(…) Ontslag zonder opzegging - Wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen - RSZ-bijdragen bij eenzijdige verbreking arbeidsverhouding

  • referentie
    13AC/WJ/001
  • publicatiedatum
    04/06/1997
  • datum laatste wijziging
    06/10/2000
  • wettelijke basis
    Wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen
  • Bijdrageplicht in hoofde van de werkgever ten behoeve van de personeelsleden van het door de Vlaamse gemeenschap gefinancierd en gesubsidieerd onderwijs ingeval die (…) zonder opzegging worden ontslagen

1. Algemeen:

Hoofdstuk X van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en hoofdstuk VII van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra bevatten bepalingen met betrekking tot de definitieve ambtsneerlegging in het onderwijs.

Volgens artikel 86 van eerstvermeld decreet en artikel 60 van het tweede decreet worden, onverminderd de bepalingen in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling, de vast benoemde en de tijdelijk aangestelde personeelsleden in de opgesomde gevallen (…) zonder opzegging, ontslagen. De volledige tekst van deze artikelen gaat hierbij (bijl. 1 en 2).

Behoudens in de gevallen geciteerd in artikel 88bis (GMO) en in artikel 62bis (GSO), bevatten deze artikelen geen “sociaal vangnet”. (…)

2. Wet van 20 juli 1991:

In hoofdstuk II van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen (bijl. 3) wordt een bijdrageplicht ingesteld ten behoeve van personen die door een publiekrechtelijke instelling eenzijdig worden ontslagen. Deze bijdrageplicht geldt eveneens ten behoeve van de personeelsleden van de onderwijsinstellingen opgericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen, voor zover die personeelsleden een weddetoelage of een loon bekomen van een Gemeenschap of van een Gemeenschapscommissie.

De wet heeft tot doel bedoelde personen in te schakelen in de algemene socialezekerheidsregeling inzonderheid met betrekking tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkloosheidsvergoeding en de moederschapsverzekering. Zo kan worden voorkomen dat zij en, in voorkomend geval, hun gezinsleden nog alleen op O.C.M.W.-steun kunnen rekenen.

3. Toepassingsgebied van de wet:

De voormelde maatregel (hoofdstuk II wet 20-7-1991) geldt voor alle personeelsleden van de overheidssector - in de ruimste zin - die niet zijn ingeschakeld in de algemene sociale zekerheidsregeling. Hij geldt ook voor de onderwijssector: de personeelsleden van door de overheid georganiseerde onderwijsinstellingen behoren rechtstreeks tot het overheidspersoneel, beoogd bij artikel 7, § 1; die van het gesubsidieerd vrij onderwijs worden met overheidspersoneel gelijkgesteld door artikel 7, § 2.

Artikel 7, § 2, van de wet van 20 juli 1991 bepaalt namelijk:

"§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden met personen die tewerkgesteld zijn in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling gelijkgesteld:

1° de personeelsleden van de onderwijsinstellingen opgericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen, voor zover die personeelsleden een weddetoelage of een loon bekomen van een Gemeenschap of van een Gemeenschapscommissie;

...;

3° de personeelsleden van de diensten voor school- en beroepsoriëntering, van de psycho-medisch-sociale centra en van de pedagogische begeleidingsdiensten, opgericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen, wanneer die personeelsleden een weddetoelage genieten ten laste van een Gemeenschap of van een Gemeenschapscommissie;

...".

De voorgaande maatregel (hoofdstuk II wet 20-7-1991) is dus van toepassing op het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd en gesubsidieerd onderwijs.

4. Verband tussen de wet en de decreten rechtspositie:

Artikel 9 van de wet van 20 juli 1991 stelt dat de bedoelde regeling geldt "onverminderd de rechten waarop zij (personeelsleden op wie de regeling van toepassing is) zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid". Dit houdt in dat een gunstigere statutaire regeling bij ontslag primeert op de bepalingen van de wet.

4.1. Gemeenschapsonderwijs:

(…)

(…)

Artikel 86 van het decreet van 27 maart 1991 (GMO) onderscheidt verschillende hypothesen waarbij een personeelslid (..) zonder opzegging kan worden ontslagen. (…)

Art. 88bis zorgt voor een gunstigere regeling van de sociale zekerheid. Dat artikel bepaalt dat e en vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 86, 9°, 10° of 11°, of artikel 88, 3° wordt ontslagen of afgezet, pas definitief uit zijn ambt verw ijderd wordt na een opzeggingstermijn.

Voor de andere gevallen (art. 86, 1° tot en met 8°) is de wet van 20 juli 1991 van toepassing.

4.2. Gesubsidieerd onderwijs:

(…)

(…)

Artikel 60 van het decreet van 27 maart 1991 (GSO) onderscheidt verschillende hypothesen waarbij een personeelslid (..) zonder opzegging kan worden ontslagen.

Art. 62bis zorgt voor een gunstigere regeling van de sociale zekerheid. Dat artikel bepaalt dat e en vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 60, 5°, 9°, 10° of 11°, of artikel 62, 3°, wordt ontslagen of afgezet, pas definitief uit zijn ambt verwijderd wordt na een opzeggingstermijn .

In de andere gevallen (art. 60, 1° tot en met4° en 6° tot en met 8°) gelden de bepalingen van hoofdstuk II van de wet van 20 juli 1991 (…).

5. Modaliteiten van de wet van 20 juli 1991:

Het ontslagen personeelslid kan enkel een beroep doen op de maatregel van de wet van 20 juli 1991 wanneer het binnen 30 dagen na het beëindigen van de arbeidsverhouding (art. 9):

1° ofwel de hoedanigheid krijgt van werknemer onderworpen aan de wet op de maatschappelijke zekerheid voor werknemers;

2° ofwel ingeschreven is als werkzoekende;

3° ofwel tijdens die periode arbeidsongeschikt is wegens ziekte of invaliditeit of met moederschapsrust is.

De maatregel is verder niet van toepassing (art. 8):

1° wanneer de activiteiten van de verbroken arbeidsrelatie werden uitgeoefend als bijberoep/bijbetrekking;

2° op personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of zijn ontslagen met onmiddellijk ingaand recht op pensioen.

De bijdrage die moet worden betaald, bevat verschillende elementen. Ze hangt o.m. af van het aantal werkdagen dat de betrokkene moet bewijzen om gerechtigd te zijn op de werkloosheidsuitkeringen, wat op zijn beurt afhangt van zijn leeftijd.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid raadt de werkgevers aan voor de toepassing van hoofdstuk II van de wet van 20 juli 1991 contact op te nemen met de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

6. Tenlasteneming van de bijdrage:

Artikel 10, § 1, van de wet van 20 juli 1991 bepaalt dat de werkgever de verschuldigde bijdragen stort.

(…)

Voor de onderwijssector is de inrichtende macht de werkgever. Het behoort dan ook tot de bevoegdheid van de inrichtende macht om in voorkomend geval de voormelde aangifte en stortingen te doen. Het departement Onderwijs komt ter zake niet tussen.

7. Bijlagen

Bijlage 1 – Uittreksel uit het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.

Bijlage 2 – Uittreksel uit het decreet van 7 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho -medisch-sociale centra.

Bijlage 3 – Uittreksel uit de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen.