Versoepelingsomzendbrief

  • referentie
    ND/13EA/SBT 00/5
  • publicatiedatum
    05/06/2000
  • datum laatste wijziging
    06/10/2000
  • wettelijke basis
    Decreet betreffende het onderwijs II
  • wettelijke basis
    Decreten van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van het personeel
  • wettelijke basis
    Decreet betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten van 17 juli 1991
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', zoals gewijzigd
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans', zoals gewijzigd
  • opheffing
    Omzendbrief OND/V/3/PR-FM/jk van 18/5/1995 - groepering van de leerlingen voor de vakken 'kunstgeschiedenis' (hogere graad) en 'bijzondere kunstgeschiedenis' (specialisatiegraad); Omzendbrief 13/EA PRFM/odb/ van 2/10/1995 - het samenvoegen van de vakken 'algemene inleiding tot de repertoirestudie' (AIRS), 'repertoirestudie toneel', 'repertoirestudie voordracht' en 'repertoirestudie welsprekendheid' tot één vak 'repertoirestudie woordkunst' in de hogere graad van de studierichting woordkunst; Omzendbrief 13EA/AMD van 12/06/1998; Omzendbrief OND/13EA/IVA 99/5 van 3/5/1999 - verduidelijking van sommige bepalingen van de besluiten op het DKO, punt 1 (verandering van optie en/of leerjaar na 1 oktober).
  • Versoepeling van regelgeving : - verduidelijking; - vereenvoudiging; - responsabilisering

1. Inleiding

Met deze omzendbrief wil het Ministerie van Onderwijs en Vorming tegemoet komen aan een aantal dringende vragen van het veld.

Een aantal van de onderstaande wijzigingen verduidelijken of vereenvoudigen een aantal bepalingen van het Besluit of omzendbrieven. Andere verlenen meer autonomie aan de directies. De wijzigingen creëren een gedoogperiode in afwachting van een eventuele aanpassing van de regelgeving.

Na één jaar volgt een evaluatie van de aanpassingen die deze omzendbrief introduceert. Als er een aanpassing van de regelgeving komt, zal er bekeken worden welke bepalingen daarin opgenomen kunnen worden en welke nog bijgestuurd moeten worden.

De omzendbrief bevat 3 gedeeltes:

  • - een algemeen gedeelte voor alle academies,
  • - een specifiek gedeelte voor de academies Beeldende Kunst,
  • - een specifiek gedeelte voor de academies Muziek, Woord en Dans.

In elk gedeelte zijn nog verdere inhoudelijke onderverdelingen gemaakt.

2. Algemeen gedeelte voor alle academies

2.1. Lesverplaatsingen

2.1.1. Evaluatie van het voorgestelde reglement

In de loop van de schooljaren 1998-1999 en 1999-2000 hebben bijna alle academies hun reglement over de lesverplaatsingen opgestuurd. Een aantal heeft daarnaast ook nog een evaluatie van het werken met dat reglement opgestuurd. < >

Een analyse van de reglementen en evaluaties zorgde voor een aantal verfijningen.

2.1.2. <Resultaten van de evaluatie>

  • - Hoewel een schoolreglement voor de DKO-scholen wettelijk niet verplicht is, veronderstellen we dat de meeste academies een schoolreglement noodzakelijk vinden voor de goede werking van de school. Het lesverplaatsingsreglement mag dan ook geïntegreerd worden in het schoolreglement. Indien de academie niet beschikt over een schoolreglement moet er een apart lesverplaatsingsreglement opgemaakt worden.
  • - De leerkrachten in het DKO moeten geregeld deelnemen aan jury's voor de openbare proeven in andere academies en daar lesverplaatsingen voor aanvragen. Voor de directies is het vaak een jaarlijks terugkerend probleem om voldoende juryleden te vinden. Een aantal leerkrachten dreigt het toegelaten contingent te overschrijden als zij naast lesverplaatsingen voor persoonlijke artistieke activiteiten er ook nog voor deelname aan jury's aanvragen. Om dat te vermijden, valt de deelname aan jury's buiten het contingent.
  • - Het schoolbestuur kan lesverplaatsingen om uitzonderlijke persoonlijke redenen toestaan.
  • - De aanvraagtermijn van 30 kalenderdagen voor de lesverplaatsing is voor het merendeel van de academies te lang. De termijn wordt daarom ingekort tot 14 dagen.
  • - Het contingent lesverplaatsingen verschilt van academie tot academie. De meeste academies bepalen het contingent individueel per leerkracht volgens een bepaalde formule. Die formule verschilt van academie tot academie. Heel vaak komt echter de formule "tweemaal de wekelijkse lesopdracht terug". Dat stemt dan overeen met 5% van de jaarlijkse lesopdracht. Een individueel bepaald contingent van tweemaal de wekelijkse lesopdracht of 5% van de jaaropdracht zou voldoende moeten zijn. Bij deelname aan langdurige artistieke projecten kunnen de leerkrachten gebruik maken van de TBS-PA-regeling 1 .

2.1.3. Aangepast reglement

2.1.3.1. Definitie

Elke les die <door een leraar om individuele artistieke of pedagogische redenen> verplaatst wordt binnen het door de school vastgelegde uurrooster, is een lesverplaatsing.

2.1.3.2. Uitgangspunten

De principes steunen op:

  • - Het decreet II betreffende het onderwijs van 31 juli 1990.
  • - De decreten van 27 maart <1991> betreffende de rechtspositie van het personeel.
  • - Het decreet betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten van 17 juli 1991.
  • - De Besluiten van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het DKO.
  • - De verantwoordelijkheid van de inrichtende machten voor de uitvoering van het lesurenpakket dat door de overheid gefinancierd of gesubsidieerd wordt.

2.1.3.3. Principes

Algemene

  • - alle door de overheid gefinancierde of gesubsidieerde lesuren dienen plaats te vinden;
  • - op de eerste plaats is de directie verantwoordelijk voor de lesverplaatsingen;
  • - alle leerlingen hebben recht op alle lessen van hun studierichting en optie;
  • - het is belangrijk dat de continuïteit van het onderwijs gerespecteerd wordt. Voor langdurige en/of geregeld terugkerende artistieke prestaties die tot lesverplaatsingen zouden leiden, kan de leerkracht gebruik maken van een reglementair verlofstelsel;
  • - lesverplaatsingen van meer dan <14> opeenvolgende kalenderdagen zijn pedagogisch en organisatorisch niet verantwoord.

Specifieke

  • - lesverplaatsingen hebben steeds een uitzonderlijk karakter. Ze kunnen slechts toegestaan worden om duidelijk omschreven artistieke <en pedagogische> redenen (ook deelname aan jury's van openbare proeven <en het volgen van navorming>);
  • - in uitzonderlijke gevallen kan het schoolbestuur een lesverplaatsing om persoonlijke redenen toestaan;
  • - de directie beslist over de goedkeuring of de weigering van de lesverplaatsing. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij het schoolbestuur;
  • - elke leerling moet worden verwittigd en moet de verplaatste uren kunnen meemaken. Daarvoor kan een spreiding van verplaatste lesuren noodzakelijk zijn;
  • - lessen kunnen niet worden verplaatst naar een vakantiedag of wettelijke feestdag;
  • - de verplaatste les wordt gegeven binnen een periode van <14> kalenderdagen vóór of na het oorspronkelijke lesuur en met inachtneming van een redelijke spreiding;
  • - het contingent is individueel bepaald per leerkracht. Elke leerkracht mag maximaal 5 % van zijn jaaropdracht verplaatsen. Dat stemt overeen met 2 x de wekelijkse lesopdracht;
  • - lesverplaatsingen omwille van deelname aan een jury van een openbare proef tellen niet mee in het contingent;
  • - lesverplaatsingen tijdens de schooldoorlichting worden gemeld aan de inspectie.

2.1.3.4. Procedure

Elke school legt de procedure voor de aanvraag van een lesverplaatsing vast. Die procedure en de criteria om een lesverplaatsing toe te staan of te weigeren, staan in een reglement.

Het reglement wordt ad valvas in de school bekendgemaakt. Bij de inschrijving krijgt elke leerling en/of ouder het reglement.

2.1.3.4.1. De aanvraag

Elke aanvraag tot lesverplaatsing gebeurt schriftelijk.

Het aanvraagdocument vermeldt ten minste :

  • - de datum van de aanvraag;
  • - de naam en de voornaam van de leerkracht;
  • - de datum en de uren van de lessen die verplaatst zullen worden;
  • - de datum en de uren waarop de verplaatste lessen zullen gegeven worden;
  • - de reden met duidelijk omschreven motivering.

De aanvraag gebeurt minimaal 14 dagen voor de te verplaatsen les, tenzij bij hoge uitzondering.

2.1.3.4.2. De beoordeling van de aanvraag

De directie beoordeelt en overweegt elke aanvraag tot lesverplaatsing.

De goedkeuring of de weigering wordt op het aanvraagdocument vermeld.

2.1.3.4.3. Register lesverplaatsingen

Elke school houdt een register bij met de aanvragen en beslissingen over lesverplaatsingen.

Het schoolbestuur, de inspectie en de verificatie kan dat register op elk moment raadplegen.

Een lesverplaatsing moet dus vooraf niet meer gemeld worden aan de inspectie tenzij er in het kader van de doorlichting een inspectiebezoek plaatsvindt. In dat geval wordt de lesverplaatsing gemeld aan de betrokken inspecteur.

2.1.3.4.4. De melding aan de leerlingen en/of ouders

Elke lesverplaatsing wordt schriftelijk aan de leerling en/of de ouders gemeld.

De rechten van de leerlingen en/of de ouders worden zorgvuldig gerespecteerd.

2.1.3.4.5. De les

Een verplaatste les heeft de gebruikelijke duurtijd. Bij een lesverplaatsing van een groepsgericht individueel vak wordt bij voorkeur de samenstelling van de groep gerespecteerd.

2.1.3.4.6. Controle en evaluatie

Het toezicht op de lesverplaatsingen en op het naleven van de reglementaire context is een gedeelde verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, de directie en de inspectie.

2.2. Toelatingsperiode

(zie B.VL.R.(MWD), art.24, §1 en B.VL.R.(BK), art.16, §1)

De toelatingsproef < > kan vervangen worden door een toelatingsperiode. Deze toelatingsperiode duurt tot het einde van het eerste trimeter en wordt gestaafd met een evaluatiedocument (proces-verbaal).

Voor sommige nieuwe leerlingen is het beter om het niveau te bepalen met een toelatingsperiode in plaats van een toelatingsproef. De leerling volgt dan tot het einde van het trimester de vakken van het leerjaar waarin hij wil terecht komen. De leerkrachten van de verschillende vakken kunnen dan op basis van die periode inschatten of de leerling de leerstof van dat leerjaar aankan.

De directeur beslist in samenspraak met de betrokken leerkrachten of een bepaalde leerling een toelatingsproef moet afleggen of een toelatingsperiode moet doorlopen.

2.3. Inschrijvingsformulier

Gezien bijna alle academies aangesloten zijn op de leerlingendatabank is het niet meer nodig dat de leerlingen elk jaar opnieuw een inschrijvingsformulier invullen.

Leerlingen die vorig jaar al ingeschreven waren in de instelling hoeven geen inschrijvingsformulier meer in te vullen.

Nieuwe leerlingen of leerlingen die zich na een onderbreking opnieuw inschrijven, moeten wel een inschrijvingsformulier invullen.

2.4. Pedagogische evaluatiefiche

(zie B.VL.R.(MWD) Art. 29 en B.VL.R.(BK) Art. 19)

Tijdens het schooljaar wordt van iedere leerling van de hogere of specialisatiegraad in de studierichting BK en van iedere leerling in alle graden van de studierichtingen MWD tweemaal per jaar een schriftelijke evaluatie gemaakt en meegedeeld aan de leerling.

<Het schoolbestuur (inrichtende macht)> kan zelf de concrete vorm van die evaluatie uittekenen. < > Belangrijk is dat de evaluatie schriftelijk gebeurt en dat de leerling ervan op de hoogte gebracht wordt.

2.5. Aanvraag optie

Tot nu toe moest een opleiding enkel gemeld worden. Omdat voor sommige opties een specifieke infrastructuur nodig is, is het beter dat de inspectie vooraf nakijkt of de nodige infrastructuur aanwezig is.

Een academie kan dus pas van start gaan met een nieuwe optie als de inspectie de lessentabel en de infrastructuur goedgekeurd heeft. Dat gebeurt vóór het begin van het schooljaar.

2.6. Puntenlijsten en processen-verbaal

(B.VL.R.(BK), art. 27 en B.VL.R.(MWD), art. 40)

In iedere instelling worden de puntenlijsten en processen-verbaal van de proeven opgesteld volgens de modellen die bij deze omzendbrief gevoegd zijn. < >

2.7. Bewaren van documenten

In het belang van de leerlingen bewaart de academie de loopbaanfiches.

Processen-verbaal en puntenlijsten van de overgangs- en eindproeven moeten 10 jaar bewaard blijven.

Inschrijvingsformulieren, processen-verbaal van toelatingsproeven en -perioden, aanwezigheidslijsten, lijsten van regelmatig ingeschreven leerlingen, schriftelijke proeven, evaluatiefiches, lijsten van vrijstelling van vakken, toelatingen i.v.m. afwijkingen op de groeperingsnormen moeten voor het huidige en het vorige schooljaar bewaard blijven.

Formulieren in verband met verleende vrijstellingen van vakken worden bijgehouden zolang de leerling les volgt.

2.8. Het begrip vrije leerling

(zie omz. OND/13EA/IVA 99/5 van 3 mei 1999)

Er is nogal wat onduidelijkheid over het begrip 'vrije leerling'. Hieronder wordt daarom duidelijk omschreven wie een vrije leerling is.

Een vrije leerling is een leerling die niet voldoet aan de definitie van regelmatige leerling.

Vrije leerlingen kunnen worden toegelaten tot de lessen die aan de regelmatige leerlingen worden gegeven, op voorwaarde dat zij het normale lesverloop niet storen en geen afbreuk doen aan de normale rechten van de regelmatige leerlingen (o.a. geen overschrijding groeperingsnorm en geen overmatige belasting van de infrastructuur).

In geen geval mogen lesuren uit het lesurenpakket worden gebruikt om uitsluitend les te geven aan vrije leerlingen (afwending van middelen). Vrije leerlingen kunnen deelnemen aan de proeven maar kunnen geen attesten of getuigschriften, zoals bepaald in de reglementering, behalen.

3. Specifiek gedeelte voor de academies voor Beeldende Kunst

3.1. Structuur

3.1.1. Groeperingen van leerlingen

(zie B.VL.R (BK), art. 10 en omz. OND/V/3/PR-FM/jk van 18 mei 1995 en Formulier A (BK)-toelichtingen)

De onderstaande opsomming verzamelt alle bepalingen over groeperingen van leerlingen in de studierichting BK.

  • - de leerlingen van de vakken 'algemene beeldende vorming', 'waarnemingstekenen', 'kleurstudie', 'vormstudie', 'architecturale vorming', 'kantwerk' en 'kunstinitiatie' mogen binnen de graad over de leerjaren samen zitten.
  • - Voor het vak 'kunstgeschiedenis' mogen de leerlingen over de opties en de leerjaren gegroepeerd worden.
  • - Voor het vak 'bijzondere kunstgeschiedenis'mogen de leerlingen over de leerjaren en over de aanverwante opties gegroepeerd worden.
  • - Voor het vak 'tekenen' mogen de leerlingen van de hogere graad en van de specialisatiegraad over de opties en de graden gegroepeerd worden.
  • - De leerlingen van het vak 'specifiek artistiek atelier' van een optie mogen binnen de graad over de leerjaren samen zitten en bovendien gegroepeerd worden over de graden (hogere en specialisatiegraad).
  • - De leerlingen van het vak 'keuzeatelier' van een optie mogen binnen de graad over de leerjaren samen zitten en bovendien ook samen zitten met de leerlingen van het vak 'specifiek artistiek atelier' van <een bestaande optie van de hogere graad>.
  • - De leerlingen mogen voor alle overige vakken binnen hetzelfde leerjaar, ongeacht de optie, per vak gegroepeerd worden.
  • - De leerlingen uit een hogere graad van vier leerjaren kunnen niet gegroepeerd worden met de leerlingen uit een hogere graad van vijf leerjaren.

De groeperingsnormen moeten behouden blijven, met uitzondering van een door de inspectie goedgekeurde afwijking van de maximale groeperingsnorm.

3.1.2. Inschrijvingen volgens leeftijdsgroepen in de middelbare graad

(zie B.VL.R.(BK), art. 13)

Tot nu toe werd een leerling tot de middelbare graad enkel toegelaten als hij houder was van een overgangsattest van de lagere graad. Om toegelaten te worden tot het tweede of een hoger leerjaar moest de leerling geslaagd zijn in het voorgaande leerjaar van de middelbare graad.

Het is echter belangrijk dat er rekening gehouden wordt met de sociale context van deze groep leerlingen.

Ook in de middelbare graad is het daarom beter om met leeftijdsgroepen te werken. Er zijn dan drie leeftijdsgroepen:

1° leeftijdsgroep MI: het eerste en tweede leerjaar middelbare graad;

2° leeftijdsgroep MII: het derde en vierde leerjaar middelbare graad;

3° leeftijdsgroep MIII: het vijfde en zesde leerjaar middelbare graad.

  • - Men wordt toegelaten tot de leeftijdsgroep MI als men twaalf jaar is en niet ouder dan dertien jaar of als men ingeschreven is in <de eerste graad van het> secundair onderwijs;
  • - Men wordt toegelaten tot de leeftijdsgroep MII als men veertien jaar is en niet ouder dan vijftien jaar of als men ingeschreven is in <de tweede graad van het> secundair onderwijs.
  • - Men wordt toegelaten tot de leeftijdsgroep MIII als men ten minste zestien jaar of ingeschreven is in <de derde graad van het> secundair onderwijs.

(De vermelde leeftijd moet bereikt zijn op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar)

3.2. Overgangs- en eindproeven

(B.VL.R.(BK), Art. 20, §1)

Aan het einde van de lagere graad en aan het einde van ieder leerjaar van de hogere en specialisatiegraad, behalve het laatste jaar, worden overgangsproeven georganiseerd. De eindproeven worden georganiseerd in het laatste leerjaar van de middelbare graad, van de hogere graad en van de specialisatiegraad.

4. Specifiek gedeelte voor de academies voor muziek, woordkunst en dans

4.1. De begrippen 'jongere' en 'volwassene'

(zie B.VL.R.(MWD), Art. 2, §1, 9°)

Volgens het B.VL.R. is een leerling "die op het 31 december van het schooljaar waarvoor hij inschrijft, jonger is dan 15 jaar of die een schooljaar voordien als dusdanig werd ingeschreven en sedertdien zijn studies niet onderbrak", een jongere.

Momenteel moeten leerlingen van 12 tot 15 jaar ingeschreven worden in de sectie jongeren om financierbaar te zijn. Daardoor komen die leerlingen terecht bij kinderen van acht jaar. De directie en leerkrachten zijn uitstekend geplaatst om in te schatten of deze leerlingen het best in de sectie jongeren of volwassenen passen.

De directeur kan daarom om pedagogische redenen bij 12- tot 15-jarigen de definitie 'jongere' anders interpreteren en zelf bepalen in welke sectie de leerling thuishoort. <Een leerling die in een bepaalde sectie begonnen is, kan echter niet na verloop van tijd overschakelen naar de andere sectie.>

4.2. Structuur

4.2.1. Vrijstellingen voor leerlingen met een visuele handicap

(zie B.VL.R.(MWD), art. 7, 6°)

Leerlingen met visuele handicap die de studierichting muziek volgen, kunnen vrijgesteld worden van de vakken 'algemene muziekcultuur', 'samenspel', 'koor', 'instrumentaal ensemble' en 'vocaal ensemble'.

Vanaf nu kan de directeur leerlingen met een visuele handicap van om het even welk vak vrijstellen, dus ook van 'algemene muzikale vorming'. Deze leerlingen blijven ook met vrijstellingen financierbaar.

4.2.2. Groeperen van leerlingen

  • - De leerlingen van het vak 'instrumentaal ensemble' in de hogere graad mogen om organisatorische en pedagogische redenen samen zitten met de leerlingen van het vak 'samenspel' in de middelbare graad.
  • - De leerlingen van het vak 'vocaal ensemble' in de hogere graad mogen om organisatorische en pedagogische redenen samen zitten met de leerlingen van het vak 'koor' in de middelbare graad.

<Het schoolbestuur (inrichtende macht)> kan op basis van het toegekende urenpakket zelf bepalen welke honorering aan een bepaald lesuur gekoppeld wordt. Dat urenpakket mag echter niet overschreden worden (zie B.VL.R. Art. 45). Het uurrooster moet daarover duidelijkheid geven.

<Leerlingen van de hogere graad krijgen echter altijd les van een leraar met lesbevoegdheid voor de hogere graad. In het geval van een combinatie van samenspel-leerlingen en ensemble-leerlingen is dus enkel het vereiste bekwaamheidsbewijs voor 'instrumentaal ensemble' geldig (zelfde redenering voor 'koor' en 'vocaal ensemble').>

  • - De leerlingen van de vakken 'instrument', 'begeleidingspraktijk', 'zang', 'koor', 'stemvorming' en 'toneel' mogen om pedagogische redenen over de graden gegroepeerd worden.

Ook hier bepaalt de directeur de honorering van het lesuur onder voorwaarde dat het urenpakket niet overschreden mag worden (zie B.VL.R. (MWD), art. 45). Het uurrooster moet daarover duidelijkheid geven.

<Leerlingen van de hogere graad krijgen echter altijd les van een leraar met lesbevoegdheid voor de hogere graad. In het geval van een combinatie van 'samenspel'-leerlingen en 'instrumentaal ensemble'-leerlingen is dus enkel het vereiste bekwaamheidsbewijs voor 'instrumentaal ensemble' geldig. Zelfde redenering voor 'koor' en 'vocaal ensemble'.>

4.2.3. Samenvoegen van de repertoirestudievakken

In een aantal academies zijn de vakken 'algemene inleiding tot de repertoirestudie' (AIRS), 'repertoirestudie toneel' (RST), 'repertoirestudie voordracht' (RSV) en 'repertoirestudie welsprekendheid' (RSW) samengevoegd tot één vak 'repertoirestudie woordkunst' (RSWoordkunst). Tot nu toe moesten de directies vooraf toelating aan de inspectie en de administratie vragen.

Vanaf nu kan de directie zelf beslissen of de aparte repertoirestudievakken gegeven worden of het gezamenlijke vak 'RS Woordkunst'.

Voor dat vak is geen vrijstelling mogelijk. De maximale groeperingsnorm is 35 leerlingen.

Samenvoegingen die al eerder gemeld zijn, moeten niet meer opnieuw gemeld worden.

4.3. Toelatings- en overgangsvereisten

4.3.1. Veranderen van optie of leerjaar na 1 oktober

< >

Zo'n verandering kan tijdens het schooljaar op voorwaarde dat:

-de verandering gebeurt vóór 31 januari;

-de leerling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden;

-de leerling examen aflegt van het leerjaar waarin hij als regelmatige/financierbare leerling wordt geteld op 1 februari.

Nieuw is nu dat een leerling van de optie samenspel ook kan overschakelen naar de optie instrument.

< > De directie kan verantwoorde overgangen naar een leerjaar in een volgende graad toestaan.

Verandering van optie of leerjaar in de loop van het schooljaar moet met de nodige omzichtigheid gebeuren. De betrokken leerkracht en de directie moeten de verandering schriftelijk motiveren.

4.3.2. Toelatingsproef voor de optie 'muziekgeschiedenis' in de hogere graad

(zie B.VL.R.(MWD), art. 24, §1)

Er kan geen toelatingsperiode georganiseerd worden voor de optie 'muziekgeschiedenis' in de hogere graad. Tot deze optie kunnen de leerlingen enkel toegelaten worden op basis van de gewone voorwaarden van het B.VL.R., d.w.z. met een toelatingsproef. De datum van deze toelatingsproef moet vóór 31 augustus aan de inspectie gemeld worden en de proef moet vóór 15 september afgelegd worden.

4.3.3. Toelating tot de middelbare graad opties 'algemene muziekcultuur' en 'algemene muziektheorie'

(zie B.VL.R.(MWD), art. 16, §1, 1° en 2°)

  • - Een leerling die in het laatste leerjaar van de lagere graad wel slaagt voor het vak 'algemene muzikale vorming' maar niet voor het vak 'instrument', kan doorstromen naar de optie 'algemene muziekcultuur' of 'algemene muziektheorie' van de middelbare graad en wordt als financierbare leerling geteld.

Op die manier behoudt de leerling de sociale context en wordt het studieritme niet verstoord.

<Ook voor leerlingen van de sectie 'volwassenen' in L4, die in L3 geslaagd zijn voor het vak 'AMV', bestaat deze mogelijkheid. Bij een dergelijke doorstroming, die niet verplicht is, moet men er rekening mee houden dat een leerling voor elk gevolgd jaar van een optie slechts éénmaal financierbaar is, met uitzondering van de mogelijkheid tot overzitten.

  • - Leerlingen die al in het secundair onderwijs zitten, maar nog geen twaalf jaar zijn, kunnen na een toelatingsperiode instromen in de optie 'algemene muziekcultuur' en moeten niet meer wachten tot ze twaalf jaar zijn.

4.4. Evaluatie, proeven en bekrachtiging van studies

4.4.1. Geen verplichting tot proeven van een aantal vakken in de studierichtingen muziek en woordkunst

(B.VL.R.(MWD), art. 30, §2)

Voor de vakken 'samenspel', 'begeleidingspraktijk', 'koor', 'luisterpraktijk', 'lyrische kunst', 'vocaal ensemble' en 'instrumentaal ensemble' is er geen verplichting tot het afnemen van overgangsproeven.

Deze lijst is aangevuld met een aantal vakken. Indien er wel proeven worden georganiseerd, moeten de leerlingen slagen voor deze proeven om over te kunnen gaan.

Uiteraard neemt de directie een beslissing voor de hele school en hangt het al of niet organiseren van de proeven niet af van de verschillende leerkrachten.

4.4.2. Samenstelling examencommissie bij overgangs- en eindproeven in de studierichtingen Muziek, Woordkunst en Dans

(zie B.VL.R.(MWD), art. 33, 1° tot en met 5°)

Voor de overgangsproeven in de lagere graad, het laatste leerjaar in iedere studierichting uitgezonderd, bestaat de examencommissie uit de directeur of zijn afgevaardigde en tenminste de vaktitularis.

Voor de overgangsproeven in het laatste leerjaar van de lagere graad en de eindproeven in het laatste leerjaar van de middelbare graad bestaat de examencommissie uit de directeur of zijn afgevaardigde, de vaktitularis en <minimum> twee deskundigen van wie ten minste één van buiten de instelling.

Voor de eindproeven in de hogere graad bestaat de examencommissie uit de directeur of zijn afgevaardigde en de vaktitularis en tenminste twee deskundigen van buiten de instelling.

Het is voor de directies moeilijk om voor alle overgangs- en eindproeven voldoende externe juryleden te vinden. Daarom wordt het aantal deskundigen van buiten de instelling beperkt tot één voor de proeven op het einde van de lagere en middelbare graad.

Deze omzendbrief gaat in op 1 september 2000

5. Bijlage

- (1): Vanaf 1 september 1999 is er een nieuwe regeling toepasbaar m.b.t. de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden. Naast de vastbenoemde leerkrachten kunnen nu ook de tijdelijken TBS-PA aanvragen. Voor meer informatie: zie omzendbrief 13AC/B.Ph./SH/js van 22/03/2000