Decreet betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten

  • goedkeuringsdatum
    25 november 2016
  • publicatiedatum
    B.S.10/01/2017
  • datum laatste wijziging
    10/01/2017

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt :

Decreet betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder :

1° beschikbaarheidsvergoeding: de vergoeding die door de inrichtende macht verschuldigd is aan de projectvennootschap overeenkomstig de DBFM-overeenkomst en die gebaseerd is op de projectwaarde, de financieringskosten, de onderhoudskosten, de personeels- en werkingskosten van de projectvennootschap, de verzekeringskosten en een eventuele risico- en winstpremie;

2° DBFM-overeenkomst: de overeenkomst die door een inrichtende macht met een projectvennootschap wordt gesloten voor een scholenbouwproject of projectcluster in het kader van het projectspecifiek DBFM-programma;

3° DBFM-toelage: de financiële bijdrage aan de beschikbaarheidsvergoeding;

4° projectcluster: een groep van scholenbouwprojecten van één of meer inrichtende machten;

5° projectspecifiek DBFM-programma: de alternatieve financiering van bijkomende schoolinfrastructuur via DBFM-overeenkomsten;

6° projectvennootschap: de private vennootschap die instaat voor het ontwerp (design), de bouw (build), de financiering (finance) en het onderhoud (maintain) van de schoolinfrastructuur. De Vlaamse Gemeenschap en de inrichtende machten kunnen rechtstreeks noch onrechtstreeks belangen nemen in die vennootschap of haar financiële verbintenissen waarborgen;

7° reguliere subsidiëring of reguliere financiering :

a) reguliere subsidiëring is de reeds bestaande wijze waarop de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs beroep kan doen op de financiële middelen voor investeringen in schoolinfrastructuur overeenkomstig de geldende onderwijsregelgeving;

b) reguliere financiering is de reeds bestaande wijze waarop de inrichtende macht in het gemeenschapsonderwijs beroep kan doen op financiële middelen voor investeringen in schoolinfrastructuur overeenkomstig de geldende onderwijsregelgeving;

8° scholenbouwproject: de terbeschikkingstelling door de projectvennootschap van schoolinfrastructuur voor een periode van dertig jaar;

9° schoolinfrastructuur :

a) de onroerende goederen die bestemd zijn voor de onderwijsinstellingen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding;

b) de eerste uitrusting die aangebracht is in een nieuw of aangepast gebouw, die onontbeerlijk is voor het gebruik van de infrastructuur en die onroerend is door de aard of bestemming ervan.

Art. 3.

Dit decreet is van toepassing op de instellingen voor gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, op het volwassenenonderwijs en op de internaten en de centra voor leerlingenbegeleiding.

Art. 4.

In het kader van het projectspecifiek DBFM-programma kan een inrichtende macht voor één of meer onroerende goederen waarvan ze eigenaar is of waarop ze een zakelijk recht bezit die haar het genot verzekeren tot de einddatum van de DBFM-overeenkomst overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen van dit decreet een DBFM-overeenkomst sluiten met een projectvennootschap en van het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, hierna `AGION' genoemd, of van de Vlaamse Regering een DBFM-toelage verkrijgen.

In geval van een projectcluster waarbij verschillende inrichtende machten betrokken zijn, wordt gebruik gemaakt van een samengevoegde opdracht, zoals vermeld in artikel 38 van de wet van 15 juni 2006 op overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. In voorkomend geval sluit elk van de betrokken inrichtende machten een DBFM-overeenkomst en kan elk van hen een DBFM-toelage verkrijgen.

Art. 5.

AGION kan, daarin ondersteund door School Invest NV, en het projectbureau, vermeld in artikel 7, conform de wetgeving inzake de overheidsopdrachten, per projectcluster of bij gebreke daarvan per scholenbouwproject een lijst van geselecteerde kandidaten opstellen die beantwoorden aan de gestelde kwalitatieve selectiecriteria.

De inrichtende machten nodigen in voorkomend geval alle kandidaten van de lijst, vermeld in het eerste lid, uit om een offerte in te dienen.

Art. 6.

AGION ondersteunt de betrokken inrichtende machten voorafgaand aan, tijdens en na het sluiten van een DBFM-overeenkomst.

AGION stelt, daarin ondersteund door School Invest NV, typeopdrachtdocumenten op, waaronder een model van DBFM-overeenkomst dat minstens voorziet in de volgende elementen :

1° een berekeningsmethode om de beschikbaarheidsgraad van de schoolinfrastructuur vast te stellen;

2° het principe dat de beschikbaarheidsvergoeding slechts verschuldigd is in functie van de graad van beschikbaarheid van de schoolinfrastructuur;

3° het principe dat op de einddatum van de DBFM-overeenkomst de schoolinfrastructuur aan welomschreven overdrachtseisen moet voldoen;

4° de remediërende en sanctionerende maatregelen in het geval van niet naleving van de voorwaarden van de DBFM-overeenkomst;

5° de verdeling van de risico's tussen de contracterende partijen.

De typeopdrachtdocumenten die opgemaakt worden door AGION dienen gevolgd te worden door de inrichtende machten. De finale opdrachtdocumenten dienen voorafgaandelijk goedgekeurd te worden door AGION.

Art. 7.

De Vlaamse Regering richt een projectbureau op dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de onderwijsnetten van het gesubsidieerd onderwijs en het Gemeenschapsonderwijs en deskundigen, aangewezen voor hun expertise in schoolinfrastructuur of publiek-private samenwerking.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de samenstelling en de werking van het projectbureau.

Art. 8.

Het projectbureau ondersteunt AGION bij :

1° de voorbereiding van de ingediende aanvragen, vermeld in artikel 9;

2° de opstelling van de lijst van geselecteerde kandidaten, vermeld in artikel 5, eerste lid;

3° de beoordeling van de offertes die de geselecteerde kandidaten hebben ingediend.

Art. 9.

De inrichtende macht dient, op basis van een oproep door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een aanvraag in om in aanmerking te komen voor het projectspecifiek DBFM-programma. In geval van een projectcluster waarbij verschillende inrichtende machten betrokken zijn, worden de aanvragen gegroepeerd ingediend.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen van de indiening, de vorm en inhoud van de aanvragen.

HOOFDSTUK 2. - Selectie en rangschikking

Art. 10.

De aanvragen worden op basis van de volgende selectiecriteria beoordeeld :

1° de dwingende nood aan investering;

2° de minimale schaalgrootte van de scholenbouwprojecten en de homogeniteit van de projectcluster;

3° de planmatige aanpak;

4° de financiële haalbaarheid;

5° de duurzaamheid inclusief de energie-efficiëntie;

6° de multifunctionaliteit;

7° de mate waarin specifieke interne of externe factoren de vergunbaarheid of de realisatie van het scholenbouwproject of de projectcluster kunnen beïnvloeden of bemoeilijken, inclusief de mate waarin voorbereidende werken noodzakelijk zijn;

8° de chronologie van de aanvragen op de reguliere wachtlijsten;

9° de mogelijk te behalen meerwaarde in een DBFM-benadering.

Art. 11.

Op basis van de selectiecriteria, zoals bedoeld in artikel 10, geeft AGION in een schriftelijk verslag zijn advies over de selectie en rangschikking van de aanvragen van het gesubsidieerd onderwijs. Het bezorgt dat verslag aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Het GO! bezorgt zijn advies met betrekking tot haar projecten, zoals afgetoetst aan de selectiecriteria, rechtstreeks aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs. De verdeling van de totale budgettaire investeringsruimte tussen de onderwijsnetten met het oog op de realisatie van de projectspecifieke DBFM-overeenkomsten gebeurt op basis van de toepassing van Onderwijsdecreet II.

Art. 12.

De Vlaamse Regering beslist, op grond van het advies van AGION en op basis van het advies van het GO!, op voorstel van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, over de selectie en rangschikking van de scholenbouwprojecten.

HOOFDSTUK 3. - DBFM-toelage

Art. 13.

Komen in aanmerking voor een DBFM-toelage :

1° de instellingen voor gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding die beantwoorden aan de criteria van de rationalisatie- en programmatienormen die de voorwaarden vastleggen voor het voortbestaan of de betoelaging van bestaande centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen, en anderzijds de oprichting of opname in de toelageregeling van nieuwe centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen;

2° wiens scholenbouwprojecten geselecteerd werden in het kader van het projectspecifiek DBFM-programma en waarvan de schoolinfrastructuur beantwoordt aan de fysische en financiële normen zoals vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding.

Art. 14.

§ 1. De DBFM-toelage wordt berekend als een percentage van de beschikbaarheidsvergoeding die de inrichtende macht verschuldigd is overeenkomstig de DBFM-overeenkomst.

§ 2. De DBFM-toelage bedraagt 81,5% voor de instellingen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs, en 71,5% voor de instellingen van andere onderwijsniveaus, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding.

Voor de instellingen, de internaten en de centra, vermeld in artikel 3, in het gesubsidieerd onderwijs wordt de DBFM-toelage, die wordt berekend conform het eerste lid, verhoogd, derwijze dat de daadwerkelijk verschuldigde onderhoudscomponent in de beschikbaarheidsvergoeding aan 90% wordt betoelaagd.

§ 3. De DBFM-toelage bedraagt 100% voor de instellingen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding in het Gemeenschapsonderwijs.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de nadere normen, modaliteiten en de procedure bepalen voor de toekenning en uitbetaling van de DBFM-toelage.

Art. 15.

§ 1. AGION wordt er toe gemachtigd om in het kader van het projectspecifiek DBFM-programma gedurende de dertigjarige beschikbaarheidsperiode verbintenissen aan te gaan ten belope van maximaal 22,5 miljoen euro per jaar. Die verbintenissen mogen voorzien in een indexering conform paragraaf 2.

§ 2. Vanaf het tweede jaar en tot en met het dertigste jaar van de dertigjarige beschikbaarheidstermijn mag de beschikbaarheidsvergoeding voor elk project jaarlijks geïndexeerd worden onder de volgende voorwaarden :

1° slechts het gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding dat betrekking heeft op de eigen werkingskosten van de projectvennootschap, het onderhoud en de verzekeringen, komt in aanmerking voor indexering op basis van parameters die de reële kosten vertegenwoordigen;

2° het indexeerbaar gedeelte van de beschikbaarheidsvergoeding bedraagt maximaal 35%;

3° in geen geval mag de jaarlijkse indexatie ertoe leiden dat in enige periode de beschikbaarheidsvergoeding meer bedraagt dan wanneer de oorspronkelijke beschikbaarheidsvergoeding jaarlijks zou aangepast worden aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.

Art. 16.

AGION kan alle initiatieven nemen die het nodig acht om toe te zien of de voorwaarden voor de toekenning van de DBFM-toelage vervuld zijn gedurende de termijn van de DBFM-overeenkomst en of de DBFM-toelage niet ten onrechte wordt uitbetaald.

AGION kan onder meer bijkomende documenten en gegevens opvragen, de inrichtende macht horen en een bezoek ter plaatse brengen.

Art. 17.

Als geen gevolg gegeven wordt aan de initiatieven van AGION, vermeld in artikel 16, kan de betaling van de DBFM-toelage opgeschort worden.

Art. 18.

De toekenning van de DBFM-toelage is afhankelijk van de onderwijsbestemming van de schoolinfrastructuur, niettegenstaande de mogelijkheid om de schoolinfrastructuur open te stellen voor ander gebruik.

Als de onderwijsbestemming van de schoolinfrastructuur niet langer verzekerd is, houdt AGION op met de betaling van de DBFM-toelage.

Het behoort tot de appreciatie van AGION om te bepalen of de onderwijsbestemming niet langer verzekerd is, gebaseerd op alle feitelijke en juridische elementen die bekend zijn.

Art. 19.

De ten onrechte uitbetaalde DBFM-toelagen worden verrekend met de nog verschuldigde DBFM-toelagen.

Bij gebrek aan verschuldigde DBFM-toelagen vordert AGION de ten onrechte uitgekeerde toelagen terug.

HOOFDSTUK 4. - Beroep op reguliere subsidiëring of reguliere financiering

Art. 20.

Een inrichtende macht kan tijdens de looptijd van de DBFM-overeenkomst een beroep doen op de reguliere subsidiëring of reguliere financiering voor zover een verandering aan het scholenbouwproject niet opgevangen kan worden door de DBFM-overeenkomst.

In afwijking van artikel 19, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving kan een inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs die tijdens de looptijd van de DBFM-overeenkomst niet over een zakelijk recht beschikt op de schoolinfrastructuur die het voorwerp uitmaakt van de DBFM-overeenkomst, een beroep doen op de reguliere subsidiëring.

Art. 21.

Een inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs kan gedurende de looptijd van de DBFM-overeenkomst geen beroep doen op de reguliere subsidiëring voor de aankoop van de schoolinfrastructuur dat het voorwerp uitmaakt van de DBFM-overeenkomst.

HOOFDSTUK 5. - Einde DBFM-overeenkomst

Art. 22.

Op het einde van de DBFM-overeenkomst wordt de schoolinfrastructuur kosteloos overgedragen aan de inrichtende macht.

Art. 23.

Voor instellingen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding in het gesubsidieerd onderwijs gaat AGION over tot terugvordering wanneer de schoolinfrastructuur na het einde van de DBFM-overeenkomst wordt verkocht of als de infrastructuur voor andere doeleinden dan onderwijsdoeleinden wordt aangewend.

De terugvordering is gebaseerd op een aandeel van de verkoopwaarde van de schoolinfrastructuur dat evenredig is aan de toegekende subsidie, verminderd met een twintigste per jaar na het einde van de DBFM-overeenkomst.

De aanvangsdatum voor de berekening van de aldus toegekende vermindering is 1 september van het schooljaar dat volgt op de einddatum van de DBFM-overeenkomst.

HOOFDSTUK 6. - Waarborg

Art. 24.

De Vlaamse Regering is gemachtigd om een gemeenschapswaarborg te stellen voor de financiële verbintenissen van de inrichtende machten voortvloeiende uit de DBFM-overeenkomsten afgesloten in het kader van het projectspecifiek DBFM-programma die niet gedekt worden door een DBFM-toelage.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de voorwaarden of modaliteiten voor het stellen van de waarborg.