Deeltijds kunstonderwijs: programmatie van instellingen, filialen, studierichtingen en graden vanaf het schooljaar 1999-2000

  • referentie
    13EA/FM/GDS
  • publicatiedatum
    01/04/1999
  • datum laatste wijziging
    06/10/2000
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999, hoofdstuk VII
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse regering 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans', zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999, hoofdstuk VII
  • wettelijke basis
    Ministerieel besluit van 16 mei 1999 tot bepaling van de voorwaarden voor de aanvraag van een programmatie in het deeltijds kunstonderwijs en de behandeling ervan, de voorwaarden voor de melding van een structuurwijziging in het bestaande studieaanbod in het deeltijds kunstonderwijs en de infrastructuurvereisten voor de studierichting dans in het deeltijds kunstonderwijs
  • opheffing
    Omzendbrief 13EA/AMD/FM van 8 april 1998 - programmatie van instellingen, studierichtingen en graden, en oprichting van filialen, vanaf het schooljaar 1998-1999
  • Programmatienormen
  • Structuurwijzigingen

1. Inleiding

Een ontwerp van besluit waarmee de programmatievoorwaarden in het Deeltijds Kunstonderwijs bijgestuurd worden, werd op 30 maart 1999 door de Vlaamse regering principieel goedgekeurd en op de agenda van de syndicale onderhandelingen geplaatst. Bij de ontwerpregeling hoort ook een ontwerp van ministerieel besluit dat de modaliteiten van de programmatieaanvraag en de behandeling ervan bepaalt.

Met deze omzendbrief wil ik u op de hoogte brengen van de belangrijkste elementen van deze ontwerpregeling met het oog op de behandeling van programmatieaanvragen voor het schooljaar 1999-2000.

2. Algemene richtlijnen voor elke nieuwe programmatie

1. De oprichting van instellingen, van filialen, van studierichtingen en van graden is onderworpen aan programmatievoorwaarden.

2. De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs beslist over de goedkeuring tot programmatie op advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het Ministerie van Onderwijs en Vorming. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria:

- de behoeften;

- de rationele spreiding;

- de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen;

- de onderwijskundige en opvoedkundige context in de betrokken instelling, zoals die blijkt uit het doorlichtingsverslag.

Bij het advies met betrekking tot de programmatie van een studierichting dans wordt rekening gehouden met het streven naar de door de minister bepaalde normen van infrastructuur.

Per schooljaar en per instelling is slechts één aanvraag tot programmatie van of één filiaal, of één studierichting of één graad mogelijk. Indien zulke aanvraag wordt ingediend, kan in hetzelfde schooljaar geen aanvraag voor een experiment gebeuren.

Bij elke programmatie moeten de goedgekeurde minimumleerplannen gevolgd worden.

Indien de programmatienorm niet bereikt wordt in een van de jaren van oprichting, moet de beoogde programmatie aan het einde van het schooljaar volledig stopgezet worden.

De inspectie zal in de loop van het eerste schooljaar van de programmatie een verslag opstellen, waaruit moet blijken dat aan de bij de aanvraag gegeven garanties aangaande de algemene en didactische infrastructuur, het toezicht, de veiligheid en hygiëne effectief voldaan is.

3. De programmatieaanvraag

Een aanvraag moet gebeuren voor:

- de programmatie van een instelling, filiaal, studierichting of graad;

- de omvorming van een filiaal tot instelling.

De aanvraag voor een programmatie van een instelling, filiaal, studierichting of graad, of voor de omvorming van een filiaal tot instelling, bevat:

1. een verklaring van de betrokken partij(en) met een nauwkeurige omschrijving van de gewenste programmatie;

2. het adres waar de oprichting zal plaatshebben;

3. een gedetailleerde beschrijving van de onder punt 2 vermelde vestigingsplaats met aanduiding van de beschikbare algemene en specifieke infrastructuur en de omgevingsfactoren;

4. de afstand in kilometer tot alle omliggende vestigingsplaatsen van instellingen voor deeltijds kunstonderwijs of filialen ervan waar hetzelfde studieaanbod wordt ingericht, gemeten tussen de vestigingsplaatsen volgens de kortste weg langs de rijbaan;

5. een analyse van de aanwezigheid in de omgeving van initiatieven op het vlak van kunstzinnige vorming buiten het deeltijds kunstonderwijs, met een aanduiding van de specialiteit en de doelgroep ervan;

6. omschrijving van het rekruteringsveld (d.w.z. de gemeenten waaruit leerlingen gerekruteerd zullen worden en het verwachte aantal leerlingen per gemeente).

Een programmatieaanvraag moet bij de afdeling Scholen Secundair Onderwijs en DKO van het Ministerie van Onderwijs en Vorming uiterlijk ingediend worden op 1 maart voorafgaand aan het schooljaar waarin de aangevraagde programmatie zou ingaan. De postdatum is bewijskrachtig. Voor de aanvragen van programmaties voor het schooljaar 1999-2000, wordt de datum van 1 maart uitzonderlijk vervangen door 21 april.

Programmatieaanvragen voor het schooljaar 1999-2000 moeten uiterlijk ingediend worden op 21 april 1999 (de postdatum is bewijskrachtig) op het volgende adres:

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Departement Onderwijs

Afdeling Deeltijds Kunstonderwijs

Mevrouw Annemie Dewael, afdelingshoofd

Hendrik Consciencegebouw, C7

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Vroegere aanvragen worden niet automatisch in aanmerking genomen; een hernieuwing van de aanvraag, die voldoet aan de vereisten bepaald in dit hoofdstuk, is nodig.

4. De programmatievoorwaarden

4.1. Nieuwe instellingen

1. De afstand tot de dichtstbijgelegen instelling of filiaal van een andere inrichtende macht mag niet kleiner zijn dan 15km. Deze afstand wordt gemeten van vestigingsplaats tot vestigingsplaats volgens de kortste weg langs de rijbaan.

2. De nieuwe instelling moet de inrichting beogen van een volledige lagere en middelbare graad.

3. De programmatie moet een geleidelijke uitbouw voorzien van de instelling, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de lagere graad.

4. De programmatienorm die gelijk is aan 300 % van de rationalisatienorm, moet bereikt worden in elk schooljaar van de periode van de oprichting in verhouding tot het aantal opgerichte leerjaren. Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de middelbare graad wordt georganiseerd; vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm.

In concreto: voor Vlaanderen en Brussel is de programmatienorm respectievelijk 450 (=300 % x 150) en 180 (=300 % x 60); dit wil zeggen dat voor het eerste jaar er voor instellingen MWD respectievelijk 65 (=450/7) en 26 (=180/7) en voor instellingen BK respectievelijk 38 (=450/12) en 15 (=180/12) financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999).

5. Voor het eerste leerjaar worden enkel in aanmerking genomen:

- in de studierichting beeldende kunst leerlingen die op 31 december van het schooljaar waarvoor ze ingeschreven worden de leeftijd van 6 jaar hebben of ingeschreven zijn in het eerste leerjaar van het lager onderwijs;

- in de studierichtingen muziek, woordkunst en dans leerlingen die op 31 december van het schooljaar waarvoor ze ingeschreven worden de leeftijd van 8 jaar bereikt hebben of ingeschreven zijn in het derde leerjaar van het lager onderwijs.

4.2. Nieuwe instellingen ontstaan door omvorming van filiaal naar hoofdinstelling

1. De afstand tot de dichtstbijgelegen instelling of filiaal van een andere inrichtende macht mag niet kleiner zijn dan 15km. Deze afstand wordt gemeten van vestigingsplaats tot vestigingsplaats volgens de kortste weg langs de rijbaan.

2. De omvorming van filiaal tot instelling gebeurt in één tijd met minstens een volledige lagere en middelbare graad.

3. De programmatienorm is gelijk aan 250 % van de rationalisatienorm voor instellingen in Vlaanderen en instellingen in Brussel met filialen buiten het hoofdstedelijk gewest (125 % voor instellingen in Brussel zonder filialen buiten het hoofdstedelijk gewest).

In concreto: voor instellingen in Vlaanderen en in Brussel met filialen buiten het Brussels hoofdstedelijk gewest is de programmatienorm voor twee of drie graden respectievelijk 375 (=250 % x 150) en 500 (=250 % x 200); dit wil zeggen dat respectievelijk 375 en 500 financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999). Voor instellingen in Brussel zonder filialen buiten het Brussels hoofdstedelijk gewest is de programmatienorm voor twee of drie graden 75 (=125 % x 60): dit wil zeggen dat 75 financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999). Vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm.

4. Een nieuwe specialisatiegraad kan niet geprogrammeerd worden in een filiaal omgevormd naar een hoofdinstelling.

5. Bij de omvorming van een filiaal tot instelling wordt voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingstoelagen de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.

4.3. Nieuwe studierichtingen (Woordkunst en Dans)

1. De betrokken instelling voldoet aan de rationalisatienorm.

2. De programmatie moet in een geleidelijke uitbouw voorzien van de studierichting, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de lagere graad.

3. De programmatienorm die gelijk is aan 200 % van de rationalisatienorm, moet bereikt worden in elk schooljaar van de periode van de oprichting in verhouding tot het aantal opgerichte leerjaren; het laatste schooljaar waarin de programmatienorm bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de middelbare graad wordt georganiseerd; vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm.

In concreto: voor instellingen in Vlaanderen is de programmatienorm voor de studierichting woordkunst en dans respectievelijk 80 (=200 % x 40) en 30 (=200 % x 15); dit wil zeggen dat er in het eerste leerjaar respectievelijk <12 (afgerond 80/7) en 3 (afgerond 30/7)> financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999). De rationalisatienorm voor de studierichting woordkunst en dans wordt toegepast vanaf het <achtste> jaar van oprichting en is respectievelijk 40 en 15. Voor instellingen in Brussel is de programmatienorm voor de studierichting woordkunst en dans respectievelijk 32 (=200 % x 16) en 12 (=200 % x 6): dit wil zeggen dat er in het eerste leerjaar respectievelijk <5 (afgerond 32/7) en 2 (afgerond 12/7)> financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999). De rationalisatienorm voor de studierichting woordkunst en dans wordt toegepast vanaf het <achtste> jaar van oprichting en is respectievelijk 16 (=40 % x 40) en 6 (=40 % x 15).

4. De normen inzake infrastructuur voor het oprichten van een studierichting dans in het deeltijds kunstonderwijs zijn:

ZAAL en DANSVLOER

- in de zaal is een vrije dansruimte beschikbaar van minstens 100 m² met een dansvloer van minstens 80 m²; de kortste zijde is minstens 8 m lang;

- een gedeelte van de zaal is voorbehouden voor didactisch materiaal en begeleidingsinstrumentarium; de hoogte van de zaal bedraagt minimaal 3,5 m;

- een 'zwevende', gemakkelijk te onderhouden vloer heeft een geschikte gladheid;

- indien de zaal multifunctioneel is, zijn oprolbare stroken kamerbreed tapijt beschikbaar.

BARREN en SPIEGELS

- De barren zijn vastgemonteerd of verstelbaar; ze hebben een diameter van 4 cm en staan op een hoogte van 0,9 of 1,1 m, op 30 cm van de muur en op een ongelijke afstand van 45 cm;

- omwille van de bewegingsruimte dient een onderscheid te worden gemaakt wat betreft de lengte van de barren:

· voor kinderen: 12 m losse of 20 m vaste barren (of een combinatie ervan);

· voor jongeren en volwassenen: 20 m losse of 30 m vaste barren (of een combinatie ervan);

- vaste spiegels zijn gemonteerd langsheen één volledige wand. In een multifunctionele zaal is het mogelijk deze spiegelwand af te sluiten met gordijnen; als alternatief voor vaste spiegels kan voorzien zijn in makkelijk verplaatsbare spiegels over een totale lengte van minimaal 8 m.

VERLICHTING, VERLUCHTING, VERWARMING

- De verlichting is helder en goed gespreid; zij bedraagt minstens 250 lux;

- de ventilatie en de verwarming zijn aangepast aan de ruimte en tochtvrij;

- danszaal en kleedkamers zijn tochtvrij en moeten kunnen verlucht worden.

AKOESTIEK en ISOLATIE

- De akoestiek is aangepast voor spreekstem en muziek;

- de dansactiviteit mag geen geluidshinder veroorzaken voor de andere schoolactiviteiten.

DIDACTISCHE INFRASTRUCTUUR

- Voor de begeleiding is een aangepast instrumentarium en professioneel audio-materiaal beschikbaar;

- de school beschikt over een didactisch verantwoord muziekrepertoire en dansliteratuur.

KLEEDRUIMTES en BERGING

- Kleedruimtes en toiletten met lavabo's bevinden zich in hetzelfde gebouw als de danszaal;

- jongens en meisjes beschikken over een afzonderlijke kleedruimte;

- de leerkrachten beschikken over een eigen kleedruimte;

- een kastje voor EHBO is binnen handbereik;

- de school beschikt over een bergruimte voor kostuums, rekwisieten, decorelementen en dergelijke.

5. De programmatie van de hogere graad van een studierichting gebeurt volgens de normen bepaald in volgende paragraaf.

4.4. Nieuwe graden

1. De betrokken instelling voldoet aan de rationalisatienorm.

2. Een hogere graad kan enkel ingericht worden in een instelling die de lagere en middelbare graad van de betrokken studierichting volledig heeft uitgebouwd.

3. Een nieuwe specialisatiegraad kan niet geprogrammeerd worden.

4. De uitbouw kan slechts geleidelijk gebeuren, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de hogere graad.

5. De programmatienorm, die gelijk is aan 200 % van de rationalisatienorm, moet bereikt worden in elk schooljaar van de periode van de oprichting in verhouding tot het aantal opgerichte leerjaren; het laatste schooljaar waarin de programmatienorm bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de hogere graad wordt georganiseerd; vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm.

In concreto: voor instellingen in Vlaanderen en in Brussel met filialen buiten het Brussels hoofdstedelijk gewest is de programmatienorm voor de hogere graad muziek, woordkunst, dans en beeldende kunst respectievelijk 30, 10, 10 en 100; dit wil zeggen dat er in het eerste leerjaar respectievelijk 10, 4, 4 en 20(25) financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999). Voor instellingen in Brussel zonder filialen buiten het Brussels hoofdstedelijk gewest is de programmatienorm voor de hogere graad muziek, woordkunst, dans en beeldende kunst respectievelijk 12, 4, 4 en 40: dit wil zeggen dat er in het eerste leerjaar respectievelijk 4, 2, 2 en 8(10) financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999).

6. Een instelling die de hogere graad opricht bij wijze van programmatie, moet vanaf het schooljaar waarin zij voor het eerst het tweede leerjaar van deze hogere graad organiseert, de rationalisatienorm bereiken van een instelling met drie opeenvolgende graden. Bereikt ze deze norm niet, dan moet zij de oprichting van de hogere graad aan het einde van dat schooljaar volledig stopzetten.

In concreto: daar de rationalisatienorm voor drie graden 200 (voor Vlaanderen) is, moet deze norm bereikt worden op 1 oktober 2000, indien de oprichting van de hogere graad begonnen is op 1 september 1999.

4.5. Nieuwe filialen

Een filiaal is een vestigingsplaats van een instelling op het grondgebied van een andere gemeente.

4.5.1. Voorwaarden voor nieuwe filialen van instellingen voor muziek, woordkunst en dans

1. De instelling voldoet aan de rationalisatienorm.

2. Alleen de oprichting van een filiaal voor de sectie jongeren is mogelijk; voor het eerste leerjaar in de studierichting muziek, woordkunst en dans worden enkel de leerlingen in aanmerking genomen die op 31 december van het schooljaar waarvoor ze ingeschreven worden de leeftijd van 8 jaar bereikt hebben of ingeschreven zijn in het derde leerjaar van het lager onderwijs.

3. Een nieuw filiaal kan alleen de lagere graad programmeren.

4. De programmatie van een filiaal houdt in dat de lagere graad geleidelijk, leerjaar per leerjaar, ingericht wordt.

5. In elk schooljaar van de periode van oprichting moet in het filiaal de som van de programmatienormen van de ingerichte studierichtingen bereikt worden. De programmatienormen zijn als volgt vastgesteld:

a) studierichting muziek: 20 leerlingen vermenigvuldigd met het aantal opgerichte leerjaren;

b) studierichting woordkunst: 8 leerlingen vermenigvuldigd met het aantal opgerichte leerjaren;

c) studierichting dans: 4 leerlingen vermenigvuldigd met het aantal opgerichte leerjaren.

In afwijking hiervan is de programmatienorm voor de oprichting van een filiaal gelijk aan:

- 40 % van de bovenvermelde programmatienorm voor de instellingen gevestigd in het Brussels hoofdstedelijk gewest, en die daarbuiten geen filialen hebben;

- 125 % van de hogervermelde programmatienorm voor een filiaal gevestigd in een gemeente met meer dan 20.000 inwoners.

In concreto: voor instellingen in Brussel zonder filialen buiten het Brussels hoofdstedelijk gewest wil dit zeggen dat er in het filiaal in het eerste leerjaar voor muziek, woordkunst en dans respectievelijk 8, 4 en 2 financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999); voor gemeenten met meer dan 20.000 inwoners wil dit zeggen dat er in het filiaal in het eerste leerjaar voor muziek, woordkunst en dans respectievelijk 25, 10 en 5 financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999).

Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de lagere graad georganiseerd wordt. Vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm voor elke studierichting afzonderlijk. Het niet bereiken van de programmatienorm in één van de jaren van oprichting heeft tot gevolg dat de instelling de oprichting van het filiaal volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar.

6. Enkel instellingen die minstens een lagere en een middelbare graad van de betrokken studierichting hebben, mogen een nieuw filiaal oprichten.

7. In een filiaal in oprichting mogen enkel de studierichtingen ingericht worden die reeds in de instelling bestaan; in afwijking hiervan, kan om infrastructurele redenen en mits grondige motivatie de minister desgevallend afwijking verlenen.

8. In een filiaal in oprichting moeten minstens twee studierichtingen ingericht worden.

4.5.2. Voorwaarden voor nieuwe filialen van instellingen voor beeldende kunst

1. De instelling voldoet aan de rationalisatienorm.

2. In een instelling voor Beeldende Kunst is alleen de oprichting van een filiaal voor jongeren mogelijk.

3. Een nieuw filiaal kan alleen de lagere graad programmeren.

4. De programmatie van een filiaal houdt in dat de lagere graad geleidelijk uitgebouwd wordt:

a) de oprichting van een lagere graad gebeurt in leeftijdsgroepen, in leerjaren, of in een combinatie van beide; 'leeftijdsgroep' is een nieuw begrip dat van toepassing is op leerlingen in de lagere graad beeldende kunst. De leeftijdsgroepen worden als volgt bepaald:

- leeftijdsgroep I: het eerste en tweede leerjaar lagere graad; tot deze leeftijdsgroep worden leerlingen toegelaten die zes jaar zijn en niet ouder dan zeven jaar, of ingeschreven zijn in het eerste leerjaar lager onderwijs;

- leeftijdsgroep II: het derde en vierde leerjaar lagere graad; tot deze leeftijdsgroep worden leerlingen toegelaten die acht jaar zijn en niet ouder dan negen jaar, of ingeschreven zijn in het derde leerjaar lager onderwijs;

- leeftijdsgroep III: het vijfde en zesde leerjaar lagere graad; tot deze leeftijdsgroep worden leerlingen toegelaten die tien jaar zijn en niet ouder dan elf jaar, of ingeschreven zijn in het vijfde leerjaar lager onderwijs.

De leeftijd moet bereikt zijn op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar.

b) De oprichting gebeurt leerjaar na leerjaar of leeftijdsgroep na leeftijdsgroep of een combinatie van beide. Indien een leeftijdsgroep is ingericht, mag het volgend schooljaar ofwel de hogere leeftijdsgroep ingericht worden, ofwel het eerste van de twee leerjaren van deze leeftijdsgroep. Indien slechts een eerste van de twee leerjaren van een leeftijdsgroep wordt ingericht, mag het volgende schooljaar slechts het tweede leerjaar van de desbetreffende leeftijdsgroep worden ingericht.

5. De programmatienorm voor een nieuw filiaal moet in elk schooljaar van de periode van oprichting bereikt worden en is als volgt vastgesteld: 20 leerlingen vermenigvuldigd met het aantal opgerichte leerjaren. In afwijking hiervan is de programmatienorm voor de oprichting van een filiaal gelijk aan:

- 40 % van de bovenvermelde programmatienorm voor de instellingen gevestigd in het Brussels hoofdstedelijk gewest, en die daarbuiten geen filialen hebben;

- 125 % van de bovenvermelde programmatienorm voor een filiaal gevestigd in een gemeente met meer dan 20.000 inwoners.

In concreto: voor instellingen in Brussel zonder filialen buiten het Brussels hoofdstedelijk gewest wil dit zeggen dat er in het filiaal in het eerste leerjaar 8 financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999). Voor gemeenten met meer dan 20.000 inwoners wil dit zeggen dat er in het filiaal in het eerste leerjaar 25 financierbare leerlingen moeten geregistreerd worden op 1 oktober 1999 (ingeval van programmatie op 1 september 1999).

Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de lagere graad georganiseerd wordt. Vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm.

Het niet bereiken van de programmatienorm in één van de jaren van oprichting heeft tot gevolg dat de instelling de oprichting van het filiaal volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar.

6. Enkel instellingen die minstens een lagere en een middelbare graad hebben, mogen een nieuw filiaal oprichten.

5. Behandeling van de programmatieaanvraag

De bevoegde inspectie formuleert voor elke ontvankelijke programmatieaanvraag een advies, ten minste uitgaand van de criteria die de Vlaamse regering daartoe bepaalt (zie hierboven onder 2.2.), en geeft aan in welke mate de aanvraag verdedigbaar is.

De afdeling Scholen Secundair Onderwijs en DKO onderzoekt de aanvraag op basis van de volgende objectieve gegevens:

voor alle aanvragen

a) groeipercentage (d.w.z. evolutie van het leerlingenaantal in de instelling gedurende de laatste vijf jaar);

b) doorlichtingsverslag en eventueel opvolgingsverslag van de bevoegde inspectie (d.w.z. verslagen door de inspectie van het Ministerie van Onderwijs en Vorming opgemaakt bij een doorlichting);

voor alle aanvragen behalve de programmatie van een graad

a) haalbaarheidsnorm (d.w.z. vergelijking van het aantal potentiële leerlingen van een aangevraagde instelling, filiaal of studierichting, gebaseerd op het aantal leerlingen lager onderwijs in de gemeente en de gemiddelde participatie aan het deeltijds kunstonderwijs in Vlaanderen, met de te bereiken programmatienorm);

b) aantal leerlingen in het basisonderwijs in de gemeenten behorend tot het rekruteringsveld;

c) aantal leerlingen die les volgen in de lagere graad van het deeltijds kunstonderwijs en wonen in de gemeenten behorend tot het rekruteringsveld.

Het verslag van de beoordeling van de aanvraag door de inspectie en administratie, hierna beoordelingsverslag genoemd, bestaat uit het advies van de inspectie en de conclusie van het onderzoek van de administratie, en bevat een indeling in categorieën van verdedigbaarheid.

Een bundel bestaande uit de aanvraag en het beoordelingsverslag van de inspectie en administratie wordt ten laatste op 30 april voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad. In afwijking hiervan wordt voor de behandeling van programmatieaanvragen voor het schooljaar 1999-2000 de datum van 30 april uitzonderlijk vervangen door 10 mei.

De Vlaamse Onderwijsraad formuleert voor elke ontvankelijke aanvraag een advies, dat tenminste uitgaat van de criteria die de Vlaamse regering daartoe bepaalt (zie hierboven onder 2.2.). De adviezen moeten ten laatste op 20 mei toekomen bij de afdeling Scholen Secundair Onderwijs en DKO.

De afdeling Scholen Secundair Onderwijs en DKO legt het volledige bundel bestaande uit de aanvraag, het beoordelingsverslag van de inspectie en administratie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad voor aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs.

De minister deelt vóór 30 juni zijn beslissing betreffende de aanvraag aan de betrokken inrichtende macht mee.

6. Melding van fusie, overheveling of netswijziging

Een melding aan het departement Onderwijs moet gebeuren bij de volgende structuurwijzigingen van het bestaande studieaanbod:

- overheveling van een filiaal van één instelling naar een andere instelling;

- fusie van twee instellingen door opslorping van één instelling door een andere instelling;

- fusie door afschaffing van twee of meer instellingen en oprichting van één nieuwe instelling;

- verandering van net door een instelling.

De melding bevat een verklaring van de betrokken partijen met een nauwkeurige omschrijving van, naargelang het geval, de overheveling van het filiaal, de fusie door opslorping, de fusie door afschaffing van instellingen en oprichting van één nieuwe instelling of verandering van net door een instelling.

De melding moet bij de afdeling Deeltijds Kunstonderwijs toekomen vóór 1 maart voorafgaand aan het schooljaar waarin de structuurwijziging ingaat. In afwijking hiervan wordt voor de meldingen voor het schooljaar 1999-2000 de datum van 1 maart uitzonderlijk vervangen door 20 april.

Een structuurwijziging zoals bedoeld in dit hoofdstuk die gemeld wordt zoals bepaald in dit hoofdstuk, heeft uitwerking ten aanzien van het departement Onderwijs vanaf 1 september volgend op de melding. De afdeling Deeltijds Kunstonderwijs deelt dit ten laatste op 30 juni volgend op de melding mee aan de betrokken inrichtende macht of inrichtende machten.

Bij de overheveling van een filiaal van één instelling naar een andere instelling wordt voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingstoelagen de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.

Ik vestig er uw aandacht op dat de programmatievoorwaarden en behandelingswijze van programmatieaanvragen in deze omzendbrief onder voorbehoud vermeld worden, aangezien het een ontwerpregeling betreft. Deze omzendbrief heeft tot doel u hierover te informeren om het indienen en behandelen van programmatieaanvragen voor het schooljaar 1999-2000 mogelijk te maken. De toepassing ervan is afhankelijk van de goedkeuring door de Vlaamse regering van de ontwerpregeling.