Algemene richtlijnen en toelichtingen aangaande de actuele stand van de reglementering in verband met het deeltijds kunstonderwijs

  • referentie
    OND/V/3/JA/hdb
  • publicatiedatum
    01/07/1994
  • datum laatste wijziging
    06/10/2000
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst'
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'
  • opheffing
    Omzendbrief OND/V/3/RD/JC van 24 juni 1992 - wijzigingen aan de bestaande instructies inzake inschrijvingsgeld, groeperingsnormen en aanwendingspercentages in het DKO
  • opheffing
    Omzendbrief OND/V/3/JA/PR/hdb van 7 juli 1993
  • opheffing
    Omzendbrief OND/V/3/AR/hdb van 2 september 1993 - schooljaar 1993-1994: jaarlijkse inlichtingen
  • opheffing
    Omzendbrief OND/V/3/PR-FM/hdb van 1 oktober 1993
  • Actualisering en samenvatting van omzendbrievenStand van zaken huidige regelgeving vanaf het schooljaar 1994-1995

Deze omzendbrief verzamelt en coördineert de richtlijnen die in de vorige jaren meegedeeld werden. Hij actualiseert ze rekening houdend met de huidige wetgeving en reglementering.

1. Teldatum voor berekening van het aantal leraarsuren en voor de toepassing van de rationalisatienormen

Vanaf het schooljaar 1994-1995 zal men het aantal leraarsuren vaststellen op grond van de telling van de financierbare leerlingen op 1 februari van het voorgaande schooljaar.

De teldatum voor de toekenning van de leraarsuren voor het schooljaar 1994-1995 is dus 1 februari 1994.

Op dezelfde wijze zal de vaststelling of een instelling, een studierichting of een graad in het schooljaar XXXX - XXXX+1 de vereiste rationalisatienorm behaalt, gebeuren op grond van het aantal financierbare leerlingen op 1 februari XXXX

De teldatum voor de rationalisatie in het schooljaar 1994-1995 is dus 1 februari 1994.

2. Het begrip "financierbare leerling"

Voor de vaststelling van het aantal leraarsuren en voor de toepassing van de rationalisatie en programmatie, komen alleen "financierbare leerlingen" in aanmerking.

Belangrijk is goed voor ogen te houden dat een "financierbare leerling" steeds een "regelmatige leerling" is. De voorwaarden om regelmatig leerling te zijn, blijven ongewijzigd en houden onder meer de voorwaarde in met betrekking tot het inschrijvingsgeld.

In de studierichting beeldende kunst is een "financierbare leerling":

de regelmatige leerling die ten hoogste één leerjaar in dezelfde optie van dezelfde graad heeft overgezeten.

In de studierichtingen 'muziek', 'woordkunst', 'dans', luidt het:

de regelmatige leerling die

  • a) het inschrijvingsgeld heeft betaald voor de gevolgde studierichting;

  • b) ten hoogste één leerjaar in dezelfde optie van dezelfde graad van dezelfde studierichting heeft overgezeten;

  • c) ofwel de hierna vermelde vakken volgt:

- in de studierichting muziek

lagere graad : algemene muzikale vorming

middelbare graad : algemene muziekcultuur, behoudens vrijstelling - art. 58 Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990.

- in de studierichting woordkunst

lagere graad: algemene verbale vorming

middelbare graad jongeren:

  • - eerste en tweede leerjaar : dramatische expressie,
  • - derde leerjaar : voordracht

middelbare graad volwassenen :

  • - eerste en tweede leerjaar : algemene verbale vorming en dramatische expressie
  • - derde leerjaar : voordracht en/of toneel

- in de studierichting dans

lagere graad : algemene artistieke bewegingsleer

middelbare graad : klassieke dans;

ofwel ingeschreven is in de hogere graad of in een andere graad waarin een experiment ingericht wordt voor zover in het kader daarvan de gewone regeling niet van toepassing is.

Een leerling is slechts éénmaal financierbaar per studierichting alhoewel hij voor meerdere opties regelmatig leerling kan zijn.

3. Rationalisatienormen vanaf het schooljaar 1994-1995

Het vaststellen of een instelling, een studierichting en/of een graad de vereiste norm behalen in een bepaald schooljaar gebeurt steeds op grond van het aantal financierbare leerlingen geteld op 1 februari van het voorgaande schooljaar. Zo zal de telling van de financierbare leerlingen op 1 februari 1994 bepalen of de normen bereikt zijn in functie van het schooljaar 1994-1995.

Overzichtelijke tabel van de rationalisatienormen, geldig vanaf het schooljaar 1994-1995

LG = lagere graad; MG = middelbare graad; HG = hogere graad; SG = specialisatiegraad

 

BK 

M-W-D 

Instelling 

 

LG+MG 

MG+HG 

HG+SG 

LG+MG+HG 

MG+HG+SG 

LG+MG+HG+SG 

 

 

 

150 (60) 

150 (60) 

150 (60) 

200 (60) 

200 (60) 

250 (60) 

 

 

150 (60) 

150 (60) 

200 (60) 

Studierichting 

 

Muziek (M) 

Woordkunst (W) 

Dans (D) 

Beeldende Kunst (BK) 

 

 

 

150 (60) 

 

 

150 (60) 

40 (16) 

15 (6) 

Graad 

 

LG 

MG 

HG (BK) 

SG (BK) 

HG (M) 

HG (W) 

HG (D) 

 

 

 

50 (20) 

12 (5) 

 

 

15 (6) 

5 (2) 

5 (2) 

De getallen tussen haakjes zijn de normen die <tot en met het schooljaar 2000-2001> gelden voor de instellingen in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, die daarbuiten geen filialen organiseren.

4. Afbouwregels bij het niet bereiken van de rationalisatienomen

4.1. Voor instellingen

Indien zij de norm niet bereikt op 1 februari XXXX, moet de instelling met ingang van het schooljaar XXXX-XXXX+1, ofwel in iedere graad van elke studierichting alle opties geleidelijk sluiten, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste, ofwel fusioneren met een andere instelling voor DKO.

Een instelling voor Beeldende Kunst die de vier graden inricht en de norm niet bereikt mag voortbestaan indien zij, na afschaffing van de specialisatiegraad, de norm voor een instelling met drie graden bereikt.

Voorbeeld : op 1 februari 1994 telt de instelling 236 financierbare leerlingen, waarvan 16 in de specialisatiegraad. Zonder deze laatste graad telt zij voor LG, MG en HG samen 220 financierbare leerlingen. In die structuur (LG+MG+HG) kan zij dan in het schooljaar 1994-1995 verder bestaan. De specialisatiegraad wordt nochtans onmiddellijk en volledig gesloten op 1 september 1994.

Zo ook mag een instelling voor Beeldende Kunst die de MG, de HG en de SG inricht en de norm niet bereikt voortbestaan indien zij, na afschaffing van de specialisatiegraad, de norm voor een instelling met twee graden bereikt.

4.2. Voor studierichtingen

Indien zij de norm niet bereikt op 1 februari XXXX moet de studierichting met ingang van het schooljaar XXXX-XXXX+1 in elke graad en in elke optie geleidelijk sluiten, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste.

Zolang de instellingen voor Beeldende Kunst alleen deze studierichting organiseren, houdt het bereiken van de instellingsnorm het bereiken van de norm van de studierichting in.

4.3. Voor graden

Voor de lagere graad en voor de middelbare graad zijn geen afzonderlijke normen gesteld.

Het niet bereiken van de norm op 1 februari XXXX houdt voor een hogere graad in dat hij met ingang van het schooljaar XXXX-XXXX+1 geleidelijk moet afbouwen, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste.

Indien een instelling voor Beeldende Kunst haar hogere graad moet afbouwen en indien ze eveneens de specialisatiegraad organiseert, moet zij aansluitend ook deze specialisatiegraad afbouwen.

5. 5. Inschrijvingsgeld

5.1. Vormelijkheid

De vaststelling van het inschrijvingsgeld is samengebracht in één besluit (en dus niet meer geïntegreerd in de organisatiebesluiten).

5.2. Tarieven

Voortaan gelden nog slechts twee tarieven: <één tarief voor min-18-jarigen (op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar) en één tarief voor alle anderen. Beide tarieven kunnen verminderd worden in bepaalde gevallen.>

5.3. Sociale correcties

Het verminderd tarief geldt voor werklozen, bestaansminimumtrekkers, gehandicapten, mindervaliden, erkende politieke vluchtelingen, en voor de personen die zij ten laste hebben. Het verminderd tarief geldt eveneens voor jongeren uit de bijzondere jeugdzorg en <studenten in de leeftijdscategorie 18 tot en met 24 jaar voor zover deze recht hebben op kinderbijslag>.

Hiermee zijn de gewenste sociale correcties opnieuw bevestigd.

5.4. Familiale correcties

Voor leerlingen onder de 18 jaar geldt dat het tweede en de volgende leden van een zelfde gezin slechts het verminderd tarief < > moeten betalen; een zelfde leerling onder de 18 jaar betaalt voor een tweede en verdere inschrijving eveneens het verminderd tarief.

5.5. Inschrijvingsgeld per studierichting

Iedereen is inschrijvingsgeld verschuldigd voor elke studierichting waarvoor hij zich inschrijft, in dezelfde of in een andere instelling.

5.6. Formaliteiten

De toepassing van het verminderd tarief moet telkens gestaafd zijn door een rechtsgeldig attest, bij te houden in het individueel leerlingendossier.

5.7. Doorstorting

De instellingen moeten de geïnde inschrijvingsgelden doorgestort hebben naar het ministerie uiterlijk op 15 november van het schooljaar waarop ze betrekking hebben. Indien de storting op die datum niet is gebeurd, wordt aan de bevoegde minister voorgesteld de werkingstoelagen of een deel van de dotatie te schrappen.

Er worden geen gestorte inschrijvingsgelden meer terugbetaald omdat de doorstorting mag gebeuren tot 15 november in plaats van 15 oktober (één maand uitstel). De instellingen zijn volledig verantwoordelijk voor de toepassing van de verminderde tarieven.

Indien de instelling door de inrichtende macht verplicht wordt de geïnde inschrijvingsgelden eerst aan hem door te storten, is die inrichtende macht finaal verantwoordelijk voor de doorstorting naar het ministerie binnen de gestelde termijnen.

6. Uren-leraar

6.1. Aanwendingspercentages

6.1.1. Studierichting beeldende kunst

- lagere graad: 85 %

- middelbare graad: 85 %

- hogere graad 4-jarige of 5-jarige cyclus: 92 %

- specialisatiegraad: 95 %

6.1.2. Studierichting muziek

- lagere graad: 92 %

- middelbare graad

niet vrijgestelden AMC : 92 %

vrijgestelden AMC : 70 %

- hogere graad : 100 %

6.1.3. Studierichting woordkunst

- lagere graad : 92 %

- middelbare graad : 90 %

- hogere graad : 100 %

6.1.4. Studierichting dans

- alle graden : 100 %

6.1.5. Brusselse instellingen

Voor de studierichtingen muziek, woordkunst en dans is het aanwendingspercentage 100 % voor de instellingen die gevestigd zijn in de negentien gemeenten van het bestuurlijk arrondissement Brussel-hoofdstad.

6.2. Aanwending

De inrichtende macht mag het toegekend aantal uren-leraar vrij aanwenden na raadpleging van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het bevoegd overlegcomité (officieel onderwijs) of in de ondernemingsraad (vrij onderwijs).

Uren-leraar bekomen voor de lagere en voor de middelbare graad zijn niet overdraagbaar naar de hogere en/of de specialisatiegraad. Het omgekeerde is wel mogelijk. Onverminderd deze beperking blijven de uren-leraar bestemd voor de studierichtingen muziek, woordkunst en dans onderling verwisselbaar.

Het aantal uren pedagogische coördinatie mag niet meer bedragen dan 1 % van het totaal aantal toegekende uren-leraar. Het resultaat van deze berekening wordt naar de hogere eenheid afgerond. In alle gevallen is het nochtans toegelaten 2 uren pedagogische coördinatie per studierichting aan te wenden.

6.3. Supplementaire uren in de beeldende kunst

In de toegekende uren-leraar, zoals meegedeeld door de administratie, zijn de supplementaire uren begrepen die werden toegekend wanneer een instelling de opties architectuurtekenen, industriële kunst, binnenhuiskunst inricht.

6.4. Afbouw van een optie

De afbouw van een optie gebeurt in principe geleidelijk, jaar na jaar. De inrichtende macht mag evenwel beslissen de afbouw in één tijd door te voeren. Het is nochtans aan te raden dergelijke beslissing enkel te nemen wanneer geen ander alternatief mogelijk is. De inrichtende macht moet de administratie alleszins schriftelijk verwittigen alvorens tot de afbouw over te gaan.

In de studierichting beeldende kunst worden vanaf het schooljaar 1994-1995 geen extra-uren meer toegekend voor de afbouw van opties. Reeds toegekende extra-uren worden geleidelijk verminderd tot de betrokken opties volledig afgebouwd zijn.

6.5. Omzetting van uren-leraar

In de studierichting beeldende kunsten kunnen de instellingen die in het schooljaar 1993-1994 de toelating hadden uren-leraar om te zetten in uren-opsteller of uren-studiemeester, dit verder doen.

Het aantal omgezette uren mag nochtans niet hoger liggen dan het aantal dat in het schooljaar 1993-1994 omgezet werd.

7. Groeperingsnormen voor de leerlingen

De groeperingsnormen zijn reglementair vastgesteld. Mocht er grondige aanleiding zijn om hiervan af te wijken dan gebeurt de aanvraag daartoe aan de hand van een bijzonder document dat de instellingen ontvangen als bijlage bij het dossier van de jaarlijkse inlichtingen. Datzelfde document geeft trouwens een overzicht van de maximale groeperingsnormen.

Aangaande de interpretatie van artikel 10, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst, wordt verwezen naar de omzendbrief <OND/13EA/SBT 00/5 van 5 juni 2000 - versoepelingsomzendbrief, punt 3.1.1. (groepering van leerlingen)>, eveneens opgenomen in de coördinatie van de omzendbrieven.

8. Vrijstellingen

< > (omzendbrief 13EA/AMD/FM van 9 april 1998 - werking van de verificatie)

9. Oprichting van nieuwe structuuronderdelen

9.1. Instellingen, studierichtingen, graden en filialen

< > (omzendbrief 13EA/FM/GDS van 1 april 1999 - programmatie van instellingen, filialen, studierichtingen en graden vanaf het schooljaar 1999-2000)

9.2. Opties

< > (omzendbrief OND/13EA/SBT 99/4, van 3 mei 1999 - richtlijnen in verband met de administratieve verwerking van opties in het deeltijds kunstonderwijs (DKO) - het formulier C en de bijhorende lessentabel)

10. Controle ter plaatse

< > (omzendbrief 13EA/AMD/FM van 9 april 1998 - werking van de verificatie)

11. Formulieren PERS

Deze formulieren moeten gestuurd worden naar het betrokken werkstation (42 of 43). Voor het invullen ervan wordt verwezen naar de instructies in het deel 'Personeel' van de coördinatie van de omzendbrieven: <13CD/RM/JDC van 14 juni 2000 - de verdeling van de betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, praktische schikkingen.>

12. Aanbevelingen

Het spreekt voor zich dat deze omzendbrief enkel een gerichte toelichting geeft bij de toepassing van de organisatiebesluiten. De inrichtende machten moeten uiteraard deze besluiten zelf goed onderzoeken en integraal toepassen.