Inschrijving van leerlingen in onderwijsinrichtingen

  • referentie
    NO/205/SH/AS/MPV
  • publicatiedatum
    10/11/1983
  • datum laatste wijziging
    14/03/2006
  • Opgelet: Deze omzendbrief is niet meer van toepassing op het basisonderwijs. Voor het basisonderwijs vindt u de richtlijnen m.b.t. inschrijving van leerlingen in de omzendbrieven: - BaO/200 0 /9 - CONTROLE VAN DE LEERLINGEN IN HET GEWOON BASISONDERWIJS (16/10/2000 ) – BaO/2000 /10 - CONTROLE VAN DE LEERLINGEN IN HET BUITENGEWOON BASISONDERWIJS (16/10/2000)

Bij de omzendbrief van 13 september 1971, kenmerk 0361/SH/ AS/AM, werden richtlijnen verstrekt in verband met het inschrijven van leerlingen in onderwijsinrichtingen. Meer bepaald werd er de aandacht op gevestigd dat voor de inschrijving van leerlingen in een onderwijsinrichting geen uittreksel uit de geboorteakte vereist is, maar dat het trouwboekje van de ouders hiertoe volstaat. Indien echter geen trouwboekje kan worden voorgelegd, bijv. in het geval van een ongehuwde moeder, of indien enige twijfel mocht rijzen inzake sommige elementen vereist voor de inschrijving, dan diende, volgens voormelde omzendbrief, de inrichting zelf zich te richten tot het betrokken gemeentebestuur dat, op ongezegeld papier, een uittreksel uit de geboorteakte mag afleveren voor bestuurlijke doeleinden.

De toepassing van deze laatste richtlijn heeft aanleiding gegeven tot moeilijkheden en betwistingen.

Na onderzoek van het dossier, heb ik beslist bedoelde omzendbrief op te heffen. Deze opheffing houdt echter niet in dat voor de inschrijving van leerlingen in een onderwijsinrichting opnieuw een uittreksel uit de geboorteakte dient geëist te worden, noch dat de schooldirecties zich niet de nodige officiële overtuigingsstukken tot identificatie van de leerlingen kunnen laten voorleggen.

Als bedoelde overtuigingsstukken kunnen, in plaats van het uittreksel uit de geboorteakte, worden aanvaard :

1. het trouwboekje;

2. het identiteitsstuk dat voor kinderen van minder dan 12 jaar ongeacht hun nationaliteit, moet opgemaakt worden door de gemeentebesturen en dat, geborgen in een zakje van plastiek, moet uitgereikt worden aan de persoon die het gezag over het kind uitoefent of aan de persoon die er de feitelijke bewaring van heeft;

3. de identiteitskaart die ieder kind van Belgische nationaliteit vanaf de leeftijd van 12 jaar moet bezitten;

4. het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, ofwel de identiteitskaart voor vreemdelingen, ofwel de verblijfskaart van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen, zoals ieder kind van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, vanaf de leeftijd van 12 jaar moet bezitten;

5. de reispas voor vreemdelingen die niet in België geboren zijn en niet in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven.

Er dient opgemerkt te worden dat indien het gaat om een vreemdeling die, bij toepassing van artikel 58 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vanuit het buitenland schriftelijk de inschrijving vraagt in een Belgische onderwijsinrichting, de inrichting vooraf een uittreksel uit de geboorteakte of een gelijkwaardig document uitgereikt door de lokale autoriteiten kan eisen.

Zo bij de inschrijving bedoelde bewijsstukken niet kunnen worden voorgelegd, dient de schooldirectie maximale inspanningen te leveren om fictieve inschrijvingen te vermijden.

Bij vermoeden van illegaal verblijf maakt de schooldirectie de inschrijver attent op volgend belangrijk gegeven : betrokkene kan noch de inschrijving noch het schoollopen inroepen als element ten gunste van een eventuele regularisering van zijn verblijfsstatuut (= illegaal verblijf in België), d.w.z. dat hij noch zijn familie rechten kunnen puren uit deze inschrijving ten aanzien van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.