Toegang tot de specialisatiegraad vanuit 1) aanverwante opties en/of onderverdelingen van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst en 2) het voltijds secundair onderwijs

  • Vaststellen van aanverwante opties

1. Huidige situatie

Artikel 15, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990, houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst, stelt :

"Tot het eerste leerjaar van de specialisatiegraad wordt men als regelmatig leerling toegelaten indien men houder is van het getuigschrift van het secundair onderwijs van dezelfde of van een aanverwante optie. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs bepaalt de aanverwante opties".

Artikel 53 van hetzelfde besluit voegt daar aan toe :

"In afwijking van artikel 15, § 1 wordt een leerling eveneens tot het eerste leerjaar van de specialisatiegraad toegelaten indien hij houder is van een getuigschrift van de hoger secundaire cyclus".

Uiteraard wordt hier eveneens bedoeld een getuigschrift van de hoger secundaire cyclus van dezelfde of van een aanverwante optie.

2. Voorstel

Het bevoegd bestuur heeft op advies van de inspectie 'beeldende kunst' een voorstel uitgewerkt.

Op basis van dit voorstel wordt thans in bijlage (met aanduiding van de onderwijsvorm) in concreto bepaald welke opties of andere onderverdelingen van het hoger secundair niveau, de derde graad (V.L.) of de hogere graad (DKO) van het secundair onderwijs verwant zijn aan de bestaande opties van de specialisatiegraad van het deeltijds kunstonderwijs. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met de concordantietabel van opties, die het voorwerp heeft uitgemaakt van de ministeriële omzendbrief KO1/11/12 van 20 juni 1990.

Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor het feit dat een overgang vanuit een aanverwante onderverdeling van het B.S.O. steeds onderworpen is aan de bijkomende voorwaarde te beschikken over een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt op het niveau van het zevende leerjaar B.S.O.

De gedachte die ten grondslag ligt van twee onderverdelingen die aanverwant zijn, is dat de ene reeds voldoende leerstof aan bod heeft laten komen en/of praktische vaardigheden heeft laten verwerven om met reële kansen op succes de tweejarige studie van de andere aan te vangen. Indien omgekeerd de overgang van de ene onderverdeling naar de andere gekenmerkt wordt door zulkdanige tekorten en/of achterstanden in de "leerinhouden en vaardigheden", dat deze onmogelijk op twee jaar kunnen goedgemaakt worden, dan zijn de desbetreffende onderverdelingen niet aanverwant.

Behoudens de in bijlage expliciet weergegeven onderverdelingen zijn eveneens aanverwant deze onderverdelingen waarover de Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs in uitzonderlijke gevallen als dusdanig beslist ingevolge een "aanvraag inzake aanverwantschap", vóór 15 september van het lopende schooljaar ingestuurd bij de afdeling Scholen Secundair Onderwijs en DKO door het inrichtingshoofd van de school waar een belanghebbende leerling de lessen wenst te volgen. De aanvraag bevat de optie in de specialisatiegraad waarvoor de aanverwantschap wordt aangevraagd, een afschrift van het bekwaamheidsbewijs van de voorgaande studie en de lessentabellen die deze studie verantwoorden.

Alhoewel de inspectie er tijdens het schooljaar 1990-1991 strikt heeft over gewaakt dat er geen buitensporige inschrijvingen in "aanverwante opties" konden plaats vinden, wordt u toch verzocht na te gaan of er tijdens het voorbije schooljaar geen inschrijvingen hebben plaats gevonden die in strijd zijn met de inhoud van deze omzendbrief. Dergelijke inschrijvingen dienen per kerende post aan het bestuur van het kunstonderwijs te worden medegedeeld.

3. Bijlage