Besluit van de Vlaamse Regering betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    28 oktober 2016
  • publicatiedatum
    B.S.29/12/2016
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, artikel X.35, zoals het laatst gewijzigd werd bij het decreet van 17 juni 2016, dat het volgende stelt: "Artikel X.35. De Vlaamse Regering kan de bepalingen van volgende decreten coördineren, met inachtneming van de wijzigingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie :

1° het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;

2° de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

2° bis het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs berekend wordt;

3° de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;

4° de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;

5° de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen;

5bis° het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs;

5ter° het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs.

5quater° het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten.

5quinquies° het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs.

5quinquies°/1 het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;

5sexies° het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de salarissen, de salaristoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

5sexies°/1 het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;

6° het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;

7° het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Vlaamse Autonome Hogescholen;

8° het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs;

9° het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen;

10° het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

11° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

12° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

13° het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap;

14° het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen;

15° het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;

16° het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;

17° het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

18° het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;

19° het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

20° het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;

21° het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing;

22° het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;

22bis° het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

23° het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;

24° het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII;

25° het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool;

26° het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

27° het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX;

28° het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

29° het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs;

30° het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs X;

31° het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;

32° het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;

33° het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII- Ensor;

34° het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

35° het decreet van 20 april 2001 houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs;

36° het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;

36bis° het decreet van 28 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I;

36ter° het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;

36quater° de decretale bepalingen uit het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van opleidingsvorm 3 in het buitengewoon secundair onderwijs;

37° het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

38° het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV;

39° het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;

40° het decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII;

41° het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs;

42° het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;

42bis° het decreet van 6 juni 2008 houdende instelling van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding;

43° het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;

44° het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende bepalingen voor het deeltijds kunstonderwijs;

45° het decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX;

46° het decreet betreffende het onderwijs XX;

47° het decreet betreffende het onderwijs XXI;

48° het decreet betreffende het onderwijs XXII;

49° het decreet betreffende het onderwijs XXIII;

50° het decreet betreffende het onderwijs XXIV;

51° het decreet betreffende het onderwijs XXV;

52° het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;

53° het decreet betreffende het onderwijs XXVI.

Te dien einde kan de Vlaamse Regering :

1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;

2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;

3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde eenheid in de terminologie te brengen, de bepalingen onderling te doen overeenstemmen en ze in overeenstemming te brengen met de actuele stand van de regelgeving, inzonderheid door de afstemming met de bepalingen inzake begrippenkader;

4° in de bepalingen die niet in de coördinatie worden opgenomen, de verwijzingen naar de gecoördineerde bepalingen aanpassen.".

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 5 februari 2016;

Gelet op het advies nummer 59.442 van 15 juli 2016 van de Raad van State, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° (60 dagen) van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De hierna genoemde wettelijke en decretale bepalingen voor het onderwijs, met inachtneming van de wijzigingen die ze hebben ondergaan, worden gecoördineerd in een codificatie volgens de bij dit besluit gevoegde tekst :

1° artikel 20, 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;

2° artikel 3, § 1, § 5, § 8, § 9; 4; 6; 6bis; 6quater, eerste lid, derde lid; 7; 12; 24, § 1, eerste lid, § 2, eerste en tweede lid, § 3; 25; 26; 27, § 1; 28; 32; 35; 36 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

3° artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs berekend wordt;

4° artikel 20 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;

5° artikel 1, 2, 4, 4/1, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 van het koninklijk besluit nr.184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;

6° artikel 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;

7° artikel 3ter, 3quater, 3quinquies, 4, 5, 17, 90, 90bis, 91, 92, 93, 93bis, 93ter, 93quater, 94, 95, 95bis tot en met 95sexies, 96, 96bis, 96ter, 97, 97bis, 98, 98bis, 99, 100/1, 100bis tot en met 100sexies, 100septies tot en met 100decies, 191, 199, 200, 190, 192, 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

8° artikel 2 tot en met 10, 15, 16, 29, 29/2 tot en met 29/7 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;

9° artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

10° artikel 57 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;

11° artikel 50, 51, 54, 80, 169octies, 169novies, 164 van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;

12° artikel 12, 14, 16, 15, 17, 62, 63, 64, 67 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;

13° artikel 12, 13, 14 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX;

14° artikel 170, 172, 173 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;

15° artikel V.21 tot en met V.35, IX.1, IX.2 tot en met IX.9, XI.1, XI.2, XI.3, XI.6, XIII.9 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;

16° artikel II.1, IV.1-IV.5, IV.6 tot en met IV.10, VIII.1 tot en met VIII.5 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen;

17° artikel X.1 tot en met X.17, X.22 tot en met X.26, X.28, X.29, X.35, X.39 tot en met X.43, X.48, X.49 tot en met X.55, X.57, X.58, X.59, X.61 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

18° artikel X.2, X.5, X5bis van het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV;

19° artikel IX.4, IX.5 van het decreet van 7juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;

20° artikel V.1 tot en met V.4 van het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs;

21° artikel XI.6, XI.7, XI.9 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;

22° artikel 20 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;

23° artikel 3 tot en met 6, 8 tot en met 8quinquies van het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;

24° artikel VIII.26 van het decreet van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX;

25° artikel XI.1 tot en met XI.3, XI.4 tot en met XI.7 van het decreet van 1 juli 2011 betreffende het onderwijs XXI;

26° artikel XI.1 van het decreet van 21 december 2012 betreffende het onderwijs XXII;

27° artikel X.1, X.2 tot en met X.8 van het decreet van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV.

Art. 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

CODIFICATIE

Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, gecoördineerd op 28 oktober 2016.

DEEL I. INLEIDENDE BEPALING

Art. I.1.

De codificatie van sommige bepalingen voor het onderwijs regelt enkel gemeenschapsaangelegenheden.

DEEL II. DEELTIJDS KUNSTONDERWIJS

Hoofdstuk 1. Definities

Art. II.1.

Voor de toepassing van de bepalingen van dit deel II, deeltijds kunstonderwijs worden de volgende begrippen gebruikt :

1° kunstonderwijs: het onderwijs dat aan regelmatige leerlingen wordt verstrekt gedurende veertig weken per jaar, naar rata van minimum één wekelijkse lestijd en maximum twaalf wekelijkse lestijden;

2° regelmatige leerling: de leerling die beantwoordt aan de toelatingsvoorwaarden, die ingeschreven is voor het geheel van de vakken van een bepaald leerjaar, die werkelijk en regelmatig deze vakken volgt, met het doel op het einde van het schooljaar eventueel de rechten te bekomen die verbonden zijn aan het welslagen in de proeven en die het eventueel vereiste inschrijvingsgeld heeft betaald. Bovendien wordt als "regelmatige leerling" aangezien de leerling die, in afwijking van wat voorafgaat, slechts een deel van de vakken daadwerkelijk en regelmatig volgt op grond van vrijstelling voor die vakken die reeds met vrucht werden gevolgd op een gelijkwaardig of hoger niveau van het voltijds secundair onderwijs, van het deeltijds kunstonderwijs, of van het kunstonderwijs met beperkt leerplan;

3° jongere: de leerling die op 31 december van het schooljaar waarvoor hij inschrijft, jonger is dan 15 jaar of die een schooljaar voordien als dusdanig werd ingeschreven en sedertdien zijn studie niet onderbrak;

4° volwassene: de leerling die niet voldoet aan de definitie van "jongere" zoals vermeld in 3°;

5° optie: een samenhangend geheel van vakken dat tot doel heeft een specifieke opleiding te verschaffen;

6° filiaal: een vestigingsplaats van een onderwijsinstelling, gevestigd op het grondgebied van een andere gemeente;

7° fusie van scholen: de samenvoeging tot één nieuwe school van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft of de samenvoeging tot één school van twee of meer scholen waarbij één van de scholen in kwestie blijft bestaan en de andere opslorpt;

8° overheveling: de overbrenging van een filiaal van de ene naar de andere school;

9° samensmelting van filialen: de samenvoeging tot één school van twee of meer in dezelfde gemeente gelegen filialen;

10° hoofdvestiging: de vestigingsplaats van een school die als administratieve zetel door het schoolbestuur is aangeduid;

11° kunstacademie: school die de studierichtingen beeldende kunst en muziek en één of meer andere studierichtingen organiseert;

12° leefeenheid: één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres.

Hoofdstuk 2. Erkenning, financiering, subsidiering van scholen

Art. II.2.

§ 1. Het Gemeenschapsonderwijs richt deeltijds kunstonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap in en brengt waar daaraan behoefte bestaat, de daartoe nodige scholen en afdelingen ervan tot stand.

De Vlaamse Gemeenschap subsidieert de scholen deeltijds kunstonderwijs en onderverdelingen ervan, die aan de decretale normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen of private personen, zijn tot stand gebracht.

§ 2. Er kunnen geen scholen voor deeltijds kunstonderwijs en onderverdelingen ervan in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de voorwaarden die gelden inzake rationalisatie en programmatie.

De financiering of subsidiëring voor het bedoelde onderdeel wordt ingetrokken voor elke nieuwe oprichting van een school of een onderdeel ervan, indien zij niet beantwoorden aan de voorwaarden inzake rationalisatie en programmatie.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de hiervoor voorziene sancties.

Art. II.3.

Een school kan enkel erkend worden indien ze in het geheel van zijn werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder, eerbiedigen.

Art. II.4.

Een officiële school kan slechts worden erkend indien zij voldoet aan volgende voorwaarden :

1° een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;

2° de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV, of eigen leerplannen ermee verenigbaar;

3° een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter bedoeld in 1°;

4° begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV.

Art. II.5.

§ 1. In het deeltijds kunstonderwijs zullen scholen en onderverdelingen ervan in de financiering of subsidiering kunnen opgenomen worden op advies van de onderwijsinspectie, dat in ieder geval dient te worden uitgebracht vóór 15 juni van het schooljaar in kwestie, zoniet wordt dit advies geacht gunstig te zijn.

§ 2. Een school voor deeltijds kunstonderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd wanneer ze zich gedraagt naar de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de inrichting der studiën en wanneer ze de bepalingen over de taalregeling in onderwijs en de taalkennis van het personeel naleeft.

Bovendien moet de school :

1° een structuur aannemen vastgesteld door of krachtens een wet of decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen;

2° een leerplan eerbiedigen, dat overeenstemt met de wettelijke voorschriften of dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is goedgekeurd;

3° zich aan de door de Vlaamse Regering ingerichte controle en onderwijsinspectie onderwerpen. Deze inspectie heeft in het bijzonder betrekking op de onderwezen vakken, het peil der studiën en de toepassing van de taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes;

4° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

5° per klas, afdeling, graad of andere onderverdeling het minimum aantal leerlingen tellen, bepaald door de Vlaamse Regering, behoudens een door de Vlaamse Regering verleende vrijstelling met het oog op bijzondere en exceptionele omstandigheden;

6° gevestigd zijn in lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen;

7° beschikken over een didactisch materieel en een schooluitrusting die beantwoorden aan de pedagogische vereisten;

8° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand die van de leerlingen niet in gevaar brengt en dat onderworpen is aan de regelgeving inzake controle op afwezigheid wegens ziekte;

9° de regelgeving naleven die het verlenen van verlof aan het personeel zal regelen.

§ 3. Wanneer een school of een onderverdeling ervan niet langer de gestelde voorwaarden vervult, zullen de financiering of subsidiering ingehouden worden, te rekenen van de datum van de ministeriële kennisgeving die steunt op de geconstateerde tekortkomingen. Ze zullen opnieuw verleend worden, wanneer al de voorwaarden tot financiering of subsidiëring terug vervuld worden.

Art. II.6.

De Vlaamse Regering kan de erkenning van een school of een vestigingsplaats ervan opheffen met inachtname van artikel 35 tot artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

Art. II.7.

Het schoolbestuur is bevoegd om aan de leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen voor zover de studierichtingen en graden in kwestie voldoen aan de voorwaarden inzake financiering of subsidiering, vermeld in de regelgeving voor het deeltijds kunstonderwijs.

Art. II.8.

De kosten van het onderwijs, verstrekt in de scholen tot stand gebracht door openbare of private personen, vallen ten laste van het schoolbestuur.

Voor de scholen deeltijds kunstonderwijs die aan de bij het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, verleent de Vlaamse Gemeenschap, een salaris of een salaristoelage voor het personeel en een werkingsbudget.

Art. II.9.

Jaarlijks wordt een forfaitair werkingsbudget verleend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en de uitrusting van de scholen, aan het verstrekken van leerboeken en schoolbehoeften van de leerlingen en aan de uitgaven voor investeringen.

Art. II.10.

§ 1. Het werkingsbudget wordt uitbetaald aan het schoolbestuur van elke school. Het kan worden aangewend ten behoeve van al de scholen, centra, internaten en tehuizen behorende tot hetzelfde schoolbestuur. Bij deze aanwending dient het schoolbestuur rekening te houden met een gelijke behandeling van haar scholen, centra, internaten en tehuizen en van de leerlingen die ertoe behoren.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt :

1° de wijze waarop de scholen hun aanvraag tot financiering of subsidiëring indienen;

2° de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van de financiering of subsidiering betreft. Deze controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending.

Art. II.11.

In geval van overname van een school door een ander schoolbestuur, wordt het bedrag van het werkingsbudget waarop de overgenomen school recht had volgens de geldende bepalingen ter zake, voor het eerste schooljaar van de overname, aan het nieuwe schoolbestuur toegekend.

Art. II.12.

Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van het salaris, de salaristoelage of het werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken scholen medebrengen dat de financiering of subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding. De teruggave van de ten onrechte als financiering of subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid.

Hoofdstuk 3. Organisatie en structuur

Art. II.13.

De Vlaamse Regering bepaalt :

1° per graad en per studierichting :

- het minimumaantal lestijden en de duur van een lestijd;

- de toelatings- en overgangsvoorwaarden op basis van de leeftijd, de getuigschriften en de toelatingsproeven;

- de regels voor de organisatie van evaluaties en examens;

2° de inningsmodaliteiten van het opgelegd inschrijvingsgeld.

Art. II.14.

De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties.

Art. II.15.

De structuur van het deeltijds kunstonderwijs bestaat uit vier graden :

1° een lagere graad;

2° een middelbare graad;

3° een hogere graad;

4° een specialisatiegraad.

Art. II.16.

§ 1. Het deeltijds kunstonderwijs omvat de studierichtingen :

1° beeldende kunst;

2° dans;

3° muziek;

4° woordkunst.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de opties en de vakken die binnen de in § 1 bedoelde studierichtingen kunnen worden aangeboden.

§ 3. De Vlaamse Regering kan modaliteiten bepalen voor fusies van scholen en overhevelingen in het deeltijds kunstonderwijs.

§ 4. Wegens uitzonderlijke redenen van tijdelijke aard kan de Vlaamse Regering toelating geven om leerlingen tijdelijk onder te brengen in gebouwen in gemeenten waar de school voor deeltijds kunstonderwijs geen vestigingsplaatsen of filialen heeft. De programmatie- en rationalisatienormen zijn hier niet van toepassing voor de duur van de tijdelijke onderbrenging.

§ 5. Scholen, studierichtingen, filialen en graden die op de teldatum, zoals bepaald in artikel II.22, § 2, 1°, niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen of programmatienormen voldoen blijven gefinancierd of gesubsidieerd als op de vorige teldatum de volgende voorwaarden vervuld waren :

1° de school in haar geheel voldeed aan de voor haar geldende rationalisatienormen of programmatienormen;

2° elk filiaal, elke studierichting en elke graad voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen of programmatienormen.

Art. II.17.

§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan vanaf het schooljaar 2009-2010 een school voor deeltijds kunstonderwijs opgericht worden in gemeenten die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :

1° er zijn minstens 19.300 inwoners op 1 januari van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de oprichting gebeurt;

2° de verhouding tussen het aantal leerlingen dat in de gemeente lager - of secundair onderwijs volgt en het inwonersaantal bedraagt minstens 9% of de verhouding tussen het aantal leerplichtige inwoners en het totale inwonersaantal bedraagt minstens 15,3%; Deze percentages worden berekend aan de hand van het aantal inwoners zoals bedoeld in 1° en het aantal leerlingen geteld op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de oprichting gebeurt;

3° er is nog geen hoofdvestiging of filiaal gevestigd.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag en de kwalitatieve beoordeling van nieuwe scholen deeltijds kunstonderwijs.

Art. II.18.

§ 1.Vanaf het schooljaar 2009-2010 kan een kunstacademie ontstaan door :

1° fusie van scholen waarvan de hoofdscholen gelegen zijn in dezelfde gemeente;

2° de overheveling van een of meer filialen naar een school waarvan de hoofdvestiging gelegen is in dezelfde gemeente;

3° samensmelting van filialen die gelegen zijn in dezelfde gemeente;

4° oprichting van een nieuwe school voor deeltijds kunstonderwijs.

§ 2. De scholen die in het schooljaar 2008-2009 een tijdelijk project betreffende de aanhechting van een studierichting beeldende kunst aan een school voor muziek, woordkunst en/of dans organiseerden, worden beschouwd als kunstacademie.

§ 3. Vanaf het schooljaar 2010-2011 kan een kunstacademie eveneens ontstaan door de programmatie van een studierichting in een bestaande school.

§ 4. Een kunstacademie kan enkel ontstaan in gemeenten die beantwoorden aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel II.17. § 1, 1° en 2°. In gemeenten die daarenboven ook voldoen aan de voorwaarde zoals bepaald in artikel II.17, § 1, 3°, kan een kunstacademie ontstaan door de oprichting van een nieuwe school voor deeltijds kunstonderwijs.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de kwalitatieve beoordeling en de oprichting van kunstacademies.

§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt programmatie- en rationalisatienormen voor scholen, filialen, studierichtingen en graden. In afwachting van het in werking treden van de besluiten in uitvoering van deze decreetsbepaling, blijft de ter zake geldende regelgeving, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze decreetsbepaling van kracht is, van toepassing.

§ 7. In kunstacademies worden uren-leraar voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de uren alsook het aantal en de wijze van berekening ervan op basis van het aantal financierbare leerlingen ingeschreven op de voor de financierbaarheid relevante teldatum.

§ 8. Het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking beleidsondersteuning met uren-leraar vermeld in § 7, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid;

2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

3° de betrekking kan niet worden vacant verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

§ 9. Het personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur in een school voor deeltijds kunstonderwijs en dat als gevolg van het ontstaan van een kunstacademie door fusie van scholen ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking, kan op persoonlijke titel tewerkgesteld worden in een niet-organieke betrekking van directeur die aan de kunstacademie wordt toegevoegd. De tewerkstelling in de niet-organieke betrekking wordt beschouwd als een reaffectatie en schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de school op.

De niet-organieke betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend op basis van dezelfde berekening als voor het ambt van directeur, vermeld in artikel II.29. De niet-organieke betrekking wordt slechts toegekend zolang het personeelslid, vermeld in het eerste lid, erin tewerkgesteld wordt.

Zolang aan de kunstacademie een niet-organieke betrekking toegekend wordt als vermeld in het tweede lid, worden in die kunstacademie in afwijking van paragraaf 7, geen uren-leraar voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. II.19.

In afwijking van artikel II.17 en artikel II.18, §1 tot en met §6, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 geen nieuwe scholen voor deeltijds kunstonderwijs worden opgericht.

In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een schoolbestuur toelating geven tot programmatie van een school :

1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van het schoolbestuur, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en

2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de onderwijsinspectie.

Art. II.20.

§ 1. De lagere graad is complementair aan het basisonderwijs en wordt afzonderlijk georganiseerd voor volwassenen en jongeren in de studierichtingen "dans" en "muziek". In de studierichtingen "beeldende kunst" en "woordkunst" wordt zij uitsluitend voor jongeren georganiseerd.

De lagere graad bestaat uit vier leerjaren in de studierichtingen "muziek" en "woordkunst" en in de studierichting "dans" georganiseerd voor jongeren. De Vlaamse Regering kan de lagere graad voor deze studierichtingen uitbreiden tot zes leerjaren. De lagere graad bestaat uit twee leerjaren in de studierichting "dans" georganiseerd voor volwassenen. De lagere graad bestaat uit ten minste twee en ten hoogste zes leerjaren in de studierichting "beeldende kunst".

§ 2. De middelbare graad is complementair aan het secundair onderwijs en wordt afzonderlijk georganiseerd voor volwassenen en jongeren in de studierichtingen "dans" en "woordkunst".

De middelbare graad bestaat uit zes leerjaren in de studierichting "beeldende kunst" en drie leerjaren in de andere studierichtingen.

§ 3. De hogere graad is complementair aan het secundair onderwijs, uitgezonderd de studierichting "beeldende kunst" die, wat de kunstvakken betreft, equivalent is aan de derde graad van het voltijds kunstsecundair onderwijs.

De hogere graad bestaat uit vier leerjaren met ten minste tien wekelijkse lestijden of uit vijf leerjaren met ten minste acht wekelijkse lestijden in de studierichting "beeldende kunst" en drie leerjaren in de andere studierichtingen.

Voor de opties kunstexploratie en digitale beeldende kunst bestaat de hogere graad beeldende kunst uit maximaal vier leerjaren met ten minste zes wekelijkse lestijden. Voor de optie theatervormgeving bestaat de hogere graad beeldende kunst uit vier leerjaren met ten minste twaalf wekelijkse lestijden of vijf leerjaren met tenminste tien wekelijkse lestijden.

§ 4. De specialisatiegraad is complementair aan het secundair onderwijs, uitgezonderd de studierichting "beeldende kunst" die, wat de kunstvakken betreft, equivalent is aan het zevende specialisatiejaar op het einde van de derde graad van het voltijds kunstsecundair onderwijs.

De specialisatiegraad bestaat uit twee leerjaren.

Art. II.21.

§ 1. Het deeltijds kunstonderwijs kan enkel gefinancierd of gesubsidieerd worden in scholen die uitsluitend kunstonderwijs organiseren.

§ 2. In een school voor deeltijds kunstonderwijs worden tenminste twee opeenvolgende graden georganiseerd.

§ 3. De Koninklijke Beiaardschool te Mechelen wordt als school van het deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke normen en structuren voor deze school vastleggen, die bij decreet worden bekrachtigd.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2005 houdende de organisatie en de financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt bekrachtigd.

Hoofdstuk 4. Normen

Art. II.22.

§ 1. Onder wekelijkse "uren-leraar" wordt verstaan, het aantal lestijden dat wekelijks besteed wordt aan het onderwijzen van leervakken en aan andere prestaties die in de opdracht van de leraar en de muzikale begeleider mogen opgenomen worden.

§ 2. De Vlaamse Regering :

1° bepaalt de berekeningswijze van het aantal uren-leraar, op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op 1 februari van het voorgaande schooljaar, dat in aanmerking wordt genomen. In afwijking hierop is voor de scholen of studierichtingen die in de financiering of subsidiering worden opgenomen, de teldatum voor het schooljaar van opname in de financiering of subsidiering, 1 oktober van dat schooljaar;

2° bepaalt welke regelmatige leerlingen, bedoeld in 1°, in aanmerking worden genomen;

3° kan per graad een bijkomend aantal uren-leraar toekennen dat nodig is om een optie of studierichting in afbouw gedurende de afbouwperiode, voor zover noodzakelijk, in stand te houden;

4° kan voor de opties architectuurtekenen, binnenhuiskunst en industriële kunst van de studierichting beeldende kunst een forfaitair aantal uren-leraar, bijkomend bij het aantal uren-leraar, zoals bedoeld in 1°, toekennen;

5° bepaalt de regels voor de aanwending van het aantal uren-leraar; 6° bepaalt het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar.

Art II.23.

§ 1. Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet-ingerichte uren-leraar overdragen naar het volgend schooljaar mits te voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° het maximum aantal uren-leraar van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar dient vastgelegd uiterlijk op 1 november van dat schooljaar;

2° het maximum aantal uren-leraar van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen naar het daaropvolgende schooljaar kan nooit hoger liggen dan twee procent van het aantal aanwendbare uren-leraar van dat bepaald schooljaar;

3° de overgedragen uren-leraar kunnen enkel in het volgend schooljaar worden aangewend.

§ 2. De overdracht van uren-leraar tijdens een bepaald schooljaar, zoals bedoeld in vorige paragraaf is slechts mogelijk indien het betrokken schoolbestuur van de school op eer verklaart dat zij tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of weder tewerk gesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in een school van het schoolbestuur en dit voor de hele verdere duur van het schooljaar.

§ 3. De niet-naleving van de bepalingen van § 2 heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

§ 4. In de overgedragen uren-leraar kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 5. Met het oog op de controle van § 4 door het Agentschap voor Onderwijsdiensten, dienen de schoolbesturen van de betrokken scholen een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat in de bedoelde uren-leraar geen personeelsleden vastbenoemd worden.

§ 6. De niet-naleving van de bepalingen van § 4 en § 5 heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid.

Art. II.24.

Een schoolbestuur kan, van de aan haar scholen krachtens de bestaande wettelijke of reglementaire normen, toegekende uren-leraar, binnen hetzelfde niveau, maximaal drie procent herverdelen onder haar scholen.

Die drie procent wordt berekend op basis van het totaal aantal gefinancierde of gesubsidieerde uren-leraar dat gedurende het vorig schooljaar aan het schoolbestuur op basis van de geldende wettelijke of reglementaire normen werd toegekend.

Bij de in het eerste lid bedoelde herverdeling, mag een schoolbestuur het aantal aan een school toegekende uren-leraar niet verminderen indien ze in dat schooljaar in deze scholen overeenkomstig de geldende reglementering nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken.

Met het oog op de controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten dienen de schoolbesturen een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat zij de bepalingen van het voorgaand lid in acht nemen bij deze herverdeling. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

In de bijkomende uren-leraar die een school via deze herverdeling verkregen heeft, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het betrokken schoolbestuur dient een verklaring op eer af te leggen die er toe strekt dat in de bedoelde uren-leraar geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van deze bepalingen heeft tot gevolg dat de vaste benoemingen geen uitwerking kunnen hebben ten aanzien van de overheid.

Art. II.25.

§ 1. In de lagere en middelbare graad van de scholen voor deeltijds kunstonderwijs die gevestigd zijn in het arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt het aantal uren-leraar, vastgesteld overeenkomstig artikel II.22, verhoogd met 30% indien de schoolbesturen deel uitmaken van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum.

Het Samenwerkingsforum :

1° optimaliseert het aanbod van opleidingen die door de scholen voor deeltijds kunstonderwijs worden georganiseerd en stemt dit op elkaar af;

2° streeft naar een samenwerking met Nederlandstalige scholen voor basisonderwijs of secundair onderwijs;

3° ontwikkelt socio-culturele initiatieven en streeft daarbij naar een samenwerking met socio-culturele organisaties en instellingen in de gemeenten van het Vlaamse Gewest, genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;

4° signaleert knelpunten, behoeften en oplossingen inzake deeltijdse kunstopleidingen aan de overheid;

5° optimaliseert de dienstverlening voor de leerlingen in de scholen; 6° stimuleert en ondersteunt alle mogelijke vormen van samenwerking tussen de scholen.

Het Samenwerkingsforum stelt bij gewone meerderheid van de totaal uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement op en legt dit ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering.

§ 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit :

1° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in § 1;

2° een met redenen omkleed advies verlenen over de aanvragen van de scholen voor deeltijds kunstonderwijs voor de programmatie van filialen, studierichtingen en graden, zoals vermeld in artikel II.26;

3° alle opdrachten, dat een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de scholen gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren.

§ 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken.

§ 4. Het Samenwerkingsforum legt jaarlijks uiterlijk op 1 april een werkingsverslag voor aan de Vlaamse Regering, die bijsturingen kan voorstellen. Bovendien bezorgt het Samenwerkingsforum jaarlijks uiterlijk op 1 april een zelfevaluatierapport aan het Departement Onderwijs en Vorming in functie van een eventuele structurele verankering van samenwerkingsverbanden in het deeltijds kunstonderwijs. In dit rapport komen minstens de volgende elementen aan bod :

- een beschrijving van de evolutie van het deeltijds kunstonderwijs in het arrondissement Brussel-Hoofdstad sinds het schooljaar van de opstart van het Samenwerkingsforum;

- een beschrijving en beoordeling van de sterke en de te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden van de werking van het Samenwerkingsforum.

Art. II.26.

§ 1. Het schoolbestuur van een school voor deeltijds kunstonderwijs die gevestigd is in het arrondissement Brussel-Hoofdstad legt een aanvraag voor programmatie van filialen, studierichtingen en graden, zoals vermeld in hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst en hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst en dans, voor aan het netoverschrijdend Samenwerkingsforum. Het schoolbestuur verkrijgt de toestemming tot de gevraagde programmatie, als het netoverschrijdend Samenwerkingsforum bij consensus een positief advies verleent aan de aanvraag. Het Samenwerkingsforum is gehouden het positief advies verleend bij consensus binnen de dertig kalenderdagen aan de Vlaamse Regering bekend te maken.

Als het Samenwerkingsforum bij meerderheid een positief advies verleent aan de aanvraag, kan het schoolbestuur de programmatie aanvragen bij de Vlaamse Regering. Het advies uitgebracht door het Samenwerkingsforum geldt dan als advies aan de Vlaamse Regering.

§ 2. In afwijking van § 1, moet het schoolbestuur van een school voor deeltijds kunstonderwijs voor de programmatie van een school, steeds een aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde programmatie uitsluitend weigeren of verlenen na advies van het Samenwerkingsforum en bij een met redenen omklede beslissing.

§ 3. Het schoolbestuur van een school voor deeltijds kunstonderwijs dat van het Samenwerkingsforum een negatief advies heeft verkregen, kan bij de Vlaamse Regering de programmatie aanvragen. Het advies uitgebracht door het Samenwerkingsforum geldt dan als advies aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering zal, voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde programmatie uitsluitend weigeren of verlenen bij een met redenen omklede beslissing.

Art. II.27.

§ 1. In scholen voor deeltijds kunstonderwijs worden uren-opsteller gefinancierd of gesubsidieerd.

§ 2. De oprichting van betrekkingen in het ambt van opsteller is gebaseerd op het aantal financierbare leerlingen ingeschreven op de voor de financierbaarheid relevante teldatum.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de uren-opsteller alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.

Art. II.28.

§ 1. In de scholen voor deeltijds kunstonderwijs die op 30 juni 2007 beschikken over een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het ambt van studiemeester-opvoeder, waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van is, of waar op 30 juni 2007 een vast benoemd studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, wordt dat ambt gefinancierd of gesubsidieerd, zolang datzelfde personeelslid er titularis is.

Het recht vermeld in het eerste lid is beperkt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni 2007.

§ 2. De omkadering voor de betrekkingen vermeld in § 1, wordt in mindering gebracht van de omkadering voor uren-opsteller zoals bedoeld in artikel II.27, § 1.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze vermindering gebeurt.

Art. II.29.

De Vlaamse Regering bepaalt op basis van het aantal regelmatige leerlingen op welke wijze het ambt van directeur kan worden toegekend.

Hoofdstuk 5. Personeel ten laste van het werkingsbudget of van de eigen middelen

Art. II.30.

Het schoolbestuur kan ten laste van het werkigsbudget, vermeld in artikel II.44, II.45, II.46 of van de eigen middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met dit werkingsbudget wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. Het personeelslid dat door het schoolbestuur van een school in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. Het personeelslid dat door het schoolbestuur van een school in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.

Hoofdstuk 6. Inschrijvingsgeld

Art. II.31.

§ 1. In de scholen voor deeltijds kunstonderwijs van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs wordt aan de leerlingen een inschrijvingsgeld opgelegd.

De Vlaamse Regering bepaalt het minimum bedrag, de wijze van innen en de eventuele gehele of gedeeltelijke vrijstellingen van dit inschrijvingsgeld.

§ 2. De inschrijvingsgelden van de leerlingen uit het deeltijds kunstonderwijs worden uiterlijk op 1 oktober geïnd en uiterlijk op 15 oktober overgemaakt aan de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering kan op een met redenen omkleed verzoek afwijking verlenen van de verplichting de inschrijvingsgelden uiterlijk op 15 oktober over te maken.

§ 3. Vanaf een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering wordt paragraaf 2 opgeheven.

§ 4. De Vlaamse Gemeenschap betaalt aan het schoolbestuur van de betrokken scholen de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die werden vrijgesteld.

Art. II.32.

In het deeltijds kunstonderwijs betaalt een leerling voor elke studierichting waarvoor hij zich inschrijft inschrijvingsgeld. Dat inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar.

Art. II.33.

§ 1. Dit artikel wordt vervangen door artikel II.34, §2 van deze codificatie, op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. Voor het schooljaar 2015-2016 bedraagt het inschrijvingsgeld :

1° 300 euro;

2° 125 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt of recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel II.35;

3° 62 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;

4° 40 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel II.35.

De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar 2015-2016 vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt :

A = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

1° Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid.

Art. II.34.

§ 1. Dit artikel treedt in werking op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. Voor het schooljaar (Y-1)-(Y) bedraagt het inschrijvingsgeld :

1° 200 euro;

2° 115 euro als de leerling recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel II.35;

3° 61 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;

4° 40 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in [artikel II.35].

De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar (Y)-(Y+1) vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt :

A = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid.

Decr. 16-6-2017

Art. II.35.

Om voor het verminderde inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moet de leerling :

1° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij :

a) uitkeringsgerechtigd volledig werkloos is, of dat hij ten laste is van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze;

b) verplicht ingeschreven is als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, of dat hij ten laste is van een dergelijke persoon;

2° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij :

a) een leefloon van het OCMW ontvangt;

b) een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangt;

c) erkend is als gehandicapte en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangt;

d) voor ten minste 66% arbeidsongeschikt is;

e) begunstigde is van een verhoogde kinderbijslag (erkend voor ten minste 66%);

f) persoon ten laste is van een persoon, bedoeld in a) of in b) of in c) of in d);

3° het bewijs overleggen dat hij in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijft;

4° het bewijs overleggen dat hij het statuut van erkend politiek vluchteling heeft of ten laste is van een dergelijke persoon;

5° een attest overleggen van het kinderbijslagfonds, indien hij ouder is dan 18 jaar.

Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld :

1° indien een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort het inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in een school voor deeltijds kunstonderwijs;

2° voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in een school voor deeltijds kunstonderwijs.

Art. II.36.

§ 1. De inschrijvingsgelden van het deeltijds kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel II.33, II.34 worden vanaf het schooljaar 2003-2004 volledig toegewezen aan het fonds "Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs", dat een begrotingsfonds is en verder genoemd "het Fonds".

Het Fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan en de controle door het Rekenhof.

§ 2. De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven met betrekking tot de betaling van salarissen of salaristoelagen in het deeltijds kunstonderwijs.

§ 3. De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk.

§ 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds.

Art. II.37.

§ 1. Dit artikel wordt vervangen door artikel II.38, §2 tot en met §4, van deze codificatie, op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. De Vlaamse Regering stelt de modaliteiten van de inning van het inschrijvingsgeld vast.

Art. II.38.

§ 1. Dit artikel heeft uitwerking met ingang van een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. Het schoolbestuur van een gesubsidieerde school met uitzondering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn betaalt jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 15 november van het schooljaar (x,x+1) voor elke school een bijdrage i aan het Fonds die als volgt is vastgesteld :

i = (a*A) - b waarbij :

1° a gelijk is aan het totaal van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (x-1,x);

2° b gelijk is aan het werkingsbudget zoals bepaald in artikel II.44;

3° A gelijk is aan de aanpassingscoëfficiënt die als volgt berekend wordt : A = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

-Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

-Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

§ 3. Het schoolbestuur van een school van het gemeenschapsonderwijs en het schoolbestuur van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn betalen jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 15 november een bijdrage i aan het Fonds die overeenkomt met het totaal van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (x-1,x). Vanaf het begrotingsjaar Y wordt de bijdrage i jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A zoals bepaald in § 2, 3°.

§ 4. Voor de berekening van de bijdrage i wordt verondersteld dat een fusie van scholen of de overheveling van één of meer filialen naar een andere school al op 1 september van het voorafgaande schooljaar plaatsvond.

Hoofdstuk 7. Beroepskwalificaties, basiscompetenties en specifieke eindtermen

Art. II.39.

De Vlaamse Regering bepaalt de inwerkingtreding van de artikelen II.40, II.41, II.42.

Art. II.40.

§ 1. Voor opleidingen deeltijds kunstonderwijs gelden dezelfde specifieke eindtermen als voor het specifieke gedeelte van de opleidingen in het kunstsecundair onderwijs of gelden beroepskwalificaties.

§ 2. Voor de opleidingen die hieraan voorafgaan, worden gehelen van basiscompetenties vastgelegd.

§ 3. De specifieke eindtermen en basiscompetenties worden ontwikkeld gebruikmakend van descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

Art. II.41.

De specifieke eindtermen worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Erkende beroepskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties om als beginnend beroepsbeoefenaar een beroep uit te oefenen. De competenties van de beginnend beroepsbeoefenaar zijn vervat in de beroepskwalificaties die erkend zijn volgens de procedure bepaald in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

De basiscompetenties worden bepaald door de Vlaamse Regering.

Art. II.42.

§ 1. Als een school oordeelt dat de specifieke eindtermen of basiscompetenties onvoldoende ruimte laten voor haar eigen onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient ze bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. Die aanvraag is alleen ontvankelijk, als precies wordt aangegeven waarom die specifieke eindtermen of basiscompetenties voor haar eigen onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze ermee onverzoenbaar zijn. De school stelt in dezelfde aanvraag vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties voor.

§ 2. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist, in voorkomend geval, of de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties in hun geheel gelijkwaardig zijn met de bij decreet vastgelegde specifieke eindtermen of de bij besluit van de Vlaamse Regering vastgelegde basiscompetenties en de mogelijkheid bieden om gelijkwaardige studiebewijzen uit te reiken.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :

1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;

2° de vereiste inhoud : het onderwijsaanbod, zoals gevat in de specifieke eindtermen en basiscompetenties omvat minstens inhouden voor de overeenstemmende opleidingen. Die inhouden moeten enkel in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor specifieke eindtermen bij decreet en basiscompetenties bij besluit van de Vlaamse Regering zijn vastgelegd;

3° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties zijn geformuleerd in termen van wat van leerlingen verwacht kan worden;

4° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;

5° de vervangende specifieke eindtermen slaan op vaardigheden, specifieke kennis, inzichten en attitudes die de leerlingen toelaten vervolgonderwijs aan te vatten;

6° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties zijn zo geformuleerd dat nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen ze verwerven of de scholen ze nastreven.

De Vlaamse Regering wint voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid het gemotiveerde advies in van de onderwijsinspectie. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels van die procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.

§ 3. De school dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de specifieke eindtermen en basiscompetenties zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

De Vlaamse Regering legt een besluit betreffende een afwijkingsaanvraag in verband met specifieke eindtermen binnen een termijn van zes maanden ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Als het Vlaams Parlement dat besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.

§ 4. In afwijking van §3, kan de school een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van één maand na de publicatie van een bekrachtigingsdecreet, als dat bekrachtigingsdecreet gepubliceerd wordt na 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan de inwerkingtreding.

In de gevallen, vermeld in het vorige lid, is het schoolbestuur gebonden door de specifieke eindtermen vanaf 1 september na de publicatie van het decreet dat de gelijkwaardige specifieke eindtermen erkent of na de beslissing van de Vlaamse Regering die de afwijkingsaanvraag afwijst.

Hoofdstuk 8. Administratief kader

Art. II.43.

De scholen van het deeltijds kunstonderwijs in het gemeenschapsonderwijs die op 30 juni 1994 beschikken over bezoldigde ambten van secretaris-rekenplichtige, suppoost, klerk en klerk-typist, kunnen deze ambten behouden zolang ze worden ingenomen door de titularissen van dat ogenblik en deze de betrekking in dezelfde administratieve toestand en zonder onderbreking blijven uitoefenen. Het volume van de opdracht mag niet hoger worden dan wat het was op 30 juni 1994.

Hoofdstuk 9. Werkingsbudget

Art. II.44.

§ 1. Dit artikel wordt vervangen door artikel II.45, § 2 tot en met § 5 van deze codificatie, op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. Dit artikel betreft de gesubsidieerde scholen van het deeltijds kunstonderwijs.

§ 3. Aan de gesubsidieerde scholen van het deeltijds kunstonderwijs wordt jaarlijks een werkingsbudget toegekend.

§ 4. Het werkingsbudget voor het schooljaar (X, X+1) worden berekend als volgt :

Aantal toegekende leraarsuren voor het schooljaar (X, X+1) * bedrag per leraarsuur.

Het bedrag voor het schooljaar 2014-2015 voor de studierichting Beeldende Kunst bedraagt 79,34 euro.

Het bedrag voor het schooljaar 2014-2015 voor de studierichting Muziek, Woordkunst en Dans bedraagt 26,45 euro.

Vanaf het schooljaar 2015-2016 worden de bedragen van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt :

A = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

Art. II.45.

§ 1. Dit artikel treedt in werking op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. Dit artikel betreft de gesubsidieerde scholen van het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn.

§ 3. Het werkingsbudget van de gesubsidieerde scholen van het deeltijds kunstonderwijs bestaan uit een gedeelte van de inschrijvingsgelden van de leerlingen.

§ 4. Het werkingsbudget voor het schooljaar (X, X+1) worden jaarlijks berekend als volgt :

Aantal toegekende leraarsuren voor het schooljaar (X, X+1) * bedrag per leraarsuur.

Het bedrag per leraarsuur wordt jaarlijks berekend als volgt :

Basisbedrag * Aanpassingscoëfficiënt.

Het basisbedrag voor de studierichting Beeldende Kunst bedraagt 90,92 euro.

Het basisbedrag voor de studierichting Muziek, Woordkunst en Dans bedraagt 30,31 euro.

Deze basisbedragen worden jaarlijks vanaf het schooljaar (Y)-(Y+1) vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt :

A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:

1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A-coëfficiënt wordt voor 100 procent in rekening gebracht.

§ 5. Het schoolbestuur mag het werkingsbudget dat zij krachtens dit artikel verkrijgt uitsluitend aanwenden voor de werking van de school. Het schoolbestuur voert een boekhouding, zodat de inkomsten overeenkomstig dit artikel en de aanwending van die inkomsten duidelijk identificeerbaar zijn.

Art. II.46.

Voor het begrotingsjaar 2015, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2014-2015, is het bedrag dat bestemd is voor het deeltijds kunstonderwijs in het gemeenschapsonderwijs 1.729.877 euro. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2 die voor een schooljaar (X, X+1) als volgt berekend wordt :

A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij :

1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.

Hoofdstuk 10. Aanwending van de schooltijd

Art. II.47.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de aanwending van de schooltijd voor het deeltijds kunstonderwijs in de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen.

§ 2. De overtreding van deze regeling kan aanleiding geven tot sancties. De bedoelde sanctie kan in het gesubsidieerd onderwijs een gedeeltelijke terugvordering zijn van het werkingsbudget.

In het gemeenschapsonderwijs kan deze sanctie een gedeeltelijke inhouding zijn van het werkingsbudget toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de sancties.

Hoofdstuk 11. Zorgvuldig bestuur

Art. II.48.

Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

Art. II.49.

Er mag in een school voor deeltijds kunstonderwijs geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.

In afwijking van het vorige lid kunnen politieke activiteiten in een school worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van 90 dagen voorafgaand aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan deze activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van de politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

Onder politieke activiteiten wordt hier verstaan alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Art. II.50.

Het schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voor zover ze verenigbaar zijn met haar onderwijsopdracht.

Art. II.51.

Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :

1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;

2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;

3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;

4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.

Art. II.52.

Vragen in verband met de toepassing van de beginselen van dit hoofdstuk en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in deel VII van deze codificatie.

Hoofdstuk 12. Tijdelijke projecten deeltijds kunstonderwijs

Afdeling 1. Tijdelijke projecten

Art. II.53.

§ 1. De volgende tijdelijke projecten deeltijds kunstonderwijs worden verlengd tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt :

1° ortho-agogische muzikale vorming in de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans van Beringen, de Gemeentelijke Academie voor Muziek en Woord van Grimbergen en de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans van Lokeren;

2° aangepaste beeldende vorming in de Academie Noord van Brasschaat, de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten van Eeklo, de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van Kortrijk, de Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunst van Mol, de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten van Turnhout, de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst 'Kunstacademie De Lei' van Leuven en de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van Hasselt en tot en met 31 augustus 2016;

3° inclusief muziekonderricht in de Gemeentelijke Muziek- en Woordacademie van Wijnegem, zoals goedgekeurd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008 en decretaal bekrachtigd bij het decreet van 13 juli 2007 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008.

§ 2. De scholen bedoeld in §1, nemen deel aan een werkgroep die in samenspraak met externe deskundigen de aanpassingen van de leeromgeving ten behoeve van leerlingen met speciale behoeften in een kunstopleiding systematisch zal inventariseren. Aanpassingen zijn afhankelijk van de onderwijsbehoeften van de doelgroep en hebben betrekking op :

1° het pedagogisch handelen van de leerkracht;

2° de ontwikkeling van het leertraject;

3° het inrichten van de leeromgeving.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de werkgroep en de termijn voor het indienen van het eindrapport.

§ 4. De projectorganisatoren leveren inspanningen om de aanbevelingen van het eindrapport van de werkgroep, zoals vermeld in § 3, te realiseren.

§ 5. De voorwaarden met betrekking tot de toekenning van de bijkomende uren-leraar, zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, blijven van toepassing.

§ 6. De overige voorwaarden zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, blijven van toepassing, voor zover zij de realisatie van de aanbevelingen uit het eindrapport niet belemmeren. Desgevallend legt de Vlaamse Regering gewijzigde voorwaarden op, die uiterlijk 6 maanden na de beslissing van de Vlaamse Regering decretaal bekrachtigd worden en ten vroegste ingaan vanaf het schooljaar 2011-2012.

Art. II. 54.

§ 1. De tijdelijke projecten regionale netwerken voor expertise-uitwisseling inzake kunst- en cultuureducatie tussen deeltijds kunstonderwijs en kleuter- en leerplichtonderwijs worden verlengd tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt en heten vanaf nu tijdelijke projecten professionalisering inzake muzische vorming, in de volgende scholen :

1° de Stedelijke Academie voor Podiumkunsten van Aalst;

2° de Gemeentelijke Academie voor Muziek, Woordkunst en Dans van Hamme;

3° de Gemeentelijke Academie voor Muziek en Woord van Hemiksem;

4° de Stedelijke Muziekacademie van Izegem;

5° het Stedelijk Conservatorium van Kortrijk;

6° de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Kortrijk;

7° de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans van Lier;

8° de Gemeentelijke Academie voor Muziek en Woord van Schoten;

9° de Gemeentelijke Muziekacademie van Sint-Agatha-Berchem;

10° de Haspengouwse Academie voor Muziek, Woord en Dans van Sint-Truiden;

11° de Haspengouwse Academie voor Beeldende Kunsten van Sint-Truiden;

12° de Kunstacademie Regio Tienen.

§ 2. De scholen bedoeld in § 1 nemen, samen met scholen deeltijds kunstonderwijs en basisscholen die een tijdelijk project kunstinitiatie organiseren, deel aan een werkgroep die zal onderzoeken hoe de twee projecten via een complementaire werking een structureel netwerk kunnen vormen. Dat netwerk beoogt de expertise-uitwisseling met betrekking tot kunst- en cultuureducatie tussen scholen voor deeltijds kunstonderwijs, basisscholen en andere partners. De expertise-uitwisseling kan als volgt geoperationaliseerd worden :

1° de vorming van individuele leerkrachten;

2° de visieontwikkeling in de school in haar geheel.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de werkwijze en de termijn voor het indienen van het eindrapport.

§ 4. De projectorganisatoren realiseren de aanbevelingen van het eindrapport van de werkgroep, vermeld in § 2 en § 3.

§ 5. De voorwaarden met betrekking tot de toekenning van de bijkomende uren-leraar, zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, blijven van toepassing.

§ 6. De overige voorwaarden zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, blijven van toepassing, voor zover zij de realisatie van de aanbevelingen uit het eindrapport niet belemmeren. Desgevallend legt de Vlaamse Regering gewijzigde voorwaarden op, die uiterlijk 6 maanden na de beslissing van de Vlaamse Regering decretaal bekrachtigd worden.

Art. II.55.

De volgende tijdelijke projecten deeltijds kunstonderwijs worden met ongewijzigde voorwaarden verlengd tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt :

1° conceptuele kunst in de Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap te Etterbeek en de Gemeentelijke Academie voor Schone Kunsten van Kontich;

2° geïntegreerde lesmethodiek in de Gemeentelijke Academie voor Muziek en Woord van Lanaken;

3° indimalimexchi.co in de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten van Hoboken;

4° integratiekunst mozaïek in de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten van Wilrijk;

5° leerstofintegratie in de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord van Ieper;

6° projectonderwijs in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Kortrijk;

7° muziektheater in de Gemeentelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans van Buggenhout en de Kunstacademie van Knokke-Heist;

8° schoenontwerpen in de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van Sint-Niklaas;

9° geluidsleer en opnametechniek in de Stedelijke Muziekacademie van Geel;

10° passe-partout in de Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst van Oudenaarde;

11° regie podiumkunsten in de Hagelandse Academie voor Muziek en Woord, de Academie voor Podiumkunsten van Gent en de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans van Lier;

12° sounddesign in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Deeltijds Kunstonderwijs te Antwerpen.

Art. II.56.

§ 1. De volgende projecten deeltijds kunstonderwijs worden met gewijzigde voorwaarden verlengd tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt :

1° intergemeentelijke samenwerking Haspengouwse academie;

2° intergemeentelijke samenwerking Hagelandse academie;

3° intergemeentelijke samenwerking Noord-Limburg;

4° intergemeentelijke samenwerking Noorderkempen;

5° intergemeentelijke samenwerking Noord-Antwerpen.

§ 2. Aan de oorspronkelijke voorwaarden zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° de tijdelijke projecten voldoen tegen 30 juni 2009 aan de volgende voorwaarden :

a) het samenwerkingsverband strekt zich uit over een geheel van minimaal 4 en maximaal 9 aaneensluitende gemeenten;

b) het samenwerkingsverband organiseert zowel de studierichting beeldende kunst als muziek als een of meer andere studierichtingen;

c) alle filialen en hoofdvestiging voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen beeldende kunst, muziek, woordkunst en/of dans, die zich op het grondgebied van die gemeenten bevinden, maken deel uit van het samenwerkingsverband;

d) het tijdelijk project intergemeentelijke samenwerking Noord-Antwerpen en het tijdelijk project verdeling graden beeldende kunst over de gemeenten Kapellen en Kalmthout maken afspraken met het oog op samenwerking en formuleren daaromtrent een gezamenlijk voorstel;

2° tijdens de duur van de verlenging kunnen de tijdelijke projecten enkel de oprichting van extra filialen met lagere graden voor jongeren tot gevolg hebben;

3° de tijdens de verlenging opgerichte filialen zijn onderworpen aan de rationalisatienormen voor de lagere graad in filialen zoals respectievelijk bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst en in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst en dans;

4° de projectorganisatoren bezorgen jaarlijks tegen 1 april een zelfevaluatierapport van hun project aan het Departement Onderwijs en Vorming in functie van een eventuele structurele verankering van samenwerkingsverbanden in het deeltijds kunstonderwijs.

In dit rapport komen minstens de volgende elementen aan bod :

- een beschrijving van de evolutie van het project sinds het schooljaar van de opstart;

- een beschrijving en beoordeling van de sterke en de te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden van het project.

§ 3. De voorwaarden met betrekking tot de toekenning van de bijkomende uren-leraar, zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, blijven van toepassing.

§ 4. De overige voorwaarden zoals bekrachtigd in artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, blijven van toepassing, voor zover zij de remediëring ten gevolge van het zelfevaluatierapport niet belemmeren. Desgevallend legt de Vlaamse Regering gewijzigde voorwaarden op die uiterlijk 6 maanden na de beslissing van de Vlaamse Regering decretaal bekrachtigd worden en ten vroegste ingaan vanaf het schooljaar 2011-2012.

Afdeling 2. Tijdelijk project regionale samenwerking Zuid-Limburg

Art. II.57.

Scholengroep 13 Zuid-Limburg organiseert vanaf 1 september 2009 tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt een tijdelijk project regionale samenwerking onder de volgende voorwaarden :

1° de voorwaarden vermeld in artikel II.56, § 2, 1°, a), b) en c), waarbij Voeren wordt beschouwd als aaneensluitende gemeente;

2° het samenwerkingsverband kan zich uitstrekken over het grondgebied van gemeenten die binnen het gebied van de scholengroep vallen en waar geen andere schoolbesturen dan de scholengroep deeltijds kunstonderwijs aanbieden alsook over het grondgebied van gemeenten buiten de scholengroep waar de scholengroep op 1 september 2009 al deeltijds kunstonderwijs aanbiedt;

3° de voorwaarden vermeld in artikel II.56, § 2, 2°, 3° en 4°;

4° voor de coördinatie van het tijdelijk project ontvangt de scholengroep 10 wekelijkse uren-leraar voor pedagogische coördinatie;

5° de projectorganisatoren remediëren de te verbeteren punten die het zelfevaluatierapport, zoals vermeld in artikel II.56, § 2, 4°, aangeeft.

Afdeling 3. Pilootprojecten hervorming deeltijds kunstonderwijs

Art. II.58.

In de periode van 1 januari 2012 tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt kan de Vlaamse Regering subsidies toekennen aan pilootprojecten ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs. De projecten worden georganiseerd door een of meer pedagogische begeleidingsdiensten en/of één of meer specifieke lerarenopleidingen die aansluiten op een vakinhoudelijke opleiding in de kunsten en/of één of meer geïntegreerde lerarenopleidingen in de onderwijsvakken muzikale opvoeding, plastische opvoeding of project kunstvakken.

De Vlaamse Regering bepaalt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels met betrekking tot de afbakening van de thema's, de doelstellingen, de selectie van projecten en de toekenning van subsidies. Zij treft de nodige maatregelen om de transfer van de projectresultaten naar het brede werkveld te realiseren.

Afdeling 4. Stopzetting en organieke omzetting van experimenten en tijdelijke projecten

Art. II.59.

De Vlaamse Regering kan experimenten bekrachtigd bij artikel 19 van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs stopzetten.

Art. II.60.

Als de Vlaamse Regering een experiment of tijdelijk project beëindigt met het oog op opname van het opleidingsaanbod in de structuur van het deeltijds kunstonderwijs zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting `beeldende kunst', en in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting `muziek', `woordkunst' en `dans', regelt zij voor de betrokken scholen en leerlingen de overgang naar de organieke opleidingsstructuur.

Daarbij kan zij afwijken van artikel 49ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting `beeldende kunst', en van artikel 57ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting `muziek', `woordkunst' en `dans'.

DEEL III. INTERNATEN en TEHUIZEN VOOR KINDEREN MET OUDERS DIE GEEN VASTE VERBLIJFPLAATS HEBBEN.

Hoofdstuk 1. Erkenning, financiering of subsidiëring

Art. III.1.

§ 1. Het Gemeenschapsonderwijs richt internaten en tehuizen voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, van de Vlaams Gemeenschap op, waar daaraan behoefte bestaat.

De Vlaamse Gemeenschap subsidieert de internaten en tehuizen, die aan de decretale normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen of private personen, zijn tot stand gebracht.

§ 2. Er kunnen geen internaten en tehuizen in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de voorwaarden inzake rationalisatie en programmatie.

De financiering of subsidiëring voor het bedoelde onderdeel wordt ingetrokken voor elke nieuwe oprichting van een internaat of tehuis of een onderdeel ervan, indien zij niet beantwoorden aan de voorwaarden inzake rationalisatie en programmatie.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de hiervoor voorziene sancties.

Art. III.2.

De provincies en de gemeenten mogen internaten en tehuizen oprichten voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben. De Vlaamse Regering kan de provincies, gemeentelijke en private internaten en tehuizen, welke zich aan haar toezicht onderwerpen, erkennen.

Art. III.3.

Internaten en tehuizen kunnen enkel erkend worden indien zij in het geheel van hun werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen.

Art. III.4.

§ 1. Internaten en tehuizen kunnen in de financiering of subsidiering opgenomen worden op advies van de onderwijsinspectie, dat in ieder geval dient te worden uitgebracht vóór 15 juni van het schooljaar in kwestie, zoniet wordt dit advies geacht gunstig te zijn.

§ 2. Een internaat of tehuis wordt gefinancierd of gesubsidieerd wanneer het zich gedraagt naar de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake organisatie en wanneer ze de bepalingen over de taalregeling in onderwijs en de taalkennis van het personeel naleeft.

Bovendien moet het internaat of tehuis :

1° een structuur aannemen vastgesteld door of krachtens een wet of decreet;

2° zich aan de door de Vlaamse Regering ingerichte controle en onderwijsinspectie onderwerpen. Deze inspectie heeft in het bijzonder betrekking op de studieomgeving en het studieklimaat en de middelen die ter beschikking staan om de leerstof in te oefenen en de toepassing van de taalwetten, met uitsluiting van de pedagogische methodes;

3° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een bestuur, zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, zijnde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

4° het minimum aantal leerlingen tellen, bepaald bij de regelgeving [...];

5° gevestigd zijn in lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne en bewoonbaarheid voldoen;

6° beschikken over materieel en een uitrusting die beantwoorden aan de pedagogische vereisten;

7° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand die van de leerlingen niet in gevaar brengt en dat onderworpen is aan de regelgeving inzake controle op afwezigheid wegens ziekte;

8° de regelgeving naleven die het verlenen van verlof aan het personeel zal regelen.

§ 3. Wanneer een internaat of tehuis niet langer de gestelde voorwaarden vervult, zullen de financiering of subsidiering ingehouden worden, te rekenen van de datum van de ministeriële kennisgeving die steunt op de geconstateerde tekortkomingen. Ze zullen opnieuw verleend worden, wanneer al de voorwaarden tot financiering of subsidiëring opnieuw vervuld worden.

Decr. 16-6-2017

Art. III.5.

De Vlaamse Regering kan de erkenning van een internaat of tehuis [...] opheffen met inachtname van artikel 35 tot artikel 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.65

Decr. 16-6-2017

Art. III.6.

De kosten van het internaat of tehuis tot stand gebracht door openbare of private personen, vallen ten laste van het bestuur.

Voor de internaten en tehuizen die aan de bij het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden voldoen, verleent de Vlaamse Gemeenschap, een salaris of een salaristoelage voor het personeel en een werkingsbudget.

Art. III.7.

Onverminderd de strafvervolging waartoe zij aanleiding zou geven, kan elke valse of onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van het salaris, de salaristoelage of het werkingsbudget te beïnvloeden, voor de betrokken internaten of tehuizen medebrengen dat de financiering of subsidiëring bij gemotiveerd besluit van de Vlaamse Regering wordt ingehouden gedurende een periode van niet meer dan zes maanden voor elke overtreding.

De teruggave van de ten onrechte als financiering of subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid.

Hoofdstuk 2. Rationalisatie en programmatie

Afdeling 1. Rationalisatie- en programmatievoorwaarden

Art. III.8.

§ 1. Deze afdeling is van toepassing op :

1° de door het Gemeenschapsonderwijs gefinancierde internaten en tehuizen, verbonden aan scholen van het gewoon basis- en secundair onderwijs en het hoger onderwijs;

2° de door het Gemeenschapsonderwijs gefinancierde autonome internaten en tehuizen;

3° de gesubsidieerde internaten en tehuizen verbonden aan gesubsidieerde scholen van het gewoon basis- of secundair onderwijs;

4° de gesubsidieerde autonome internaten en tehuizen.

§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder regelmatig ingeschreven leerling verstaan, de intern die ingeschreven is in een van de volgende scholen of centra :

1° een gefinancierde school voor basis- en/of gewoon en buitengewoon secundair onderwijs of voor hoger onderwijs;

2° een erkende of gesubsidieerde school voor basis- en/of gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;

3° een gefinancierd, erkend of gesubsidieerd centrum voor deeltijds leren;

4° een Europese school opgericht overeenkomstig het Protocol ondertekend te Luxemburg op 13 april 1962, nopens de oprichting van Europese scholen vastgesteld onder verwijzing naar het te Luxemburg op 12 april 1957 ondertekende Statuut van de Europese school.

Art. III.9.

§ 1. De oprichtingsnorm voor een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat of tehuis bedraagt veertig regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Een internaat of tehuis kan eveneens worden opgericht in het kader van een herstructurering, zijnde een fusie van bestaande internaten of tehuizen onmiddellijk gevolgd door een afsplitsing van een of meer internaten of tehuizen, met dien verstande dat het oorspronkelijke aantal internaten of tehuizen niet wordt overschreden. In voorkomend geval bedraagt de oprichtingsnorm 30 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Deze norm is van toepassing op alle internaten en tehuizen die uit de herstructurering voortvloeien. Een internaat of tehuis kan eveneens worden opgericht in het kader van een herstructurering, zijnde een afsplitsing van een bestaand internaat of tehuis, al dan niet na fusie, met dien verstande dat het oorspronkelijke aantal internaten of tehuizen wel wordt overschreden. In voorkomend geval bedraagt de oprichtingsnorm 40 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Deze norm is van toepassing op alle internaten en tehuizen die uit de herstructurering voortvloeien.

§ 2. De behoudsnorm voor een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat of tehuis bedraagt 30 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. [Internaten en tehuizen die niet aan de behoudsnorm voldoen, blijven gefinancierd of gesubsidieerd als het internaat of tehuis op de vorige teldag wel aan de geldende norm voldeed.]

§ 3. Indien 1 september of 1 februari een lesvrije dag is, dan wordt de eerstvolgende lesdag als teldatum genomen.

Decr. 16-6-2017

Art. III.10.

§ 1. Per school of per gebouwencomplex kan slechts één internaat of tehuis georganiseerd of gesubsidieerd worden.

§ 2. De in de [artikel III.9] vereiste normen van interne leerlingen wordt als volgt berekend :

a) de interne leerlingen van verschillende vestigingsplaatsen van eenzelfde internaat of tehuis worden samengeteld. Een gebouw of een gebouwencomplex van een internaat of tehuis kan niet tezelfdertijd een vestigingsplaats zijn van een ander internaat of tehuis;

b) de interne leerlingen van de verschillende onderwijsniveaus die in een internaat of tehuis verblijven worden samengeteld;

c) de interne leerlingen, regelmatig ingeschreven in verschillende scholen en centra, die in eenzelfde internaat of tehuis verblijven worden samengeteld;

d) de leerlingen van het gesubsidieerd hoger onderwijs die in een internaat of tehuis verblijven, komen niet in aanmerking;

e) de studenten van een Vlaamse autonome hogeschool die in een internaat of tehuis van het Gemeenschapsonderwijs verblijven, komen enkel in aanmerking voor de toepassing van [artikel III.9, § 2].

§ 3. Naar gelang van de beschikbare plaatsen en op voorwaarde dat het schoolbestuur van de betrokken school of centrum ermee instemt, kunnen de internaten of tehuizen leerlingen van scholen of centra uit een ander onderwijsnet opnemen.

§ 4. De interne leerlingen waarvoor een werkingsbudget wordt toegekend, worden geteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar.

§ 5. Voor de internaten of tehuizen die opgericht zijn met toepassing van [artikel III.9] worden de interne leerlingen, waarvoor een werkingsbudget wordt toegekend gedurende het schooljaar van oprichting, geteld op 1 september van dat schooljaar.

§ 6. In afwijking van § 4, worden in een internaat of tehuis waaruit door afsplitsing een nieuw internaat of tehuis is ontstaan, het aantal interne leerlingen waarvoor een werkingsbudget wordt toegekend, gedurende het schooljaar van de afsplitsing, op 1 september van dat schooljaar geteld.

§ 7. Uiterlijk in de loop van het schooljaar van ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats, en alleszins vóór 15 juni, zal de Vlaamse Regering, na kennisname van het advies van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap, een beslissing nemen over de opname van deze vestigingsplaats in de financiering- of subsidieregeling. Indien de onderwijsinspectie vóór 15 juni geen advies verstrekt heeft, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Decr. 16-6-2017

Art. III.11.

§ 1. De verificatie en onderwijsinspectie controleren :

1° of de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden nageleefd zijn;

2° of de door het decreet toegekende verhoogde werkingsbudget uitsluitend aangewend wordt voor het dekken van de uitgaven inherent aan de werking van het internaat of het tehuis.

§ 2. De goedkeuring gegeven door de onderwijsinspectie inzake de voorwaarde bedoeld in artikel III.4,§ 2,5°, geldt voor een periode van 5 schooljaren.

Afdeling 2. Autonome internaten en tehuizen van het Gemeenschapsonderwijs

Art. III.12.

Een internaat of tehuis dat verbonden is aan een door het Gemeenschapsonderwijs gefinancierde school voor gewoon onderwijs of een internaat of tehuis dat verbonden is aan een door het Gemeenschapsonderwijs gefinancierde school voor buitengewoon onderwijs, kan tot een autonoom internaat of tehuis worden omgevormd.

Art. III.13.

§ 1. In ieder internaat of tehuis is er een ambt van beheerder.

§ 2. De rekenplichtigheid wordt waargenomen door één van de studiemeesters-opvoeders van het internaat of van het tehuis.

In het kader van de wedertewerkstelling kan dit personeelslid vervangen worden door een lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel dat ter beschikking gesteld is bij ontstentenis van betrekking en dit in afwachting van zijn definitieve reaffectatie. De rekenplichtigheid kan ook worden waargenomen door een in afwachting van een definitieve reaffectatie bij ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel.

Art. III.14.

De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de bepalingen van dit hoofdstuk 2 te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.

Hoofdstuk 3. Werkingsbudget

Afdeling 1. Internaten en tehuizen

Art. III.15.

§ 1. Het werkingsbudget wordt uitbetaald aan het bestuur van elk internaat of tehuis. Het kan worden aangewend ten behoeve van al de scholen, centra, internaten en tehuizen behorende tot hetzelfde bestuur. Bij deze aanwending dient het bestuur rekening te houden met een gelijke behandeling van haar scholen, centra, internaten en tehuizen en van de leerlingen of studenten die ertoe behoren.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt :

1° de wijze waarop de internaten en tehuizen hun aanvraag tot financiering of subsidiëring indienen;

2° de controlemaatregelen inzonderheid wat de aanwending van de financiering of subsidiering betreft. Deze controle mag evenwel geen betrekking hebben op de opportuniteit van de aanwending.

Art. III.16.

§ 1. In geval van overname van een internaat of tehuis door een ander bestuur, wordt het bedrag van het werkingsbudget waarop het overgenomen internaat of tehuis recht had volgens de geldende bepalingen ter zake, voor het eerste schooljaar van de overname, aan het nieuwe bestuur toegekend.

§ 2. Een internaat of tehuis kan aan een school die afhangt van een ander schoolbestuur worden verbonden op basis van een overeenkomst tussen de twee betrokken schoolbesturen.

Art. III.17.

§ 1. Jaarlijks wordt een forfaitair werkingsbudget verleend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de werking en uitrusting van het internaat of tehuis en aan de uitgaven voor investeringen.

§ 2. Naast de bij toepassing van § 1, toegekende werkingsbudget per interne leerling, ontvangen de scholen van het gesubsidieerd gewoon basis- of secundair onderwijs die een internaat hebben en de autonome internaten, jaarlijks een forfaitaire werkingsbudget van 15.283,94 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met de aanpassingscoëfficiënt A2, zoals bedoeld in het artikel III.18.

§ 3. Naast de in de vorige paragraaf toegekende forfaitaire werkingsbudget ontvangen de gesubsidieerde internaten 2.915.000 euro bijkomend werkingsbudget.

Dit bedrag wordt jaarlijks vermenigvuldigd met aanpassingscoëfficiënt A2, zoals bedoeld in het artikel III.18.

Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal interne leerlingen per internaat in het secundair onderwijs die in het voorafgaande schooljaar een studietoelage bekwamen.

Art. III.18.

§ 1. Dit artikel wordt vervangen door artikel III.19, § 2 tot en met § 3 van deze codificatie, op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. Dit artikel is van toepassing op de gefinancierde en gesubsidieerde internaten en tehuizen.

§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :

1° lln1 : het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in de gemeenschapsinternaten respectievelijk gesubsidieerde internaten op 1 februari van het vorige schooljaar;

2° lln 0 : het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in de gemeenschapsinternaten respectievelijk gesubsidieerde internaten op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;

3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;

4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;

5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;

6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.

Het werkingsbudget van de internaten worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor het werkingsbudget bestemd zijn, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :

A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0)

A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0)

§ 4. In de gesubsidieerde internaten is het werkingsbudget per internaat gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de internen en met het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs.

Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse Regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, het type en de benodigde middelen voor de organisatie van een internaat.

De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van het werkingsbudget voor de gesubsidieerde internaten die met toepassing van paragraaf 3 zijn verkregen en verminderd zijn met de som van de forfaitaire bedragen bedoeld in paragraaf 2, van artikel III.17, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde internaten het aantal internen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken.

§ 5. In afwijking van paragraaf 2 is A2 voor het begrotingsjaar 2012 gelijk aan 0,4 + 0,6 (lk1/lk0).

§ 6. in afwijking van paragraaf 2 is A2 voor het begrotingsjaar 2013 gelijk aan 0,4 + 0,6 (lk1/lk0).

§ 7. In afwijking van paragraaf 2 is A2 voor het begrotingsjaar 2015 gelijk aan 0,4 + 0,6 (lk1/lk0).

Art. III.19.

§ 1. Dit artikel treedt in werking op een datum nader te bepalen door de Vlaamse Regering.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het werkingsbudget en de wijze van toekenning voor de volgende voorzieningen :

1° de gefinancierde en gesubsidieerde internaten voor buitengewoon onderwijs;

2° de gefinancierde en gesubsidieerde internaten;

3° de tehuizen van het gemeenschapsonderwijs voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, verder 'tehuizen' genoemd.

§ 3. Bij het bepalen van het werkingsbudget voor de in § 2 onderscheiden voorzieningen kan de Vlaamse Regering rekening houden met :

1° het onderwijsniveau waar de interne school loopt, met dien verstande dat er geen werkingsbudget bepaald wordt voor de interne ingeschreven in het hoger onderwijs;

2° het soort onderwijs, zijnde gewoon of buitengewoon onderwijs, van de school waar de interne school loopt, in het geval van buitengewoon onderwijs kan er een verder onderscheid gemaakt worden per type en/of opleidingsvorm;

3° de categorie van de voorziening zoals bedoeld in § 2, waar de leerling intern is;

4° de leerlingenkenmerken zoals bedoeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 242, § 1, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs.

Afdeling 2. Koninklijk Werk IBIS

Art. III.20.

§ 1. De vereniging zonder winstoogmerk Koninklijk Werk IBIS in Bredene, heeft :

1° als opdracht basisonderwijs en voltijds secundair zeevisserijonderwijs te organiseren voor jongeren die wezen zijn van vissers, zeelieden en binnenschippers of die kansarm zijn, en voor hen een internaat op te richten;

2° als bijzondere opdracht en in zoverre de ouders of de personen die in rechte of in feite de ouderlijke macht uitoefenen hierom verzoeken te zorgen voor de opvoeding en de verzorging, voeding en kleding inbegrepen, van die jongeren.

§ 2. Onverminderd de gewone subsidiëring en binnen de perken van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap wordt aan het Koninklijk Werk IBIS per leerling een buitengewone subsidie van 12.460 euro per begrotingsjaar toegekend.

Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd door het bedrag van het voorgaande jaar te vermenigvuldigen met de aanpassingscoëfficiënt A = 0,4 (C1/C0) + 0,6 (Lkl/Lk0), waarbij :

1° Cl/C0 gelijk is aan de verhouding tussen het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar en het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;

2° Lkl/Lk0 gelijk is aan de verhouding tussen het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar en het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.

Voor de berekening van die subsidie komen de regelmatige leerlingen die op 1 februari van het vorige begrotingsjaar in het internaat verblijven in aanmerking. Er komen niet meer dan 100 leerlingen voor subsidiëring in aanmerking;

3° in afwijking van punt 1° is de verhouding C1/C0 voor het begrotingsjaar 2012 gelijk aan 1;

4° in afwijking van punt 1° is de verhouding C1/C0 voor het begrotingsjaar 2013 gelijk aan 1;

5° in afwijking van punt 1° is de verhouding C1/C0 voor het begrotingsjaar 2015 gelijk aan 1.

§ 3. Het Koninklijk Werk IBIS kan geen aanspraak maken op andere subsidies of financiële tegemoetkomingen van de Vlaamse Gemeenschap voor de opdracht, vermeld in § 1.

§ 4. De subsidie wordt als volgt uitbetaald :

1° een voorschot van 2/3 van de totale subsidie voor het einde van het tweede kwartaal;

2° een saldo van 1/3 van de totale subsidie bij het begin van het vierde kwartaal.

§ 5. Voor 1 juli legt het Koninklijk Werk IBIS de begroting voor haar internaatswerking van het volgende jaar ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. Die begroting moet in evenwicht zijn. Voor 31 maart wordt de rekening van het voorgaande jaar ter goedkeuring voorgelegd.

Hoofdstuk 4. Personeel

Afdeling 1. Gemeenschapsonderwijs

Onderafdeling 1. Internaten gewoon onderwijs

Art. III.21.

Het aantal betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat wordt voor het geheel van de internaten verbonden aan een gemeenschapsschool voor basis- of secundair onderwijs en voor de autonome internaten van het gemeenschapsonderwijs, vastgesteld als volgt :

a) één betrekking per internaat; en

b) één betrekking per reeks van 21 internen uit het basis- en secundair onderwijs, ingeschreven op de decretaal toepasbare teldatum; en

c) het aantal organieke voltijdse betrekkingen, bedoeld in a) en b), dat wordt ingericht op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar, wordt vanaf het schooljaar 2009-2010 vermeerderd met een bijkomend urenpakket dat gelijk is aan voormeld aantal betrekkingen vermenigvuldigd met 3,768 uur en met afronding naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Dit bijkomend urenpakket wordt aangewend voor de compensatie van de nachtprestaties van de studiemeesters-opvoeder internaat, meer bepaald de permanente aanwezigheid gedurende de nacht tussen het slapengaan en het opstaan van de leerlingen, die met ingang van 1 september 2009 voor vier uur dienst geteld wordt, zonder dat vanaf die datum de duur van de nacht mag toenemen ten aanzien van de duur op 31 mei 2009. Met de uren die na desbetreffende compensatie overblijven, kunnen aanwervingen gebeuren met het oog op de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de studiemeesters-opvoeder internaat.

Art. III.22.

Alleen op de leerlingen, waarvan de ouders of de personen, die ten hunne opzichte de ouderlijke macht uitoefenen, in België niet onderworpen zijn aan de personenbelasting als inwoner van het Koninkrijk en dit volgens het Wetboek der inkomstenbelastingen, wordt voor het vaststellen van het aantal regelmatige leerlingen de coëfficiënt 0,8 toegepast, rekening houdend met de Overeenkomst tussen België en Luxemburg tot het vermijden van dubbele belastingen en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en Slotprotocol, ondertekend te Luxemburg op 17 september 1970.

Deze bepaling geldt voor de toepassing van artikel III.21.

Onderafdeling 2. Omkadering in internaten buitengewoon onderwijs en tehuizen

Art. III.23.

Deze onderafdeling is van toepassing op internaten van het buitengewoon onderwijs en tehuizen van het Gemeenschapsonderwijs.

Art. III.24.

Het volume van de betrekkingen van het paramedisch personeel en van het personeel, toegekend in het kader van het internaat of tehuis, wordt per internaat of tehuis en voor elk schooljaar bepaald volgens de norm bepaald in artikel III.25 tot en met III.34.

Art. III.25.

§ 1. Het urenpakket is de som van de producten bekomen door voor elk type en niveau van onderwijs, het aantal in aanmerking komende interne leerlingen te vermenigvuldigen met het overeenkomstig richtgetal.

§ 2. In aanmerking komende interne leerlingen zijn die welke als regelmatige leerlingen dienen beschouwd te worden overeenkomstig de geldende regelgeving en die als interne leerlingen ingeschreven waren op 1 februari van het voorafgaande schooljaar en in een school voor buitengewoon onderwijs de lessen volgen.

In aanmerking komende interne leerlingen zijn ook die leerlingen die als regelmatige leerlingen zijn ingeschreven op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in een school voor gewoon onderwijs. Voor de bepaling van het urenpakket geldt voor die leerlingen het richtgetal 7 of, voor leerlingen met een attest voor het buitengewoon onderwijs, het richtgetal dat overeenstemt met het betrokken type en niveau in het buitengewoon onderwijs.

In afwijking hiervan is voor de school waar een internaat of tehuis in de financiering of subsidiering wordt opgenomen, de teldatum voor het schooljaar van financiering of subsidiering, 1 oktober van dat schooljaar.

Art. III.26.

§ 1. Naast het berekende urenpakket vermeld in artikel III.25, wordt, vanaf het schooljaar 2009-2010, per schooljaar een bijkomend urenpakket toegekend.

Dit bijkomend urenpakket wordt aangewend voor de compensatie van de nachtprestaties van de studiemeesters-opvoeders internaat, meer bepaald de permanente aanwezigheid gedurende de nacht tussen het slapengaan en het opstaan van de leerlingen, die voor vier uur dienst geteld wordt. Onder geen beding mag de duur van de nacht met ingang van 1 september 2009 toenemen ten aanzien van de duur ervan op 31 mei 2009. Met de overblijvende uren kunnen aanwervingen gebeuren met het oog op de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de studiemeesters-opvoeders internaat.

§ 2. Het bijkomende urenpakket, vermeld in § 1, wordt als volgt bepaald : Het aantal organieke voltijdse betrekkingen, georganiseerd in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat, ingericht op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar binnen het urenpakket zoals bedoeld in artikel III.25, wordt vermenigvuldigd met 3,768 uur. Het product wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier.

Art. III.27.

De richtgetallen worden als volgt vastgesteld :

TYPE VAN ONDERWIJS

RICHTGETAL

basisaanbod lager onderwijs

7

secundair onderwijs

6,5

2. basisonderwijs

12,9

secundair onderwijs (uitgez. opleidingsvorm 1)

8,5

secundair onderwijs opleidingsvorm 1

10,5

3. basisonderwijs

8,1

secundair onderwijs

6,3

4. basisonderwijs

14

secundair onderwijs

12,5

6. basisonderwijs

9,1

secundair onderwijs

8,5

7. basisonderwijs

9,9

secundair onderwijs

8,6

9. basisonderwijs

8,1

secundair onderwijs

6,3

Art. III.28.

§ 1. In afwijking op de normen van artikel III.25 en met het oog op bijzondere omstandigheden kan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, met ingang van 1 september 1982 extra lesuren of uren toekennen aan scholen, internaten en tehuizen.

§ 2. Met ingang van 1 september 1989 kan het aantal lesuren of uren globaal niet meer bedragen dan 0,5 % van het totaal aantal lesuren en uren dat het voorgaand schooljaar werd toegekend aan respectievelijk het Gemeenschapsonderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en het vrij gesubsidieerd onderwijs. Voor de berekening van het aantal extra-lesuren of uren gebeurt de omrekening van de voltijdse ambten naar lesuren of uren op basis van de minimumprestaties eigen aan ieder ambt.

§ 3. De Vlaamse Regering zal het salarisequivalent van vijf procent van het totaal van deze extra lesuren en/of uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd onderwijs aan te passen.

Art. III.29.

§ 1. De scholen, internaten en tehuizen voor buitengewoon onderwijs die bezocht worden door de interne leerlingen, krijgen, voor de behandeling die hen door het paramedisch personeel worden verstrekt gedurende de openstellingsuren voor de externe leerlingen, een aantal uren ter beschikking, berekend volgens de richtgetallen die van toepassing zijn op de externe leerlingen van hetzelfde type en niveau van onderwijs.

§ 2. De uren, bedoeld in § 1, worden in mindering gebracht van het urenpakket zoals bepaald in artikel III.25, § 1. Het saldo van deze bewerking is het urenpakket dat wordt toegekend aan het buitengewoon onderwijs in het kader van een internaat of van een tehuis.

Art. III.30.

Ongeacht het aantal interne leerlingen bedraagt het urenpakket na de aftrek, zoals voorzien in artikel IV.29, § 2, per internaat of tehuis ten minste 140 uren.

Onderafdeling 3. Ambten in het opvoedend hulppersoneel, paramedisch-, en administratief personeel

Art. III.31.

Er wordt per internaat en per tehuis een ambt van internaatbeheerder opgericht. Dit ambt wordt niet op het urenpakket aangerekend.

Art. III.32.

Binnen het urenpakket van een internaat of tehuis kunnen in de categorie van het paramedisch personeel de ambten van kinderverzorger, verpleger, kinesitherapeut, logopedist en ergotherapeut worden ingericht.

Art. III.33.

Binnen het urenpakket van een internaat of tehuis kan in de categorie van het opvoedend hulppersoneel het ambt van studiemeester-opvoeder van een internaat worden ingericht.

Art. III.34.

Binnen het urenpakket van een internaat of tehuis kunnen in de categorie van het administratief personeel de ambten van klerk-typist en rekenplichtig-correspondent worden ingericht.

Afdeling 2. Gesubsidieerd onderwijs

Art. III.35.

§ 1. In de gesubsidieerde internaten worden er een salaristoelage verleend voor volgende personeelsleden :

1°één betrekking in het ambt van beheerder;

2° twee of meer betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat indien het internaat een tehuis is voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben; het aantal betrekkingen wordt bepaald overeenkomstig de normen die voor de gemeenschapsinternaten gelden;

3° betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder internaat indien het internaat niet onder toepassing van 2° valt, op basis van volgende normen :

a) twee betrekkingen indien in het internaat uitsluitend internen uit het secundair onderwijs verblijven;

b) twee en een halve betrekkingen indien in het internaat ook internen uit het basisonderwijs verblijven;

c) het aantal organieke voltijdse betrekkingen, bedoeld in a) respectievelijk b) naargelang van het geval, dat wordt ingericht op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar, wordt vanaf het schooljaar 2009-2010 vermeerderd met een bijkomend urenpakket dat gelijk is aan 8 respectievelijk 9 uren. Dit bijkomend urenpakket wordt aangewend voor de compensatie van de nachtprestaties van de studiemeesters-opvoeder internaat, meer bepaald de permanente aanwezigheid gedurende de nacht tussen het slapengaan en het opstaan van de leerlingen, die met ingang van 1 september 2009 voor vier uur dienst geteld wordt, zonder dat vanaf die datum de duur van de nacht mag toenemen ten aanzien van de duur op 31 mei 2009. Met de uren die na desbetreffende compensatie overblijven, kunnen aanwervingen gebeuren met het oog op de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de studiemeesters-opvoeder internaat.

§ 2. Het opvoedend hulppersoneel en het ondersteunend personeel van de scholen, benoemd na 31 augustus 1985, mag echter geheel of gedeeltelijk tewerkgesteld worden in het gesubsidieerd internaat dat aan de school of scholengroep verbonden is, terwijl het opvoedend hulppersoneel van het internaat geheel of gedeeltelijk mag ingezet worden in de school of groep van scholen waaraan het verbonden is bijaldien het voldoet aan de vereiste voorwaarden.

§ 3. De te subsidiëren prestaties worden vastgelegd overeenkomstig de normen die voor hetzelfde onderwijsniveau en hetzelfde onderwijstype in het gemeenschapsonderwijs gelden.

§ 4. De Vlaamse Regering legt een regeling vast om de bestaande DAC-arbeidsplaatsen in de gesubsidieerde vrije internaten te regulariseren.

Afdeling 3. Personeel ten laste van het werkingsbudget

Art. III.36.

§ 1. Een raad van bestuur van een scholengroep in het gemeenschapsonderwijs kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel III.17 en III.18, toegekend voor een autonoom internaat of een internaat verbonden aan een school voor gewoon basis- of secundair onderwijs, of met de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven in de internaten.

Een raad van bestuur kan voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in deze internaten vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uit zondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door de raad van bestuur wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Dezelfde dienst vordert het brutosalaris, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van de raad van bestuur terug.

§ 2. Een bestuur in het gesubsidieerd onderwijs kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel III.17 en III.18, toegekend voor een autonoom internaat of een internaat verbonden aan een school voor gewoon basis- of secundair onderwijs, of met de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, personeel aanwerven in die internaten.

Een bestuur kan voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in deze internaten vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het personeelslid dat door een bestuur wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het bestuur terug.

Hoofdstuk 5. Hulp- en bijstandsregeling

Art. III.37.

De Vlaamse Regering bepaalt de regelen inzake de inrichting en de organisatie van een internaat van het gemeenschapsonderwijs, dat inzonderheid kan instaan voor de opname van jongeren in het kader van de hulp- en bijstandsregeling, en dat als zodanig is gelijkgesteld met een in het kader van de bijzondere jeugdzorg erkende voorziening.

Hoofdstuk 6. Verblijf en begeleiding op schoolvrije dagen

Art. III.38.

Verblijf en begeleiding voor haar internen tijdens schoolvrije dagen wordt door het gemeenschapsonderwijs georganiseerd in minimaal acht medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs.

Op voorstel van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de Vlaamse Regering welke van de vermelde instituten en internaten verblijf en begeleiding zullen organiseren. Verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, vermeld in het eerste lid, omvat de modules verblijf en begeleiding, gemoduleerd conform het decreet betreffende de integrale jeugdhulp van 12 juli 2013 en respecteert het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen en het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.

De Vlaamse Regering bepaalt de organisatie van en de ambten, de bekwaamheidsbewijzen en de prestatie-, verlof- en bezoldigingsregeling voor verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen. Ze bepaalt eveneens per ambt het totaal aantal uren dat moet worden georganiseerd om in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen te kunnen voorzien. In afwachting hiervan blijven de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.

De Vlaamse Regering garandeert een personeelskader dat minimaal nodig is om verblijf en begeleiding te voorzien. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks minimaal 7515 uren voor opvoedend hulppersoneel, paramedisch en sociaal personeel, psychologisch en medisch personeel, administratief personeel en minimaal 350.000 euro werkingsbudget ter beschikking voor een capaciteit van 265 plaatsen verblijf en begeleiding als vermeld in het tweede lid en sluit daartoe beheersovereenkomsten af met de scholengroep van de in het eerste lid vermelde instituten en internaten. Het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Zorginspectie en de onderwijsinspectie zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn gezamenlijk bevoegd voor de controle op de kwaliteit van het verblijf en de begeleiding, als vermeld in het tweede lid.

Art. III.39.

Met ingang van 1 september 2015 heeft een nieuwe vaste benoeming voor een personeelslid dat is aangesteld in een ambt van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, zoals bedoeld in artikel III.38, derde lid, geen uitwerking ten aanzien van de overheid.

In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming op 1 juli 2016 wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat gebruikmaakt van artikel 40ter, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat opgenomen is op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd en dat op 1 september 2015 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.

In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat vóór 1 september 2015 werd toegelaten tot de proeftijd in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum en is opgenomen op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd. In afwijking van artikel 48, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs moet het betrokken personeelslid tijdens zijn proeftijd effectief presteren in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum of in een internaat dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet voor het volume waarin het werd toegelaten tot de proeftijd.

Vanaf 1 januari 2016 geldt dat in afwijking van het eerste lid een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, wel uitwerking heeft ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat vóór 1 september 2015 werd toegelaten tot de proeftijd in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum en is opgenomen op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd. In afwijking van artikel 48, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs moet het betrokken personeelslid tijdens zijn proeftijd effectief presteren in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum of in een internaat dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet voor het volume waarin het werd toegelaten tot de proeftijd.

Art. III.40.

§ 1. In afwijking op de regelgeving inzake reaffectatiecommissies wordt er, ten gevolge van de reorganisatie van verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, een herplaatsingscommissie opgericht die instaat voor de herplaatsing van de personeelsleden, bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die instaan voor verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen die vastbenoemd zijn, tot de proeftijd toegelaten zijn of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking.

§ 2. De herplaatsingscommissie herplaatst zowel de vastbenoemde, de tot de proeftijd toegelaten als de tijdelijke personeelsleden in vacante betrekkingen voor de volledige opdracht waarvan ze op 30 april 2015 titularis zijn.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van deze herplaatsingscommissie. Zij houdt daarbij minstens rekening met volgende criteria :

- de herplaatsing gaat in op 1 september, tenzij de betrekking vacant wordt in de loop van het schooljaar. In dat geval gaat de herplaatsing zo snel mogelijk in;

- het personeelslid kan zijn voorkeur uitspreken voor een plaats van tewerkstelling.

§ 4. De herplaatsingscommissie treedt in werking op 30 april 2015 en houdt op te bestaan als de reorganisatie bedoeld in paragraaf 1 volledig afgerond is.

Art. III.41.

§ 1. Elke scholengroep is verplicht om de hem toegewezen personeelsleden in dienst te nemen.

§ 2. De scholengroep kan tegen de herplaatsing geen bezwaar indienen.

Art. III.42.

§ 1. De herplaatste personeelsleden zijn verplicht om de toegewezen herplaatsing te aanvaarden en deze op te nemen op 1 september van elk schooljaar of op de datum waarop de vacante betrekking kan worden ingenomen.

§ 2. Het personeelslid kan tegen de herplaatsing enkel bezwaar indienen op grond van het niet volgen van de criteria die de Vlaamse Regering vastlegt.

Art. III.43.

De personeelsleden verkrijgen door de definitieve herplaatsing de hoedanigheid van personeelslid van het internaat dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet, ten belope van de opdracht waarvoor ze er tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de herplaatsing recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs behouden dit recht na de herplaatsing.

De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs heeft gepresteerd in een ambt of betrekking worden geacht na de herplaatsing ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt of dezelfde betrekking.

Art. III.44.

Personeelsleden die geen keuze voor een plaats van tewerkstelling indienen of die een herplaatsing volgens de geldende regelgeving weigeren, worden ambtshalve ontslagen.

Hoofdstuk 7. Kostgeld

Art. III.45.

Het kostgeld van een in een gemeenschapsinternaat opgenomen leerplichtig kind met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, valt ten laste van zijn ouders.

De Vlaamse Gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd bij het werkingsbudget van het Gemeenschapsonderwijs en wordt door het Gemeenschapsonderwijs in mindering gebracht op het kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan :

- voor het basisonderwijs : 546,18 euro;

- voor het secundair onderwijs : 677,57 euro.

Ze wordt geïndexeerd overeenkomstig het indexatiemechanisme A2, bedoeld in artikel III.18.

DEEL IV. SPECIFIEKE PROJECTEN OF INSTELLINGEN

Hoofdstuk 1. Overzicht

Art. IV.1.

De specifieke projecten of instellingen die in dit deel IV worden behandeld zijn :

1° diensten met onderwijsbehoeften,

2° kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel,

3° voor- en nabewaking in de Nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in tweetalige gebied Brussel-hoofdstad,

4° cultuureducatie

5° leerlingenvervoer,

6° schoolboekhouding,

7° speciale onderwijsleermiddelen in het volwassenen- en hoger onderwijs,

8° Europese en internationale programmaâââ¢s,

9° tijdelijke projecten kunstinitiatie.

Hoofdstuk 2. Diensten met onderwijsbehoeften

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Art. IV.2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

1° dienst : een dienst neuropsychiatrie voor kinderen, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd;

2° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite een jongere onder hun bewaring hebben. In het geval de jongere meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige verstaan;

3° pedagogisch personeelslid : personeelslid van een dienst dat instaat voor het verstrekken van onderwijs.

Afdeling 2. Subsidiëring

Art. IV.3.

De Vlaamse Regering kent jaarlijks subsidie-enveloppes toe aan diensten voor het verstrekken van onderwijs.

De subsidie-enveloppes bevatten middelen voor de ondersteuning van de jaarlijkse personeels- en werkingskosten die de diensten dragen voor het verstrekken van onderwijs.

Art. IV.4.

De subsidie-enveloppes worden toegekend op voorwaarde dat :

1° de dienst erkend is door de Vlaamse Regering voor ten minste vijftien bedden voor dag- en nachthospitalisatie en/of plaatsen voor daghospitalisatie;

2° de dienst over voldoende didactisch materiaal, aangepaste schooluitrusting en lokalen die voldoen aan de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid beschikt om onderwijs te verstrekken;

3° de dienst voor het verstrekken van onderwijs geen andere financiering of subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap geniet;

4° het onderwijs wordt verstrekt overeenkomstig de in Afdeling 3 bedoelde beginselen;

5° de dienst bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag indient waaruit blijkt dat zij voldoet aan de bepalingen van 1°, 2°, 3° en 4°. De Vlaamse Regering kan de vorm bepalen waarin de aanvraag moet gebeuren.

Art. IV.5.

De subsidie-enveloppes worden vastgesteld door het aantal bedden voor dag- en nachthospitalisatie en plaatsen voor daghospitalisatie te vermenigvuldigen met een door de Vlaamse Regering bepaald bedrag. Voor het begrotingsjaar 2002 is het bedrag vastgelegd op 3.000 euro.

Art. IV.6.

§ 1. De Vlaamse Regering kent de subsidie-enveloppes toe binnen de beschikbare begrotingskredieten.

Vanaf 2015 bedraagt de subsidie-enveloppe 1.469.000 euro.

Vanaf 2016 wordt dit bedrag geïndexeerd op basis van de gezondheidsindex.

§ 2. De Vlaamse Regering kan nadere regelen met betrekking tot de toekenning van de subsidie-enveloppes vastleggen en de bepalingen inzake de voorwaarden voor het toekennen van subsidie in het kader van artikel IV.4, verder preciseren.

Afdeling 3. Werking

Onderafdeling 1. Organisatie

Art. IV.7.

De dienst is geen school of onderwijsdienst.

Art. IV.8.

De dienst organiseert het gehele kalenderjaar onderwijs.

Art. IV.9.

De dienst duidt binnen het eigen personeel een verantwoordelijke aan voor de organisatie van het onderwijs.

Art. IV.10.

De dienst organiseert onderwijs met inachtname van :

1° de bepalingen over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel;

2° de bepalingen inzake zorgvuldig bestuur in het secundair onderwijs.

Art. IV.11.

Bij de opname van een jongere in een dienst krijgen de ouders informatie over :

1° de mogelijkheid om onderwijs te volgen in de dienst;

2° de doelstelling en de inhoud van het onderwijsaanbod;

3° de wijze waarop de ouders in contact kunnen komen met het pedagogisch personeelslid en de verantwoordelijke voor de organisatie van het onderwijs.

Art. IV.12.

De dienst werkt mee aan de controle op de leerplicht.

Onderafdeling 2. Pedagogische personeelsleden

Art. IV.13.

De pedagogische personeelsleden zijn houder van één van volgende studiebewijzen of daarmee gelijkgestelde :

1° diploma initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs;

2° diploma initiële lerarenopleiding lager onderwijs;

3° diploma initiële lerarenopleiding secundair onderwijs groep 1;

4° diploma initiële lerarenopleiding van academisch niveau;

5° getuigschrift pedagogische bekwaamheid.

De dienst kan afwijken van de in het eerste lid bedoelde verplichting :

1° bij gebrek aan kandidaten. Een gebrek aan kandidaten wordt slecht geacht aanwezig te zijn indien voorafgaandelijk de vacature werd gemeld aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of de Brusselse Dienst voor Arbeidsbemiddeling-Actiris en de dienst op eer verklaart geen ander geschikt kandidaat te hebben kunnen vinden die de prestaties in hoofdambt kan uitoefenen;

2° ten aanzien van de personeelsleden van de dienst die vóór 1 maart 2002 instonden voor de verstrekking van onderwijs aan jongeren, opgenomen in de dienst.

Onderafdeling 3. Onderwijsaanbod

Art. IV.14.

Het onderwijs door diensten wordt op vraag van de ouders verstrekt. Het onderwijs is gericht op het beperken van leerachterstand en, zo mogelijk, het voorbereiden van de integratie of reïntegratie van jongeren in een school of centrum. Het beantwoordt aan de bepalingen van artikel 29, 1, van het Kinderrechtenverdrag.

Art. IV.15.

Er wordt een individueel handelingsplan opgemaakt voor elke jongere waar onderwijs aan wordt verstrekt.

Het handelingsplan bevat voor een bepaalde periode de pedagogische en didactische planning en geeft aan hoe het onderwijs wordt geïntegreerd in het geheel van de medische en/of therapeutische handelingen verstrekt door de dienst. Het handelingsplan houdt rekening met de vigerende eindtermen, ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen.

Het handelingsplan wordt opgemaakt in samenspraak met de school of centrum waar de jongere is ingeschreven.

Art. IV.16.

De dienst kan geen getuigschriften bedoeld in artikel 53 tot en met 57 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en geen studiebewijzen bedoeld in artikel 254 tot en met 256 van de Codex Secundair Onderwijs, uitreiken.

Afdeling 4. Toezicht

Art. IV.17.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de onderwijsinspectie en de verificatiediensten van het Agentschap voor Onderwijsdiensten de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden controleren.

Art. IV.18.

De Vlaamse Regering bepaalt de regelen met betrekking tot de vermindering of de terugvordering van de subsidie-enveloppes als de diensten de subsidiëringsvoorwaarden niet naleven.

Hoofdstuk 3. Kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

Art. IV.19.

Vanaf 2 januari 2003 kunnen in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad enkel personeelsleden worden aangeworven binnen de geldende normen die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen.

[Vanaf 1 januari 2017 wordt de op 1 juni 2016 door de Vlaamse onderwijsbegroting gefinancierde personeelsformatie van 811 uren in het ambt van verpleger en 5832 uren in het ambt van kinderverzorger als vast benoemd of contractueel titularis in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige hoofdstedelijk gebied Brussel geleidelijk afgebouwd.

Telkens wanneer een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis uit dienst treedt, vermindert het toegestane volume financierbare uren met het aantal financierbare uren dat betrokkene presteerde.

Deze afbouwregeling geldt totdat het aantal uren dat gefinancierd wordt binnen de begroting Onderwijs nog 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, bedraagt.

Telkens een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis voltijds of deeltijds afwezig is voor een periode en het totaal aantal gefinancierde uren niet gedaald is tot onder de 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, kan geen vervanger worden aangesteld die een salaris ontvangt van het agentschap onderwijsdiensten.

De middelen die jaarlijks vrijkomen door toepassing van het derde en het vijfde lid worden geherinvesteerd in de onderwijsbegroting.]

Decr. 16-6-2017

Art. IV.20.

§ 1. De personeelsleden die aan- of tewerkgesteld zijn als titularis van een betrekking van verpleger of kinderverzorger in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad kunnen op 1 september 2002 vast benoemd worden onder volgende voorwaarden :

1° Belg of onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, de EVA (Europese Vrijhandelsassociatie) of in het bezit zijn van een vrijstelling verleend door de Vlaamse Regering;

2° burgerlijke en politieke rechten of een vrijstelling van de Vlaamse Regering genieten en in het bezit zijn van een attest van goed gedrag en zeden dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven. De vrijstelling van burgerlijke en politieke rechten gaat steeds samen met de vrijstelling bedoeld in 1° hiervoor;

3° voldoen aan de taalwetten;

4° op 31 augustus 2002 720 dagen dienstanciënniteit bezitten. De berekening van de dienstanciënniteit gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs. In afwijking van artikel 4, § 1, b), van hetzelfde decreet wordt het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, niet met de helft verminderd. De diensten gepresteerd in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad worden beschouwd als diensten gepresteerd zoals bepaald in artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

5° de betrekking in hoofdambt uitoefenen;

6° op 31 december 2001 aan- of tewerkgesteld zijn.

De vaste benoeming op 1 september 2002 is beperkt tot het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid als titularis was aan- of tewerkgesteld.

Onder titularis van een betrekking wordt verstaan: het personeelslid dat als eerste in een concrete betrekking een aanstelling of tewerkstelling heeft gekregen.

Deze betrekking wordt niet vacant verklaard.

§ 2. Na toepassing van § 1 worden de personeelsleden, aan- of tewerkgesteld in een kinderdagverblijf van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, die voldoen aan de voorwaarden van 1° tot en met 6° van § 1, eerste lid, op hun verzoek op 1 januari 2003 vast benoemd in een vacante betrekking. Deze vaste benoeming is beperkt tot het volume van de opdracht waarvoor het personeelslid op 31 december 2001 is aan- of tewerkgesteld als verpleger of kinderverzorger in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De personeelsleden moeten aan de voorwaarde van 4° van § 1, eerste lid, voldoen op 31 december 2002.

De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de op 1 september 2002 geldende normen die de Vlaamse regering heeft vastgelegd houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen. De betrekkingen die tussen 1 september 2002 en 1 januari 2003 vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard.

De raad van bestuur deelt vóór 15 oktober 2002, aan de personeelsleden die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen, de vacante betrekkingen mee, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor vaste benoeming moeten worden ingediend.

§ 3. Voor de vaste benoemingen zoals bedoeld in § 2 heeft het personeelslid dat op 31 augustus 2002 over de grootste dienstanciënniteit beschikt, voorrang. De dienstanciënniteit wordt berekend zoals bepaald in §1, 4°.

§ 4. Met ingang van de datum van vaste benoeming zijn de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en de uitvoeringsbesluiten op bedoelde personeelsleden van toepassing. In afwijking van het eerste lid zijn, voor de vaste benoemingen zoals bedoeld in § 2, de bepalingen van artikel 36ter, §2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, niet van toepassing.

§ 5. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle bepalingen van toepassing die gelden voor de personeelsleden die vast benoemd zijn in het ambt van kinderverzorger in het gewoon basisonderwijs en in het ambt van verpleger in het buitengewoon basisonderwijs. Voor de toepassing van de regelgeving met betrekking tot vaste benoeming, affectatie en mutatie wordt :

1° het ambt van kinderverzorger zoals bedoeld in deze afdeling niet beschouwd als hetzelfde ambt van kinderverzorger in het gewoon en buitengewoon onderwijs;

2° het ambt van verpleger zoals bedoeld in deze afdeling niet beschouwd als hetzelfde ambt van verpleger in het buitengewoon onderwijs.

§ 6. Voor de toepassing van de regelgeving met betrekking tot de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, gelden de normen die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen. De personeelsleden bedoeld in § 1 die wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking zijn gesteld voor minder dan de helft van een volledige betrekking, zijn niet verplicht om een reaffectatie of wedertewerkstelling te aanvaarden. Het ambt van kinderverzorger of verpleger zoals bedoeld in deze afdeling wordt, voor de toepassing van de regelgeving inzake reaffectatie en tewerkstelling, beschouwd als hetzelfde ambt van kinderverzorger in het gewoon en buitengewoon onderwijs, respectievelijk het hetzelfde ambt van verpleger in het buitengewoon onderwijs.

Art. IV.21.

Onverminderd de in artikel IV.19 bedoelde normen worden de personeelsleden die in de Brusselse peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs tewerkgesteld zijn als verpleger of kinderverzorger en die niet benoemd zijn bij toepassing van het voorgaande artikel, § 1 en § 2, door de scholengroep 8-Brussel aangeworven als contractuele personeelsleden waarop de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is.

De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om bijkomende ambten vast te leggen. De personeelsleden die in deze ambten worden tewerkgesteld, worden eveneens aangeworven als contractuele personeelsleden waarop de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is.

Art. IV.22.

[...]

Decr. 16-6-2017

Art. IV.23.

§ 1.Tot een door de Vlaamse Regering nader te bepalen datum betaalt de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks het salaris uit aan de personeelsleden bedoeld in dit hoofdstuk, overeenkomstig volgende bepalingen :

1° aan de personeelsleden bedoeld in dit hoofdstuk worden de volgende salarisschalen toegekend :

a) salarisschaal 143 voor wie in het ambt van kinderverzorger is aangesteld op basis van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs;

b) salarisschaal 229 voor wie in het ambt van kinderverzorger is aangesteld op basis van een ander bekwaamheidsbewijs;

c) salarisschaal 337 voor wie in het ambt van verpleger is aangesteld.

Indien het aldus vastgestelde salaris lager is dan het salaris dat het personeelslid genoot op 1 september 2002, blijft het dit laatste salaris genieten totdat het een ten minste gelijk salaris bekomt overeenkomstig bovenvermelde salarisschalen.

De bovenvermelde bekwaamheidsbewijzen zijn deze die de Vlaamse Regering vastlegt voor het overeenkomstige ambt in het gewoon - of buitengewoon onderwijs.

Met behoud van de toepassing van artikel IV.21, wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om de bekwaamheidsbewijzen voor alle ambten vast te leggen of te wijzigen. Zij wordt eveneens gemachtigd om de salarisschalen hiervoor vast te leggen of te wijzigen.

2° De prestatieregeling van de personeelsleden bedoeld in dit hoofdstuk bedraagt voor een volledige betrekking 36 uren per week.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot bezoldiging van de personeelsleden bedoeld in artikel IV.21 en IV.22.

Art. IV.24.

In hoofde van de personeelsleden, tewerkgesteld als kinderverzorger of verpleger in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, wordt de geldelijke en administratieve toestand gedurende de periode van hun tewerkstelling tot en met 31 december 2002 als definitief verworven beschouwd. Uit deze periode kunnen geen gevolgen voortvloeien voor de personeelsleden en schoolbesturen met betrekking tot bezoldiging.

Art. IV.25.

De kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad worden in voorkomend geval verbonden aan de basisscholen van de scholengroep 8 - Brussel.

Hoofdstuk 4. Personeelsleden tewerkgesteld in de voor- en nabewaking in de nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

Art. IV.26

In de Nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kunnen personeelsleden worden tewerkgesteld als opvoeder voor- en nabewaking. Deze personeelsleden worden aangesteld bij en door de scholengroep van het gemeenschapsonderwijs die bevoegd is voor voormelde scholen. De personeelsleden worden aangeworven als contractuele personeelsleden op wie de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is.

Art. IV.27.

De Vlaamse Gemeenschap kent jaarlijks aan de in artikel IV.26 vermelde scholengroep maximaal 27 voltijdse betrekkingen toe van opvoeder voor- en nabewaking. De Vlaamse Regering is gemachtigd het aantal voltijdse betrekkingen te wijzigen.

Art. IV.28.

De prestatieregeling van de hier bedoelde personeelsleden bedraagt 36 uren per week voor een voltijdse betrekking.

Art. IV.29.

De personeelsleden bedoeld in artikel IV.26 kunnen vervangen worden onder dezelfde voorwaarden als deze vastgelegd voor de personeelsleden van het onderwijs. De vervangers worden eveneens aangeworven als contractuele personeelsleden op wie de wet van 3 juli 1978 van toepassing is.

Art. IV.30.

§ 1. Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming betaalt rechtstreeks het salaris uit aan de personeelsleden bedoeld in artikel IV.26. Aan de personeelsleden worden de volgende salarisschalen toegekend :

- salarisschaal 143 voor de houders van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs;

- salarisschaal 158 voor de houders van een bekwaamheidsbewijs van ten minste bachelor zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. De personeelsleden die sinds 1 januari 1997 ononderbroken aangesteld geweest zijn op basis van een diploma van ten minste lager secundair onderwijs en de salarisschaal 143 toegekend kregen, behouden die salarisschaal.

§ 2. De Vlaamse Regering is gemachtigd om de voormelde salarisschalen te vervangen of te wijzigen.

Art. IV.31.

De Vlaamse Regering is gemachtigd de vakantieregeling voor de personeelsleden bedoeld in artikel IV.26 vast te leggen. In afwachting blijft de huidige regeling van kracht.

Art. IV.32.

In hoofde van de personeelsleden aangesteld als opvoeder voor- en nabewaking in de Nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, wordt de geldelijke en administratieve toestand gedurende hun periode van tewerkstelling tot en met 31 december 2013 als definitief verworven beschouwd. Uit deze periode kunnen geen gevolgen voortvloeien voor de personeelsleden en schoolbesturen met betrekking tot bezoldiging.

Hoofdstuk 5. Cultuureducatie in het onderwijs

Art. IV.33.

De Vlaamse Regering kan jaarlijks subsidies verlenen voor projecten die cultuureducatie in het onderwijs stimuleren. De subsidies kunnen worden toegekend aan scholen, centra, internaten, tehuizen en instellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, de leertijd, het deeltijds kunstonderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs, de basiseducatie en het hoger onderwijs.

De Vlaamse Regering verleent een maximale subsidie van vijfduizend euro per project cultuureducatie en per jaar. De Vlaamse Regering kan meerdere projecten van dezelfde begunstigde voor dezelfde vestigingsplaats goedkeuren, op voorwaarde dat het totale subsidiebedrag dat gedurende het begrotingsjaar aan de begunstigde per vestigingsplaats toegekend wordt niet hoger is dan vijfduizend euro.

Om in aanmerking te komen voor subsidiëring voor een project cultuureducatie, moet het project in ieder geval :

1° opgestart en beëindigd worden binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen periode, zonder dat deze periode langer dan vijf maanden mag bedragen;

2° de ontplooiingskansen van de leerling vergroten;

3° een meerwaarde betekenen voor de cultuurvisie van de school, centrum, internaat, tehuis of instelling;

4° op maat zijn van de school, centrum, internaat, tehuis of instelling;

5° opgezet zijn met de kwalitatieve inbreng van en samenwerking met een externe partner.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden waaronder de subsidies toegekend kunnen worden, de wijze van selectie en de evaluatie van de projecten.

Hoofdstuk 6. Leerlingenvervoer

Art. IV.34.

Er is bij de Vlaamse Gemeenschap een Dienst voor Leerlingenvervoer opgericht, die belast is met het vervullen van de verplichtingen van de Gemeenschap inzake het vervoer naar de vrije- keuzescholen. De juridische vorm en de beheersmodaliteiten van deze dienst zullen bij decreet geregeld worden.

Het leerlingenvervoer, bedoeld in het vorig lid, zal gemeenschappelijk zijn en zal voor de vrije-keuzescholen onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde criteria en in overleg met de betrokken schoolbesturen georganiseerd worden.

De Vlaamse Regering bepaalt hoeveel ouders er nodig zijn, opdat de Vlaamse Gemeenschap de in dit artikel bepaalde verplichtingen op zich dient te nemen. De Vlaamse Regering bepaalt eveneens wat onder redelijke afstand moet worden verstaan.

Met uitzondering van de leerlingen van het basisonderwijs betalen de leerlingen die vervoerd worden naar een school van de vrije keuze de prijs daarvan ten belope van het bedrag dat overeenstemt met de redelijke afstand bedoeld in het eerste lid. Dat bedrag wordt in alle onderwijsnetten vastgesteld volgens het tarief van de NMBS en/of de Lijn.

De bijdragen die de leerlingen moeten betalen worden geïnd door de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de kosten van het vervoer draagt.

Het Gemeenschapsonderwijs is gemachtigd om een deel of het geheel van het remgeld, opgelegd aan de rechthebbende leerlingen, ten laste van hun dotatie te nemen voor zover hiervoor sociale redenen aanwezig zijn.

Art. IV.35.

Volgens door de Vlaamse Regering per type van buitengewoon onderwijs en per onderwijsniveau, op advies de bevoegde afdelingen voor het buitengewoon onderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad vast te stellen regelen, neemt de Vlaamse Regering te zijnen laste de reiskosten van de gehandicapten, die zich van hun verblijfplaats, tehuis of pleeggezin naar de dichtstbijzijnde school of vestigingsplaats voor buitengewoon onderwijs waar onderwijs verstrekt wordt waarvoor zij geschikt werden verklaard, en dit binnen een groepering naar keuze of van hun verblijfplaats naar het tehuis, school of pleeggezin begeven, alsmede de kosten van de terugreis, zulks gedurende de gehele tijd dat zij buitengewoon onderwijs volgen.

Onder groepering dient te worden verstaan: een indeling van scholen en vestigingsplaatsen in het buitengewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, naargelang ze behoren tot het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheidene godsdiensten, of het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs.

Hoofdstuk 7. Schoolboekhouding

Art. IV.36.

§ 1. De representatieve verenigingen van schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen bepalen, voor de schoolbesturen die dit wensen, de boekhoudkundige verplichtingen inzake de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding zoals bepaald in artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Deze boekhoudkundige verplichtingen dienen in bijkomende orde er mee rekening te houden dat de saldi, zoals bepaald conform het Europees Rekening Stelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de terzake geldende Europese verplichtingen.

§ 2. De onder § 1 bedoelde vereenvoudigde boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de schoolbesturen, ten minste alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.

§ 3. De onder § 1 bedoelde regels voor de vereenvoudigde boekhouding omvatten minimaal :

l° basisregels met betrekking tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;

2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;

3° de jaarrekening;

4° de inventaris.

§ 4. De onder § 1 bedoelde dubbele boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de school, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de door de subsidiërende overheid verstrekte toelagen en de eigen middelen van elk schoolbestuur.

§ 5. De onder § 1 bedoelde regels voor de economische boekhouding omvatten minimaal :

1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;

2° de waarderingsregels;

3° de structuur van de jaarrekening;

4° het schema van de balans;

5° het schema van de resultatenrekening;

6° de inhoud van de toelichting;

7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;

8° het minimum algemeen rekeningenstelsel.

§ 6. De in § 1 bedoelde regels worden door elke representatieve vereniging van schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

§ 7. Voor de eerste maal vervullen de representatieve verenigingen van schoolbesturen of schoolbesturen van de gesubsidieerde vrije scholen binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze bepalingen, de in § 6 bedoelde verplichtingen.

§ 8. Dit artikel geldt niet meer voor het secundair onderwijs.

Art. IV.37.

§ 1. Een tegemoetkoming, voor de terugbetaling van de facturen van de aanstelling van een commissaris voor de controle van de boekhouding, wordt toegekend aan de schoolbesturen en aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en Centra voor Basiseducatie, van het gesubsidieerd vrij onderwijs die krachtens artikel 17 van de wet van 27 juni 1921 gehouden zijn één of meerdere commissarissen aan te stellen.

§ 2. De voorgelegde factuur ter betaling van de commissarissen zal terugbetaald worden binnen de beschikbare begrotingskredieten, met een maximum van 90%.

§ 3. De tegemoetkoming wordt betaald na de voorlegging van de bewijsstukken betreffende de gemaakte kosten van de aanstelling van een commissaris en het bewijsstuk betreffende de neerlegging van de jaarrekening bij de Nationale Bank van België.

§ 4. Deze documenten met betrekking tot de gemaakte kosten voor kalenderjaar X worden uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar X + 2, in twee exemplaren ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, wat de schoolbesturen van het basis- en secundair onderwijs betreft en bij het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelage wat de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie betreft.

Hoofdstuk 8. Speciale onderwijsleermiddelen voor het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs

Art. IV.38.

§ 1. Aan cursisten en leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die een opleiding in het gefinancierd of gesubsidieerd volwassenenonderwijs volgen en daar aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, en aan studenten met een functiebeperking die in het gefinancierd of gesubsidieerd hoger onderwijs ingeschreven zijn in een bachelor-, een master-, een bachelor-na-bachelor - of een master-na-masteropleiding, of in een schakel- of voorbereidingsprogramma of in een specifieke lerarenopleiding, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld.

§ 2. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering :

1° de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien;

2° de diplomavoorwaarden voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en schrijftolken;

3° de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken;

4° de definitie van de doelgroep.

§ 3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsbudget voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau.

§ 4. De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau, worden om de drie jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd.

§ 5. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met 4, bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen.

Hoofdstuk 9. Europese en internationale programmaâââ¢s

Afdeling 1. EPOS

Art. IV.39.

De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om toe te treden tot de vzw EPOS en bij te dragen tot de werking van de vzw.

Art. IV.40.

De vzw EPOS wordt belast met de uitvoering in Vlaanderen van Europese en internationale programma's en acties voor onderwijs, vorming, opleiding en levenslang leren.

Art. IV.41.

Binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap draagt de Vlaamse Regering jaarlijks bij in de financiële middelen van de vzw.

Art. IV.42.

1° De subsidie wordt aangewend voor de werking van de vzw en voor de activiteiten die in Vlaanderen worden ontwikkeld in het kader van de Europese en internationale programma's en acties voor onderwijs, vorming, opleiding en levenslang leren.

2° De vzw legt jaarlijks een activiteitenverslag en een financieel verslag aan de Vlaamse Regering voor.

3° De vzw EPOS dient de niet-aangewende middelen die werden toegekend in het kader van Erasmus mobiliteit met aanvang van het academiejaar 2011-2012 opnieuw in te zetten voor deze actie in de daaropvolgende academiejaren. De vzw zal deze middelen beheren op een uitsluitend daartoe bestemde rekening.

Afdeling 2. EPON

Art. IV.43.

De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om over te gaan tot oprichting van de vzw Epon en bij te dragen tot de werking van deze vzw.

Art. IV.44.

De vzw Epon zal namens de Vlaamse Regering instaan voor het beheer van projecten die in het kader van Europese programma's worden opgestart. Dit betreft programma's, onder meer in het kader van het Europees Sociaal Fonds, de Communautaire Initiatieven, projecten in het kader van het Europees Jaar voor opleiding en onderwijs gedurende de gehele loop van het leven, CEDEFOP, e.a.

Art. IV.45.

§ 1. Binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap draagt de Vlaamse Regering jaarlijks bij in de financiële middelen van de vzw. De toelage dient zoals in het verleden aangewend te worden ter pre- en/of co-financiering van de projecten.

§ 2. De vzw is ertoe gehouden voor 1 april door haar bedrijfsrevisor gecertificeerde rekeningen voor te leggen waarbij expliciet een document is gevoegd betreffende de toestand van de financiële middelen die de vzw op 31 december ter beschikking heeft en de totale uitgaven in kasstromen die gerealiseerd werden gedurende het vorige boekjaar.

De subsidie wordt in twee schijven uitbetaald :

1° een eerste schijf van 80 percent na het voorleggen van de voornoemde documenten;

2° het saldo na advies van de inspectie van financiën waarbij rekening wordt gehouden met de reservevorming en de noodzaak tot prefinanciering van Europese projecten het daaropvolgende jaar.

Hoofdstuk 10. Tijdelijke projecten kunstinitiatie

Art. IV.46.

De Vlaamse Regering kent aan scholen voor basis- en secundair onderwijs een puntenenveloppe en/of werkingsbudget toe in het kader van projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen. Deze projecten hebben als doelstelling :

1° het zelfbeeld bevorderen bij leerlingen met een risico op schoolse achterstand;

2° de cultuurcompetentie bij deze doelgroep verhogen;

3° de betrokkenheid van de buurt en de ouders bij de school te vergroten.

Art. IV.47.

De doelstelling, bedoeld in artikel IV.46, tweede lid, wordt verwezenlijkt door :

1° een artistieke begeleiding van de betrokken minderjarigen door kunstenaars; en/of

2° de professionalisering van leerkrachten van een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs inzake de integratie van muzische vorming in een interculturele schoolomgeving; en/of

3° de organisatie van een kunstinitiatie die nauw aansluit bij de leefwereld van de betrokken minderjarigen.

Art. IV.48.

§ 1. De in artikel IV.46, eerste lid, bedoelde ondersteuning wordt toegekend aan een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs.

§ 2. De puntenenveloppe en het werkingsbudget worden ingezet in het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen scholen voor basis- of secundair onderwijs en alle hierna vermelde partners :

1° een school voor deeltijds kunstonderwijs;

2° een erkende professionele culturele organisatie;

3° een buurtgerichte organisatie.

§ 3. De scholen voor basis- en secundair onderwijs kunnen de toegekende punten in het kader van een samenwerkingsovereenkomst overdragen naar een meewerkende school voor basis- en secundair onderwijs of school voor deeltijds kunstonderwijs, op voorwaarde dat vooraf een akkoord tussen de betrokken schoolbesturen wordt afgesloten.

§ 4. De puntenenveloppes kunnen omgezet worden in een werkingsbudget bestemd voor materiaalkosten, vervoerskosten en uitrustingskosten of om voordrachtgevers in te zetten.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de puntenwaarden op basis waarvan de betrekkingen in de ambten van het onderwijzend, beleids- en ondersteunend personeel, het ondersteunend personeel, het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel kunnen worden opgericht. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De Vlaamse Regering legt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.

Art. IV.49.

De scholen voor basis-, secundair en deeltijds kunstonderwijs kunnen de punten aanwenden voor het oprichten van één of meer betrekkingen in ambten van het onderwijzend, beleids- en ondersteunend personeel, dan wel het ondersteunend personeel en het opvoedend hulppersoneel.

Het personeelslid dat in een school voor basis-, secundair dan wel deeltijds kunstonderwijs wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :

- de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking. Deze reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikking gestelde personeelslid. De tewerkstelling wordt beschouwd als een wedertewerkstelling;

- het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven overeenkomstig de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

- de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

Het betrokken personeelslid kan, mits zijn instemming, voor de vervulling van zijn opdracht in het kader van het tijdelijk project kunstinitiatie worden ingezet voor en in andere scholen die de in artikel IV.48, § 2, vermelde samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten.

Art. IV.50.

De Vlaamse Regering bepaalt :

1° het bedrag dat toegekend wordt aan elk punt dat omgezet wordt in een werkingsbudget, bestemd voor materiaalkosten, vervoerskosten en uitrustingskosten of om voordrachtgevers in te zetten;

2° de modaliteiten voor de toekenning en de aanwending van het werkingsbudget.

Art. IV.51.

§ 1. De tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen die de onderwijsinspectie in haar eindevaluatie gunstig beoordeelt, worden verlengd tot de Vlaamse Regering een nieuwe einddatum bepaalt.

§ 2. De bepalingen, vermeld in deze afdeling en in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen, blijven van toepassing voor zover zij de realisatie van de aanbevelingen uit het eindrapport, zoals vermeld in § 3, niet belemmeren. Desgevallend legt de Vlaamse Regering gewijzigde voorwaarden op, die uiterlijk 6 maanden na de beslissing van de Vlaamse Regering decretaal bekrachtigd worden en ten vroegste ingaan vanaf het schooljaar 2011-2012.

Bovendien nemen de betrokken scholen voor deeltijds kunstonderwijs en de basisscholen samen met scholen voor deeltijds kunstonderwijs die een tijdelijk project, zoals vermeld in artikel II.54, § 1, van deze codificatie, organiseren, deel aan een werkgroep die zal onderzoeken hoe de twee projecten via een complementaire werking een structureel netwerk kunnen vormen. Dat netwerk beoogt de expertise-uitwisseling met betrekking tot kunst- en cultuureducatie tussen scholen voor deeltijds kunstonderwijs, basisscholen en andere partners. De expertise-uitwisseling kan als volgt geoperationaliseerd worden :

1° de vorming van individuele leerkrachten;

2° de visieontwikkeling in de school in haar geheel.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de werkwijze en de termijn voor het indienen van het eindrapport.

DEEL V. RECHTSPOSITIE ONDERWIJSPERSONEEL

Titel 1. Administratieve rechtspositie

Hoofdstuk 1. Bekwaamheidsbewijzen

Afdeling 1. Algemene bepalingen inzake bekwaamheidsbewijzen

Art. V.1.

Deze titel is van toepassing op :

1° de personeelsleden bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de onderwijsinspectie georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap;

4° de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten;

5° de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;

6° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 127, § 1, 1° en 2° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Art. V.2.

De Vlaamse Regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot elk ambt of voor de basiseducatie tot elke functie. Zij kan daarbij rekening houden met het te onderwijzen vak of specialiteit, de opleiding, de module, het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de graad, het hoger beroepsonderwijs van kwalificatieniveau 5, de cyclus of de opleidingsvorm.

Art. V.3.

Als bekwaamheidsbewijs geldt een studiebewijs en/of de competenties verworven door activiteiten die het personeelslid uitoefent of heeft uitgeoefend, zowel binnen als buiten het onderwijs. Beide kunnen eventueel worden aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.

In het gesubsidieerd vrij onderwijs kan de Vlaamse Regering de hoedanigheid van bedienaar van de eredienst gelijkwaardig verklaren met een bekwaamheidsbewijs.

Art. V.4.

De Vlaamse Regering kan voor een ambt of voor de basiseducatie voor een functie naast vereiste ook voldoende geachte en andere bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder meer rekening houden met de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt. Aan personen met een ander bekwaamheidsbewijs wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder dit gebeurt.

Art. V.5.

Vooraleer de Vlaamse Regering in uitvoering van deze bepalingen de bekwaamheidsbewijzen vastlegt, blijft de geldende regelgeving inzake bekwaamheidsbewijzen van toepassing en is de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd de van kracht zijnde bepalingen te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.

Afdeling 2. Diploma verpleging

Art. V.6.

De houder van een diploma behaald overeenkomstig het besluit van de Regent van 11 juli 1945, houdende wederinrichting van verplegers- en verpleegstersstudiën en -examen, die de gelijkstelling heeft bekomen bepaald in artikel 25 van het koninklijk besluit van 17 augustus 1957 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder het diploma van vroedvrouw, verpleger of verpleegster wordt toegekend, zoals het gewijzigd werd bij het koninklijk besluit van 11 juli 1960, wordt geacht in het bezit te zijn van het diploma van een hogere technische school van de eerste graad.

Hoofdstuk 2. Bepalingen inzake anciënniteit

Afdeling 1. BTK- en GECO-diensten

Art. V.7.

§ 1. De diensten gepresteerd als gesubsidieerd contractueel personeelslid in de hiernavolgende projecten komen in aanmerking voor de toepassing van artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

Het betreft de projecten :

- ondersteuning van kleuterscholen met migranten binnen onderwijsvoorrangsgebieden opgenomen in de geco-conventie 8285 onder projectnummers I.24, II.10, III.12;

- ontwikkelen van werkmethodes en werkmiddelen die tegemoet komen aan gedifferentieerde noden in functie van PMS-begeleiding voor migranten opgenomen in de geco-conventie 7636 en 8285 onder de projectnummers I.9, III.3.

De hier vermelde diensten worden beschouwd als zijnde gepresteerd in "een ambt" zoals bedoeld in de twee voormelde decreten rechtspositie.

§ 2. Deze anciënniteit kan enkel ingeroepen worden voor werving voor de ambten van kleuteronderwijzer, maatschappelijk werker en van studiemeester-opvoeder, zowel in internaten als externaten. Deze anciënniteit kan voor het schooljaar 1996-1997 niet worden aangewend om prioriteit te verwerven zoals de kandidaten die tijdens het schooljaar 1995-1996 bij de betrokken inrichtende macht, respectievelijk het lokaal bestuursorgaan in dienst waren en die zich voor het schooljaar 1996-1997 kunnen beroepen op de voorrang bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde PMS-centra of op de voorrang bedoeld in artikel 21 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van de bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

De anciënniteit geldt ook voor de toepassing van de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Door de toepassing van dit artikel kunnen de personeelsleden een anciënniteit van maximaal twee jaar verwerven.

Art. V.8.

De Vlaamse Regering bepaalt voor de personeelsleden die fungeren in het deeltijds beroepsonderwijs de voorwaarden waaronder de diensten gepresteerd als tewerkgestelde werkloze, als werknemer in het "Bijzondere tijdelijk kader" en als gesubsidieerde contractuele worden in aanmerking genomen voor het geldelijk en administratief statuut, voor de reglementering inzake boventalligheid, terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling en voor de vaste benoeming, en de erkenning, daar waar deze bestaat.

Art. V.9.

§ 1. De bepalingen van artikel V.8 en van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 1990 tot in aanmerking nemen van de dienstanciënniteit voor personeelsleden van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, zijn van toepassing vanaf 1 april 1991 voor de bepalingen van artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en vanaf 1 juni 1991 voor de bepalingen van artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtpositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding. Voor de technische personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding van het Gemeenschapsonderwijs en van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding moeten bedoelde diensten verstrekt zijn in een gefinancierde of gesubsidieerde functie in een centrum voor leerlingenbegeleiding dat belast was met het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de leerlingen uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de deelnemers uit de erkende vormingen voor het vervullen van de deeltijdse leerplicht.

§ 2. De diensten gepresteerd in het bijzonder tijdelijk kader of als gesubsidieerd contractueel personeelslid in de hiernavolgende projecten komen in aanmerking voor de toepassing van artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en van artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

Het betreft de projecten :

- "begeleiding leerkrachten van projecten in uitvoering van de EG-richtlijn 77/486";

- "migrantenleerlingen op het niveau secundair onderwijs";

- "ondersteuning basisscholen met meer dan 30 % kinderen die de onderwijstaal niet machtig zijn";

- "ontwikkelen van werkmethoden en werkmiddelen die tegemoet komen aan gedifferentieerde noden inzake PMS-begeleiding van migrantenkinderen".

Door de toepassing van de eerste alinea kunnen de personeelsleden een anciënniteit van maximaal twee jaren verwerven. De hierboven bedoelde diensten worden beschouwd als zijnde gepresteerd in "een" ambt zoals bedoeld in de voormelde decreten.

Afdeling 2. Internaat secundair onderwijs

Art. V.10.

De diensten gepresteerd als tijdelijk personeelslid in het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat verbonden aan een instelling voor hoger onderwijs worden geacht gepresteerd te zijn in het ambt van studiemeester-opvoeder in een internaat verbonden aan een instelling voor voltijds secundair onderwijs met volledig leerplan.

Hoofdstuk 3. Bepalingen inzake aanstelling en vaste benoeming

Afdeling 1. Strijdige benoemingen of buiten de normen

Art. V.11.

Indien een personeelslid van het gemeenschaps- of van het gesubsidieerd onderwijs in strijd met het administratief statuut of buiten de normen is benoemd, kan de Vlaamse Regering binnen een periode van één jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst door de administratieve diensten van de Vlaamse Regering van de beslissing houdende deze benoeming, het salaris terugvorderen met betrekking tot de periode.

In het gemeenschapsonderwijs zijn de aldus wederrechtelijke benoemde personeelsleden van ambtswege ontslagnemend. In het gesubsidieerd onderwijs is deze benoeming niet tegenstelbaar aan de betalende overheid. Daarenboven wordt in het officieel gesubsidieerd onderwijs het onregelmatig vast benoemd personeelslid in zijnen hoofde geacht aangesteld te zijn in een ambt dat opgeheven werd vanaf het ogenblik dat het schoolbestuur door de bevoegde overheid in kennis wordt gesteld dat de benoeming niet voldoet aan de voorwaarden.

Het personeelslid wordt ontslagen met een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld naargelang van het aantal arbeidsdagen die nodig zijn om aanspraak te hebben op uitkeringen in de werkloosheids- en de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Tijdens de opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijke te zijn aangesteld en geniet het de brutosalaris van het ambt waarin het vast benoemd werd.

Afdeling 2. Erkenning van vaste benoeming

Art. V.12.

Voor de personeelsleden van het gesubsidieerd kleuter-, lager en basisonderwijs die door het schoolbestuur vastbenoemd werden vóór 1 juni 1991, waarvoor geen erkenning van vaste benoeming werd aangevraagd, die als vastbenoemd personeelslid bezoldigd werden en die voldoen aan de voorwaarden tot erkenning van vaste benoeming zoals van kracht op 1 juni 1991, wordt de vaste benoeming geacht erkend te zijn.

Art. V.13.

Bij ontstentenis van formele bekrachtiging wordt het personeelslid dat gefungeerd heeft in het voormalige rijksonderwijs en dat voor zijn prestaties in het rijksonderwijs bezoldigd werd als vast benoemd personeelslid in een bijbetrekking, beschouwd als zijnde effectief vast benoemd voor de aldus bezoldigde prestaties.

Art. V.14.

Vanaf de inwerkingtreding van de besluiten van de Vlaamse Regering bedoeld in de reglementaire bepalingen inzake terbeschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling dient onder erkenning van de definitieve benoeming, zoals bedoeld in de pensioenwet van 30 januari 1954, voor de personeelsleden bedoeld in de hiervoor bedoelde besluiten worden begrepen, de benoeming in vast verband zoals bedoeld in dezelfde besluiten.

Afdeling 3. Personeel gemeenschapsonderwijs

Onderafdeling 1. Bode kamerbewaarder of suppoost

Art. V.15.

De personeelsleden die in een school of centrum van het gemeenschapsonderwijs tewerkgesteld zijn als bode-kamerbewaarder of suppoost, worden vast benoemd respectievelijk in het ambt van bode-kamerbewaarder op 1 september 1999 of in het ambt van suppoost op 1 januari 2001.

Met ingang van de datum van hun vaste benoeming zijn de bepalingen betreffende de rechtspositie van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs op hen van toepassing.

Voor het personeelslid dat vast benoemd is in uitvoering van dit artikel, kan vanaf 1 september 1999, respectievelijk vanaf 1 januari 2001 enkel een vervanger worden gefinancierd ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap als aan het personeelslid wordt toegestaan zijn beroepsloopbaan te onderbreken op grond van de geldende regelgeving inzake loopbaanonderbreking.

Onderafdeling 2. Meester-, vak-, en dienstpersoneel

Art. V.16.

Binnen de haar door het artikel 23, § 1, 4°, h , van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs toegekende bevoegdheid legt de raad van bestuur van de scholengroep jaarlijks, na onderhandeling in het basiscomité van de scholengroep, een personeelsformatie vast voor het contractueel meesters-, vak- en dienstpersoneel.

Onderafdeling 3. Rekenplichtig correspondent

Art. V.17.

In afwijking van de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs mogen de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in het ambt van rekenplichtig correspondent of vast benoemd zijn in hetzelfde ambt of in het ambt van eerste rekenplichtig correspondent en die op 1 september 1990 het ambt van opvoeder-huismeester uitoefenden in een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs, ontstaan door de omvorming van een afdeling voor buitengewoon lager onderwijs voor dertienjarigen en meer (4e graad) in het voormalig Rijksonderwijs, verder dit ambt uitoefenen.

Met ingang van 1 september 2006 behouden de personeelsleden bedoeld in het eerste lid het recht op een aanstelling in een ambt van het ondersteunend personeel als zij in toepassing van artikel 100quinquies van het decreet personeelsleden gemeenschapsonderwijs geconcordeerd worden naar een ambt van het ondersteunend personeel. Zij blijven wat hun administratieve en geldelijke toestand betreft, behoren tot het administratief personeel. In afwijking hiervan wordt hun salaris vastgesteld in de salarisschaal 125, toegekend aan personeelsleden van het buitengewoon onderwijs.

Voor het bepalen van het aantal dagen dienstanciënniteit, bedoeld in artikel 97, § 1, van voormeld decreet, worden de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in het ambt van rekenplichtig correspondent doch het ambt van opvoeder-huismeester uitoefenen, geacht hun diensten te presteren in een administratief ambt.

Voor de toepassing van hetzelfde artikel 97 :

- worden deze personeelsleden geacht op 1 april 1991 een betrekking van rekenplichtig correspondent in hoofdambt te bekleden;

- wordt de betrekking die de betrokken personeelsleden geacht worden te bekleden beschouwd als een betrekking waarin op deze datum niet moest worden voorzien door reaffectatie;

- wordt de betrekking die de betrokken personeelsleden geacht worden te bekleden, geacht te voldoen aan de bepaling van § 4 van artikel 97.

Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming wordt de toestand van de personeelsleden die tijdens de periode van 1 september 1980 tot 31 maart 1991 als rekenplichtig correspondent of als eerste rekenplichtig correspondent het ambt van opvoerder-huismeester hebben uitgeoefend in een in het eerste lid bedoelde instelling, bekrachtigd.

Onderafdeling 4. Werkmeester werkplaatsleider, technisch adviseur of technisch adviseur-coördinator

Art. V.18.

Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming, worden de betrekkingen in het ambt van werkmeester, werkplaatsleider, technisch adviseur of technisch adviseur-coördinator die voor 1 september 2008 werden opgericht of instand gehouden, beschouwd als zijnde opgericht of instand gehouden volgens de bepalingen van artikel 25 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs.

Hoofdstuk 4. Controle afwezigheid wegens ziekte

Art. V.19.

Met uitsluiting van het universitair onderwijs en eveneens, vanaf een datum te bepalen door de Vlaamse Regering, aan het hoger onderwijs buiten de universiteit, worden de personeelsleden van het onderwijs dat door de Vlaamse Gemeenschap wordt gefinancierd of gesubsidieerd en waarvan het salaris of de salaristoelage geheel of ten dele ten laste van de Vlaamse Gemeenschap is, op hun afwezigheid wegens ziekte gecontroleerd volgens de regels die de Vlaamse Regering vaststelt.

De Vlaamse Regering kan de persoon of de instelling aanwijzen die met het geneeskundig toezicht op de afwezigheid wegens ziekte wordt belast.

Het personeelslid dat de bij of krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen niet naleeft, kan, onverminderd de bepalingen van de decreten rechtspositie, een geldelijke sanctie opgelegd krijgen volgens de voorwaarden, vastgelegd door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering waarborgt daarbij in elk geval het recht op verdediging van het personeelslid in kwestie.

Hoofdstuk 5. Werking van de vakorganisaties

Afdeling 1. Begeleiding van lokale comités

Art. V.20.

§ 1. De vakorganisaties, aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde vakcentrale, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens bijzondere opdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen. Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding van onderwijsvernieuwingen voor wat betreft de gevolgen ervan voor de personeelsleden en de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités in het buitengewoon onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 2. Het totale aantal personeelsleden uit het onderwijs mag voor de verschillende vakorganisaties, bedoeld in § 1, samen niet meer dan zes bedragen.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van verdeling van het in dit artikel bedoelde aantal personeelsleden over de betrokken organisaties en legt de aanvraagprocedure vast.

Art. V.21.

§ 1. Voor de representatieve vakorganisaties, aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie wordt jaarlijks binnen de voorziene begrotingskredieten een bedrag ter beschikking gesteld voor de ondersteuning van de syndicale werkzaamheden van hun vakbondsafgevaardigden.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag en de wijze van verdeling van dit bedrag over de betrokken vakorganisaties en legt de aanvraagprocedure vast.

Afdeling 2. Bemiddelaars

Art. V.22.

Sectorcomité X of onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten bemiddelen op vraag van een afgevaardigde van de representatieve vakorganisaties, een afgevaardigde van het schoolbestuur en/of een afgevaardigde van de representatieve verenigingen van schoolbesturen en/of het Gemeenschapsonderwijs bij elk geschil, elk conflict of elk dreigend conflict van collectieve aard dat zich binnen hun respectieve werkingsveld voordoet.

Sectorcomité X en onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten kunnen daartoe inzonderheid een bemiddelaar aanstellen. Sectorcomité X en onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten nemen binnen een termijn van zes maanden, ingaande vanaf 1 april 2008, elk een intern reglement inzake de bemiddelingsprocedure aan. De reglementen worden uitvoerbaar na bekrachtiging door de Vlaamse Regering.

Bij elk geschil, elk conflict of elke dreigend conflict van collectieve aard dat zich in een netoverstijgende scholengemeenschap voordoet, kunnen Sectorcomité X, onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, de centraal paritaire comités van het gesubsidieerd vrij onderwijs en het Vlaams Onderhandelingscomité voor de basiseducatie in een gemeenschappelijke vergadering bemiddelen en gemeenschappelijk een bemiddelaar aanstellen.

Afdeling 3. Vakbondspremie

Art. V.23.

§ 1. Deze afdeling is van toepassing op :

1° de contractuele personeelsleden, aangesteld in een instelling of een centrum bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 20 december 1989 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs en tot vaststelling van het aantal leden ervan;

2° de contractuele personeelsleden van de vrije hogescholen die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 20 december 1989 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs en tot vaststelling van het aantal leden ervan;

3° de personeelsleden van de vrije universiteiten;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 127, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

5° de personeelsleden tewerkgesteld bij het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs.

§ 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "representatieve vakorganisatie" een personeelsvereniging verstaan die een werking ontplooit ten behoeve van het onderwijs en die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.

Art. V.24.

De personeelsleden vermeld in artikel V.23, § 1, ontvangen een jaarlijkse vakbondspremie wanneer ze als bijdragebetalend lid aangesloten zijn bij een representatieve vakorganisatie. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de personeelsleden moeten voldoen om beschouwd te kunnen worden als bijdragebetalend lid. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de betalingsmodaliteiten van de vakbondspremie, met inbegrip van de maatregelen ter voorkoming van de cumulatieve toekenning en uitbetaling ervan.

Art. V.25.

De Vlaamse overheid draagt de sommen nodig voor de uitbetaling van de vakbondspremies en voor de daarmee verbonden administratieve werkingskosten over aan de uitbetalingsinstellingen. Per syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen wordt er één uitbetalingsinstelling opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.

De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag en de stortingsmodaliteiten van de in het eerste lid vermelde sommen.

De Vlaamse Regering bepaalt de controlemaatregelen met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van de vakbondspremies.

De Vlaamse Regering regelt eveneens de controle op de in het eerste lid vermelde uitbetalingsinstellingen.

Art. V.26.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de personeelsleden die op de datum van 30 augustus 2011 een vakbondspremie kunnen verkrijgen op grond van andere wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen.

Hoofdstuk 6. Verlofregelingen

Afdeling 1. Verlofregeling en jaarlijkse vakantie

Art. V.27.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de verlofregeling in de gefinancierde of gesubsidieerde scholen, centra, internaten en tehuizen voor het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, het voltijds en deeltijds gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs.

§ 2. De overtreding van deze regeling kan aanleiding geven tot sancties. De bedoelde sanctie kan in het gesubsidieerd onderwijs een gedeeltelijke terugvordering zijn van het werkingsbudget. In het gemeenschapsonderwijs kan deze sanctie een gedeeltelijke inhouding zijn van het werkingsbudget toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de toepassing van de sancties.

Art. V.28.

De Vlaamse Regering bepaalt de duur en het tijdstip van de jaarlijkse vakantie voor wat betreft :

1° de personeelsleden bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de personeelsleden van de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel, bedoeld in deel IV van deze codificatie.

Afdeling 2. Politiek verlof

Art. V.29.

Deze afdeling is van toepassing op :

1° de personeelsleden bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de onderwijsinspectie, bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

De afdeling is van toepassing op bovenvermelde personeelsleden voor zover zij :

- hetzij vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn;

- hetzij vast benoemd zijn en hun benoeming erkend is, daar waar de erkenning bestaat;

- hetzij als tijdelijk personeelslid aangesteld zijn.

IN VOEGE VANAF 1/1/2018 (Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017; Art. IX.20, 5° en IX.22) : in artikel V.29 wordt een punt 4° ingevoegd, dat luidt als volgt : "4° de personeelsleden bedoeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie."

Art. V.30.

De personeelsleden, bedoeld in artikel V.29, worden van ambtswege en zonder dat ze zich eraan kunnen onttrekken met politiek verlof gezonden voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :

1° burgemeester van een gemeente met meer dan 50.000 inwoners;

2° schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan 80.000 inwoners;

3° lid van de bestendige deputatie van een provincieraad;

4° voorzitter van een agglomeratie of van een federatie van gemeenten;

5° lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van de Senaat;

6° lid van het Vlaams Parlement;

7° lid van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;

8° lid van het Europees parlement;

9° lid van de federale regering;

10° lid van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;

11° staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

12° lid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging voor één van de boven vermelde mandaten.

Art. V.31.

Aan een personeelslid wordt op zijn verzoek, een voltijds of deeltijds politiek verlof toegekend voor de uitoefening van een mandaat van :

1° burgemeester, schepen of gemeenteraadslid;

2° provincieraadslid dat geen lid is van de bestendige deputatie;

3° voorzitter, lid van het bureau of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn;

4° voorzitter, lid van het vast bureau van de districtsraad of lid van de districtsraad.

De Vlaamse Regering kan voor personeelsleden die dit verlof opnemen, voorwaarden bepalen.

Art. V.32.

Voor de toepassing van artikel V.30, eerste lid, 1° en 2°, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van het gemeentedecreet [of de nieuwe gemeentewet].

Decr. 16-6-2017

Art. V.33.

Gedurende de perioden van politiek verlof op eigen verzoek of van ambtswege is het personeelslid in de stand non-activiteit. Het personeelslid heeft tijdens deze perioden geen recht op salaris of salaristoelage. Het behoudt echter zijn rechten op bevordering tot een hoger salaris of salaristoelage.

Art. V.34.

Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die waarin het mandaat een einde neemt.

Art. V.35.

Het in artikel V.34 bedoelde personeelslid mag na zijn wederindiensttreding in het onderwijs of in het centrum voor leerlingenbegeleiding zijn salaris of salaristoelage, zijn wachtgeld/wachtgeldtoelage niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat als bedoeld in artikel V.30, eerste lid, en in artikel V.31 en die een wederaanpassingsvergoeding uitmaken.

Op verzoek van het betrokken personeelslid kan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, toestaan de hervatting van de opdracht gedurende een periode van maximum één jaar uit te stellen. Tijdens deze periode bevindt het personeelslid zich in de stand non-activiteit. Het personeelslid heeft tijdens deze periode geen recht op salaris of salaristoelage. Het behoudt echter zijn rechten op bevordering tot een hogere salaris of salaristoelage.

Art. V.36.

De personeelsleden die op 1 januari 1993

- burgemeester waren van een gemeente met meer dan vijftigduizend en minder dan vijfenzestigduizend inwoners of

- schepen waren of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan tachtigduizend en minder dan honderddertigduizend inwoners en op dezelfde datum in het door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs of PMS-centra effectief uitoefenden, mogen in afwijking van artikel V.30, na de eedaflegging voor één van bovenvermelde ambten na de eerstvolgende verkiezingen, het ambt in het onderwijs of centrum voor leerlingenbegeleiding verder blijven uitoefenen.

Het ambt in het onderwijs of het centrum voor leerlingenbegeleiding mag echter niet meer dan één vierde bedragen van de prestaties vereist voor een ambt met volledige prestaties.

Art. V.37.

Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1993, met uitzondering van artikel V.30 dat in werking treedt op de datum van de eedaflegging voor één van de erin vermelde mandaten na de eerstvolgende verkiezingen voor hetzelfde mandaat.

In afwijking van voorgaand lid, kan echter het personeelslid dat een politiek mandaat uitoefent of heeft uitgeoefend zoals bedoeld in artikel V.30, op zijn verzoek binnen de periode van 1 januari 1989 tot op de datum van de inwerkingtreding van artikel 30, reeds de toepassing bekomen van de bepalingen van deze afdeling.

Hoofdstuk 7. Secundaire arbeidsvoorwaarden voor de contractuele personeelsleden ten laste van het ministerie van onderwijs en vorming en de gesubsidieerde contractuele personeelsleden

Art. V.38.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de contractuele personeelsleden ten laste van het Ministerie van Onderwijs en Vorming en de gesubsidieerde contractuele personeelsleden, bezoldigd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, en die aangesteld zijn in :

1° een school, centrum, internaat of tehuis bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° een school, centrum, internaat of tehuis bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

Art. V.39.

Voor personeelsleden, bedoeld in artikel V.38, die :

1° in een in artikel V.38, 1°, vermelde school, centrum, internaat of tehuis zijn aangesteld, gelden de bepalingen vermeld in de artikelen 12bis, § 1,12sexies en 12septies, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° in een in artikel V.38, 2°, vermelde school, centrum, tehuis of internaat zijn aangesteld, gelden de bepalingen vermeld in de artikelen 17bis, § 1,17sexies en 17septies, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

Art. V.40.

Dit hoofdstuk geldt niet voor de pedagogische begeleidingsdiensten.196

Titel 2. Geldelijke rechtspositie

Hoofdstuk 1. Basisbepalingen

Art. V.41.

Dit hoofdstuk is van toepassing op :

1° de personeelsleden, bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de onderwijsinspectie, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

IN VOEGE VANAF 1/1/2018 (Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017; Art. IX.20, 6° en IX.22) : in artikel V.41 wordt een punt 5° ingevoegd, dat luidt als volgt : "5° de personeelsleden, bedoeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie."

Art. V.42.

De besturen van de gesubsidieerde scholen, centra, internaten en tehuizen zijn gehouden aan hun personeel, dat aangeworven is volgens de voorziene decretale bepalingen, een salaristoelage toe te kennen, dat tenminste gelijk is aan het salaris dat voor het gemeenschapsonderwijs voor de betrokkenen wordt toegekend.

Art. V.43.

De Vlaamse Gemeenschap betaalt de salaristoelage rechtstreeks en maandelijks aan de leden van het personeel van de gesubsidieerde scholen, centra, internaten en tehuizen.

Art. V.44.

Een salaris of een salaristoelage wordt verleend voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten en voor de leden van het opvoedend hulppersoneel en van het ondersteunend personeel.

Zij kunnen verleend worden aan de categorieën van de leden van het administratief personeel en van het ondersteunend personeel die in de regelgeving zijn vastgelegd.

Art. V.45.

Een school, centrum, internaat of tehuis of een onderdeel ervan, ontvangt slechts financiering of subsidiering voor haar personeelsleden :

1° Die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;

2° Die de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;

3° Die in het bezit zijn van de bekwaamheidsbewijzen die in de regelgeving zijn vastgelegd;

4° Wier gezondheidstoestand geen gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de leerlingen;

5° Die aangeworven zijn mits eerbiediging van de reglementering, inzake ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.

Art. V.46.

Wanneer het arbeidsgerecht, bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, een beslissing van een bestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs houdende beëindiging of vermindering van de opdracht van een door haar vastbenoemd personeelslid, strijdig acht met het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, bekomt dit personeelslid de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de opdracht die hem ontnomen werd, alsof hij in dienstactiviteit was gebleven, en verliest het bestuur de salaristoelage voor het geheel of voor een deel van de betrekking, zolang zij de betrekking aan een ander niet-rechthebbend personeelslid toewijst.

Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer de kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 69 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, het ontslag van een vastbenoemd personeelslid door het bestuur als gevolg van een tuchtmaatregel vernietigt. Deze bepaling heeft ook uitwerking wanneer het college van beroep, zoals bedoeld in artikel 47septiesdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, één van de evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" die tot het ontslag hebben geleid, zoals bedoeld in hoofdstuk Vter van hetzelfde decreet, van een vastbenoemd personeelslid heeft vernietigd.

Het verlies van de salaristoelage voor een betrekking neemt een einde voor het bestuur :

1° ofwel op het ogenblik dat de onregelmatige handeling door het bestuur is hersteld;

2° ofwel indien hetzelfde of een ander bestuur het benadeelde personeelslid, met zijn akkoord, overneemt;

3° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zonder geldige reden weigert een door hetzelfde schoolbestuur of een ander bestuur aangeboden betrekking in hetzelfde ambt met dezelfde statutaire toestand te aanvaarden;

4° ofwel op het ogenblik dat het benadeelde personeelslid zich, om redenen vreemd aan het geschil, in de voorwaarden voor definitieve ambtsneerlegging bevindt.

De salaristoelage, die gedurende de periode tussen het onrechtmatig ontslag en de betekening aan de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het onderwijs van het vonnis of arrest, of van de uitspraak van de hierboven vermelde kamers van beroep of het hierboven vermelde college van beroep, aan het bestuur werd toegekend, wordt van dit bestuur teruggevorderd en wordt vervolgens toegekend aan het ten onrechte ontslagen personeelslid. Vanaf de hogervermelde betekening betalen de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor onderwijs de salaristoelage rechtstreeks aan het ten onrechte ontslagen personeelslid tot op het ogenblik dat voldaan wordt aan één van de vier voorwaarden, hierboven vermeld.

Art. V.47.

§ 1. Het jaarsalaris of de jaarsalaristoelage, hierna salaris genoemd, van de personeelsleden genoemd [in artikel V.41], wordt vastgesteld in een salarisschaal die bestaat uit :

1° een minimumsalaris;

2° salaristrappen die het resultaat zijn van periodieke salarisverhogingen;

3° een maximumsalaris.

Voor sommige ambten kan de salarisschaal vervangen worden door een vast bedrag.

Het minimumsalaris, de periodieke salarisverhogingen en het maximumsalaris worden uitgedrukt in een aantal munteenheden.

Het salaris, verhoogd met de eventuele haard- of standplaatstoelage, is nooit lager dan de gewaarborgde minimumbezoldiging.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt voor elk ambt de salarisschaal. Hierbij kan ze rekening houden met :

1° de aard van het ambt;

2° het onderwijsniveau;

3° de onderwijsvorm;

4° de graad;

5° het hoger beroepsonderwijs van kwalificatieniveau 5;

6° de cyclus of de opleidingsvorm waar het ambt wordt uitgeoefend;

7° de bekwaamheidsbewijzen die er toegang toe verlenen;

8° het te onderwijzen vak, de specialiteit, de opleiding of de module;

9° het aantal leerlingen in de school in het basisonderwijs waar het ambt van directeur wordt uitgeoefend;

10° het volgen van een opleiding.

Ze deelt de salarisschalen in en bepaalt hoe ze worden aangegeven.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden van overgang naar de trappen binnen eenzelfde salarisschaal, met inbegrip van de anciënniteitvoorwaarden.

Decr. 16-6-2017

Art. V.48.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het salaris van de personeelsleden wordt vastgesteld.

Bij het vaststellen van het salaris van een personeelslid kan, naast de salarisschaal, rekening worden gehouden met de andere activiteiten die het personeelslid uitoefent of heeft uitgeoefend, zowel in als buiten het onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop met deze elementen rekening wordt gehouden voor het vaststellen van het salaris van een personeelslid. Zij bepaalt eveneens de wijze waarop met het volume van de geleverde prestaties rekening wordt gehouden.

Art. V.49.

Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een ambt wordt elk salaris dat werd vastgesteld met inachtneming van dat ambt opnieuw vastgesteld volgens de nieuwe bezoldigingsregeling. Als het aldus opnieuw vastgestelde salaris lager is dan het salaris dat het personeelslid in zijn ambt genoot bij de inwerkingtreding van de wijziging, blijft het in dat ambt dit laatste salaris genieten totdat het een ten minste gelijk salaris krijgt, behoudens andersluidende meer gunstige bepalingen vastgesteld door de Vlaamse Regering.

Art. V.50.

§ 1. Het salaris wordt betaald na verloop van de termijn, met name op de laatste werkdag van de maand behalve de betaling van het salaris van de maand december die plaats heeft op de eerste werkdag van de maand januari van het volgende jaar. Dit geldt eveneens voor de toelagen alsook voor alle andere elementen van de bezoldiging die tezelfder tijd als het salaris worden betaald.

§ 2. Als een vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten personeelslid wordt gepensioneerd of overlijdt, wordt het volledige salaris voor de betrokken maand naar gelang van het geval, aan het personeelslid of aan zijn rechthebbenden betaald.

Art. V.51.

In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk krijgt een personeelslid dat tijdelijk een personeelslid genoemd in [artikel V.41] vervangt, slechts een salaris als de vervanging voldoet aan de specifieke voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.

Decr. 16-6-2017

Art. V.52.

Het salaris volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld of overeenkomstig elke bepaling die haar mocht wijzigen. Vanaf 1 januari 1994 wordt de koppeling aan de index van de consumptieprijzen vervangen door de koppeling aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

Art. V.53.

Het personeelslid heeft recht op een gewaarborgde minimumbezoldiging, een haard- of standplaatstoelage, een jaarlijks vakantiegeld en een eindejaarstoelage. De Vlaamse Regering bepaalt de ter zake geldende voorwaarden.

De Vlaamse Regering kan voor bijkomende prestaties, prestaties binnen een bepaalde geografische omschrijving, bijzondere bevoegdheden, het bezit van specifieke vaardigheden en het vergoeden van onkosten ook bij besluit andere toelagen, vergoedingen, bijwedden of bijslagen creëren. Ze bepaalt de categorieën van begunstigden, evenals de voorwaarden voor de toekenning ervan.

Art. V.54.

In afwachting dat de Vlaamse Regering in uitvoering van deze bepalingen een nieuwe bezoldigingsregeling vastlegt, blijven de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van toepassing die op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet gelden.

Tot de inwerkingtreding van de nieuwe bezoldigingsregeling is de Vlaamse Regering er toe gemachtigd de van kracht zijnde reglementaire bepalingen te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.

Hoofdstuk 2. Bezoldiging in bijbetrekking

Afdeling 1. Bijbetrekking op 30 juni 1998

Art. V.55.

§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die op 30 juni 1992 prestaties uitoefenden waarvoor zij bezoldigd werden op grond van de bepalingen van artikel 10, § 3 of § 5, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.

Dit artikel is echter niet van toepassing op de personeelsleden bedoeld in artikel 2, § 2, a), van hetzelfde besluit.

§ 2. De in § 1 bedoelde personeelsleden blijven voor de prestaties die op 30 juni 1998 nog werden beschouwd als bijbetrekking en waarvoor zij op dezelfde datum nog bezoldigd werden op grond van de bepalingen van artikel 10, § 3 of § 5 van voormeld koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 verder als dusdanig bezoldigd, ongeacht de inkomsten die zij verwerven uit activiteiten buiten het onderwijs.

§ 3. Het personeelslid bedoeld in §1, voor wie de bepalingen van artikel 10, § 3 of § 5, van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1982 niet meer gelden, kan vragen om, met ingang van 1 september 1998, zijn salaris of salaristoelage voor de prestaties die het uitoefende op 30 juni 1992 en waarmee het nog belast is op 1 september 1998, opnieuw vast te stellen volgens de voornoemde bepalingen.

Dit verzoek moet vóór 31 december 1998 bij aangetekend schrijven toegezonden worden aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde en meegedeeld worden aan het school- of centrumbestuur.

§ 4. De personeelsleden op wie de bepalingen van de § 2 en § 3 werden toegepast, kunnen vragen dat wordt onderzocht of ze, rekening gehouden met de inkomsten die zij verwerven uit activiteiten buiten het onderwijs, aanspraak kunnen maken op een bezoldiging als hoofdambt. Dit verzoek moet, samen met de vereiste documenten tot staving ervan, bij aangetekend schrijven toegezonden worden aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde en meegedeeld worden aan het schoolbestuur. Tijdens het onderzoek blijven de prestaties van het personeelslid verder als bijbetrekking bezoldigd.

Als uit het onderzoek blijkt dat het personeelslid aanspraak kan maken op een bezoldiging als hoofdambt wordt zijn salaris of salaristoelage vastgesteld volgens de principes van het hoofdambt.

Het personeelslid op wie het voorgaand lid is toegepast, kan niet meer opnieuw de toepassing bekomen van de bepalingen van artikel 10, § 3 of § 5, van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1982.

§ 5. Voor de toepassing van dit artikel gelden de bepalingen van artikel 10, § 6, van voormeld koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 niet.

Afdeling 2. Terbeschikkingstelling

Art. V.56.

§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die nà 7 augustus 1982 en vóór 1 september 1991 prestaties hebben uitgeoefend waarvoor ze bezoldigd werden op grond van de bepalingen van artikel 10, § 5, van het koninklijk besluit nummer 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.

§ 2. Het personeelslid, vermeld in §1, voor wie de bepalingen van artikel 10, § 5, van voormeld koninklijk besluit van 20 juli 1982 door een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking niet meer gelden, kan vragen om, met ingang van 1 september 1991, zijn voor die periode toegekende salaris of salaristoelage opnieuw vast te stellen volgens de voornoemde bepalingen en zonder rekening te houden met de voormelde onderbreking van de uitgeoefende prestaties. Dit verzoek moet medegedeeld worden aan de bevoegde diensten van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming.

Afdeling 3. Commissie beoordeling hoofdambt en bijambt

Art. V.57.

Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de verzoeken die, in de periode van 19 november 1976 tot 31 maart 1995 werden ingediend bij de commissie opgericht bij artikel 2 van de wet van 8 februari 1974 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 maart 1965, houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, beschouwd als zijnde ingediend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 oktober 1976 houdende samenstelling en de werking van de commissie opgericht bij artikel 2 van de wet van 8 februari 1974. De adviezen die in dezelfde periode door deze commissie over de bedoelde aanvragen werden uitgebracht, worden eveneens beschouwd als zijnde uitgebracht overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Afdeling 4. Combinatie hoger onderwijs en andere onderwijsniveaus

Art. V.58.

Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de salarissen en salaristoelagen die in de periode van 1 januari 1996 tot 31 augustus 1999 werden uitgekeerd aan de personeelsleden die tegelijkertijd een bezoldiging bekwamen voor een opdracht in het hoger onderwijs en voor een opdracht in het gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs of in het aanvullend secundair beroepsonderwijs of in het deeltijds kunstonderwijs of in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan of in de psycho-medisch-sociale centra, in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven, behoudens indien het betrokken personeelslid tewerkgesteld was in een niet-financierbare of niet-subsidieerbare betrekking.

Afdeling 5. Kunstonderwijs

Art. V.59.

§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, in het hoger kunstonderwijs effectief in dienst of titularis waren van een niet-uitsluitend ambt, zoals bepaald in artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, en eveneens effectief in dienst of titularis waren van een ambt in een ander(e) onderwijsniveau/vorm.

§ 2. In afwijking van de bestaande wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen inzake bezoldigingsregeling wordt het salaris of de salaristoelage toegekend aan de in § 1 bedoelde personeelsleden, voor hun opdrachten in de andere onderwijsniveaus/vormen, vastgesteld als volgt :

1. volgens de principes die de bezoldiging regelen van het hoofdambt in :

- het voormeld koninklijk besluit van 15 april 1958;

- het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan, afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur.

2. tot het bereiken van de maximumprestaties gesteld in artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, de prestaties in de instelling(en) voor hoger onderwijs en de andere onderwijsniveaus/vormen samen beschouwd.

Voor de berekening van het salaris of de salaristoelage worden de prestaties verstrekt in de hogeschool in de Vlaamse Gemeenschap steeds als eerste in aanmerking genomen, in voorkomend geval in afwijking van de bepalingen van :

- Titel III: hoofdambten met onvolledige prestaties van voormeld koninklijk besluit van 15 april 1958;

- Titel IV: ambten met onvolledige prestaties van voormeld koninklijk besluit van 10 maart 1965.

§ 3. Het salaris of de salaristoelage, vastgesteld zoals bepaald in § 2, wordt aan de betrokken personeelsleden toegekend ten persoonlijke titel. Ze blijven aldus bezoldigd zolang ze naast een opdracht in het hoger onderwijs effectief in dienst of titularis zijn van een ambt in een ander(e), ongeacht de wijzigingen die zich in de opdrachten in het hoger onderwijs of in de andere onderwijsniveaus/vormen voordoen.

§ 4. Dit artikel houdt op van toepassing te zijn zodra het betrokken personeelslid geen titularis meer is van één of meerdere ambten in het hoger onderwijs of in het één of meerdere andere onderwijsniveaus.

Hoofdstuk 3. Vervoerskosten

Art. V.60.

§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op :

1° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de personen tewerkgesteld als gesubsidieerde contractuelen in de onderwijsinstellingen en de centra voor leerlingenbegeleiding;

4° de contractuelen betaald ten laste van het departement Onderwijs, met uitzondering van deze van de centra voor basiseducatie;

5° de contractuelen, betaald met het werkingsbudget van de scholen, centra, internaten of tehuizen;

6° de personeelsleden van de Brusselse kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

§ 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de personeelsleden van de centra voor basiseducatie.

§ 3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van artikel V.62, voor wat betreft de vervoerskosten en fietsvergoedingen gemaakt vanaf het kalenderjaar 2015.

Art. V.61.

De personeelsleden, bedoeld in artikel V.60, hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk en op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever.

Art. V.62.

Onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering worden de door de werkgever gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen terugbetaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Art. V.63.

De tegemoetkomingen in de vervoerkosten van de personeelsleden bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerkosten van hun personeelsleden, worden uitbetaald op hetzelfde tijdstip als het voorschot op het werkingsbudget van het volgende schooljaar, voor zover de aanvraag tot terugbetaling niet aangetast is door bedrog en uiterlijk op 10 december na het schooljaar waarop de terugbetaling betrekking heeft, wordt ingediend bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Hoofdstuk 4. Terugvorderingen

Art. V.64.

Het in strijd met bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen toegekende salaris en daarmee gelijkgestelde vergoedingen aan personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, werkingsbudget en investeringsmiddelen kunnen worden teruggevorderd of in mindering gebracht op de aan het gemeenschapsonderwijs of zijn instellingen toegekend werkingsbudget, tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid.

Art. V.65.

Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan, zijn de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van twee jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, in de vorm zoals bepaald in artikel 16, § 2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, § 2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.

Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan wordt van de schoolbesturen of hun personeelsleden geen terugbetaling gevorderd van de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 25 euro niet overschrijdt.

De Vlaamse Regering kan het in het vorig lid vastgestelde bedrag wijzigen. Dit artikel is niet van toepassing op het hoger onderwijs.

Hoofdstuk 5. Diverse bepalingen

Afdeling 1. Contractuelen Departement Onderwijs en Vorming

Art. V.66.

§ 1. De Vlaamse Gemeenschap kan een jaarsalaris of jaarsalaristoelage uitbetalen voor bepaalde categorieën van personeelsleden van het onderwijs die zijn aangesteld via een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De Vlaamse Regering legt vast op welke personeelscategorieën deze bepaling van toepassing is.

§ 2. De basisbepalingen betreffende de geldelijke rechtspositie, vermeld in artikel V.41 tot en met V.54, zijn van toepassing op de personeelsleden bedoeld in § 1.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere betalingsvoorwaarden vastleggen.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de prestatieregeling, de vakantieregeling en de verlofregeling van de personeelsleden vermeld in paragraaf 1.

Afdeling 2. Toelage voor een opdracht bij het departement onderwijs

Art. V.67.

§ 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de personeelsleden die behoren tot het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of centra voor leerlingenbegeleiding en die als dusdanig een salaris of salaristoelage ontvangen van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

De personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, op wie door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde een beroep wordt gedaan om een opdracht uit te oefenen bij het Departement Onderwijs en Vorming in een tijdelijk project, bij de Dienst Beroepsopleiding, bij het tijdschrift Klasse of in een examencommissie, evenals de personeelsleden aan wie door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een verlof wegens bijzonder opdracht is verleend in het kader van een opdracht in de internationale school Ferney-Voltaire, bekomen voor de duur van hun opdracht een toelage, met dien verstande dat het jaarlijks bedrag als volgt wordt vastgesteld :

Personeelsleden houder van tenminste een diploma van een basisopleiding van twee cycli : 3.402,83 euro;

Andere : 2.381,98 euro.

§ 2. De toelage bedoeld in § 1 wordt maandelijks na vervallen termijn uitbetaald. De maandtoelage is gelijk aan 1/12 van het jaarlijks bedrag. Wanneer de maandtoelage niet volledig verschuldigd is, wordt zij uitbetaald in werkdagen, overeenkomstig de regeling bepaald in de salarisregeling van het personeel van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 3. De in § 1 en § 2 bepaalde toelagen worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel tot koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

§ 4. Inzake de toekenning van de vergoedingen voor reiskosten en de verlofregeling, zijn op deze personeelsleden de bepalingen van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming van toepassing.

Afdeling 3. Leraar steno dactylo

Art. V.68.

De leraar bijzondere vakken (steno-dactylografie), houder van het diploma van een hogere technische school van de eerste graad (secretariaat of handel), aangevuld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid of het getuigschrift van middelbaar technische normaalleergangen, wordt qua salarisschaal gelijkgesteld met de houder van het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs (secretariaat of handel), voorzover hij in dienst getreden is vóór 1 september 1989.

De leraar bijzondere vakken (tekenen, handenarbeid, plastische opvoeding), houder van het diploma van een hogere technische school van de eerste graad (tekenen, plastische opvoeding) of houder van het diploma van hoger onderwijs A7/A1, beide aangevuld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid of het getuigschrift van middelbaar technische normaalleergangen, wordt qua salarisschaal gelijkgesteld met de houder van het diploma van geagreggeerde voor het lager secundair onderwijs (plastische kunsten), voor zover hij in dienst getreden is vóór 1 september 1989.

Afdeling 4. Buitengewoon onderwijs

Art. V.69.

Het salaris of de salaristoelage die, op grond van maatregelen getroffen in uitvoering van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, tot en met 31 augustus 1990 werden uitgekeerd aan de personeelsleden die in het buitengewoon, kleuter-, lager en secundair onderwijs een wervings- of een bevorderingsambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel of een wervingsambt van de categorie van het paramedisch personeel hebben uitgeoefend, zijn in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven, behoudens indien het betrokken personeelslid, wat het gesubsidieerd onderwijs betreft, tewerkgesteld was in een niet-subsidieerbare betrekking.

Voor de personeelsleden die in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvormen 1, 2 en 3 een wervingsambt hebben uitgeoefend in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel zijn de bezoldigingen, die hun voor de inwerkingtreding van dit artikel werden uitgekeerd op basis van een hogere salarisschaal dan deze waarop zij aanspraak hadden in de voor 1 september 1990 geldende reglementering, niet meer terugvorderbaar.

Het salaris of de salaristoelage dat tot en met 31 augustus 1990 werd uitgekeerd aan de hierna vermelde personeelsleden zijn eveneens in hoofde van de betrokkenen definitief verworven :

1° de personeelsleden die werden aangesteld in een subsidieerbare betrekking, die op basis van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering niet in het bezit zijn van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en die hun bevoegdheid evenmin kunnen putten uit de maatregelen die werden getroffen in uitvoering van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, wanneer zij :

- hetzij het ambt van directeur uitoefenen in een gesubsidieerde school voor buitengewoon secundair onderwijs waarin naast een opleidingsvorm 4 met hoger secundair onderwijs, één of meer andere opleidingsvormen worden georganiseerd, en zij in het bezit zijn van het diploma van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs; zij bekomen de salarisschaal 348;

- hetzij het ambt van leraar beroepsgerichte vorming uitoefenen in opleidingsvorm 2 van een gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs en zij in het bezit zijn van het diploma van onderwijzer(es); zij bekomen de weddeschaal 384;

- hetzij het ambt van opvoeder-huismeester hebben uitgeoefend in een gesubsidieerde school voor buitengewoon secundair onderwijs en zij in het bezit zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van studiemeester-opvoeder. Zij worden geacht tevens in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van opvoeder-huismeester en bekomen de salarisschaal 125.

2° de personeelsleden die vóór 1 september 1974 fungeerden in een afdeling voor buitengewoon onderwijs verbonden aan een oefenschool, die er vastbenoemd waren en erkend, daar waar de erkenning bestaat, in het selectieambt van hetzij kleuteronderwijzeres aan een oefenschool voor kleuteronderwijzeressen, hetzij onderwijzer of leermeester bijzondere vakken aan een lagere oefenschool, hetzij leraar algemene of leraar bijzondere vakken aan een middelbare oefenschool, en die ten gevolge van het autonoom worden van de afdeling voor buitengewoon onderwijs belast werden met de uitoefening van het wervingsambt van respectievelijk kleuteronderwijzer, onderwijzer, leermeester bijzondere vakken, leraar algemene vakken of leraar bijzondere vakken; zij bekomen de salarisschaal verbonden aan het vóór 1 september 1974 uitgeoefende selectieambt. Dit voordeel inzake bezoldigingsregeling blijft vanaf 1 september 1980 ook verworven in hoofde van de voormelde personeelsleden die naar een andere instelling voor buitengewoon onderwijs zijn overgegaan in toepassing van de maatregelen getroffen in uitvoering van de artikelen 8, 9 en 10 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs.

De vaste benoemingen die in de ambten in het gesubsidieerd buitengewoon onderwijs werden gedaan door de schoolbesturen worden geacht te beantwoorden aan de geldende reglementering, op voorwaarde evenwel dat de betrokken personeelsleden voldoen aan de subsidiëringsvoorwaarden en dat zij benoemd werden mits eerbiediging van de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie.

De vaste benoemingen die in de ambten in het gesubsidieerd buitengewoon onderwijs werden erkend, daar waar de erkenning bestaat, worden geacht erkend te zijn met eerbiediging van de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 februari 1968 houdende erkenning van de definitieve benoeming van de personeelsleden der gesubsidieerde officiële en vrije inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, secundair en hoger onderwijs van het korte en lange type met volledig leerplan en van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben.

Afdeling 5. Bekrachtiging van uitvoeringsbesluiten

Art. V.70.

Artikel 2, 2° eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat heeft uitwerking met ingang van 1 september 1976.

Art. V.71.

Het ministerieel besluit van 23 september 1994 betreffende de terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht bij een Europese school wordt bekrachtigd.

Titel 3. Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking

Hoofdstuk 1. Definities

Art. V.72.

§ 1. Voor de toepassing van deze titel gelden de definities gegeven aan de begrippen "ambt" en "betrekking", voorkomend in de artikelen 3 en 5 van respectievelijk het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 2. Voor de toepassing van deze titel wordt onder het begrip "inrichtende macht" voor het Gemeenschapsonderwijs, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan de lokale raad en vanaf 1 januari 2000 de scholengroep. Bij ontstentenis van de lokale raad, en vanaf 1 januari 2000 de scholengroep, wordt onder begrip "inrichtende macht" verstaan de centrale raad en vanaf 1 januari 2000 de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.

Art. V.73.

Voor de toekenning van de salarisschalen wordt onder universitair diploma verstaan een wettelijk diploma van de academische graden van licentiaat, doctor, apotheker, ingenieur of geaggregeerde, of een wetenschappelijk diploma van dezelfde graden, uitgereikt door een Belgische universiteit of daarmee gelijkgestelde instelling door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling, door de Centrale Examencommissie of door een examencommissie van de Staat of van de Vlaamse Gemeenschap voor het universitair onderwijs indien de duur van de studiën tenminste vier jaar bedraagt ook wanneer een gedeelte van deze studiën niet in een van de bedoelde onderwijsinstellingen werd volbracht.

Met een universitair diploma worden gelijkgesteld de in overeenstemming met de buitenlandse regeling behaalde einddiploma's die, krachtens wederkerigheidsakkoorden, verdragen, internationale overeenkomsten of met toepassing van de procedure voor het verlenen van gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet of het decreet, gelijkwaardig worden verklaard met één van de in het eerste lid vermelde diploma's.

Hoofdstuk 2. Toepassingsgebied

Art. V.74.

§ 1. De Vlaamse Regering kan de bepalingen van deze titel binnen door haar bepaalde grenzen van toepassing verklaren op :

1° de personeelsleden, scholen, centra, internaten, tehuizen en besturen op wie de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs van toepassing zijn;

2° de personeelsleden, scholen, centra, internaten en tehuizen en besturen op wie de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding van toepassing zijn;

3° de personeelsleden op wie de bepalingen van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken van toepassing zijn.

§ 2. De in § 1 bedoelde regeling geldt alleen voor de personeelsleden die op het ogenblik van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking :

1° vast benoemd zijn;

2° de betrekking van het ambt waarin zij vast benoemd zijn uitoefenen :

- in het gemeenschapsonderwijs als hoofdambt of als bijbetrekking. In dit laatste geval zijn de bepalingen van toepassing van het koninklijk besluit nr. 68 van 20 juli 1982 tot regeling van de geldelijke toestand van de personeelsleden die in het Rijksonderwijs met een bijbetrekking belast zijn;

- in het gesubsidieerd onderwijs als hoofdambt;

3° op de vooravond van de te nemen maatregel een salaris of salaristoelage ten laste van de Vlaamse Gemeenschap genieten.

De vast benoemde personeelsleden die op regelmatige wijze in verlof of afwezig zijn of ter beschikking zijn gesteld om een andere reden dan de hier bedoelde ontstentenis van betrekking, worden voor de toepassing van deze regeling gelijkgesteld met de in het eerste lid bedoelde personen.

§ 3. De bij deze titel ingestelde regeling geldt niet voor de personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs tot de proeftijd zijn toegelaten in een selectie- of bevorderingsambt in toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

Art. V.75.

§ 1. De personeelsleden kunnen worden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking als gevolg van :

- de toepassing van de geldende normen;

- een wijziging in de schoolbevolking;

- een door de Vlaamse Gemeenschap of door een inrichtende macht genomen beslissing betreffende de organisatie van het onderwijs, van de onderwijsinspectie, van de school of centrum, internaat of tehuis;

- een terugzetting in rang van een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie-of bevorderingsambt;

- het vrijwillig afzien door een personeelslid van zijn vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt, overeenkomstig artikel 43ter van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

- het vrijwillig afzien door een personeelslid van zijn vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt, overeenkomstig artikel 53, a) van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

- de keuze van de directeur van een kleuterschool om onmiddellijk bij omvorming van een kleuterschool tot basisschool ter beschikking gesteld te worden in zijn ambt, of de beslissing van de inrichtende macht om dit personeelslid, na een proefperiode van één jaar, niet vast te benoemen in het ambt van directeur van de basisschool.

- een beslissing van de raad van bestuur in toepassing van artikel 73quinquies decies, § 2, of artikel 73sexies decies, § 2, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs;

- een beslissing van de inrichtende macht in toepassing van artikel 47quinquies decies, § 2, of artikel 47sexies decies, § 2, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

- een omvorming van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs van niveau 5 volgens artikel 161 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

- een inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 55vicies/4 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs;

- een inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44quinquies decies/4 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

- een nieuwe vaste benoeming in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 55vicies/6 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs;

- een nieuwe vaste benoeming in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44quinquies decies/6 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

§ 2. Een personeelslid dat getroffen is door een arbeidsongeval of een beroepsziekte en door de administratieve gezondheidsdienst ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen, moet op zijn verzoek door de inrichtende macht ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking met ingang van de eerste kalenderdag van de maand volgend op zijn verzoek, indien het personeelslid in toepassing van artikel 6, § 2, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector andere in de onderwijsregelgeving voorziene ambten kan vervullen.

In afwijking van de bestaande reglementering :

- krijgt het personeelslid tijdens de volledige duur van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking zijn volledig salaris volgens het ambt van benoeming;

- worden de periodes van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking zonder reaffectatie of wedertewerkstelling als ziekteverlof beschouwd en in aanmerking genomen voor het recht op bezoldigd verlof.

De betrekking van het personeelslid, vermeld in artikel V.74, § 1, 1° en 2°, wordt op het ogenblik van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking definitief vacant en komt in aanmerking voor een definitieve affectatie, een mutatie en een vaste benoeming. Dit geldt eveneens voor de betrekkingen van de personeelsleden die op het ogenblik van het van kracht worden van deze bepaling al ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking.

Een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking volgens de bepalingen van deze paragraaf wordt niet beschouwd als een nieuwe of bijkomende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking voor de toepassing van :

- de reglementering betreffende een overdracht van uren-leraar, lesuren, lestijden, leraarsuren of andere omkaderingsmiddelen;

- de reglementering betreffende een herverdeling van uren-leraar, lesuren, lestijden, leraarsuren of andere omkaderingsmiddelen door een inrichtende macht;

- artikel 23, tweede lid, 2°, en artikel 88, tweede lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 21, § 1, tweede lid, 2°, en artikel 62, tweede lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

§ 3. De terbeschikkingstelling wordt uitgesproken door de inrichtende macht overeenkomstig de door de Vlaamse Regering te bepalen regels en mits het vervuld zijn van de door de Vlaamse Regering vast te stellen voorwaarden.

§ 4. De terbeschikkingstelling kan worden uitgesproken wegens volledige of wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt wat dient te worden verstaan onder volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking.

§ 5. [...]

§ 6. Voor de personeelsleden die uiterlijk met ingang van 1 augustus 2012 op basis van een beslissing van definitief ongeschikt door de pensioencommissie of van een advies of beslissing van reïntegratie volgens de wetgeving inzake gezondheidstoezicht op de werknemers, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, en voor de personeelsleden die op basis van paragraaf 2 ter beschikking gesteld zijn of worden, blijven de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling ongewijzigd gelden zoals ze van kracht waren in het schooljaar 2011-2012.

§ 7. Voor de personeelsleden die tussen 1 augustus 2012 en 1 september 2014 op basis van een beslissing van definitief ongeschikt door de pensioencommissie of van een advies of beslissing van reïntegratie volgens de wetgeving inzake gezondheidstoezicht op de werknemers, ter beschikking gesteld werden wegens ontstentenis van betrekking, blijven de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling ongewijzigd gelden zoals ze van kracht waren in het schooljaar 2013-2014.

Decr. 16-6-2017

Art. V.76.

§ 1. De personeelsleden die ter beschikking gesteld worden wegens volledige ontstentenis van betrekking en die geen reaffectatie of wedertewerkstelling bekomen hebben, bekomen, op hun verzoek, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, naar gelang van het geval, een wachtgeld of een wachtgeldtoelage.

§ 2. De personeelsleden die ter beschikking gesteld worden wegens volledige ontstentenis van betrekking en die voor een gedeelte van of voor de gehele opdracht waarvoor ze ter beschikking gesteld zijn, een reaffectatie of wedertewerkstelling bekomen en aanvaard hebben, bekomen, op hun verzoek, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, naar gelang van het geval, een salaris of een salaristoelage.

§ 3. De personeelsleden die ter beschikking gesteld worden wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking bekomen, op hun verzoek, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, naar gelang van het geval, een salaris of een salaristoelage.

Art. V.77.

Een inrichtende macht is, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, ertoe gehouden bij wijze van reaffectatie, in hetzelfde ambt en wedertewerkstelling, in een ander ambt, een beroep te doen op personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking.

De Vlaamse Regering bepaalt per onderwijssector en rekening houdend met het uitgeoefend ambt, opleiding, module, vak of specialiteit en het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt wat onder "hetzelfde ambt" moet worden verstaan. Zij bepaalt eveneens wat op basis van dezelfde elementen moet worden verstaan onder "ander ambt".

Indien een personeelslid aangesteld of in dienst gehouden wordt in strijd met de door de Vlaamse Regering vast te stellen bepalingen wordt, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, in het gemeenschapsonderwijs aan het betrokken personeelslid geen salaris betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Indien een personeelslid aangesteld of in dienst gehouden wordt in strijd met de door de Vlaamse Regering vast te stellen bepalingen verliest, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding de betrokken inrichtende macht het voordeel van de salaristoelage voor dit personeelslid.

Art. V.78.

§ 1. Onverminderd de voordelen verleend in het kader van rationalisatie en programmatie, behoudt het terbeschikkinggestelde personeelslid dat, hetzij door een andere inrichtende macht, hetzij door dezelfde inrichtende macht in dienst genomen wordt, alle rechten verbonden aan zijn vaste benoeming bij de inrichtende macht die hem ter beschikking gesteld heeft, totdat hij opnieuw vastbenoemd titularis is bij de inrichtende macht die hem in dienst genomen heeft.

Het salaris of de salaristoelage, toegekend aan een terbeschikking gesteld personeelslid dat gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, mag niet lager zijn dan het wachtgeld, de wachtgeldtoelage, het salaris of de salaristoelage waarop het aanspraak zou kunnen maken indien het verder ter beschikking gesteld was gebleven wegens ontstentenis van betrekking.

§ 2. De personeelsleden op wie de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs van toepassing zijn, behouden daarenboven alle rechten verbonden aan de hun door de raad van bestuur, overeenkomstig artikel 39 van hetzelfde decreet toegewezen betrekking, totdat zij nieuwe affectatie hebben bekomen.

§ 3. De personeelsleden op wie de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding van toepassing zijn, behouden daarenboven alle rechten bij de instelling waaraan zij door de inrichtende macht geaffecteerd werden overeenkomstig artikel 31 van hetzelfde decreet, totdat zij een nieuwe affectatie hebben bekomen.

Art. V.79.

§ 1. Het personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking, is verplicht, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, de betrekking waarin het gereaffecteerd of wedertewerkgesteld wordt, te aanvaarden.

§ 2. Indien een personeelslid bedoeld in §1, zonder geldige reden de toegewezen betrekking niet op de door de Vlaamse Regering vast te stellen datum opneemt, verliest dit personeelslid het voordeel van de bepalingen inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt wat dient te worden verstaan onder geldige reden.

In afwijking van voorgaand lid, kan een personeelslid er echter toe gemachtigd worden een hem aangeboden betrekking te weigeren met behoud van het voordeel van de bepalingen van dit decreet en van de besluiten van de Vlaamse Regering getroffen ter uitvoering ervan, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden.

§ 3. De hierna vermelde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, blijven, in afwachting van reaffectatie en wedertewerkstelling, ten bedrage van het maximum aantal uren waarvoor zij ter beschikking gesteld zijn, beschikbaar voor het uitoefenen van pedagogische taken :

- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking, indien zij de voordelen genieten die werden toegekend in het kader van rationalisatie- en programmatiemaatregelen;

- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en een reaffectatie of wedertewerkstelling hebben aanvaard voor een gedeelte van de opdracht waarvoor zij werden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking;

- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking.

Zij blijven in de eerste plaats beschikbaar voor de directeur van de school, centrum, internaat, tehuis waarin zij voor hun terbeschikkingstelling waren tewerkgesteld of voor de inrichtende macht die hen heeft ter beschikking gesteld. Het uitoefenen van de pedagogische taken gebeurt pro rata van de prestaties waarvoor zij het voordeel van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking bekomen.

Indien de inrichtende macht geen beroep doet op het personeelslid dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking, moet zij schikkingen treffen om dit personeelslid de hierboven bedoelde taken te laten uitoefenen bij een andere inrichtende macht eveneens pro rata van de prestaties waarvoor hij dit voordeel geniet.

Indien de inrichtende macht deze verplichting niet nakomt, wordt het wachtgeld, de wachtgeldtoelagen, het salaris of de salaristoelagen van het betrokken personeelslid van haar teruggevorderd. In uitzonderlijke omstandigheden waarin het vervullen van pedagogische taken onmogelijk of niet wenselijk is, kan de Vlaamse Regering individuele afwijkingen verlenen op de bepalingen van deze paragraaf. Deze beslissingen moeten met redenen omkleed zijn.

§ 4. Elk personeelslid dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en dat niet kan gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden, kan onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden, zowel door de directeur of de inrichtende macht die het personeelslid ter beschikking heeft gesteld, als door een andere inrichtende macht, terug in dienst worden geroepen, op voorwaarde dat het personeelslid waarvan hij geheel of gedeeltelijk de prestaties overneemt, in dezelfde verhouding, met een andere opdracht in de school, centrum, internaat of tehuis wordt belast. De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat het totaal van de prestaties van de ten laste van de Vlaamse Gemeenschap bezoldigde personeelsleden verminderd wordt.

§ 5. Onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden behouden de personeelsleden het voordeel van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking indien zij een tewerkstelling aanvaarden in een dienst van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, in een andere openbare dienst, in een privaatrechtelijke instelling of onderneming.

Onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden behoudt een personeelslid eveneens het voordeel de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking als hij een professionaliseringstraject aanvaardt dat hem wordt aangereikt door zijn inrichtende macht. Bij het vastleggen van deze voorwaarden houdt de Vlaamse Regering minstens rekening met volgende criteria :

- de inrichtende macht biedt een personeelslid het professionaliseringstraject aan als het van mening is dat het terbeschikkinggestelde personeelslid niet over voldoende competenties beschikt voor verdere tewerkstelling;

- de inrichtende macht stelt dit professionaliseringstraject op in samenspraak met het personeelslid en legt alle afspraken schriftelijk vast;

- het professionaliseringstraject is beperkt in tijd met een duur van maximum twee schooljaren en beoogt een zo snel mogelijk weer inzetten van het personeelslid;

- tijdens de duur van het professionaliseringstraject behoudt het personeelslid zijn salaris onder de vorm van een wachtgeld of wachtgeldtoelage;

- als het personeelslid na succesvolle beëindiging van het professionaliseringstraject geen passende betrekking kan worden aangeboden, blijft hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking met behoud van zijn volledige wachtgeld of wachtgeldtoelage gedurende maximaal twee volledige schooljaren zoals bepaald in artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage; - als het personeelslid het professionaliseringstraject weigert of niet succesvol beëindigt, blijft hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking en wordt het wachtgeld van het personeelslid onmiddellijk afgebouwd. De periode van twee volledige schooljaren zoals bepaald in artikel 29, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage is dan niet van toepassing.

Art. V.80.

Voor de toepassing van deze titel en van de besluiten van de Vlaamse Regering tot uitvoering ervan kunnen door de Vlaamse Regering de hiernavolgende reaffectatiecommissies worden opgericht :

- reaffectatiecommissie per scholengemeenschap;

- zonale reaffectatiecommissies per niveau en per onderwijsnet, bevoegd voor de reaffectaties en wedertewerkstellingen in die zone;

- interprovinciale reaffectatiecommissies bevoegd voor de reaffectaties en wedertewerkstellingen in een onderwijsnet;

- een Vlaamse reaffectatiecommissie bestaande uit twee kamers: één bevoegd voor het gemeenschapsonderwijs en één bevoegd voor het gesubsidieerd onderwijs.

De reaffectatiecommissies zijn paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de representatieve verenigingen van de schoolbesturen enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds.

De Vlaamse Regering kan daarenboven ambtenaren en inspectieleden aanduiden om te zetelen in deze reaffectatiecommissies.

Tegen de beslissingen van deze reaffectatiecommissies kan bezwaar worden ingediend. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten inzake de bezwaarschriften en de nadere werking van de reaffectatiecommissies.

DEEL VI. INFORMATISERING VAN HET ONDERWIJS

Hoofdstuk 1. Toelageregeling

Art. VI.1.

De Vlaamse Regering kent voor de informatisering van het onderwijs jaarlijks een toelage toe aan :

1° de scholen voor gewoon- en buitengewoon basisonderwijs;

2° de scholen en centra voor voltijds secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs;

3° de scholen voor deeltijds kunstonderwijs;

4° de centra voor volwassenenonderwijs;

5° de centra voor basiseducatie.

Art. VI.2.

§ 1. De toelagen, bedoel in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe voorziene globale begrotingskrediet. De Vlaamse Regering bepaalt de toewijzing van dit krediet aan de verschillende onderwijsniveaus en -vormen en - in voorkomend geval - de verschillende onderverdelingen daarvan, rekening houdend met de verschillende noden inzake de aankoop of huur van hardware, software, randapparatuur, de kosten van een internetaansluiting en specifieke nascholing inzake het gebruik van ICT.

§ 2. De toelagen worden vastgesteld door het aantal regelmatige/financierbare leerlingen, lesurencursist of betoelaagde urencursist te vermenigvuldigen met een door de Vlaamse Regering bepaald bedrag.

Aan de ziekenhuisscholen wordt een forfaitair bedrag toegekend. Aan de centra voor basiseducatie wordt een forfaitair bedrag toegekend waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door het aantal lesurencursist.

Art. VI.3.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot :

1° de vaststelling van de toelagen, inzonderheid de datum waarop zij worden vastgesteld;

2° de toekenning van de toelagen;

3° de aanwending van de toelagen.

Zij houdt daarbij rekening met de actuele noden inzake informatisering.

Hoofdstuk 2. ICT-coördinatoren

Art. VI.4.

De Vlaamse Regering kent jaarlijks binnen het daartoe voorziene begrotingskrediet middelen toe voor ICT-coördinatie in het onderwijs.

Deze middelen bestaan uit :

1° werkingsbudget dat uitsluitend worden aangewend voor de logistieke en materiële ondersteuning van ICT-coördinatoren;

2° puntenenveloppes die uitsluitend worden aangewend voor personeelsomkadering inzake ICT-coördinatie.

Art. VI.5.

§ 1. De middelen worden toegekend aan iedere school voor gewoon - of buitengewoon basisonderwijs, aan iedere school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs en aan iedere school voor deeltijds kunstonderwijs. De scholen en centra kunnen de middelen alleen aanwenden als ze deel uit maken van :

1° een scholengemeenschap in het basis- of het secundair onderwijs, of

2° een scholengroep, of

3° een samenwerkingsplatform tussen :

a) een of meerdere scholengemeenschappen in het basis- of secundair onderwijs, en/of

b) een of meerdere scholengroepen, en/of

c) een of meerdere scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs, voorzover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het basisonderwijs, en/of

d) een of meerdere scholen voor gewoon secundair onderwijs, voorzover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs, en/of

e) een of meerdere scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, en/of f) een of meerdere centra voor volwassenenonderwijs en/of

g) een of meerdere scholen voor deeltijds kunstonderwijs.

De scholengemeenschap, de scholengroep, of het samenwerkingsplatform maakt afspraken over de aanwending van de middelen.

§ 2. Een overeenkomst houdende oprichting van een in § 1, 3°, bedoeld samenwerkingsplatform wordt vanaf 1 september 2005 afgesloten steeds voor de duur van zes schooljaren, met uitzondering van de overeenkomst die in werking treedt op 1 september 2011 en slechts geldt voor de duur van drie schooljaren.

Tijdens de betrokken periode kan deze overeenkomst worden gewijzigd ten gevolge van toepassing van artikel 125quinquies, § 3 of § 6, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, van artikel 51, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs, of van artikel 73 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Een wijziging van een overeenkomst treedt in werking op dezelfde datum waarop de wijziging in de scholengemeenschap in werking treedt.

De Vlaamse Regering kan het minimum aantal scholen of centra of leerlingen of lesurencursist bepalen dat bij een samenwerkingsplatform moet worden betrokken. Indien het samenwerkingsplatform een scholengemeenschap en/of een scholengroep omvat, kan van deze regeling worden afgeweken.

Het samenwerkingsplatform wordt door het school- of centrumbestuur in kwestie uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst gemeld aan het betrokken Agentschap van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Art. VI.6.

De middelen worden berekend door per school of centrum, het aantal regelmatige leerlingen/cursisten op de gebruikelijke teldatum, respectievelijk het aantal lesurencursist binnen de referteperiode, te vermenigvuldigen met een coëfficiënt en een wegingsfactor, bepaald door de Vlaamse Regering.

Art. VI.7.

§ 1. De punten van de enveloppe kunnen worden aangewend voor het oprichten van één of meer betrekkingen in ambten van het ondersteunend personeel, het beleids- en ondersteunend personeel, administratief personeel, opvoedend hulppersoneel, onderwijzend en/of bestuurspersoneel met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur en directeur, rekening houdend met wat volgt :

1° als in een school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel wordt opgericht, gebeurt dat volgens artikel 30 of artikel 31 van de Codex Secundair Onderwijs;

2° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op salarisschaal 200, 201, 202, 203, 122, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 31,5 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs, wordt per uur 1,5 punten in rekening gebracht;

3° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op salarisschaal 158, 106, 163, 164, 100, 208, 104, 123, 126, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs, wordt per uur 2,5 punten in rekening gebracht;

4° voor de betrekkingen die worden opgericht in een ambt van het onderwijzend personeel, het bestuurspersoneel of het beleids- en ondersteunend personeel, legt de Vlaamse Regering het aantal punten vast dat in rekening moet worden gebracht voor een personeelslid dat in dit ambt wordt aangesteld.

§ 2. Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in paragraaf 1, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :

1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het bestuur van de school of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikkinggestelde personeelslid;

2° het bestuur van de school of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

3° de betrekking kan niet worden vacant verklaard. Het school- of centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.

§ 3. In afwijking op de bepalingen van paragraaf 2, zijn voor de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs alle bepalingen van toepassing van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

Hoofdstuk 3. Eun partnership

Art. VI.8.

§ 1. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om toe te treden tot de internationale vzw Eun Partnership en bij te dragen tot de werking van de vereniging.

§ 2. De internationale vzw Eun Partnership heeft tot doel het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in scholen te ondersteunen en te promoten. Eun Partnership realiseert dat door de samenwerking tussen scholen in Europa aan te moedigen en door specifieke dienstverlening te verstrekken aan scholen en andere onderwijsactoren.

§ 3. Binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap uitgetrokken kredieten wordt aan voornoemde vzw een toelage verleend.

DEEL VII. DE COMMISSIE ZORGVULDIG BESTUUR

Hoofdstuk 1. Oprichting en samenstelling

Art. VII.1.

Bij het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt een onafhankelijke commissie ingesteld, "Commissie zorgvuldig bestuur" genaamd, verder genoemd "de Commissie".

Art. VII.2.

De Commissie bestaat uit een kamer voor het basisonderwijs en een kamer voor het secundair onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs, voorgezeten door één onafhankelijke persoon die aangesteld wordt door de Vlaamse Regering en bijgestaan door één ambtenaar van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, die fungeert als secretaris.

Iedere kamer omvat :

1° een lid dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek;

2° een deskundige op het gebied van de consumentenbescherming;

3° twee leden, vertrouwd met het onderwijsveld.

De Vlaamse Regering stelt de leden en hun plaatsvervangers aan en bepaalt de wijze waarop zij vergoed worden.

Art. VII.3.

De leden van de Commissie genieten de burgerlijke en politieke rechten en bieden alle waarborgen met het oog op de onafhankelijke uitoefening van hun opdracht.

Leden van het kabinet van een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering, afgevaardigden van het gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, van een school- of centrumbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd, kunnen geen deel uitmaken van de Commissie.

Art. VII.4.

De Commissie stelt binnen een maand na haar instelling haar reglement van orde op. Het wordt bekrachtigd door de Vlaamse Regering.

Hoofdstuk 2. Bevoegdheid

Art. VII.5.

De Commissie beslist over de gegrondheid van klachten van belanghebbenden inzake :

1° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de kosteloosheid van het onderwijs, de beginselen vermeld in artikel 27 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 35 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, en artikel 6, 6°, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding en de bijdrageregeling bedoeld in artikel 27bis en 27ter, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

2° de bepalingen van artikel 51 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van artikel 7 tot en met artikel 10 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, van artikel 14bis van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, van artikel II.48 tot en met II.52 van deze codificatie en van artikelen 120 tot en met 125 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

3° de niet-naleving van de bepalingen omtrent de bevoegdheden en de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikel 18 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad.

Wanneer zij oordeelt dat een klacht gegrond is, kan zij beslissen om :

1° een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget van de betrokken school of centrum, het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding of de betrokken school voor deeltijds kunstonderwijs op te leggen. De terugvordering of inhouding kan echter niet meer bedragen dan 10 procent van dat werkingsbudget en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn;

2° aan het betrokken Centrum voor Volwassenenonderwijs een financiële sanctie op te leggen overeenkomstig de bepalingen van artikel 118 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. Deze sanctie wordt slechts uitvoerbaar de dag nadat de termijn om beroep in te stellen bij de Vlaamse Regering verstreken is. Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie nodigt de Commissie het betrokken schoolbestuur of het betrokken bestuur uit om de bestreden rechtshandeling in te trekken of te herzien of in een passende genoegdoening te voorzien.

Art. VII.6.

De Commissie kan vragen van belanghebbenden behandelen over de aangelegenheden bedoeld in artikel VII.5, eerste lid.

Art. VII.7.

De beslissingen van de Commissie zijn met redenen omkleed. De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop zij openbaar worden gemaakt.

Hoofdstuk 3. Klachtenprocedure

Art. VII.8.

De klachten bedoeld in artikel VII.5 worden bij aangetekend schrijven bij de Commissie ingediend.

Klachten die na verloop van een termijn van zestig kalenderdagen na de vaststelling of de kennisname van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

Art. VII.9.

Zodra een klacht wordt ingediend, stelt de Commissie de betrokkenen daarvan schriftelijk in kennis.

Art. VII.10.

De Commissie hoort de betrokkenen. De Commissie kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkenen getuigen horen.

Art. VII.11.

De zittingen van de Commissie zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden.

Art. VII.12.

De Commissie beslist binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van de klacht.

De beslissing wordt uiterlijk de laatste dag van die termijn bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen. De Vlaamse Regering wordt onverwijld in kennis gesteld van de beslissing.

Art. VII.13.

De betrokkenen kunnen tegen een beslissing van de Commissie beroep instellen bij de Vlaamse Regering. Het beroep moet bij aangetekend schrijven worden ingediend binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van de beslissing.

Het beroep schorst van rechtswege de uitvoerbaarheid van de genomen beslissing.

Art. VII.14.

De Vlaamse Regering doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat door een betrokkene werd ingesteld tegen een beslissing van de Commissie.

De Vlaamse Regering kan de beslissing van de Commissie wegens schending van de wet of het decreet of strijdigheid met het algemeen belang bevestigen, wijzigen of vernietigen, in welk geval zij een nieuwe beslissing kan nemen.

De Vlaamse Regering spreekt zich uit over een beroep binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van het beroep.

De beslissing van de Vlaamse Regering wordt uiterlijk de laatste dag van de in het vorige lid bedoelde termijn bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen.

Art. VII.15.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de ontvankelijkheid en procedure. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

DEEL VIII. LOKAAL OVERLEGPLATFORM EN DE COMMISSIE INZAKE LEERLINGENRECHTEN

Hoofdstuk 1. Lokaal overlegplatform

Afdeling 1. Definities

Art. VIII.1.

Voor de toepassing van dit deel VIII wordt verstaan onder :

1° anderstalige nieuwkomer: de leerling bedoeld in artikel 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs, respectievelijk artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 betreffende de organisatie van een onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers in het voltijds secundair onderwijs;

2° integratiesector: de centra en de diensten bedoeld in het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaams integratie- en inburgeringsbeleid;

3° leefeenheid: leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of ouders en leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;

4° leerling: elke onderwijszoekende die voldoet aan de bij of krachtens wet of decreet bepaalde toelatingsvoorwaarden of overeenkomstig artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs als vrije leerling wordt beschouwd;

5° onthaalbureau: de rechtspersoon die aangeduid wordt voor het realiseren van inburgeringstrajecten in het kader van het Vlaamse inburgeringsbeleid;

6° onthaaljaar: het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers bedoeld in artikel 135 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs;

7° relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied: de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van deze gelijke kansenindicatoren zoals bepaald in artikel 139bis, § 1, van het decreet basisonderwijs en artikel 225, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform, binnen een deelgebied van het werkingsgebied of binnen een gemeente indien er geen lokaal overlegplatform is.

De Vlaamse Regering berekent de procentuele verhouding op basis van de beschikbare cijfergegevens afkomstig van een driejaarlijkse centraal georganiseerde telling op de eerste schooldag van februari, tenzij het lokaal overlegplatform beslist om tussentijds op de eerste schooldag van februari te hertellen;

8° school: een pedagogisch geheel, waar onderwijs georganiseerd wordt en dat onder leiding staat van één directeur. Onder school en school voor gewoon secundair onderwijs wordt ook een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat betreft de opleiding in de leertijd ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen.

Afdeling 2. Oprichting en samenstelling

Art. VIII.2.

Voor de toepassing van de regelgeving inzake inschrijving van leerlingen, zoals bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3 van het Decreet basisonderwijs en in deel III, titel 2, hoofdstuk 1/1 en 1/2 van de Codex Secundair Onderwijs, worden lokale overlegplatforms voor het basisonderwijs en lokale overlegplatforms voor het secundair onderwijs opgericht.

Art. VIII.3.

§ 1. Het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform stemt in beginsel overeen met het grondgebied van een gemeente. De Vlaamse Regering kan dit werkingsgebied beperken tot het grondgebied van de op basis van artikel 41 van de Grondwet opgerichte binnengemeentelijke territoriale organen of uitbreiden tot het grondgebied van verschillende aangrenzende gemeenten. Een wijkgerichte werking van het lokaal overlegplatform leidt niet tot het oprichten van een lokaal overlegplatform op wijkniveau.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de gemeenten of regio's waar bij prioriteit een lokaal overlegplatform moet worden opgericht.

Voor de toepassing van de regelgeving inzake gelijke onderwijskansen kunnen eveneens lokale overlegplatforms worden ingericht in andere dan de in het eerste lid bedoelde gemeenten of regio's, voor zover zij aan alle voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen.

Art. VIII.4.

§ 1. Een lokaal overlegplatform omvat alle ondergenoemde participanten die in het werkingsgebied aanwezig zijn en zich aanmelden :

1° de directies en schoolbesturen van alle in het werkingsgebied gelegen scholen;

2° directies en schoolbesturen van de niet in het werkingsgebied gelegen scholen voor buitengewoon onderwijs wanneer tussen deze scholen en de in het werkingsgebied gelegen scholen frequent leerlingenstromen bestaan;

3° de directies en schoolbesturen van de centra voor leerlingenbegeleiding die de in het werkingsgebied gelegen scholen begeleiden;

4° een vertegenwoordiger van elke representatieve vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van de in het werkingsgebied gelegen scholen behartigt;

5° twee vertegenwoordigers van erkende ouderverenigingen;

6° twee vertegenwoordigers van leerlingenraden, indien het gaat om lokale overlegplatforms voor het secundair onderwijs;

7° ten hoogste tien vertegenwoordigers van lokale socio-culturele en/of -economische partners;

8° twee vertegenwoordigers van organisaties van etnisch-culturele minderheden;

9° twee vertegenwoordigers van een vereniging waar armen het woord nemen;

10° een vertegenwoordiger van de integratiesector. Wanneer in het werkingsgebied zowel een integratiecentrum als een integratiedienst werkzaam zijn, wordt vanuit beide organisaties in een vertegenwoordiger voorzien;

11° een vertegenwoordiger van elk van de in het werkingsgebied gelegen onthaalbureaus;

12° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk.

De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 10°, bedoelde participanten.

De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9°, 10° en 11°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 7° en 12°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in §3 bedoelde deskundige.

§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.

§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.

De deskundige kan niet worden aangesteld als voorzitter.

§ 4. Een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen - in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie - dient het lokaal overlegplatform van advies over gemeentelijke aangelegenheden die een nauwe band vertonen met de in artikel VIII.5, eerste lid, bedoelde bevoegdheden. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.

§ 5. De schoolbesturen zoals bedoeld in artikel VIII.4, § 1, 1°, 2° en 3°, kunnen zich respectievelijk laten vertegenwoordigen door een directie van de school van het eigen schoolbestuur of door een directie van een centrum voor leerlingenbegeleiding van het eigen schoolbestuur.

Afdeling 3. Bevoegdheid

Art. VIII.5.

Een lokaal overlegplatform heeft volgende opdrachten :

1° het opmaken van een omgevingsanalyse inzake ongelijke onderwijskansen binnen het werkingsgebied. De participanten van het lokaal overleg leveren daartoe de noodzakelijke kwantitatieve en kwalitatieve gegevens;

2° het maken van afspraken inzake het nastreven van de doelstellingen inzake gelijke kansen;

3° het maken van afspraken inzake de opvang, het aanbod en de toeleiding van leerlingen naar het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers en de opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers in het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs;

4° het herberekenen van de relatieve aanwezigheid van leerlingen die beantwoorden aan ten minste één van de in artikel 37septies, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/7, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs, bedoelde gelijke kansenindicatoren in het werkingsgebied en het opdelen van het werkingsgebied in deelgebieden;

5° het maken van afspraken inzake de uitoefening van de bemiddelingsbevoegdheid;

6° het maken van afspraken over het hanteren van gezamenlijke inschrijvingsperiodes;

7° het maken van afspraken over de toepassing van de voorrangsregels zoals bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 3, onderafdeling B, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en hoofdstuk 1/1, afdeling 2, van de Codex Secundair Onderwijs inzonderheid afspraken over het effectief voorzien in de scholen betrokken bij het lokaal overlegplatform van een voorrangsrecht voor leerlingen die beantwoorden aan de gelijke kansenindicatoren zoals bepaald in 37septies, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/7, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs;

8° het maken van afspraken over de communicatie over het inschrijvingsbeleid van de scholen;

9° het vastleggen van de criteria en de procedures volgens dewelke scholen voor secundair onderwijs de inschrijving van een elders definitief uitgesloten leerling kunnen weigeren zoals bepaald in artikel 110/10, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs;

10° het ontwikkelen van instrumenten om dubbele inschrijvingen te voorkomen;

11° maakt afspraken over het verhogen van de kleuterparticipatie;

12° het uitwerken van aanvullende bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal.

Een lokaal overlegplatform kan beslissen om bijkomende opdrachten op te nemen.

De Vlaamse Regering kan bijkomende opdrachten toewijzen aan de lokale overlegplatforms.

Afdeling 4. Werking

Art. VIII.6.

De werking van een lokaal overlegplatform wordt geregeld in een bij consensus tot stand gekomen huishoudelijk reglement dat :

1° voorziet in de oprichting van een orgaan dat de besprekingen en beslissingen van het lokaal overlegplatform voorbereidt en dat gemachtigd kan worden de bevoegdheden van het lokaal overlegplatform uit te oefenen. Het huishoudelijk reglement bepaalt op welke wijze de verschillende participanten in dit orgaan worden vertegenwoordigd;

2° voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde minimale eisen. De Vlaamse Regering waakt erover dat de administratieve planlast voor de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding niet wordt verzwaard.

Hoofdstuk 2. Commissie inzake leerlingenrechten

Afdeling 1. Oprichting en samenstelling

Art. VIII.7.

Bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten wordt een onafhankelijke commissie ingesteld, "Commissie inzake leerlingenrechten" genaamd, verder genoemd "de Commissie".

Art. VIII.8.

§ 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en zes leden en wordt bijgestaan door een ambtenaar van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, die fungeert als secretaris.

De voorzitter is een jurist.

Twee leden zijn vertrouwd met de onderwijsregelgeving en het ruime onderwijsveld.

Twee leden hebben een bijzondere kennis of verdienste op het vlak van de kinderrechtenbescherming.

Twee leden zijn vertrouwd met het grondwettelijk en administratief recht.

§ 2. De leden van de Commissie genieten de burgerlijke en politieke rechten en bieden alle waarborgen met het oog op een onafhankelijke uitoefening van hun opdracht.

Het lidmaatschap van de Commissie is onverenigbaar met :

1° het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een regering, een bestendige deputatie, of de hoedanigheid van burgemeester;

2° de hoedanigheid van personeelslid van het onderwijs of van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

3° afgevaardigden van het gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs, van een school- of centrumbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

4° de hoedanigheid van personeelslid van de pedagogische begeleidingsdiensten;

5° de hoedanigheid van verantwoordelijk leider, vast gevolmachtigde of vast afgevaardigde van een vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van het onderwijs behartigt;

6° de hoedanigheid van personeelslid van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap.

7° de functie van kabinetslid bij een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering;

8° lidmaatschap van de Vlaamse Bemiddelingscommissie.

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de leden en hun plaatsvervangers aan en bepaalt de wijze waarop zij vergoed worden.

§ 4. Wanneer de Commissie ten gronde adviseert en oordeelt naar recht over klachten die betrekking hebben op de toepassing van artikel 37undecies, § 2 en § 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11, § 2 en § 3 van de Codex Secundair Onderwijs dan wordt de samenstelling van de Commissie, in afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, uitgebreid met leden met expertise op het gebied van de praktische realisatie van redelijke aanpassingen. Daarbij wordt, in afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, in elk geval de betrokkenheid verzekerd van personen met een handicap of een organisatie die hen vertegenwoordigt, van een personeelsvertegenwoordiging en een vertegenwoordiging van de onderwijsverstrekkers. Deze leden zetelen met een raadgevend mandaat.

Afdeling 2. Bevoegdheid

Art. VIII.9.

De Commissie adviseert en oordeelt naar recht inzake het recht op inschrijving, overeenkomstig de bepalingen van artikel 37quater decies en artikel 37sedecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/14 en 110/16 van de Codex Secundair Onderwijs. Tegen een uitspraak van de Commissie staat geen beroep open bij de Vlaamse Regering.

Art. VIII.10.

De Commissie toetst een voorstel van aanmeldingsprocedure aan de uitgangspunten van de bepalingen inzake gelijke onderwijskansen, en de bepalingen inzake de aanmeldingsprocedures en het inschrijvingsrecht, als vermeld in afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk IV van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en deel III, titel 2, hoofdstukken 1/1 en 1/2, van de Codex Secundair Onderwijs.

Afdeling 3. Werking

Art. VIII.11.

De Commissie stelt binnen een maand na haar instelling haar reglement van orde op. Zij garandeert daarbij de hoorplicht. Het reglement wordt bekrachtigd door de Vlaamse Regering.

Art. VIII.12.

De zittingen van de Commissie zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

DEEL IX. INVESTERINGEN IN ONROERENDE GOEDEREN

Hoofdstuk 1. Verdeling van de middelen bestemd voor onroerende investeringen

Art. IX.1.

§ 1. De jaarlijks in het decreet houdende de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vastgelegde middelen bestemd voor investeringen in onroerend goed in het onderwijs worden over het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gemeenschapsonderwijs verdeeld naar rato van de vervangingswaarde van de schoolgebouwen van elk hiervoor vermeld onderwijsnet. Hierbij wordt rekening gehouden met een dekkingsgraad van 100% in het gemeenschapsonderwijs. In het gesubsidieerd onderwijs is deze dekkingsgraad 70% in het basisonderwijs en in de overige onderwijsniveaus en de centra voor leerlingenbegeleiding 60%.

§ 2. Hiertoe wordt per onderwijsnet de vervangingswaarde van de schoolgebouwen vastgesteld op basis van de volgende berekeningswijze :

benodigde oppervlakte x eenheidsprijs de afschrijvingstermijn

Per onderwijsnet is de benodigde oppervlakte gelijk aan de som van de producten van de gemiddelde oppervlakte per onderwijsniveau en het aantal leerlingen in het overeenkomstig onderwijsniveau.

Deze gemiddelde oppervlakte per onderwijsniveau wordt berekend op basis van een voor alle onderwijsnetten gelijke oppervlakte per leerling, rekening houdend met de objectieve verschillen inzake schoolgrootte.

§ 3. Overeenkomstig de in § 2 bedoelde formule wordt de waarde van de parameters telkens voor een periode van vijf jaar vastgelegd. De eenheidsprijs per vierkante meter namelijk 641,42 euro en de afschrijvingsperiode, die 50 jaar bedraagt, zijn voor alle onderwijsnetten en onderwijsniveaus gelijk.

Hoofdstuk 2. Middelen voor infrastructuurwerken vanaf 2005

Art. IX.2.

In de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden voor het jaar 2005 de volgende vastleggingsmachtigingen toegekend :

1° aan het Gemeenschapsonderwijs, een bedrag van 31.247.603 euro voor grote en kleine infrastructuurwerken voor het vervullen van de opdrachten, bedoeld in artikelen 23 en 26 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs en artikel 13, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

2° aan Agion, een bedrag van 20.740.299 euro voor het gesubsidieerd officieel onderwijs met uitzondering van de publiekrechtelijke hogescholen en een bedrag van 87.092.343 euro voor het gesubsidieerd vrij onderwijs met uitzondering van de gesubsidieerde vrije hogescholen voor het vervullen van de opdrachten, bedoeld in artikelen 13, § 2, en 17, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

3° vanaf het begrotingsjaar 2006 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.

Art. IX.3.

In de begroting van de Vlaamse Gemeenschap worden jaarlijks de nodige ordonnanceringskredieten ingeschreven om de verbintenissen na te komen, die door het Gemeenschapsonderwijs en Agion aangegaan werden op basis van de in het vorig artikel vermelde vastleggingsmachtigingen.

Dit ordonnanceringskrediet wordt, binnen de beschikbare middelen van de Vlaamse Gemeenschap, vastgesteld aan de hand van de door het Gemeenschapsonderwijs en Agion opgemaakte betalingskalender.

Hoofdstuk 3. Eigenaarsonderhoud

Art. IX.4.

Teneinde het Gemeenschapsonderwijs in staat te stellen zelf in het eigenaarsonderhoud van zijn gebouwen te voorzien, wordt jaarlijks een krediet van 7.809.000 euro in de dotatie van het Gemeenschapsonderwijs ingeschreven. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt dit bedrag aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. Het krediet wordt onder de schoolraden, raden van bestuur en bij ontstentenis hiervan de scholen of centra, verdeeld volgens objectieve, door het Gemeenschapsonderwijs te bepalen, criteria.

Art. IX.5.

De centrale raad, de lokale schoolraden, de raden van bestuur en, bij ontstentenis hiervan, de scholen of centra van het gemeenschapsonderwijs alsmede de schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs kunnen voor de aanschaf van uitrustingsapparatuur leningsovereenkomsten en leasingsovereenkomsten aangaan bij de door de Vlaamse Regering daartoe erkende financiële instellingen.

DEEL X. ORGANISATIE GEMEENSCHAPSONDERWIJS

Hoofdstuk 1. Personeel

Art. X.1.

§ 1. De vastbenoemde, stagedoende en contractuele personeelsleden die op 31 maart 1999 in dienst zijn van de administratieve diensten van de ARGO, worden overgedragen aan de in artikel 3 van het bijzonder decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 bedoelde instelling.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de datum en de nadere regelen voor de overdracht van de personeelsleden bedoeld in § 1. De overdracht van deze personeelsleden geschiedt ten minste met hun graad of met een gelijkwaardige graad. Zij behouden ten minste de bezoldiging, de administratieve en geldelijke anciënniteit, de reglementaire toelagen en vergoedingen en de hoedanigheid die zij hadden.

§ 3. Zolang de Vlaamse Regering geen uitvoering heeft gegeven aan artikel 67, § 2, van het bijzonder decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998, blijven de naar de nieuwe instelling overgedragen personeelsleden, alsook de door de nieuwe instelling aangeworven personeelsleden, onderworpen aan de rechtspositieregeling van de personeelsleden van de administratieve diensten van de ARGO.

Aan de Vlaamse Regering wordt de bevoegdheid toegewezen voor het bepalen van de rechtspositieregeling van de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs.

§ 4. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt gemachtigd, wat het personeel van zijn administratieve diensten betreft, deel te nemen aan de pensioenregeling ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.

Hoofdstuk 2. Onroerende goederen

Art. X.2.

De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in artikel 5, § 4, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs - tot 31 december 2002 : de centrale raad bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad van het Gemeenschapsonderwijs - kan, overeenkomstig de wetgeving betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en na machtiging van de Vlaamse Regering, in eigen naam en voor eigen rekening onroerende goederen onteigenen die nodig zijn voor de verwezenlijking van haar opdracht.

Art. X.3.

§ 1. De onroerende goederen die eigendom zijn van het Gemeenschapsonderwijs hebben onderwijsbestemming en behoren tot het openbaar domein.

§ 2. De bepalingen van § 1, doen op geen enkele wijze afbreuk aan het recht van het Gemeenschapsonderwijs om overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs :

1° zijn onroerende goederen te beheren en inzonderheid te desaffecteren; en

2° over deze goederen te beschikken.

De opbrengsten die verbonden zijn aan de in het eerste lid genoemde daden van beheer of beschikking worden aangewend overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

DEEL XI. BEPALINGEN INZAKE CODIFICATIE VAN ONDERWIJSREGELGEVING

Art. XI.1.

De Vlaamse Regering kan de bepalingen van volgende decreten coördineren, met inachtneming van de wijzigingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie :

1° het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;

2° de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

2°bis het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs wordt berekend;

3° de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;

4° de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;

5° de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen;

5°bis het koninklijk besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs;

5°ter het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;

5°quater het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten; 5°quinquies het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs;

5°quinquies/1 het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;

5°sexies het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

5°sexies/1 het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;

6° het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;

7° het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Vlaamse Autonome Hogescholen;

8° het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs;

9° het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen;

10° het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

11° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

12° het decreet van 7 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

13° het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap;

14° het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen;

15° het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;

16° het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;

17° het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

18° het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;

19° het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

20° het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;

21° het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing;

22° het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;

22°bis het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs;

23° het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

24° het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII;

25° het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool;

26° het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

27° het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX;

28° het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

29° het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs;

30° het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs X;

31° het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;

32° het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;

33° het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor;

33°bis het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;

34° het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

35° het decreet van 20 april 2001 houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs;

36° het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;

36°bis het decreet van 22 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I;

36°ter het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;

36°quater, de decretale bepalingen uit het besluit van de Vlaamse Regering van 6 december 2002 betreffende de organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3;

37° het decreet betreffende het onderwijs XIV;

38° het decreet betreffende het onderwijs XV;

[38° bis het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs;]

39° het decreet betreffende het onderwijs XVI;

[39° bis het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur;]

40° het decreet betreffende het onderwijs XVII;

41° het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs;

[41° bis het decreet van 7 december 2007 betreffende energieprestaties in scholen;]

42° het decreet betreffende het onderwijs XVIII;

42°bis. het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding;

43° het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft; 44° het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;

44°bis het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

45° het decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX;

46° het decreet betreffende het onderwijs XX;

47° het decreet betreffende het onderwijs XXI;

48° het decreet betreffende het onderwijs XXII;

49° het decreet betreffende het onderwijs XXIII;

50° het decreet betreffende het onderwijs XXIV;

51° het decreet betreffende het onderwijs XXV;

52° het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;

53° het decreet betreffende het onderwijs XXVI;

[54° het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;

55° het decreet van 25 november 2016 betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten;

56° het decreet betreffende het onderwijs XXVII.]

Te dien einde kan de Vlaamse Regering :

1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;

2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;

3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde eenheid in de terminologie te brengen, de bepalingen onderling te doen overeenstemmen en ze in overeenstemming te brengen met de actuele stand van de regelgeving, inzonderheid door de afstemming inzake begrippenkader;

4° in de bepalingen die niet in de coördinatie worden opgenomen, de verwijzingen naar de gecoördineerde bepalingen aanpassen.

Decr. 16-6-2017

DEEL XII. AANPASSINGEN VAN DE VERWIJZINGEN NAAR ARTIKELEN OPGENOMEN IN DE CODIFICATIE.

Art. XII.1.

In de hierna vermelde wetten, decreten, koninklijke besluiten, en besluiten van de Vlaamse Regering worden de verwijzingen naar artikelen die opgenomen zijn in de Codificatie betreffende sommige bepalingen voor het onderwijs, aangepast door schrappingen door te voeren of een verwijzing op te nemen naar een artikel uit de codificatie :

1° In artikel 6 van de wet van 30/7/1963 houdende taalregeling in het onderwijs worden ...

2° In artikel 2 van de wet van 15/7/1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer, wordt ...

3° In artikel 2 van de Bijlage van de wet van 15/7/1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer, wordt ...

4° In artikel 2 van de wet van 15/7/1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer wordt ...

5° In artikel 4 van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt § 2 opgeheven;

6° In artikel 5 van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

7° In artikel 6, § 5, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt ...

8° In artikel 19, § 1, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt ...

9° In artikel 33, § 1, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt ...

10° In artikel 39bis, § 4, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt het punt h) vervangen door wat volgt : ...

11° In artikel 44quinquies decies van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van het personeel van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, wordt ...

12° In artikel 51quater, § 2, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt ...

13° In artikel 74bis/1, § 1, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

14° In artikel 84quinquies decies van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding wordt ...

15° In artikel 3 van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

16° In artikel 4, § 3, 3°, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

17° In artikel 4, § 5, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

18° In artikel 28, § 1, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

19° In artikel 42bis, § 4, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt het punt h) vervangen door wat volgt : ...

20° In artikel 56, § 1, 2°, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

21° In artikel 56, § 1, 3°, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

22° In artikel 77quater, § 2, 3°, van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

23° In artikel 103septies van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

24° In artikel 103decies van het decreet van 27/3/1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt ...

25° In artikel 25 en in artikel 31 van het decreet van 1/12/1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, wordt ...

26° In artikel 27ter en in artikel 52 van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

27° In artikel 27quater van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

28° In artikel 34, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

29° In artikel 37 in de § 2, 3°, en in de § 3, 9°, van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

30° In artikel 37vicies semel van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

31° In het artikel 68 van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 worden ...

32° In het artikel 74 van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

33° In artikel 153sexies, § 5 van het decreet basisonderwijs van 25/2/1997 wordt ...

34° In artikel 2 van het decreet van 30/4/2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid worden de punten 11° en 13° vervangen door wat volgt : ...

35° In artikel 2, 3° van het decreet van 30/11/2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau, wordt ...

36° In artikel 2, 6°, van het decreet van 30/11/2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau, wordt ...

37° In artikel 2 van het decreet van 6/6/2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding wordt het punt 7° vervangen door, wat volgt : ...

38° In artikel 11, 3°, van het decreet van 10/7/2008 betreffende het stelsel van leren en werken, wordt ...

39° In artikel 37 van het decreet van 10/7/2008 betreffende het stelsel van leren en werken, wordt ...

40° In artikel 2, 7°, van het decreet van 8/5/2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wordt ...

41° In artikel 41, § 5, a), van het decreet van 8/5/2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wordt ...

42° In artikel 153, van het decreet van 8/5/2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wordt ...

43° In artikel 16, § 1, A, x, van het koninklijk besluit van 15/4/58 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt ...

44° In artikel 16, § 1, B, e, van het koninklijk besluit van 15/4/58 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt ...

45° In artikel 16, § 1, B, i, van het koninklijk besluit van 15/4/58 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt ...

46° In artikel 16, § 1, B, n, van het koninklijk besluit van 15/4/58 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs wordt ...

47° In het koninklijk besluit van 14/3/1960 houdende toepassing van artikel 4 van de wet van 29 mei 1959, wordt ...

48° In artikel 1 van het koninklijk besluit van 14/4/1977 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, van de gesubsidieerde personeelsleden wordt ...

49° In artikel 1 van het koninklijk besluit van 16/12/1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs wordt ...

50° In artikel 2 van het koninklijk besluit van 16/12/1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs wordt ...

51° In artikel 4 van het koninklijk besluit van 16/4/1985 tot vaststelling van de sancties bedoeld in artikel 9 van de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer wordt ...

52° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26/4/1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, worden de punten 3° tot en met 6° vervangen door de punten 3° en 4° die luiden als volgt : ...

53° In artikel 13ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/6/1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs, worden ...

54° In artikel 45, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting Beeldende kunst, wordt ...

55° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 betreffende de procedure en de modaliteiten inzake de lokale autonomie en inspraakregeling in de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijsinstellingen wordt het punt a) opgeheven;

56° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 tot vaststelling en indeling van de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt: ...

57° In artikel 40, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting Beeldende kunst, wordt ...

58° In artikel 1 en in artikel 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van bepaalde bekwaamheidsbewijzen van godsdienstige of ideologische aard met de vereiste of de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen, wordt ...

59° In artikel 48, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", Woordkunst en "Dans", wordt ...

60° In artikel 54 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31/7/1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen "Muziek", Woordkunst en "Dans", wordt ...

61° De titel van het besluit van de Vlaamse Regering van 7/11/1990 tot uitvoering van artikel 191 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt vervangen door de volgende titel : ...

62° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/12/1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, worden de punten 5°, 6°, 7°, 8° vervangen door de punten 5°, 6°, die luiden als volgt : ...

63° In artikel 2, 4°, 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7/9/1994 tot regeling van de procedure voor de projecten van het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek wordt ...

64° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/7/1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding, worden de punten 3°, 4°, 5°, 6°, vervangen door de punten 3°, 4°, die luiden als volgt : ...

65° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3/6/1997 betreffende de toekenning van een vergoeding voor begrafeniskosten in geval van overlijden van personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

66° In artikel 26quater van het besluit van de Vlaamse Regering van 17/6/1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs, wordt ...

67° In de titel en in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13/4/1999 tot vaststelling van het puntengewicht voor het secundair onderwijs en de internaten, bedoeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt ...

68° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, worden de punten 1°, 3°,4°, 6°,7°, vervangen door wat volgt : ...

69° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, wordt ...

70° In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, wordt ...

71° In artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, wordt ...

72° In artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, wordt ...

73° In artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, worden ...

74° In artikel 13, 12° en in 14, 2° van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, worden ...

75° In artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28/6/2002 betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen, wordt ...

76° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6/9/2002 betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs, wordt ...

77° In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6/9/2002 betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon secundair onderwijs, wordt ...

78° In artikel 1, 1°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt ...

79° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur worden de punten 2°, 3°, 4°, 5° vervangen door wat volgt : ...

80° In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt ...

81° In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt ...

82° In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt ...

83° In artikel 10 en in artikel 15, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt

84° In artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt ...

85° In artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie Zorgvuldig bestuur wordt ...

86° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten, wordt ...

87° In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten, wordt ...

88° In artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/9/2002 betreffende de Commissie inzake leerlingenrechten, wordt ...

89° In artikel 20bis en in artikel 27bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 24/1/2003 betreffende de vaststelling en indeling van de ambten in het buitengewoon onderwijs, wordt ...

90° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/2/2003 betreffende het verlof wegens moederschapsbescherming voor de personeelsleden van het onderwijs worden de punten 3°, 4°, 5° vervangen door de punten 3°, 4°, die luiden als volgt : ...

91° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/2/2003 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van Vlaamse en Nederlandse studiebewijzen voor het voltijds secundair onderwijs wordt ...

92° In artikel [4] van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/9/2003 houdende de vorming van het personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt ...

93° In artikel 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/11/2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs, wordt ...

94° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/11/2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs, worden de punten 4° en 5° opgeheven;

95° In artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/11/2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs, wordt ...

96° In artikel 2 en in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/12/2003 betreffende ICT-coördinatie in het onderwijs wordt ...

97° In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/12/2003 betreffende ICT-coördinatie in het onderwijs wordt ...

98° In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/12/2003 betreffende ICT-coördinatie in het onderwijs wordt ...

99° In artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/12/2003 betreffende ICT-coördinatie in het onderwijs wordt ...

100° In artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/12/2003 betreffende ICT-coördinatie in het onderwijs wordt ...

101° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/3/2004 betreffende de diensten met onderwijsbehoeften wordt ...

102° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/3/2004 betreffende de diensten met onderwijsbehoeften wordt ...

103° In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/3/2004 betreffende de diensten met onderwijsbehoeften wordt ...

104° In artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/3/2004 betreffende de diensten met onderwijsbehoeften, wordt ...

105° In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5/3/2004 betreffende de diensten met onderwijsbehoeften wordt ...

106° In artikel 10bis en in artikel 11bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 25/6/2004 tot vaststelling en indeling van de ambten in de instellingen van het gewoon basisonderwijs wordt ...

107° In artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29/10/2004 houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, wordt ...

108° In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29/10/2004 houdende geldelijke en administratieve bepalingen voor de contractuele personeelsleden in het onderwijs betaald door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, wordt ...

109° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23/9/2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid, wordt het punt 10°, vervangen door wat volgt : ...

110° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3/2/2006 houdende de controlemaatregelen inzake de aanwending van de werkingsmiddelen in het vrij gesubsidieerd onderwijs, wordt ...

111° In artikel 15 van besluit van de Vlaamse Regering van 23/3/2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het Deeltijds Kunstonderwijs worden ...

112° Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/4/2007 betreffende de toekenning van een politiek verlof op verzoek van het personeelslid, wordt vervangen door wat volgt : ...

113° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/4/2007 betreffende de toekenning van een politiek verlof op verzoek van het personeelslid, worden ...

114° In artikel 5, § 2, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/4/2007 betreffende de toekenning van een politiek verlof op verzoek van het personeelslid, wordt ...

115° In artikel 5, § 2, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/4/2007 betreffende de toekenning van een politiek verlof op verzoek van het personeelslid, wordt ...

116° In artikel 6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27/4/2007 betreffende de toekenning van een politiek verlof op verzoek van het personeelslid, wordt ...

117° In artikel 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15/6/2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008, wordt het punt 3° vervangen door wat volgt : ...

118° In artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15/6/2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008, worden ...

119° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13/7/2007 betreffende het jaarlijkse vakantieverlof van de personeelsleden, tewerkgesteld in de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het Tweetalige Hoofdstedelijke Gebied Brussel, wordt ...

120° In artikel [2] van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/9/2007 betreffende de administratieve omkadering in het deeltijds kunstonderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage wordt ...

121° In artikel 2, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/9/2007 betreffende de administratieve omkadering in het deeltijds kunstonderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage wordt ...

122° In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/9/2007 betreffende de administratieve omkadering in het deeltijds kunstonderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage worden ...

123° In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21/9/2007 betreffende de administratieve omkadering in het deeltijds kunstonderwijs en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage worden ...

124° In artikel 1, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15/2/2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt ...

125° In artikel 7, in artikel 17 en in artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15/2/2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt ...

126° In artikel 3/1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/6/2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's wordt ..

127° In artikel 3/1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/6/2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's wordt ...

128° In artikel 3/1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/6/2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van de subsidies en houdende de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van kortdurende en langdurige time-outprogramma's wordt ...

129° In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3/7/2009 betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt ...

130° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

131° In artikel 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

132° In artikel 7, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

133° In artikel 14, § 1 en in § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

134° In artikel 14, § 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

135° In artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4/9/2009 betreffende de oprichting en organisatie van kunstacademies in het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

136° In artikel [2] van het besluit van de Vlaamse Regering van 30/10/2009 betreffende het ondersteuningsaanbod voor gelijke onderwijskansen in het buitengewoon secundair onderwijs, worden het punt 5° opgeheven en wordt het punt 3° vervangen door wat volgt : ...

137° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8/7/2011 betreffende de volledige tenlasteneming door de werkgever in de onderwijssector van de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk en de toekenning van een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer, wordt ...

138° In artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9/9/2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt ...

139° In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2/3/2012 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van het onderwijs wordt ...

140° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2/3/2012 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van het onderwijs worden ...

141° In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2/3/2012 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van het onderwijs wordt ...

142° In artikel 13 en in artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2/3/2012 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van het onderwijs wordt ...

143° In artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2/3/2012 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van het onderwijs wordt ...

144° In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13/7/2012 tot bepaling van het model van inschrijvingsregister en mededeling van niet-gerealiseerde inschrijving, de provinciale bemiddelingscel voor gemeenten gelegen buiten het werkingsgebied van het lokaal overlegplatform (LOP) en de procedure voor de goedkeuring van de aanmeldingsprocedure door de Vlaamse Regering na een negatief besluit van de Commissie inzake leerlingenrechten, worden de punt 2° en 5° vervangen door wat volgt : ...

145° In artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29/5/2015 betreffende de toekenning van projectsubsidies van maximaal 301.000 euro voor de uitvoering van pilootprojecten in het schooljaar 2015-2016 ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

146° In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29/5/2015 betreffende de toekenning van projectsubsidies van maximaal 301.000 euro voor de uitvoering van pilootprojecten in het schooljaar 2015-2016 ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs, wordt ...

Decr. 16-6-2017

DEEL XIII. INWERKINGTREDING

Art. XIII.1.

De bepalingen van deze codificatie treden in werking op 1 januari 2017.

ADDENDA

Raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.