2° Het pilootgebied Hooglede - Izegem - Ingelmunster - Roeselare.

Art. 4.

De twee pilootgebieden zijn geselecteerd op basis van de volgende criteria :

1° Beheersbaarheid van het aantal scholen;

2° Bestaande samenwerkingsverbanden tussen scholen buitengewoon onderwijs;

3° Een landelijk versus een verstedelijkt gebied;

4° Evenwichtige verdeling van de verschillende types en opleidingsvormen;

5° Het engagement van het pilootgebied om tijdens het pilootproject mee te werken aan de uitwerking van de conceptnota.

Art. 5.

Het pilootproject wordt gebruikt om in te schatten wat de implicaties zijn van de uitwerking van de conceptnota leerlingenvervoer op basis van de volgende pijlers :

1° Een lokale bepaling van het recht op leerlingenvervoer;

2° Een multimodale organisatie van het leerlingenvervoer;

3° Een decentralisatie die concreet de vorming van een aantal verzorgingsgebieden in heel Vlaanderen omvat;

4° Een verdere uitbouw van buitenschoolse opvang.

Art. 6.

De structurele implementatie van een nieuw concept leerlingenvervoer in heel Vlaanderen zal voorbereid worden via de opstart van een pilootproject, waar binnen de volgende fasen toegewerkt zal worden naar de implementatie van het nieuwe concept :

1° De voorbereiding van de uitrol van het pilootproject start vanaf 1 september 2016. Deze voorbereidende fase wordt gekenmerkt door overleg en samenwerking tussen alle relevante stakeholders en de centrale stuurgroep. Daarbij worden de verschillende elementen van de conceptnota uitgewerkt. Dit gebeurt in functie van de uitrol van het pilootproject vanaf 1 maart 2017. De voorbereiding van de uitrol van het pilootproject loopt tot 30 juni 2017.

2° De uitrol van het pilootproject start vanaf 1 maart 2017 wanneer de eerste leerlingen voor schooljaar 2017-2018 zullen inschrijven. Tijdens deze fase zal, op basis van de resultaten van de pilootfase, het concept verder uitgewerkt worden. De uitrol van het pilootproject loopt tot 30 juni 2018.

3° De implementatie in heel Vlaanderen : Tijdens de uitrol van het pilootproject zal tevens de voorbereiding en het besluitvormingsproces in functie van een structurele implementatie in heel Vlaanderen starten. Deze voorbereidende fase wordt gekenmerkt door overleg en samenwerking tussen alle relevante stakeholders en de centrale stuurgroep. Dit gebeurt in functie van de effectieve uitrol van het nieuwe concept leerlingenvervoer in Vlaanderen vanaf 1 maart 2018, wanneer de eerste leerlingen voor schooljaar 2018-2019 zullen inschrijven.

HOOFDSTUK 3. - Afwijkingen van reglementaire bepalingen

Art. 7.

Het pilootproject kan afwijken van de volgende wettelijke bepalingen :

1° de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer;

artikel 20 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs.

HOOFDSTUK 4. - Opvolging, begeleiding en evaluatie

Art. 8.

Per pilootproject wordt er een lokale werkgroep opgericht die het pilootproject op het terrein uitrolt, opvolgt en begeleidt. De werkgroep is samengesteld uit :

1° een lokale coördinator;

2° de directies of afgevaardigden van de deelnemende scholen;

3° de afgevaardigden van het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;

4° de afgevaardigden van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;

5° de afgevaardigden van De Lijn;

6° de afgevaardigde van het lokale stadsbestuur;

7° de externe experts.

Art. 9.

Er wordt een centrale stuurgroep opgericht die belast is met de opvolging van de tijdelijke projecten en de wijze van begeleiding en ondersteuning. De stuurgroep is samengesteld uit :

1° de afgevaardigden van de kabinetten Onderwijs, Mobiliteit en Welzijn;

2° de afgevaardigden van het Departement Onderwijs en Vorming van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;

3° de afgevaardigden van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;

4° de afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs en van de representatieve verenigingen van de schoolbesturen of inrichtende machten;

5° de coördinatoren van de lokale werkgroepen;

6° de afgevaardigde van het CLB;

7° de afgevaardigde van De Lijn.

Art. 10.

De Vlaamse Onderwijsraad wordt op regelmatige tijdstippen geïnformeerd over de concretisering en de resultaten van het pilootproject.

Art. 11.

In de loop van het schooljaar 2017-2018 wordt een expertenpanel opgericht dat het pilootproject opvolgt. Deze opvolging mondt uit in een evaluatie van het pilootproject in het schooljaar 2017-2018. Het expertenpanel evalueert het pilootproject op het vlak van haalbaarheid en wenselijkheid van een organieke implementatie en van de uitwerking van de pijlers van de conceptnota zoals bepaald in artikel 4. Het geheel van de evaluatieresultaten maakt het voorwerp uit van een rapport, opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de centrale stuurgroep, dat aan de minister wordt bezorgd.

Het expertenpanel is samengesteld uit :

1° twee afgevaardigden van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, waarvan één het voorzitterschap vervult;

2°één afgevaardigde van het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken;

3°één afgevaardigde namens de onderwijsinspectie;

4°één afgevaardigde van het Gemeenschapsonderwijs;

5°één afgevaardigde van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;

6°één afgevaardigde van het Onderwijssecretariaat van Vlaamse Steden en Gemeenten;

7°één afgevaardigde van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen;

8°één afgevaardigde van het Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers;

9°één afgevaardigde van de representatieve vakorganisaties;

10°één afgevaardigde van De Lijn;

11°één afgevaardigde van het CLB.

Elke geleding duidt haar vertegenwoordiger(s) aan.

HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

Art. 12.

Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2017.

Art. 13.

Dit besluit treedt buiten werking op 30 juni 2018.

Het pilootproject kan eenmaal verlengd worden indien de haalbaarheid voor een uitrol over Vlaanderen en alle toepassingsvoorwaarden niet verzekerd zijn. Deze verlenging kan duren tot maximaal 30 juni 2019.

Art. 14.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister bevoegd voor mobiliteit, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.