Erkenning, financiering en subsidiëring van scholen

  • referentie
    BaO/97/3
  • publicatiedatum
    17/06/1997
  • datum laatste wijziging
    14/10/2016
  • wettelijke basis
    Het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997: de artikelen 62 t.e.m. 75, artikel 102 en artikel 173ter
  • wettelijke basis
    Het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikel 35
  • wettelijke basis
    Het besluit van de Vlaamse regering van 8 ju l i 1997 betreffende de erkenning, de financiering en subsidiëring van scholen in het gewoon en buitengewoon onderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 1 oktober 2010 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot de wijze waarop sommige bevoegdheden van de inspectie worden uitgevoerd, artikel 2
  • opheffing
  • contactpersoon
    Bart Bruylandt: gewoon, 02/553 92 20
  • contactpersoon
  • In punt 1.1.3 wordt verduidelijkt dat in kleuterscholen het volledige kleuteronderwijs, in lagere scholen het volledige lager onderwijs en in basisscholen het volledige kleuter- en lager onderwijs dient ingericht te worden. Er wordt ook aangegeven welke termijn scholen voor gewoon basisonderwijs hebben om hun kleuter- en lager onderwijs volledi g uit te bouwen.

1. Erkenning

1.1. Erkenningsvoorwaarden

1.1.1. Algemene voorwaarden

  • georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;

  • gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;

  • een structuur aannemen zoals vastgesteld bij decreet. Onder structuur wordt verstaan de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van deze indelingen;

  • een pedagogisch geheel vormen dat gevestigd is in een zelfde complex van gebouwen of in elk geval in eenzelfde of aangrenzende gemeente of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behoudens door de regering verleende afwijking;

  • beschikken over voldoende didactisch materieel en over een aangepaste schooluitrusting;

  • de bepalingen naleeft over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel;

  • de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maken;

  • de reglementering inzake vakantieperioden en de aanwending van de onderwijstijd, zoals vastgesteld door de regering, in acht nemen;

  • de reglementering betreffende eindtermen, ontwikkelingsdoelen (of met ingang van een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties), leerplannen en handelingsplannen naleven

  • een beleidscontract of beleidsplan hebben met een centrum voor leerlingenbegeleiding.

  • in het geheel van haar werking de internationaalrechterlijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen.

  • een doeltreffend beleid voeren om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uit te oefenen over de naleving van het rookverbod en overtreders sancties opleggen conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school- of arbeidsreglement.

1.1.2. Bijkomende voorwaarden voor het officieel onderwijs.

Voor de scholen van het gemeenschapsonderwijs en de gemeente- en provinciale scholen gelden een aantal bijkomende erkenningsvoorwaarden.

  • Een open karakter hebben door open te staan voor alle leerlingen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerling;
  • De leerplannen volgen van het gemeenschapsondewijs, OVSG of POV, of eigen leerplannen ermee verenigbaar.
  • Een schoolwerkplan, schoolreglement en schoolboeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter.
  • Begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, OVSG of POV.
  • Het godsdienstonderwijs of het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer wordt door een leermeester gegeven.

1.1.3. Kleuter én lager onderwijs

Het is evident dat in kleuterscholen het volledige kleuteronderwijs, in lagere scholen het volledige lager onderwijs en in basisscholen het volledige kleuter- en lager onderwijs wordt ingericht, dit met het oog op een volledige schoolloopbaan van een leerl ing basisonderwijs.

In het gewoon basisonderwijs kunnen nieuwe scholen het kleuter- en lager onderwijs geleidelijk uitbouwen. Hetzelfde geldt voor autonome kleuter- of lagere scholen in het gewoon basisonderwijs die zich omvormen tot basisschool.

In he t gewoon basisonderwijs moet het kleuteronderwijs volledig georganiseerd zijn vanaf het derde bestaansjaar van dat onderwijsniveau in de school en het lager onderwijs dient volledig georganiseerd te zijn vanaf het zesde bestaansjaar van dat onderwijsniveau in de school.

Aangezien er nog scholen zijn waar het kleuteronderwijs niet volledig is uitgebouwd wordt voorzien dat deze verplichting, voor wat het gewoon kleuteronderwijs betreft, geldt vanaf het schooljaar 2016-2017. In het lager onderwijs hebben alle scholen, behalve die in opbouw, een volledige structuur lager onderwijs. Een overgangsmaatregel is daar niet nodig.

In het buitengewoon basisonderwijs kan een school er voor opteren slechts één niveau aan te bieden. Het kleuterniveau en het lager onderwi js wordt, indien het aangeboden wordt, van meet af aan volledig aangeboden, de niveaus kunnen niet opgebouwd worden.

Sinds 1 september 2003 kunnen er in het gewoon basisonderwijs enkel nog basisscholen opgericht worden. Scholen die opgericht worden vanaf 1 september 2003 zullen de structuur kleuter- én lager onderwijs moeten aannemen. Deze bepaling geldt niet voor bestaande scholen. Autonome kleuter- en lagere scholen kunnen hun huidige structuur behouden.

1.2. Aanvraag en toekenning van de erkenning

Een schoolbestuur dat voor een school de erkenning wil bekomen moet uiterlijk op 1 mei en volgens het model als bijlage een aanvraag indienen bij het bevoegd schoolbeheerteam.

De onderwijsinspectie stelt na indiening van de aanvraag ter plaatse een onderzoek in naar het vervullen van de hogervermelde erkenningsvoorwaarden.

De Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, kent de erkenning toe op advies van de inspectie.

Het onderzoek door de onderwijsinspectie gebeurt door één of meerdere inspecteurs. Het inspectiebezoek wordt niet aangekondigd. Tijdens het bezoek kan de inspectie relevante informatie opvragen, lessen bijwonen en gesprekken voeren met personeelsleden, leden van het schoolbestuur, ouders, leerlingen, …

 

Binnen de 30 dagen na het onderzoek bezorgt de inspectie een verslag aan de directie en aan het schoolbestuur. Dit verslag resulteert in een gemotiveerd advies, hetzij een gunstig advies, hetzij een ongunstig advies met een lijst van vastgestelde tekorten.

Tegen een ongunstig advies kan het schoolbestuur binnen de dertig dagen via aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift richten aan de inspecteur-generaal, die binnen de dertig kalenderdagen een definitieve beslissing omtrent het advies neemt.

De aanvraag tot erkenning, het advies van de inspectie en eventueel het bezwaarschrift worden vervolgens aan de minister voorgelegd.

Informatie over de procedure voor het advies van de onderwijsinspectie bij een aanvraag tot opname in de erkenning vindt u ook op de website van de onderwijsinspectie.

1.3. Melden van de oprichting van een nieuw schoolbestuur

Eén van de erkenningsvoorwaarden is georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een scho olbestuur. Indien het hier een nieuw schoolbestuur betreft, meldt u dit ook uiterlijk op 1 mei aan het bevoegde schoolbeheerteam.

Het meldingsformulier vindt u als bijlage 7 van deze omzendbrief.

1.4. Uitreiken van getuigschriften

Een schoolbestuur kan voor de scholen die erkend zijn van rechtswege geldende getuigschriften basisonderwijs uitreiken.

2. Financiering en subsidiëring

2.1. Voorwaarden van toepassing op het gewoon en buitengewoon basisonderwijs

Een schoolbestuur ontvangt financiering of subsidiëring voor zijn scholen indien deze:

  • - voldoen aan de erkenningsvoorwaarden (zie hoger);
  • - voldoen aan de programmatie- of rationalisatienormen. (zie voor het gewoon: Programmatie en rationalisatie in het gewoon basisonderwijs; zie voor het buitengewoon programmatie en rationalisatie in het buitengewoon basisonderwijs)

2.2. Specifieke voorwaarden m.b.t. de afstanden voor het gewoon basisonderwijs

Sinds 1 september 2003 zal een nieuwe school voor gewoon basisonderwijs enkel gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze op een bepaalde afstand gelegen is van elke andere kleuter-, lagere of basisschool of vestigingsplaats van dezelfde groep.

Met groep wordt bedoeld:

- het gemeenschapsonderwijs;

- het gesubsidieerd officieel onderwijs;

- het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang de onderscheiden godsdiensten;

- het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs.

In gemeenten met een bevolkingsdichtheid tot en met vijfhonderd inwoners per km² is de afstand drie kilometer; in gemeenten met een bevolkingsdichtheid van méér dan vijfhonderd inwoners per km²en minder dan 1501 inwoners per km²is de afstand twee kilometer. Hier geldt de bevolkingsdichtheid zoals die bepaald is in artikel 3,8° van het decreet basisonderwijs. Deze gemeenten zijn samen met hun bevolkingsdichtheid terug te vinden in bijlage 5.

In gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan 1500 inwoners per km²is de afstand 250 meter. In afwijking van artikel 3,8° van het decreet basisonderwijs geldt hier de bevolkingsdichtheid zoals deze berekend werd door de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek en zoals deze op de eerste schooldag van februari voorafgaand aan de start van het schooljaar beschikbaar is. De gemeenten met een bevolkingsdichtheid van meer dan 1500 inwoners per km²zijnals bijlage 6 opgenomen. De school kan in deze gemeenten niet worden opgericht op hetzelfde of een aangrenzend kadastraal perceel waar reeds een bestaande gefinancierde of gesubsidieerde school of vestigingsplaats voor gewoon kleuter-, lager-, of basisonderwijs van dezelfde groep gevestigd is.

Opmerkingen :

Voor de scholen gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geldt de werkelijke bevolkingsdichtheid van deze gemeenten (dit in tegenstelling tot de regelgeving m.b.t. de programmatie- en rationalisatienormen die stelt dat deze scholen slechts moeten voldoen aan de normen van de geïsoleerde scholen in gemeenten met minder dan vijfenzeventig inwoners per km²).

De afstand wordt gemeten volgens de bepalingen van het decreet basisonderwijs (artikel 3 4°). Dit is de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen.

Een school die om een of andere reden stopgezet wordt maar het volgende schooljaar opnieuw opstart, wordt beschouwd als een nieuwe school die ook aan de nieuwe voorwaarden moet voldoen.

2.3. Stopzetten van de financiering en subsidiëring

Een school verliest haar financiering of subsidiëring indien ze niet meer voldoet aan de programmatie- of rationalisatienormen. Zij behoudt wel haar erkenning indien ze aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet.

Een gefinancierde of gesubsidieerde school die niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden kan de erkenning verliezen en bijgevolg ook de financiering of subsidiëring. Vanaf 1/9/2013 kan de erkenning ingetrokken worden voor de volledige school, voor een vestigingsplaats maar ook voor een onderwijsniveau of een type in een vestigingsplaats.

Wanneer vaststaat dat de school op korte termijn terug zal voldoen aan de erkenningsvoorwaarden kan de regering afzien van opheffing van de erkenning en beslissen alleen de financiering of subsidiëring tijdelijk in te houden.

2.4. Aanvraag.

Het schoolbestuur dient een aanvraag tot financiering of subsidiëring in uiterlijk op 1 mei en volgens het model als bijlage, bij het bevoegd schoolbeheerteam.

Indien de school reeds erkend is gaat het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) na of de school voldoet aan de vereiste programmatienormen. Voor het gewoon basisonderwijs gaat AgODi eveneens na of ze op voldoende afstand gelegen is van elke andere kleuter-, lagere of basisschool of vestigingsplaats van dezelfde groep én of ze kleuter- en lager onderwijs aanbiedt.

Indien de school nog niet erkend is, gaat de inspectie eerst na of de erkenningsvoorwaarden zijn vervuld.

De minister beslist op advies van AgODi en van de onderwijsinspectie of de school kan worden gefinancierd of gesubsidieerd.

3. Bijlagen