Gesubsidieerde contractuelen in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra vanaf het schooljaar 1994-1995

  • referentie
    OND/III/3/HW/RM
  • publicatiedatum
    17/07/1994
  • datum laatste wijziging
    06/10/2000

1. ALGEMEEN

Bij de programmawet van 30 december 1988, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 januari 1989, inzonderheid bij de artikelen 93 tot en met 101, werd een stelsel van gesubsidieerde contractuelen gecreëerd. Het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 december 1993, heeft dit stelsel veralgemeend.

De voorgaande wettelijke en reglementaire bepalingen zijn eveneens van toepassing op de onderwijsinstellingen en de psycho-medisch-sociale centra, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. In uitvoering van deze bepalingen werd, voor het geheel van de onderwijsinstellingen, de psycho-medisch-sociale centra inbegrepen, een bijzondere conventie afgesloten tussen de Gemeenschapsminister van Onderwijs en de Gemeenschapsminister van Tewerkstelling.

Deze conventie bevat een beschrijving van de in het kader van voormelde wettelijke en reglementaire bepalingen te verwezenlijken projecten en van de eraan toegekende arbeidsplaatsen. De personen die in deze arbeidsplaatsen zullen tewerkgesteld worden, zijn "gesubsidieerde contractuelen".

Luidens artikel 97 van de programmawet van 30 december 1988 kan een betrekking van gesubsidieerde contractuelen worden bekleed door :

"1° de werklozen die sedert ten minste zes maanden uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn of de uitkeringsgerechtigd volledig werklozen die in de loop van het jaar dat hun indienstneming voorafgaat ten minste zes maanden uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn geweest;

2° de volledig werklozen bedoeld bij artikel 123, § 5 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid die sedert ten minste zes maanden werkloos zijn of die in de loop van het jaar dat hun indienstneming voorafgaat zes maanden werkloos zijn geweest;

3° de tewerkgestelde werklozen, de werknemers van het "bijzonder tijdelijk kader" en van het "derde arbeidscircuit" tewerkgesteld door het betrokken openbaar bestuur;

4° de personen bedoeld bij artikel 2, § 2, 5° en 6° en § 3 van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 255 van 31 december 1983 en de wet van 1 augustus 1985."

Onder de hierboven opgesomde categorieën wordt voorrang verleend aan ieder personeelslid behorend tot dezelfde categorieën dat zich in een tijdelijk statuut bevond bij de inwerkingtreding van de wettelijke bepalingen inzake de gesubsidieerde contractuelen.

Voor de toepassing van voorgaande wettelijke en reglementaire bepalingen wordt de tewerkstellingsduur van de door de openbare besturen tewerkgestelde werklozen of van de in het "bijzonder tijdelijk kader" of het "derde arbeidscircuit" tewerkgestelde werknemers beschouwd als de werkloosheidsduur van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.

2. VOORWAARDEN VOOR EEN TEWERKSTELLING IN PROJECTEN IN HET ONDERWIJS OF IN DE PSYCHO-MEDISCH-SOCIALE CENTRA

Om in het kader van de geciteerde bepalingen in aanmerking te komen voor een tewerkstelling in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra dienen de kandidaten daarenboven te voldoen aan de hierna gestelde voorwaarden :

A. Algemene voorwaarden :

1° van onberispelijk gedrag zijn;

2° in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs/bewijzen dat/die verband houdt/houden met het project waarvoor zij aangeworven zijn;

3° in een gezondheidstoestand verkeren die geen gevaar kan opleveren voor de andere personeelsleden en, in voorkomend geval, voor de leerlingen;

4° in regel zijn met de wets- en reglementsbepalingen betreffende de taalregeling;

5° de eed afleggen in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

Het vervullen van de voorwaarde sub 1° moet blijken uit een getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat niet langer dan 6 maand vóór de aanvang van de tewerkstelling in het project werd afgeleverd door de bevoegde gemeentelijke overheid van de woonplaats van de belanghebbende. Het vervullen van de voorwaarde sub 3° moet blijken uit een medisch attest dat eveneens niet langer dan zes maanden tevoren werd afgeleverd.

B. Bijzondere voorwaarden :

Naargelang van de aard van het project kunnen door de promotor nog bijkomende voorwaarden worden opgelegd, zonder dat echter mag worden afgeweken van de voorgaande algemene voorwaarden.

3. TOESTAND VAN DE PERSONEN TEWERKGESTELD IN PROJECTEN IN HET ONDERWIJS OF IN DE PSYCHO-MEDISCH-SOCIALE CENTRA

De toestand van de personen die als gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld zijn in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra, zoals hiervoren omschreven, zal, inzake de hierna vermelde materies, als volgt geregeld worden :

1. Arbeidsongevallen :

Aan deze materie zal een afzonderlijke omzendbrief worden gewijd.

2. Bezoldiging :

Luidens artikel 98, § 2, a van de programmawet van 30 december 1988, bekomen de gesubsidieerde contractuelen een bezoldiging die gelijk is aan de wedde die aan een lid van het rijkspersoneel wordt toegekend voor hetzelfde ambt of voor een overeenkomstig ambt, alsook de daaraan verbonden weddeschaalverhogingen.

Dit houdt in dat voor de personen tewerkgesteld in het onderwijs of als lid van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra, de wedde zal vastgesteld worden, naargelang van het geval, op grond van

- het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs,

- het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en van hun uitvoeringsbesluiten, alsof de betrokkenen tijdelijk aangesteld waren.

Bij zijn indiensttreding zal een gesubsidieerde contractueel dus bezoldigd worden op grond van de weddeschaal waarin zijn wedde, rekening gehouden met het bekwaamheidsbewijs waarvan hij houder is, zou vastgesteld worden indien hij in het onderwijs of als lid van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra in een normatief verantwoorde betrekking zou fungeren.

Met ingang van 1-1-1989 worden voor het toekennen van de periodieke verhogingen de volgende diensten in aanmerking genomen :

a) - de diensten verstrekt als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit",

- met beperking tot zes jaar : de diensten verstrekt als tewerkgestelde werkloze.

met inbegrip van de perioden die krachtens het statuut van de personeelsleden vastbenoemd in eenzelfde ambt als uitgeoefend door de gesubsidieerde contractueel, overeenstemmen met een toestand waarbij het vastbenoemd personeelslid zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt.

b) De in aanmerking komende diensten en perioden worden berekend per kalendermaand; die geen volle maand bedragen worden niet meegeteld.

c) Voormelde diensten worden in aanmerking genomen naar gelang van het geval, onder de voorwaarden voor de inaanmerkingneming van diensten bepaald in :

1° het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, met uitzondering van de diensten bedoeld in artikel 17;

2° het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan, afhangend van het Ministerie van nationale opvoeding en Cultuur.

3° het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs. Voor dit laatste personeel wordt het loon bekomen als tewerkgestelde werkloze en als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "derde arbeidscircuit", zijnde de Staatstussenkomst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, beschouwd als weddetoelage.

d) Onder dezelfde voorwaarden en mits dezelfde beperkingen worden de diensten in aanmerking genomen verstrekt in dezelfde hoedanigheid in enige instelling niet geviseerd in voormelde koninklijke besluiten, voor zover deze diensten vallen binnen de bijzondere conventie voor de onderwijsinstellingen afgesloten tussen de gemeenschapsminister van tewerkstelling en de gemeenschapsminister van Onderwijs of binnen de onderwijsprojecten, afgesloten tussen de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de Minister van Begroting en de Minister van Onderwijs.

3. Eindejaarstoelage :

Overeenkomstig artikel 98, § 2, b van de programmawet van 30 december 1988, is de regeling inzake eindejaarstoelage die geldt voor de vastbenoemde personeelsleden van de rijksbesturen, ook van toepassing voor de gesubsidieerde contractuelen.

Dit houdt in dat de verwijzingsperiode loopt van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar.

Op de eindejaarstoelage van de gesubsidieerde contractuelen worden evenwel bijdragen voor de sociale zekerheid ingehouden.

4. Gerechtvaardigde afwezigheden (klein verlet) :

Luidens artikel 94, § 1, derde lid van de programmawet van 30 december 1988 worden de gesubsidieerde contractuelen in dienst genomen bij arbeidsovereenkomst gesloten voor een bepaalde of onbepaalde tijd.

Volgens de Memorie van Toelichting bij het ontwerp dat voormelde wet is geworden, is bedoelde arbeidsovereenkomst analoog met deze van de werknemers uit de privé-sector, zoals voorzien door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

De werknemers wier arbeidsovereenkomst geregeld is door de voormelde wet van 3 juli 1978 hebben het recht om met behoud van hun loon van het werk afwezig te zijn ter gelegenheid van familiegebeurtenissen, voor het vervullen van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten en om voor het gerecht te verschijnen (cfr. K.B. van 28 augustus 1963, zoals gewijzigd).

Voor de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra geldt de volgende regeling :

Reden van de afwezigheid Duur van de afwezigheid

1. Huwelijk van de werkne mer. 

Twee dagen door de werknemer te kiezen tijdens de week waarin de gebeurtenis plaats grijpt of tijdens de daarop volgende week. 

 

2. Huwelijk van een kind van de werknemer of van zijn echtgeno(o)t(e), van een broer, zuster, schoonbroer, schoonzus, van de vader, moeder, schoonvader, stiefvader, schoonmoeder, stiefmoeder, van een kleinkind van de werknemer. 

 

De dag van het huwelijk. De werknemer heeft de keuze tussen de dag van het burger lijk of de dag van het kerke lijk huwelijk. 

3. Priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van de werknemer of van zijn echtgeno(o)t(e), van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van de werknemer. 

 

De dag van de plechtigheid. 

4. De geboorte van een kind van de werknemer zo de afstamming van dit kind langs vaderszijde vaststaat. 

 

Drie dagen door de werknemer te kiezen tijdens de twaalf dagen te rekenen vanaf de dag der bevalling. 

5. Overlijden van de echtgenoot of echtgenote, van een kind van de werknemer of van zijn echtgeno(o)t(e), van de vader, moeder, schoonvader, stiefvader, schoonmoeder of stiefmoeder van de werknemer. 

 

Drie dagen door de werknemer te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt met de dag van de begrafenis. 

6. Overlijden van een broer, zuster, schoonbroer, schoonzuster, van de grootvader, de grootmoeder, van een kleinkind, schoonzoon of schoondochter die bij de werknemer inwoont. 

Twee dagen door de werknemer te kiezen in de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt met de dag van de begrafenis. 

7. Overlijden van een broer, zuster, schoonbroer, schoonzuster, van de grootvader, de grootmoeder, van een kleinkind, schoonzoon of schoondochter die niet bij de werknemer inwoont. 

 

De dag van de begrafenis. 

8. Plechtige communie van een kind van de werknemer of van zijn echtgeno(o)t(e). 

De dag van de plechtigheid. Wanneer de plechtige communie samenvalt met een zondag, een 

feestdag of een gewone inactiviteitsdag, hebben de werknemers recht, zonder loonverlies, afwezig te zijn op de gewone activiteitsdag die deze gebeurtenis onmiddellijk voorafgaat of volgt. 

 

9. Deelneming van een kind van de werknemer of van zijn echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd" daar waar dit feest plaats-heeft. 

De dag van het feest. 

Wanneer de deelneming aan het feest van de vrijzinnige jeugd samenvalt met een zondag, een feestdag of een gewone inacti viteitsdag, hebben de werkne-mers recht, zonder loonverlies, afwezig te zijn op de gewone activiteitsdag die deze gebeurtenis onmiddellijk vooraf 

 

10. Verblijf van de dienstplichtige werknemer in een recruterings- en selectiecentrum of in een militair hospitaal ten gevolge van zijn verblijf in een recruterings- en se- lectiecentrum. 

 

De nodige tijd met een maximum van drie dagen. 

11. Verblijf van de werknemer-gewetensbezwaarde op de Administratieve Gezondheidsdienst of in één van de verplegingsinrichtingen, die overeenkomstig de wetgeving houdende het statuut van de gewetensbezwaarden door de Koning zijn aangewezen. 

 

De nodige tijd met een maximum van drie dagen. 

12. Bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroepen door de vrederechter. 

De nodige tijd met een maximum van één dag. 

13. Deelneming aan een jury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank. 

De nodige tijd met een maximum van vijf dagen. 

14. Uitoefening van het ambt van bijzitter in een hoofdstembureau of enig stembureau bij de parlements-, provincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen. 

 

De nodige tijd. 

15. Uitoefening van het ambt van bijzitter in één van de hoofdbureaus bij de verkiezing van het Europese Parlement. 

 

De nodige tijd met een maximum van vijf dagen. 

16. Uitoefening van het ambt van bijzitter in een hoofdbureau voor stemopneming bij de parlements-, provincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen. 

De nodige tijd met een maximum van vijf dagen. 

17. Adoptie van een kind.  

De nodige tijd om de administratieve en gerechtelijke formaliteiten te vervullen. 

 

De deeltijdse werknemers hebben het recht om met behoud van loon van het werk afwezig te zijn gedurende de hiervoren bepaalde dagen en perioden die samenvallen met de dagen en perioden waarop zij normaal zouden gewerkt hebben.

Zij mogen de afwezigheidsdagen kiezen met dezelfde beperkingen als de voltijdse werknemers.

Voor de toepassing van de nrs. 2, 3, 5, 8 en 9, wordt het aangenomen of natuurlijk erkend kind gelijkgesteld met het wettig of gewettigd kind.

Voor de toepassing van de nrs. 6 en 7, worden de schoonbroer, de schoonzuster, de grootvader en de grootmoeder van de echtgeno(o)t(e) van de werknemer gelijkgesteld met de schoonbroer, de schoonzuster, de grootvader en de grootmoeder van de werknemer.

Verder moet de werknemer om recht te hebben op zijn loon zijn werkgever vooraf verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, dan moet de verwittiging zo vlug mogelijk gebeuren.

Tenslotte kunnen de toegelaten afwezigheidsdagen alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor ze zijn toegestaan, en is er slechts recht op loon wanneer er loonverlies is. Dit betekent dat bepaalde gebeurtenissen die zich voordoen buiten de normale werkuren (b.v. op een zondag, tijdens een vakantieperiode, tijdens een ziekteperiode) eventueel geen recht geven op klein verlet.

5. Jaarlijkse vakantie en vakantiegeld :

Luidens artikel 98, § 4 van voormelde programmawet, genieten de gesubsidieerde contractuelen hetzelfde stelsel als de contractuelen die door hetzelfde openbaar bestuur worden tewerkgesteld.

Voor de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra geldt de regeling die voor de overeenstemmende categorie personeelsleden van toepassing is in de instelling, het centrum of de dienst waar zij fungeren.

Wat het vakantiegeld betreft, dit zal te gepasten tijde uitbetaald worden conform de reglementering van toepassing op de tijdelijke personeelsleden.

6. Kinderbijslag :

Ingevolge artikel 100 van de programmawet van 30 december 1988 is de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers ermede belast kinder- en geboortebijslag uit te betalen aan de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra.

Indien een gesubsidieerde contractueel kinderbijslag aanvraagt, dient hem een formulier model A "Aanvraag tot het bekomen van kinderbijslag uit hoofde van arbeidsprestaties" en, in voorkomend geval, een formulier model E "Aanvraag om kraamgeld" te worden overhandigd.

De volledig ingevulde en ondertekende formulieren dienen door de instantie die als werkgever optreedt, te worden gezonden naar de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, Sectie GECO, Trierstraat 70 te 1040 BRUSSEL, die op grond daarvan de rechten van de betrokkene zal vaststellen.

Een voorraad van deze formulieren kan bij genoemde Rijksdienst worden aangevraagd.

Op alle documenten met betrekking tot deze dossiers moet de vermelding "GECO", gevolgd door het nummer van de overeenkomst, voorkomen.

Door de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers werd een procedure uitgewerkt die voor een vlotte afhandeling van de dossiers moet zorgen. Deze procedure wordt gedetailleerd uitgelegd in bijlage 2.

7. Militaire of burgerdienst :

Ingevolge artikel 29 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst in de volgende gevallen :

1. gedurende de periode dat de werknemer zijn gewone militaire dienstplicht vervult;

2. gedurende de periode dat de werknemer die met onbepaald verlof is gestuurd, wordt heropgeroepen;

3. gedurende de tijd dat de werknemer in een recruterings- en selectiecentrum verblijft;

4. gedurende de tijd dat de werknemer - na zijn verblijf in voornoemd centrum - in observatie is gesteld in een gezondheidsinrichting van het leger of in een militair hospitaal verblijft ten gevolge van een ongeval dat hem is overkomen of een ziekte die hij opgedaan heeft of die verergerd is in de loop van de keuring of selectie;

5. voor de periode gedurende welke de werknemer na zijn diensttijd, deze diensttijd vrijwillig verlengt (wederdienstneming), zolang de totale duur van de gewone diensttijd en de wederdienstneming 2 jaar niet overschrijdt;

6. gedurende de tijd dat de werknemer zijn dienst als gewetensbezwaarde vervult;

7. gedurende de tijd dat de werknemer-gewetensbezwaarde op de Administratieve Gezondheidsdienst verblijft of in één der verplegingsinrichtingen, aangewezen overeenkomstig de wetgeving houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.

In alle gevallen van militaire dienst of burgerdienst die hiervoren niet vermeld zijn, is er geen sprake van een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Voor de gevallen sub 3, 4 en 7 gelden eveneens de bepalingen inzake gerechtvaardigde afwezigheden - klein verlet (zie rubriek 4, punten 10 en 11 hiervoren). In deze gevallen heeft de werknemer recht op loon gedurende de schorsing met een maximum van 3 dagen. In alle andere hiervoren vermelde gevallen van schorsing is er geen recht op loon.

Wat de bescherming van de betrokkenen tegen ontslag betreft, gelden de bepalingen van voornoemde wet van 3 juli 1978, inzonderheid titel I. De arbeidsovereenkomsten in het algemeen, hoofdstuk IV. Einde van de overeenkomst, de artikelen 38 en 39.

Tenslotte dient erop gewezen te worden dat sommige dagen van arbeidsonderbreking aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid moeten worden aangegeven als met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen, nl.

- de dagen van heroproeping onder de wapens;

- (enkel voor bedienden) de niet-vergoede dagen van verblijf in een militair wervings- of selectiecentrum of van hospitalisatie na dit verblijf.

8. Prestaties :

Voor de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra geldt de regeling die voor de overeenstemmende categorie personeelsleden van toepassing is in de instelling, het centrum of de dienst waar zij fungeren.

9. Vervangingen :

Luidens artikel 26, § 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen kan een uit dienst getreden gesubsidieerde contractueel vervangen worden indien deze vervanging geschiedt binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitdiensttreding van de te vervangen gesubsidieerde contractueel.

Verder kunnen de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra ingeval van afwezigheid vervangen worden :

- indien zij werkelijk een onderwijsopdracht uitoefenen : na het verstrijken van de termijn gesteld voor de vervanging van een personeelslid van dezelfde categorie in de instelling waaraan zij verbonden zijn;

- indien zij een andere dan een onderwijsopdracht uitoefe- nen : na het verstrijken van dertig kalenderdagen.

10. Weddeschalen :

De wedde van de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra zal, rekening houdend met de aard van het project (pedagogisch/administratief) en met het/de bekwaamheidsbewij(s)(zen) waarvan de belanghebbenden houder zijn, vastgesteld worden in één van de weddeschalen bekrachtigd bij de hierna vermelde besluiten :

- voor de personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor secundair onderwijs met volledig leerplan, met uitzondering van de personeelsleden van het buitengewoon secundair onderwijs, het aanvullend secundair beroepsonderwijs en de godsdienstleraars :

het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor secundair onderwijs met volledig leerplan (B.S. 31-8-1989);

- voor de andere personeelsleden die behoren tot de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel, voor de personeelsleden die behoren tot de categorie van het paramedisch personeel van de onderwijsinstellingen en voor de technische personeelsleden van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat :

het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, zoals het bij latere besluiten gewijzigd werd;

- voor de personeelsleden die behoren tot de categorie van het administratief personeel :

het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 1993 tot vaststelling op 1 november 1992 van de weddeschalen verbonden aan de ambten van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinstellingen en van het gesubsidieerd administratief personeel van de door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijsinstellingen.

(B.S. 21-10-1993).

Tenslotte dient erop gewezen te worden dat indien twijfel mocht rijzen omtrent een toe te kennen weddeschaal en voor zover deze niet uitdrukkelijk is vastgesteld in de overeenkomst met betrekking tot het project, dienaangaande contact dient genomen te worden met de Administratie Secundair Onderwijs (werkstation 49)

11. Ziekte en ongeval (ander dan een beroepsziekte of een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk) :

Artikel 31 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt o.m. dat de onmogelijkheid voor de werknemer om zijn werk te verrichten ten gevolge van ziekte of ongeval, de uitvoering van de overeenkomst schorst.

De werknemer is verplicht zijn werkgever onmiddellijk op de hoogte te brengen van zijn arbeidsongeschiktheid.

Inzake loonwaarborg bij schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens ziekte of ongeval moet een onderscheid gemaakt worden tussen ongeval of ziekte zogenaamd "van gemeen recht" eensdeels of arbeidsongeval of beroepsziekte anderdeels. Telkens moet daarbij in tweede instantie een onderscheid gemaakt worden tussen werklieden en bedienden.

Voor het recht op bezoldiging ingeval van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval, ander dan een beroepsziekte of een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk gelden voor de bedienden de bepalingen van titel III. De arbeidsovereenkomst voor bedienden, hoofdstuk II. Loonregeling bij schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van voormelde wet van 3 juli 1978, inzonderheid de artikelen 70, 71, 73 en 75.

Luidens voormeld artikel 70 behoudt de bediende die is aangeworven voor onbepaalde tijd, voor een bepaalde tijd van ten minste drie maanden of voor een duidelijk omschreven werk waarvan de uitvoering normaal een tewerkstelling van ten minste drie maanden vergt, het recht op zijn loon gedurende de eerste dertig dagen (kalenderdagen) van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval.

Op grond van artikel 73 is het in artikel 70 bedoelde loon niet opnieuw verschuldigd als een nieuwe arbeidsongeschiktheid zich voordoet in de eerste veertien dagen (kalenderdagen) na het einde van een periode van arbeidsongeschiktheid waarvoor het in artikel 70 bedoelde loon wordt betaald.

Dit loon is echter wel verschuldigd :

1° voor het nog te lopen gedeelte van de periode van dertig dagen, als de eerste periode van arbeidsongeschiktheid geen aanleiding gaf tot betaling van het in artikel 70 bedoelde loon tijdens de periode van dertig dagen;

2° als de bediende een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat de nieuwe arbeidsongeschiktheid aan een andere ziekte of een ander ongeval te wijten is.

Het in artikel 70 bedoelde loon is niet verschuldigd aan de bediende :

a) die een ongeval heeft opgelopen naar aanleiding van een lichaamsoefening uitgevoerd tijdens een sportcompetitie of -exhibitie waarvoor de inrichter toegangsgeld ontvangt en waarvoor de deelnemers in om het even welke vorm een loon ontvangen;

b) wiens arbeidsongeschiktheid voortspruit uit een door hem gepleegde zware fout.

Artikel 75 bepaalt dat de werkgever tegen derden die aansprakelijk zijn voor de ongevallen die een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst hebben veroorzaakt een rechtsvordering kan instellen tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe hij is gehouden.

De loonwaarborg voor de bediende die is aangeworven op proef, voor een bepaalde tijd van minder dan drie maanden of voor een duidelijk omschreven werk waarvan de uitvoering normaal een tewerkstelling van minder dan drie maanden vergt, is geregeld bij de artikelen 71, 52, § 1, 53, 73 en 75 van voormelde wet van 3 juli 1978.

De voorgaande bepalingen zijn van toepassing op de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in projecten in het onderwijs of in de psycho-medisch-sociale centra.

De voornoemde gesubsidieerde contractuelen zijn, bij afwezigheid wegens ziekte of ongeval, onderworpen aan het toezicht van de Administratieve Gezondheidsdienst. De geëigende formulieren dienen dan ook te worden ingestuurd en de geëigende procedure te worden gevolgd in geval van dergelijke afwezigheid.

Aan de belanghebbende dient een exemplaar te worden overhandigd van het reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst, evenals exemplaren van het formulier A.G.D.1 die in overeenstemming zijn met de omzendbrief van 12 juni 1984, kenmerk N0/205/CR/SH/MPV. Op alle gebruikte A.G.D.-formulieren dient ook vooraf en duidelijk de vermelding "GECO" te worden aangebracht.

12. Zwangerschap en bevalling :

Luidens artikel 28, 2° van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de uitvoering van de overeenkomst geschorst tijdens de periodes van verlof en arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

Op grond van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 moet de werkgever de werkneemster op haar verzoek verlof geven ten vroegste vanaf de zevende week vóór de vermoedelijke datum van de bevalling. De werkneemster bezorgt hem ten laatste acht weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling een geneeskundig getuigschrift waaruit deze datum blijkt. Zo de bevalling eerst plaatsheeft na de door de geneesheer voorziene datum, wordt het verlof tot de werkelijke datum van bevalling verlengd.

De werkneemster mag geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het verstrijken van een periode van acht weken die begint te lopen op de dag van de bevalling.

Op haar verzoek wordt de arbeidsonderbreking na de achtste week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zevende week vóór de werkelijke datum van de bevalling.

Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. De Koning kan sommige periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en sommige afwezigheden wanneer het gaat om personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, met periodes van arbeid gelijkstellen.

De werkneemster behoudt haar recht op het uitstel van de verlenging van de arbeidsonderbreking wanneer het kind overlijdt binnen een jaar na zijn geboorte.

4. SAMENSTELLING EN INSTUREN VAN HET DOSSIER

Met ingang van 1 februari 1994 gelden volgende bepalingen.

A. ALGEMEENHEDEN

a) Geen enkel contract kan geldig worden afgesloten dan na akkoord van de directeur-generaal van de Administratie Secundair Onderwijs, met het oog op de controle van de toegewezen contingenten.

b) De volledige afhandeling van het dossier (zowel geldelijk als administratief) gebeurt in het werkstation 49.

c) Er dient per GECO-personeelslid 1 volledig dossier te worden samengesteld, dat via de centraliserende instanties (gesubsidieerd onderwijs) of via de ARGO (gemeenschapsonderwijs) wordt ingestuurd.

De adressen van de ARGO en van de centraliserende instanties zijn vermeld onder de rubriek C. "Insturen van het dossier".

Indien de onderwijsinstelling of het centrum niet ressorteert onder bedoelde centraliserende instanties wordt het volledig dossier rechtstreeeks naar het werkstation 49 gestuurd.

d) Voor de GECO-personeelsleden van de P.M.S.-centra worden dezelfde documenten gebruikt als voor de personeelsleden tewerkgesteld in de onderwijsinstellingen.

B. SAMENSTELLING VAN HET DOSSIER

Het dossier moet de volgende documenten bevatten :

1) Een dienststaat in een exemplaar (Pers 1)

Een formulier Pers 2 (kennisgeving van opdrachten) of Pers 5 (kennisgeving van opdrachten van korte duur)

Een formulier Pers 12 (cumulatieverklaring) bij een eerste indiensttreding en bij elke wijziging buiten het onderwijs.

2) Een door het personeelslid en door de inrichtende macht(en) (of haar/hun afgevaardigde) ondertekend(e) contract(en) volgens model in bijlage (bijl. 1) in 1 exemplaar met originele handtekening.

3) Een eensluidend verklaard afschrift van de bekwaamheidsbewijzen (dienen niet op zegel afgeleverd te worden).

4) Een getuigschrift van goed zedelijk gedrag

5) Een uittreksel uit de geboorteakte.

6) Een immatriculatieaanvraag (Pers 11) waarbij een stamboeknummer werd gevraagd aan het Rekencentrum.

Dit stamboeknummer dient op elk document te worden vermeld.

7) Voor een gehuwd GECO-personeelslid :

Een attest betreffende de samenstelling van het gezin (indien een andere persoon dan de gehuwde ten laste is).

Overigens worden met het oog op een korrekte en vlotte betaling nog volgende documenten opgevraagd :

- een eensluidend verklaard afschrift van zijn of haar huwelijksakte ;

- een verklaring inzake haardgeld ;

- eventueel het nieuw adres.

8) Een strook waarop het rekeningnummer van de financiële instelling voorgedrukt is, waarop de wedde(toelage) kan gestort worden.

9) Het GECO-attest afgeleverd door de V.D.A.B. (C63bis) + TPRO 82 afgeleverd door de R.V.A.

10) Individuele fiche en maandelijkse prestatiestaten : zie onderrichting V841 van 1-10-1991 van het hoofdbestuur V.D.A.B.

11) Een medisch attest dat niet langer dan 6 maanden oud is en waaruit blijkt dat betrokkene de gezondheid van de leerlingen noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen.

C. INSTUREN VAN HET DOSSIER

Het dossier dient naar de volgende adressen te worden gestuurd :

a) voor het Gemeenschapsonderwijs en -P.M.S.-centra

Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs

Belliardstraat 12

1040 BRUSSEL

b) voor het gemeentelijk basisonderwijs en buitengewoon onderwijs (zowel BLO en BUSO)

Onderwijssecretariaat van de Vlaamse Steden en Gemeen- ten

Ravensteingalerij 3, bus 7

1000 BRUSSEL

c) voor het gemeentelijk secundair onderwijs, de inrichtingen van HOBU en P.M.S.-centra

Onderwijssecretariaat van de Vlaamse Steden en Gemeenten

Ravensteingalerij 3, bus 7

1000 BRUSSEL

d) voor het provinciaal lager onderwijs, secundair onderwijs en buitengewoon onderwijs, HOBU en P.M.S.-centra

Cel voor Vlaams Provinciaal Onderwijs

Albertinaplein 2, bus 4B

1000 BRUSSEL

e) voor het gesubsidieerd vrij onderwijs

Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs

Guimardstraat 1

1040 BRUSSEL

f) voor de gesubsidieerde vrije P.M.S.-centra

C.S.B.O.

M. Lemonnierlaan 129 - 5e verdieping

1000 BRUSSEL

g) voor de instellingen zonder centraliserende instantie : rechtstreeks naar het Werkstation 49.

De ARGO en de centraliserende instanties sturen het dossier vervolgens naar het Werkstation 49.

Op ieder document van het dossier moet bovenaan rechts het woord "GECO" worden vermeld.

D. AFWEZIGHEDEN

Alle afwezigheden dienen aan het werkstation 49 te worden gemeld door middel van het formulier Pers 3 (begin/einde dienstonderbreking) of Pers 4 (verzamelstaat ziekte).

E. WIJZIGINGEN IN DE PERSOONLIJKE TOESTAND

Elke wijziging in de persoonlijke toestand moet aan het werkstation 49 worden gemeld door middel van het formulier pers 6.

F. ONTSLAG OF VROEGTIJDIG BEEINDIGEN VAN DE OVEREENKOMST

Iedere uitdiensttreding moet binnen 48 u. aan het werkstation 49 worden gemeld door middel van het formulier Pers 3.

G. WIJZIGINGEN AAN DE OPDRACHT

Ieder ambtswijziging dient gemeld door middel van het formulier Pers 2.

H. VERVANGING

Dezelfde procedure als hierboven beschreven onder de punten B en C.

De vervanger moet echter één dag volledig uitkeringsgerechtigde werkloze zijn geweest.

I. OPHEFFING

De circulaire van 25 augustus 1989, met kenmerk Kab. Gemeenschapsminister, wordt opgeheven.

5. Bijlagen